WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor 2025

De dichter Herwig Hensen: word wie gij zijt

Op 24 mei 1989 overlijdt in Berchem de dichter Herwig Hensen (geboren in 1917), auteursnaam van Flor Mielants jr.

In de beginjaren van zijn dichterschap stond Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme. Latere thema’s zijn de waanzin van de wereld, maar ook het bezingen van het leven.

Hieronder een gedicht van Herwig Hensen:

WORD WIE GIJ ZIJT
Word wie gij zijt. Waag te bedingen
wat nog niet één bedong tevoor.
Slechts wie zijn grens durft overspringen,
gaat aan geen grens teloor.
Niets is volmaakt, niets is ten einde,
elke verstarring is bedrog:
alles wat was, vloeide in het zijnde,
alles wat is, vloeit nog.

Gepubliceerd

24.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Herinneringen aan Cyriel Moeyaert

Op 23 mei 1920 werd de taalkundige, Frans-Vlaanderenkenner, pedagoog en onze goede vriend Cyriel Moeyaert (1920 -2020) geboren.

Er was een tijd dat ik twee of drie keren per week bij Cyriel op bezoek kwam, met de fiets vanuit Kaaster. Hij woonde toen nog in Ieper, in een statig huis, in de Deken de Brouwerstraat 3. Het waren voor me bevoorrechte momenten om met de beste taalmeester ter wereld (dixit Geert Bourgeois) mijn Nederlands te beoefenen.

Ik bleef er regelmatig tot uren in de nacht, al neuzend in zijn bibliotheek en zijn archief, op zoek naar verloren sporen van onze geschiedenis en onze taal.

Samen hebben we vergeten mensen uit de Vlaamse beweging in Frankrijk ontmoet; bij vele Frans-Vlamingen die nog hun moedertaal spraken woorden en uitdrukkingen genoteerd; oude archieven en Vlaamse teksten ontcijferd of vertaald, veel vergaderd en zelfs betoogd aan weerzijde van de schreve.

Cyriel leerde me dat onze streektaal geen koeterwaals was maar een uniek te koesteren taalrijkdom uit vele eeuwen. Zijn liefde voor- en zijn meesterlijke beheersing van de Nederlandse taal was niet in tegenspraak met zijn belangstelling voor de streektaal. Het vormde een groot geheel met de Nederlandse Gedachte als inspiratie.

Wij werken verder in dezelfde geest.

Gepubliceerd

23.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Arthur Conan Doyle: vertel het aan iemand anders

Op 22 mei 1859 werd in Edinburgh Arthur Conan Doyle geboren. Hij was van beroep arts, maar hij is vooral bekend als schrijver van detectiveverhalen over Sherlock Holmes. Daarnaast was hij geïnteresseerd in geschiedenis en schreef hij graag historische romans.

Doyle toonde nog bijzondere interesse voor sciencefiction en spiritisme, zoals in zijn boek The Coming of the Fairies (1921). Hij gaf ook lezingen over dit onderwerp. Hij geloofde in het bestaan van elfen en gaf hierover lezingen, bijvoorbeeld tijdens een bezoek aan Den Haag in 1928, waar hij werd ingeroepen vanwege spookachtige gebeurtenissen.

Zijn moeder, Mary Foley, had een grote invloed op hem. Ze was goed in vertellen, een talent dat Arthur erfde en dat hem inspireerde. Zijn vader, Charles Altamont Doyle, had Iers-katholieke wortels.

De familie Doyle kwam oorspronkelijk uit Normandië, uit het dorpje Ouilly-en-Orne. In de veertiende eeuw verhuisde de familie naar Ierland. De naam Doyle is een verengelsing van de naam van dat dorp: D’Oyly; later werd het D’Oel en uiteindelijk Doyle.

Arthur Conan Doyle overleed op 7 juli 1930 in Crowborough, Sussex.

Een citaat van A. C. Doyle:

Niets verheldert een zaak zo goed als het aan iemand anders te vertellen.

Gepubliceerd

22.05.2025

Kernwoorden
Reacties

De stichting van de Félibrige: “voor onze misprezen moedertaal”

Op 21 mei 1854 werd in het kasteel van Font-Ségugne in de Provence het literair genootschap de Félibrige opgericht door zeven jonge Provençaalse dichters. Het genootschap had oorspronkelijk als doel de Provençaalse taal en cultuur te beschermen en te promoten. In de loop der tijd verspreidden de activiteiten van de Félibrige zich over heel Occitanië, tot in Catalonië.

De bekendste onder de stichtende leden waren Frédéric Mistral, Joseph Roumanille en Théodore Aubanel. Ook de schrijver Alphonse Daudet was lid van de Félibrige.

Het Provençaalse woord ‘félibre’ betekent leerling of volger.

In 1914 had Frédéric Mistral het plan opgevat om te komen spreken in verschillende Vlaamse steden, op uitnodiging van Hilaire Allaeys en zijn vereniging Pro-Westlandia. Mistral werd ziek en liet zich vervangen door een medewerker. Bij diens aankomst in Vlaanderen bracht deze het nieuws dat Mistral inmiddels op 25 maart was overleden.

Gepubliceerd

21.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Wanneer eerherstel voor het bloedbad van Abbeville? 

Op 20 mei 1940 worden eenentwintig mensen uit een nog grotere groep zogenaamde verdachten, die lukraak in België worden gearresteerd en onwettig overgedragen aan de Franse autoriteiten, vermoord in Abbeville.

Deze werden in België uitgevoerd in opdracht van auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch en administrateur-generaal voor de veiligheid van de staat Robert de Foy. Historicus Luc Pauwels, in zijn boek “Joris van Severen. Op leven en dood, letterlijk,” meldt dat ‘Ganshof zich later verdedigt door te verwijzen naar minister van Justitie Paul-Emile Janson, die hem het bevel heeft gegeven. En die geeft de hete aardappel door aan premier Hubert Pierlot.’ Voor alle andere arrestaties citeert Pauwels historicus Carlos Vlaemynck, die bevestigt dat ‘de verantwoordelijkheid van de Belgische gezagsdragers in 1940 werd erkend.’

De laffe daad in Abbeville werd gepleegd door dronken Franse soldaten in paniek voor de Duitse bombardementen. Tussen de slachtoffers telde men zeven nationaliteiten: vier Duitsers, één Canadees, één Hongaarse en één Tsjecho-Slowaakse Jood, vier Italianen en twee Nederlanders.

De vermoorde personen met de Belgische nationaliteit waren er acht: Louis Caestecker en Lucien Monami (communist); René Wéry (rexisT); Maria Geerolf-Ceuterick; Jean Henri De Bruyn en Hector Vanderkelen (gelinkt aan de Abwehr); Jan Ryckoort en Joris van Severen (Verdinaso); Maria Geerolf-Ceuterick (gearresteerd in de plaats van haar Nederlandse schoonzoon).

De meest bekende onder de slachtoffers was de leider van het Verdinaso, Joris van Severen, en diens rechterhand Jan Ryckoort. Beide werden in Abbeville begraven.

Twee Franse daders werden in 1942 voor deze feiten veroordeeld tot de doodstraf: luitenant René Caron en sergeant François Mollet. Een derde, kapitein Marcel Dingeon, wellicht de hoofdverantwoordelijke, pleegde zelfmoord.

Het bloedbad had nog ergere proporties kunnen aannemen zonder de kordate tussenkomst van de toevallige Franse luitenant Jean Leclabart, die een einde stelde aan de slachtpartij. Schandalig genoeg: het is niet de moedige Leclabart, maar de medeverantwoordelijke voor het bloedbad, Caron, die, na de oorlog, een straat naar zijn naam kreeg in Abbeville.

Nu een Vlaams-nationalist in dit land premier is, stel ik me de vraag of er een officieel eerherstel zal komen voor alle slachtoffers van het bloedbad bij de muziekkiosk in Abbeville.

Gepubliceerd

20.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Johan Hendrik van Dale, van de dikke van Dale

Op 19 mei 1872 overleed in Sluis Johan Hendrik van Dale, onderwijzer, stadsarchivaris en taalkundige, vooral beroemd als woordenboekmaker: het Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal, ook wel de Dikke Van Dale genoemd. Opvallend is dat Johan Hendrik van Dale geen ‘Hollander’ was, maar een Zeeuw die zijn hele leven in Sluis had gewoond.

Naast publicaties over lokale geschiedenis was Van Dale actief bezig met het schrijven van leerboeken over taalzuiverheid en spraakkunst. In 1866 kreeg hij zijn eerste lexicografische opdracht, namelijk de bewerking van een taalkundig handboek. Een jaar later werkte hij aan een herziening van het Nieuw woordenboek der Nederlandse taal, uitgegeven bij D.A. Thieme. Dit werk voltooide hij in vier jaar tijd. Johan Hendrik van Dale werkte aan de letter Z toen hij op 44-jarige leeftijd aan pokken overleed.

Zijn borstbeeld, vervaardigd door de beeldhouwer Pieter Puijpe, werd in Sluis in 1924 onthuld. De grootste eer die aan de noeste arbeid van Johan Hendrik van Dale werd toegekend, was het feit dat zijn familienaam vanaf de vierde druk werd gekoppeld aan het woordenboek. Vanaf dat moment droeg het woordenboek voortaan zijn familienaam: de Dikke Van Dale.

Gepubliceerd

19.05.2025

Kernwoorden
Reacties

De Brugse Metten

18 mei 1302: Brugse Metten. De Brugse Liebaards komen in opstand. Ze verzetten zich tegen de Franse gouverneur Jacques de Châtillon. Hij bezet de stad met een Frans garnizoen van 1.700 ruiters, kruisboogschutters en voetknechten. De Vlamingen reageren snel. In de vroege morgen halen ze de Franse bezetters uit bed. De gevechten zijn hevig en de  Fransen worden verdreven. Aan Franse kant vallen 120 doden en de Vlamingen maken 100 gevangenen. Gouverneur Jacques de Châtillon ontsnapt ternauwernood.

Een aantal dagen later, op 23 mei, maakten Pieter de Coninck en Willem van Gulik een triomfantelijke intrede in Brugge. Tegenwoordig twijfelen velen of Jan Breydel daadwerkelijk aanwezig was bij de Brugse Metten. Ook plaatsen historici vraagtekens bij het verhaal van “schild en vriend”. De waarheid heeft haar rechten, maar wat doen historici met de mythevorming van een volk, bezongen door dichters en schrijvers? Ook deze mythes maken nu deel uit van onze geschiedenis.

De Brabantse historicus Lodewijk van Velthem noemt de Brugse Metten  “goet vridach”, Goede Vrijdag. Hij schrijft:

“Dese dach heet men binnen Brucge,
‘goet vridach’ om dese daet.
Hieraf es comen menich quaet,
Daer worden verslagen inder stede,
wel 24 baenroetse mede,
ende ridderskinder ende serjande,
van Vranckrike, ende van andre lande.
Menicheen daer ict tgetal,
niet wel af en can genoemen al.”

De Brugse volksopstand breidt zich snel uit in het heel  graafschap. De kuststreek wordt bevrijd. In Kassel belegeren de Vlamingen tevergeefs de vesting. Daarna trekken ze naar Kortrijk. Daar verzamelen de Vlaamse strijders zich. Ze willen een Frans leger onder leiding van Robert II van Artesië stoppen. Zo winnen ze de Guldensporenslag.

Gepubliceerd

16.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Actueel

Mijn blog Widopedia.eu gaat over Frans-Vlaanderen, Frankrijk, de Nederlanden en Europa. Hier vind je losse teksten en artikelen die ik schreef over deze onderwerpen. Ze zijn nu chronologisch gerangschikt op titel.

Een trefwoordenlijst helpt je snel een onderwerp terugvinden. Deze lijst wil ik nog verder verfijnen.

In de rubriek boeken vind je informatie over mijn publicaties in het Nederlands en Frans. Mijn laatste boek, uitgegeven door ERTSBERG, is toe aan de vijfde editie. Voor een gesigneerd exemplaar kun je eveneens op mijn blog terecht.

In de rubriek boeken vind je informatie over mijn publicaties in het Nederlands en Frans. Mijn laatste boek, uitgegeven door ERTSBERG, is toe aan de vijfde editie. Voor een gesigneerd exemplaar kun je op mijn blog terecht.

Nog meer nieuws

  • In het volgende nummer van Neerlandia publiceer ik mijn recensie van twee boeken over Frans-Vlaanderen, geschreven door Nederlandse auteurs:
    • ‘Verborgen taal. Het vergeten verhaal van de Nederlanden in Frankrijk’ van Erik Driessen;
    • ‘Verboden Vlaams te spreken. Het verhaal van een Nederlandse streektaal in Frankrijk’ van Jan Pekelder.
  • Het is zover: volgende week stuur ik de tekst van mijn nieuwe, tweetalige boek naar de drukker: ‘De drie Maagdekens van Kaaster. De geheimen van een verdwenen cultus’
  • ‘Les Trois Vierges de Caestre. Les secrets d’un culte oublié.’
    De verschijning staat gepland voor eind juli. Volg in de volgende weken mijn Facebook-pagina en mijn blog voor meer info.
  • Na mijn ‘Maagdekens’ begin ik vandaag aan een nieuw project: een essay over taal en identiteit. Ik deel het schrijfproces regelmatig via mijn Facebook-pagina en blog.
  • Voor de volgende editie van het jaarboek van Zannekin, ‘De Nederlanden extra-muros,’ werk ik twee artikelen uit over Kaaster: een over de kapel en een over de Commanderij van de Tempeliers daar.

Gepubliceerd

15.05.2025

Reacties

Een droevige dag voor Nederland en de Nederlandse letteren

14 mei 1940 is niet alleen de dag van de vernietiging van Rotterdam door Duitse bombardementen, met als gevolg de overgave van Nederland.

Op deze droevige dag wordt ook de dood betreurd van twee Nederlandse letterkundigen van formaat: Charles-Edgar du Perron en Menno ter Braak.

-Charles-Edgar du Perron, vaak geschreven als E. du Perron, was een Nederlandse auteur, literatuurcriticus en fervent briefschrijver. Samen met Menno ter Braak en Maurits Roeland richtte hij in 1932 het blad Forum op, het belangrijkste literaire tijdschrift in de Nederlanden tussen de twee wereldoorlogen. Zijn hoofdwerk, Het land van Herkomst (1935), wordt nog steeds beschouwd als een van de beste Nederlandse romans ooit en is een genadeloze kritiek op de kleinburgerlijke, hypocriete moraal van zijn land- en tijdgenoten. De non-conformist du Perron, geboren op Java en thuis in vele Europese landen, behoorde, samen met Hendrik Marsman en Menno ter Braak, tot de literaire periferie van de Conservatieve Revolutie.

-Menno ter Braak was een Nederlandse schrijver, essayist en polemist. In 1930 viel hij op met zijn werk Her carnaval der burgers, de meest onverbiddelijke afrekening met de burgerlijke mentaliteit die ooit in ons taalgebied werd gepubliceerd. Toen zijn oom, de bekende historicus Johan Huizinga, hem erop wees dat precies op die burgerlijkheid de eenheid van de Nederlandse natie is gebaseerd, antwoordde Ter Braak in drie woorden: “Zeer juist – merde.” Even goddeloos als aristocratisch ingesteld, publiceerde hij Van oude en nieuwe christenen, waarin hij afrekent met het christendom, het communisme en het nazisme — volgens hem drie plebejische ideologieën, ingegeven door rancune en egalitarisme.

In 1936 stichtte hij, samen met andere schrijvers en professoren, het Comité van Waakzaamheid van Intellectuelen, dat waarschuwde tegen het oprukkende nazisme. En in 1939 vertaalde en bewerkte hij het boek van Hermann Rauschning: De nihilistische revolutie. Schijn en werkelijkheid in het Derde Rijk.

Edgar du Perron overleed op 14 mei 1940 aan een hartaanval, kort nadat op de radio de overgave van Nederland werd aangekondigd. Vrijwel op hetzelfde moment pleegde zijn vriend Menno ter Braak, tussen tien en elf uur ’s avonds, zelfmoord.

Gepubliceerd

14.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Lezing in Oostende

Op maandag 13 mei 2025  gaf ik een lezing over mijn boek “FRANS EN TOCH VLAAMS, het verhaal van Frans-Vlaanderen”, voor de Marnixring Qostende Kustland.

Ik sprak over de geschiedenis, de taal en de identiteit van Frans-Vlaanderen, in de bijzondere setting van de Royal North Sea Yacht Club, met uitzicht op de haven van Oostende.

Gepubliceerd

13.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Joris-Karl Huysmans: “Vooruitgang is de hypocrisie die de ondeugden verfijnt”

Op 12 mei 1907 overleed de Franse schrijver en essayist Joris-Karl Huysmans (°1848). Zijn vader was een Nederlander uit een Noord-Brabantse familie. Voor de burgerlijke stand heette hij officieel Georges-Charles, maar hij onderstreepte zijn Nederlandse afkomst door als auteursnaam Joris-Karl te kiezen. Huysmans onderhield levenslange intensieve contacten met zijn familie in Nederland.

Huysmans werd bekend door zijn satanische roman “Là-bas”, in het Nederlands vertaald als “Uit de diepte”, over de historische figuur Gilles de Rais, die beschuldigd werd van duivelse daden. Ook zijn roman “A rebours”, of “Tegen de keer” in de Nederlandse vertaling, werd beroemd en werd beschouwd als de ‘bijbel van het decadentisme’.

Decadentisme was in de 19de eeuw een geestelijke stroming die gekenmerkt werd door het verlies van zekerheden en duidelijkheid over de toekomst, een soort existentiële stuurloosheid, een gevoel van onbehagen, en het zoeken naar schoonheid als een uitweg. De dichter Charles Baudelaire (1821-1867) introduceerde hiervoor het woord ‘spleen’ in zijn gedichtenbundel “Les Fleurs du Mal”. In Duitsland bedacht de schrijver Jean-Paul Richter (1763-1825) het woord ‘Weltschmerz’.

Huysmans vond voor zichzelf een antwoord in zijn bekering tot het katholicisme. Zijn boek ‘La cathédrale’ markeert een keerpunt in zijn oeuvre en behoort tot de canon van de Franse literatuur.

Een bekend citaat van Joris-Karl Huysmans luidt: “Vooruitgang is de hypocrisie die de ondeugden verfijnt.”

Gepubliceerd

12.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Nogmaals over een middeleeuwse muur

Dank je wel voor de reacties op mijn stuk van gisteren over de blootgelegde muren van een middeleeuws grafelijk domein in Ieper.

Het is een feit dat in een door de bommen platgewalste stad als Ieper weinig origineels is blijven bestaan. Bijna alles wat we hier zien, dateert van na de Eerste Wereldoorlog. Dat een zeldzame, authentieke muurfundering uit de twaalfde eeuw de oorlog heeft doorstaan, wordt in deze verwoeste omgeving als ‘een mirakel’ beschouwd.

Geschiedenis is meer dan een muur, schrijft iemand. Daartegenover staat het citaat van de bekendste Frans-Vlaamse schrijfster Marguerite Yourcenar: “Het is al heel wat als enkele originele stenen worden bewaard.” Ook de plaatselijke publieke opinie, net als Marguerite, voelt instinctief dat geschiedenis tastbaar en zichtbaar moet blijven.

Toch schuilen degenen die namens het volk beleid maken achter ‘onze’ centen, de bescherming van hun eigen projecten, de goodwill van alle partijen, en achter de moeilijkheidsgraad van de zaak. Daarbij wordt de stem van de publieke opinie vaak genegeerd. En dan is er nog de flauwe slag onder de gordel in het ‘ambtenarenwereldje’: het gebrek aan kennis van het dossier.

Gisteren heb ik gedaan wat ik had aangekondigd: ik ben naar Ieper gegaan om een kijkje te nemen. Tijdens mijn wandeling passeerde ik de middeleeuwse hallen, die volop in restauratie zijn (kostprijs?). Tussen de stappende muziekbenden, doedelzakspelers in kilt en achterkleinkinderen van het Commonwealth, vraag je je inderdaad af of Ieper zich alleen rond WOI profileert.

Je zou denken dat, als de muur toch onder de grond verdwijnt, men nog snel een voorlopig pedagogisch circuit zou organiseren. Maar ik vond geen wegwijzers die naar de plek leiden waar je de muur kunt zien; geen bord met informatie over wat er te zien is; geen mogelijkheden om, als er niet wordt gewerkt, dichterbij te komen. Een gids, een historicus of een student geschiedenis zou er ook kunnen staan met een geïmproviseerd standje om wat uitleg te geven. In plaats daarvan is er slechts een slecht gesloten omheining en verder niets.

Ik wilde nog even de Sint-Maartenskathedraal binnenlopen om te mijmeren bij de grafsteen van graaf Robrecht de Bethune, de Leeuw van Vlaanderen, die de Ieperse burcht ongetwijfeld heeft bezocht.

Recht tegenover de kathedraal zag ik een oude, door stellingen ondersteunde façade, die op zich architecturaal weinig betekent. Daarachter schuilt dus de burcht van de Vlaamse graven. Blijkbaar moeten deze façade worden gered en geïncorporeerd in de toekomstige supermarkt. Het redden van nietszeggende façades en verder alles wat waardevol is toedekken, dat lijkt de erfgoedpolitiek van de Vlamingen te zijn.

Gepubliceerd

11.05.2025

Kernwoorden
Reacties
leo taveirne
16.07.2025 - 13:26

goede kijk en beoordeling

Antwoord

Vlaanderens middeleeuws erfgoed verdwijnt weer onder de grond

Ik moet me haast maken om in Ieper een kijkje te nemen bij de funderingen van het middeleeuwse grafelijk domein. Archeologen hebben daar de motte, een stenen muur en de omringende gracht blootgelegd, daterend uit de twaalfde eeuw, en die vormden de verblijfplaats van de graven van Vlaanderen.

Helaas lijkt onze erfgoedminister Ben Weyts hier niet voldoende belang aan te hechten, want de site wordt uiteindelijk niet opengesteld voor het publiek.

Het is schandalig dat Vlaanderen geen geld wil vrijmaken voor het behoud en de educatieve waarde van deze unieke plek. Wat is een investering van 10 miljoen euro niet waard, vooral gezien de enorme educatieve en toeristische potentieel die zo’n site biedt?

Beste burgemeester Katrien Desomer, hoe kan een stad als Ieper, met haar rijke geschiedenis, dit soort kansen voor educatief toerisme aan zich voorbij laten gaan?

Voor wie het nog niet wist: een Vlaamsgezinde partij aan de macht en een NVA-erfgoedminister, bieden geen garanties voor de bescherming van ons schaars Vlaams patrimonium. Politici jongleren met miljarden, maar de fundamentele erfgoedzorg blijft ondergefinancierd.

We betalen ons de pleuris aan belastingen, boetes, transfers, bommen en granaten, maar ons Vlaams erfgoedbeleid dreigt te worden beperkt tot virtuele projecten en woke-spelletjes.

Ieper is binnenkort een supermarkt en appartementen rijker, proficiat. Terwijl de tastbare sporen van ons verleden onder de grond blijven en achter een Vlaamse façade politiek worden verborgen.

Gepubliceerd

10.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Te Duinkerke ging het toen nog niet verkeerd

360 jaar geleden, in het voorjaar van 1665, schreef de Franse koning Lodewijk XIV in een brief aan de generaal van de Orde van de Kapucijnen dat het beter was Vlaamse paters naar Duinkerke te laten terugkeren. De Franse paters die de koning na de annexatie van de stad naar Duinkerke stuurde, bleken weinig nut te hebben, omdat men in die tijd in Duinkerke nauwelijks Frans sprak. Dit gold ook voor de Vlaamse paters recollecten die na 1662, het jaar van de annexatie, uit Duinkerke waren weggestuurd en vervangen door Franse paters. De Vlaamse paters bleven echter onmisbaar in de Frans-Vlaamse havenstad en mochten vrij snel terugkeren.

In tegenstelling tot wat een plaatselijke historicus als Faulconnier schrijft, was de geestelijkheid, op enkele individuen na, fel tegen Frankrijk gekant. Duinkerke zou pas voor Wereldoorlog I volledig verfranst worden, maar niet in de volkswijken. De Friese taalkundige Johan Winkler getuigt in zijn boek ‘Oud Nederland’ dat hij rond 1885 nog vlot in het Vlaams werd geholpen in het Duinkerks hotel waar hij verbleef. Mijn vader vertelde me ook dat hij, in de jaren ’60 van de vorige eeuw, nog regelmatig Vlaams sprak met ‘Bazennen’, de vissersvrouwen die de vangst verkochten op de Minck. ‘Toen waren de meisjes nog niet in het Frans geleerd,’ zoals in het liedje.

Gepubliceerd

09.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Het verdrag van Bretigny 

Op 8 mei 1360 wordt het Verdrag van Bretigny* getekend tussen de Engelsen en de Fransen. In oktober van hetzelfde jaar wordt het in Kales bekrachtigd. Dit verdrag markeert een belangrijke mijlpaal in de eerste fase van de Honderdjarige Oorlog.

Edward III van Engeland doet afstand van zijn aanspraken op de Franse troon en laat de gevangen koning Jan II van Frankrijk vrij. In ruil daarvoor krijgt hij aanzienlijke grondgebieden: Gascogne, Guyenne, Rouergue, Périgord, Limousin en Bigorre in het zuiden. Daarnaast verwerven de Engelsen ook gebieden tegenover Groot-Brittannië die voor ons van belang zijn, zoals Pontenland(Ponthieu), Giezene (Guînes) en Kales.

Er is nog veel te onderzoeken over de Engelse aanwezigheid in wat nu de Franse Nederlanden is, evenals over de etnische, culturele, taalkundige, economische en politieke banden tussen onze Lage Landen en Engeland. Het verhaal van de landen rond de Noordzee verdient nieuwe invalshoeken, los van de Franse visie op het ‘perfide Albion’.

*Bretigny ligt ten zuiden van Parijs, richting Chartres.

Gepubliceerd

08.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Lof voor Jan Deloof

Bij zijn 95ste verjaardag

Elke keer dat ik een boek ontvang, wordt mijn dag beter. Deze week vond ik in de brievenbus ‘De dagen deemsteren weg. Herinneringen en invallen 2016-2024’*, een werk van Jan Deloof. Het is uitgegeven ter gelegenheid van zijn 95e verjaardag, vandaag 7 mei.

Volgens de traditie zouden we Jan vandaag een cadeau geven. Zijn keuze om dat zelf te doen, zegt veel over de schat aan herinneringen die hij met ons wil delen. Jan noemt zichzelf bescheiden: “een nogal bekend schrijver in mijn dorp en omliggende tuinwijken.” In een groter cultuurgebied zou zijn vlotte taal en pen hem een voltijdse schrijver maken. Maar dat comfort kreeg hij niet. Daardoor kon hij vrij zijn gang gaan.

Jan komt uit de stal van Ons Erfdeel, een uniek cultuurbiotoop. De naam Ons Erfdeel verdient mijn respect. Al delen we niet noodzakelijk hetzelfde vaderland, behalve de taal. Maar ik heb er enkele verwante zielen ontmoet, en Jan hoort daar zeker bij. Zijn passie voor kleinere talen en talen in gevaar speelt daarin een grote rol. Jan ontwikkelde een bijzondere liefde voor onder andere het Afrikaans en vooral voor het Bretoens, dat hij vlot beheerst.

Hoogstens een handvol Vlamingen beheerst het Bretoens. Jan behoort tot die groep. Volgens onze Bretoense uitgever Yoran spreekt hij beter Bretons dan vele Bretoenen. Jan is onder andere samensteller van een mini-woordenboek Bretons-Nederlands. Hij publiceerde ook ‘Poortwachters van het Bretoens’, een bloemlezing van Bretoense auteurs, vertaald door hem in het Nederlands.

Ik las dat vlagvertoon niet zijn ding is. Iedereen zingt zoals hij gebekt is. Maar Jan was niet te beroerd om het voorwoord te schrijven bij de Franse vertaling van ‘Le Lion des Flandres’ van Hendrik Conscience. In dat voorwoord vertelt hij over een van zijn voorouders, Guillielmus Derycke (1761-1826). Hij werd geboren als Oostenrijker, later Frans en Nederlands burger. Hij werd nooit als ‘Belg’ gezien. De familiegeschiedenis bekeken door de ogen van een cultuurflamingant, als je het me vraagt. Dat boek werd eveneens in Bretagne uitgegeven door Yoran Embanner.

Deiz ha bloaz laouen: een gelukkige verjaardag gewenst, beste Jan!

Gepubliceerd

07.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Handschriften van Michel de Swaen spoorloos verdwenen

Op 3 mei 1707 overleed in Duinkerke de dichter, dramaturg en rederijker Michiel de Swaen. Tijdens zijn leven maakte hij de militaire annexatie van zijn geboortestreek door Frankrijk mee. Het oeuvre van De Swaen laat echter geen twijfel over zijn liefde voor de Nederlanden, het oude vaderland dat hem in 1662 jammerlijk door Frankrijk werd ontnomen. De Swaen is in zowel Noord- als Zuid-Nederland beroemd om zijn Vastenavont-spel “De Gecroonde Leersse”, dat later in een toneelstuk werd verwerkt.

Het is vreemd dat het handschrift van “De Gecroonde Leersse”, evenals twee andere handschriften van Michiel de Swaen die in het bezit waren van het Comité Flamand de France (CFF), rond 1967 plots als spoorloos werden vermeld. Is het handschrift van dit meest beroemde werk uit de Franse Nederlanden ooit door het CFF opgespoord? Is het ooit teruggevonden? Heeft iemand van het CFF ooit verantwoording afgelegd voor deze verdwijning of diefstal? Weet iemand onder mijn lezers hier meer over?

Het wordt hoog tijd dat we zorgdragen voor het Nederlandstalige patrimonium in Frans-Vlaanderen, dat het geïnventariseerd wordt en in veiligheid wordt gebracht. Er zijn tonnen archieven in het Nederlands die specialisten in Frankrijk niet meer kunnen lezen omdat ze onze taal niet beheersen. Of stukken die in slechte omstandigheden worden bewaard of gewoon worden verwaarloosd. Welke Frans-Vlaamse vereniging neemt hierin het voortouw? Welke Vlaamse of Nederlandse instelling kan hierbij helpen?

En nog een belangrijke waarschuwing: denk goed na voordat je belangrijke stukken in onze taal toevertrouwt aan Frans-Vlaamse instellingen.

Gepubliceerd

03.05.2025

Kernwoorden
Reacties

De drukker Jan I Moretus stamde uit een Rijselse familie

Op 2 mei 1543 wordt Johan Moerentorf, met zijn Latijnse naam Jan I Moretus in Antwerpen geboren. Zijn vader, Jacobus , was een satijnwever, uit Rijsel afkomstig.

De naam Moerentorf had oorspronkelijk verschillende schrijfwijzen zoals Mourturf, Mortuf, Mortroef, Mouretorf. Dit verwijst mogelijk naar turfboeren actief in de moerassen langs de Deûle-rivier.

Johan Moerentorf begon zijn loopbaan als de rechterhand van Christoffel Plantijn. Hij trouwt met Plantijns dochter, Martina. Na Plantijns overlijden nam Moretus de drukkerij over. Onder zijn leiding drukte hij 640 boeken voornamelijk van religieuze en van historische aard. In 1576 vestigde hij de drukkerij op de Vrijdagmarkt in Antwerpen. De familie Morets werkte en woonde daar 300 jaar.

1876 verkocht Edward Moretus het pand aan de stad Antwerpen. Dit unieke erfgoed fungeert nu als museum. Bezoekers kunnen de oudste drukpersen ter wereld en materialen uit de zestiende en zeventiende eeuw bewonderen.

Gepubliceerd

02.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Lenteboodschap: de blijvende dingen

In mei 1977 was schrijver André Demedts de eregast op het Meifeest, dat plaatsvond ten huize van Dr. Jozef Weyns en familie, Ter Speelbergen in Beerzel.

In zijn lenteboodschap schreef André:

“Als wij tot het door ons gekoesterde ideaal van een gelukkig, Verenigd Europa willen komen, zullen wij als bouwstenen van dat levende organisme de oercellen van onze gemeenschap moeten eerbiedigen en tot volle uitgroei laten komen: dat zijn de natuurlijke gemeenschappen, familie, woonbuurt, arbeidsgemeenschap, streek en volk. Dat zijn de blijvende dingen.”

De boodschap van André is niet eens vijftig jaar oud, maar klinkt alsof hij van een andere planeet komt. Dat komt doordat de EU-lobby van nu niets te maken heeft met de Europese droom van toen. De bouwstenen, de ‘blijvende dingen’ zijn niet verdwenen ook niet in tijden van decadentie, en komen terug, zoals de lente en de zon in mei.

Gepubliceerd

01.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Het land van Zwentibold  

In mei 895 benoemde Arnulf van Karinthië, koning van Oost-Francië, zijn bastaardzoon Zwentibold tot koning van Lotharingen. Hij werd de tweede en laatste koning van Lotharingen.

Zwentibold, ook geschreven als Swentibold en Sanderhout (Latijn: Sanderboldus of Xhenderboldus), dankte zijn merkwaardige naam aan zijn peetoom Svatopluk, die over Moldavië heerste.

Lotharingen was een zelfstandige regio. Hieronder viel een deel van de Lage Landen en het stamgebied van de Karolingers, namelijk het stroomgebied van de Maas, de Moezel en de Rijn. In Nederland is hij daarom bekend als een lokale heilige. Het hertogdom Neder-Lotharingen zou later uit dit gebied ontstaan.

Het belang van Zwentibold wordt wel eens onderschat, maar dat is onterecht. Hij wordt daarom beschouwd als een symbool van de Lotharingse drang naar zelfbewustzijn.

Koning Zwentibold kwam in 900 op brute wijze om het leven in de buurt van de Maas. Sommige bronnen melden dat hij vermoord werd. Hij sneuvelde in de strijd tegen Gerard en Matfried, twee broers van wie hij de respectievelijke graafschappen had afgenomen en als raadgevers had ontslagen. Zwentibold werd begraven in Susteren, mogelijk in de abdijkerk aldaar.

In de laatste maand van zijn leven verbleef Zwentibold in de omgeving van Born, Sittard, Susteren en de Graetheide. De Limburgers noemden dit gebied het “land van Zwentibold”. De Vlaamse groep Clouseau, die ooit in de streek verbleef, bezong het land van Zwentibold als het ‘aardsparadijs’ in het bekende lied ‘Swentibold’ (1995).

In de stad Münstereifel is een plaatselijke fontein gewijd aan koning Zwentibold.

Gepubliceerd

01.05.2025

Kernwoorden
Reacties
Wessel
30.07.2026 - 13:51

Mooi gezegd, was wel interessant geweest als het Zwentibold gelukt was om meer te centraliseren.

Antwoord

Paul Hazard: “In Nederland hebben mensen, boeken en ideën uit verschillende landen elkaar ontmoet”

Op 30 april 1878 werd de Frans-Vlaamse literatuurhistoricus, filosoof en essayist Paul Hazard in het Frans-Vlaams dorpje Noordpene geboren.

Zijn vader en grootvader waren dorpsonderwijzers in Noordpene. Zijn moeder, Marie-Eudonie Looten was een zus van de bekende Frans-Vlaamse voorman Camille Looten. Het is dus niet verwonderlijk dat Paul Hazard een fervente verdediger was van het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Hij zal ook later zijn neef, de dichter en ondernemer Camille Looten, introduceren in de Franse literaire wereld.

Paul Hazard behaalde zijn ‘certificat d’études’ in Arneke en volgde daarna de klassieke humaniora in Armentiers. Het lyceum waar hij studeerde is tot vandaag naar hem genoemd.

Men moet in Paul Hazard een buitengewoon talent hebben gezien want vanaf 1900 wordt hij naar het prestigieuze Ecole Normale supérieure in Parijs gestuurd. De aggregatie letteren behaalt hij in 1903. Hij studeert verder aan de Sorbonne en doctoreert er in 1910 met een eindverhandeling die hem ineens bekend maakt: “La révolution française et les lettres italiennes”.

Zijn carrière als hoogleraar brengt hem aan de universiteit van Lyon en vervolgens opnieuw aan de Sorbonne in Parijs. In 1925 is hij titularis van de leerstoel vergelijkende literatuurwetenschap aan het befaamde College de France. In de jaren ’30 is hij ook gastdocent aan verschillende Amerikaanse universiteiten. In 1932 en in 1940 doceert hij aan de Columbia universiteit in New-York.

Opvallend is dat hij in 1941 in volle oorlog beslist om naar Frankrijk terug te keren om er te doceren. In dat jaar wordt hij voorgedragen om rector te worden van de Parijse universiteit. Maar zijn kandidatuur wordt afgewezen door de Duitse bezetter.

Zijn bekendste boek « La crise de la conscience européenne » (1935) werd pas in 1990 in het Nederlands vertaald (bij Agon) met als titel “De crisis in het Europees denken. Europa op de drempel van de Verlichting 1680-1715”.

Karel D’huyvetters, een specialist van Spinoza, noemt Hazard “ zonder twijfel een van de coryfeeën van de beschavingsgeschiedenis”. En hij voegt er aan toe: “Paul Hazard is een uitmuntende gids, eerlijk als goud, objectief als een deurwaarder, bloemrijk als een rederijker, diepzinnig als een mysticus, wijs als een grootvader en belezen als geen ander”.
In 1940, net voor het uitbreken van Wereldoorlog II, wordt hij verkozen tot lid van de Franse academie. Door de oorlog zal hij niet officieel worden opgenomen. Zijn vroegtijdig overlijden op 13 april 1944,in Parijs, maakte zijn officiële opneming onmogelijk.

Een citaat van Paul Hazard over Nederland in de 17de en 18de eeuw :

“Nederland is door haar universiteiten een land van bemiddelaars. Rondom haar leerstoelen verzamelen zich studenten uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden, om te luisteren naar professoren die niet alleen Nederlands zijn, maar ook Frans en Duits. In Nederland hebben mensen, boeken en ideeën uit verschillende landen elkaar ontmoet; en er zijn geestelijke uitwisselingen geweest zoals je die nergens anders in die tijd kunt vinden… Tijdens de hele zeventiende eeuw en een groot deel van de achttiende eeuw hebben Engelsen, Fransen, Schotten, Denen, Zweden, Polen en Hongaren, gestudeerd in Leiden, Franeker, Groningen en Utrecht…”

Gepubliceerd

30.04.2025

Kernwoorden
Reacties

De dichter Klaus Groth:  ‘Min  Modersprak, was klingst du schön’

Op 24 april 1819 werd in Heide, Ditmarschen, de Platduitse dichter Klaus Groth (1819-1899) geboren. Hij was een vernieuwer van de Nederduitse letterkunde.

Groth is bekend door zijn gedichtenbundel Quickborn, geïnspireerd door het Platduitse volksleven. Zijn gedicht ‘Myn Modersprak’ zette Peter Benoit in 1889 op muziek. Een ander bekend gedicht van Groth is ‘Min Jehann’. Dit wordt nog steeds gezongen door verschillende Duitse kleinkunstenaars, waaronder Hannes Wader.

Groth had goede contacten met Vlaamse letterkundigen. Hij bezocht vaker Vlaanderen. De oproepen van enkele vooraanstaande personen om de Nederlandse taal dichter bij de Nederduitse taal te brengen, bleven zonder gevolg.

Het idee van een taal- en culturele eenheid van Frans-Vlaanderen tot Oost-Pruisen werd vooral verdedigd door de Aldietse Beweging. Constant Jacob Hansen (1833-1910), een schrijver, vertaler en archivaris, speelde hierin een belangrijke rol.

In zijn boek “Reisbrieven uit Dietschland en Denemark” (1860) schreef Hansen:

Dietschland strekt zich uit van Duinkerke tot Koningsberg.

Prof. Ludo Simons (°1939) schreef een boeiende studie over de Aldietse beweging. De titel luidt: Van Duinkerke tot Königsberg. Geschiedenis van de Aldietsche Beweging (Uitgeverij Orion, 1980). De titel is geïnspireerd door Hansen’s geschriften.

Nicolas Bourgeois (1896-1982), een Frans-Vlaamse schrijver en een goede zeiler, vertelde me ooit over zeevaarders uit Duinkerke die aan het einde van de negentiende eeuw naar de Oostzeehavens vaarden. Zij konden met hun Frans-Vlaamse streektaal vlot communiceren met de plaatselijke handelaren.

Mijn grootvader, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als oorlogsgevangene naar Oost-Pruisen werd gebracht, bevestigde dat hij vlot kon praten met de plattelandsbevolking van Allenstein, als hij zijn ‘Vlaamsch’ uit Terdegem sprak.

Gepubliceerd

24.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Toen de Franstaligen in Frankrijk onze taal nog leerden

Het idee dat het Frans snel de overheersende taal werd in Frans-Vlaanderen strookt niet altijd met de werkelijkheid. Er werden ook interessante initiatieven genomen om de taal van de Vlamingen te onderwijzen.

In zijn boek ‘De ontdekking van Frankrijk’ maakt de Britse schrijver en Frankrijkkenner Graham Robb melding van zo’n initiatief. Hij schrijft:

“In Noord-Frankrijk, waar het Vlaams zich volgens de cijfers geleidelijk terugtrok voor de vloedgolf van het Frans, wilden veel Franssprekende net zo graag als de Vlaamssprekende de tweede taal leren. In stadjes en steden aan de grenzen van het Vlaamse gebied- Rijsel, Dowaai, Kamerijk en Avennr – was bijna iedereen tweetalig.”

De Franstalige, of juister gezegd de Picardisch sprekende bevolking van toen die handel wilde drijven of in contact kwam met de Vlaamse gewesten in Frankrijk en in de Nederlanden kon niet anders dan een woordje Nederlands spreken. Cyriel Moeyaert, die de historische taaltoestand van de stad Sint-Omaars deskundig heeft bestudeerd, maakt daar ook melding van. Hij geeft het voorbeeld van de scholen en van de seminarie van de stad moesten de toekomstige priesters afkomstig uit Artesië grondig Nederlands leren met het oog om in een Vlaamse parochie te worden benoemd en te kunnen preken in de taal van de plaatselijke bevolking.

De Franstalige, of juister gezegd de Picardisch sprekende bevolking van toen, die handel wilde drijven of in contact kwam met de Vlaamse gewesten in Frankrijk en de Nederlanden, kon niet anders dan een woordje Nederlands spreken. Cyriel Moeyaert, die de historische taaltoestand van de stad Sint-Omaars deskundig heeft bestudeerd, maakt daar ook melding van. Hij geeft het voorbeeld dat in scholen en in het seminarie van de stad de toekomstige priesters afkomstig uit Artesië grondig Nederlands moesten leren, met het oog op een benoeming in een Vlaamse parochie en om in de taal van de plaatselijke bevolking te kunnen preken.

Het is opvallend dat hierover nooit veel geschreven wordt. Alle boeken over de taalkwestie in Frans-Vlaanderen gaan meestal over de eenrichtingsweg in de geschiedenis, namelijk de weg van de verfransing. En dat is blijkbaar de gang der dingen. Ten onrechte dus. Het is ook vreemd dat wat in de 19e eeuw nog logisch en noodzakelijk was, in de 21e eeuw, met nog meer uitwisselingen en contacten, niet meer geldt.

Gepubliceerd

23.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Het zwijntje van Ogier  

Het verhaal van de Vlaamse ambassadeur Ogier van Busbeek (1522-1591) is vaak verteld. Hij verbleef acht jaar aan het hof van de Ottomaanse Sultan Soliman de Prachtlievende. Ogier, afkomstig uit het huidige Frans-Vlaamse Busbeek, introduceerde de eerste tulpen, narcissen en seringen in de Nederlanden. Hij noteerde ook woorden in de Gotische taal van de laatste Krimgoten die hij tegenkwam.

Veel van zijn brieven beschrijven zijn ervaringen bij de Turken en zijn observaties van de gewoontes en tradities van de verschillende volkeren die hij ontmoette. Het leven aan het Ottomaanse hof was niet eenvoudig. Een anekdote illustreert dit: om zijn brieven en documenten te beschermen tegen de nieuwsgierigheid van de sultanspionnen, gebruikte hij vaak zijn aangeboren sluwheid.

In “Vlaanderen zendt zijn zonen uit” van Frans M. Olbrechts, een boek dat ik ooit van Cyriel Moeyaert kreeg, lees ik hierover het volgende:

“Ogier had diegenen die hem verboden berichten moesten brengen, opdracht gegeven de documenten in een zak te steken, samen met een … zwijntje. (…) Als de boodschapper zich met de zak aan de deur van Busbeek’s residentie aanbod, en de Turkse ambtenaar, belast met de bewaking van en met de spionage op Busbeek’s doen en laten, wou weten wat daar gebracht werd, kreeg hij voor antwoord: ’een zwijn!’ Wanner hij ongelovig op de zak klopte en het luid gekeel hoorde dat opsteeg uit de ‘valise diplomatique’ zette hij het ontzet op een lopen: die christenen toch, met hun onverklaarbare liefde voor zulke onreine dieren!…”

Gepubliceerd

22.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Van de Vos Reynaerde

Laurent Breeuws-Loos en Irene van Elderen, twee doctoraalstudenten van respectievelijk de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Leiden, hebben de vondst van hun studentenleven gedaan. In de archieven van de Abdij van Park in Leuven ontdekten ze een middeleeuws perkament met een penneproef van Van den Vos Reynaerde. Deze vondst is opmerkelijk, omdat er slechts twee Middelnederlandse teksten van dit epos, late kopieën uit de 14de en 15de eeuw, bekend zijn.

Van den Vos Reynaerde is waarschijnlijk ontstaan rond 1250-1260. Interessant is dat Dr. Maurits Gysseling dit dierenverhaal eerder in de 11de eeuw meende te kunnen dateren.

De Fransen claimen het auteurschap van ‘le Roman de Renart’. Maar dat is onterecht, want de Reinaert die wij kennen is het werk van een Vlaming, waarvan alleen de naam Willem (‘Willem die Madocke maecte’) is overgeleverd. Het geboorteland van Reinaert is Gent en het Waasland. Er bestaat ook een oerversie van Ysengrimus, in het Latijn geschreven door Nivard van Gent en daterend uit 1148. Hier krijgt Dr. Gysseling gelijk: de Franse tekst moet geïnspireerd zijn op het Vlaamse dierenepos.

Ook in het Franse verhaal zijn de namen van Vlaamse afkomst: Ysengrin de wolf, Baudoin (Bokart) de ezel, Bruno of Bruin de beer, Couart de haas, Tibert de kat, Conil de konijn, Hermengart de wolvin, Sharpebek, Firapel, Ordegale, Pantecroet, Rukenawe, enzovoort. En ook ‘Re(i)na(e)rt’, de vos zelf. Als dat niet uit het Middelnederlands komt! Wat de Fransen aan dit verhaal hebben overgehouden, is dat een vos in het Frans vanaf die periode ‘renard’ het woord ‘goupil’ definitief heeft verdrongen.

Ik vergat bijna de verzen op het perkament die onze twee doctoraalstudenten in Leuven vonden:

“Wie so wille wachte hem dies/ Die scade hevet of verlies/ Ende groet ongheval/ Over hem so willet al.”
Vrij vertaald: “Een ongeluk komt nooit alleen.” 

Voor wie meer wil weten:
Breeuws-Loos, Laurent, & Van Elderen, Irene, ‘Vroege receptiesporen van Van den vos Reynaerde en Spiegel historiael op een onbekend fragment in de Abdij van Park (Heverlee, Archief Abdij van Park, VIIIB20/120)’, Spiegel der Letteren, 64.3 (2022), 257-270.

Gepubliceerd

19.04.2025

Kernwoorden
Reacties

De Nederlanden zijn me niet te klein

Over een artikel* verschenen op de webstek van De Lage Landen

Op de webstek De Lage Landen van deze maand lees ik een artikel van Lotte Jensen. Zij is cultuurhistorica en hoogleraar Nederlandse literatuur. Dit jaar bekleedt ze de Isabelle de Charrière Leerstoel aan de Rijselse Universiteit.

Lotte stelt vragen over het begrip ‘denker der Nederlanden’. Ze vraagt zich af of België ook bij de Nederlanden hoort. Dit naar aanleiding van de benoeming van auteur David Van Reybrouck als opperdenker van de Nederlanden. Deze eretitel wordt jaarlijks verleend door de ‘Maand van de Filosofie’, een Nederlandse stichting, in samenwerking met Filosofie Magazine en het dagblad Trouw.

Lotte heeft een probleem met de suggestie dat België vanzelfsprekend onderdeel van de Nederlanden is. Ze kan zich nog net terugvinden in ‘De Lage Landen’, maar niet in ‘de Nederlanden’. Het feit dat dit artikel verschijnt in een tijdschrift dat De Lage Landen heet, erfgename van Ons Erfdeel, is opmerkelijk. Plotseling zoekt een halve eeuw Vlaams-Nederlands cultuurpolitiek naar een nieuw vaderland.

Cultuurgoeroe Jozef Deleu heeft decennia lang de culturele samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland belichaamd. Dit deed hij met diplomatieke voorzichtigheid, eigen aan de culturele intelligentsia. Jarenlang publiceerde zijn stichting een jaarboek met de titel De Franse Nederlanden, wat precies verwijst naar de, volgens Lotte, onbestaande Nederlanden ‘extra muros’.

Lotte Jensen benadrukt in haar artikel de historisch onjuiste gedachte dat het begrip “Nederlanden” een “Hollands” patent zou hebben. Ze voegt eraan toe: ‘Ik dacht dat de periode van de Zeventien Provinciën (1543-1585) en het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) al weer ver achter ons lagen.’

Na dit te hebben gelezen, was ik benieuwd naar de definitie van “De Nederlanden” op internet. Ik raadpleegde Wikipedia en las: “De Nederlanden of De Lage Landen is een regio in Noordwest-Europa die ongeveer overeenkomt met de huidige Benelux (België, Nederland en Luxemburg) en de Franse departementen Nord, Pas-de-Calais, het graafschap Artesië en Picardië ten noorden van de Somme.”

Volgens Wikipedia lopen de Nederlanden dus vandaag over vier landen tot aan de Somme. Verder las ik: “Vanaf de zestiende eeuw werd de Lage Landen een gangbare benaming voor de Nederlandse gewesten, ook wel aangeduid als Vlaanderen, Nederlanden, België en Pays-Bas.”

Het is voldoende om enkele historische kaarten en boeken te raadplegen. Dan blijkt dat er meer “Nederlanden” zijn geweest dan alleen de Zeventien Provinciën en de Verenigde Nederlanden onder Willem I. Het begrip ‘Nederlanden’ dekt uiteraard meer dan het huidige Nederland. Hier is een niet-uitputtende opsomming:

  • de Bourgondische Nederlanden
  • de Habsburgse Nederlanden
  • de Bourgondische Kreits
  • de Zeventien Provinciën
  • de Zuidelijke Nederlanden
  • de Oostenrijkse Nederlanden
  • de Verenigde Nederlandse Staten
  • het Algemeen Bestuur der Nederlanden
  • de Franse Nederlanden of Nederlanden in Frankrijk
  • het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden.

Moet er nog meer “Nederlanden” zijn? Dan voeg ik het concept van de Benelux toe aan de lijst!

Ik laat mijn lezers mijn commentaar over het nut van het bekronen van mediafiguren als dichters en denkers van het vaderland besparen. Maar dat de redactie van De Lage Landen zo’n stuk publiceert is, als je het mij vraagt, een zielige afgang na een halve eeuw cultuurwerk van de Stichting.

Wido Bourel

PS: Tenslotte nog een bericht voor Lotte: Op uw webpagina lees ik over de gastcolleges die u geeft aan de ‘Université de Lille (Frankrijk)’. Lille, beste Lotte, heet in het Nederlands Rijsel. Dat is altijd zo geweest. Rijsel lag vroeger in de … Nederlanden en ligt nog steeds in een streek die de Fransen ook Pays-Bas français noemen, oftewel de Franse Nederlanden of Nederlanden in Frankrijk.

* “Denker der Nederlanden, hoort België daar dan ook bij”. Artikel van Lotte Jensen verschenen op 9 april 2025 op de webstek De Lage Landen

Gepubliceerd

19.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Tiende lezing van het jaar in Bellegem

Gisteren was ik in Bellegem bij Kortrijk (restaurant Argendael) om te spreken voor de lokale groep KIWANIS over Frans-Vlaanderen, naar aanleiding van mijn boek FRANS EN TOCH VLAAMS, het verhaal van Frans-Vlaanderen.

Het werd in alle opzichten een geslaagde avond, mede dankzij gastheer Filip Flamée en de zeer geboeide leden van KIWANIS Kortrijk.

Wilt u ook meer weten over Frans-Vlaanderen? Bijvoorbeeld waarom er een streektaal wordt gesproken maar in de standaardtaal wordt geschreven, waarom Napoleon zo slecht Frans sprak, of waarom onze voorouders niet de Galliërs waren, maar de Franken, Saksen en Friezen?

Wie graag een lezing over Frans-Vlaanderen en een signeercessie wil organiseren, kan contact met mij opnemen voor een geschikte datum en de voorwaarden.

Gepubliceerd

18.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Over de Commanderij van Kaaster

In april 1918, tijdens het Duitse lenteoffensief, werd de oude Commanderij van Kaaster grotendeels verwoest. Alleen de toegangspoort uit 1796, met bovenaan een ciborie, en een raampartij met jaargangen 1570 en 166 herinneren nog aan de oorspronkelijke gebouwen. In 1932 werd de Commanderij deels heropgebouwd volgens het grondplan van de oude structuur. In de 17de eeuw omvatte het een omgracht opperhof met het huis van de commandeur, en een neerhof met woning, schuur, bakhuis, dreef, brug en toegangspoort. De kapel op het binnenhof, goed zichtbaar op oude tekeningen, werd in 1812 gesloopt.

De eerste sporen van de Commanderij dateren van 1160-1162, toen het fungeerde als een bijhuis van de orde der tempeliers. Een acte uit 1293 bevestigt dit, alsook de rechten, vrijheden en vrijstellingen van de inwoners van Kaaster. In 1312 hoorde de vestiging in Kaaster bij de commanderij van Slijpe, nabij Middelkerke.

Toen de orde der tempeliers werd ontbonden, gingen hun bezittingen over naar de orde van Malta, inclusief de site van Kaaster, die in die periode werd geleid door ridder Bernard van Caester. Deze Bernard verdedigde zijn medebroeders in Parijs tijdens het conflict met de Franse koning en de paus. Hij weigerde de Tempeliers te verloochenen en zocht, na de terechtstelling van zijn kompanen en de ontbinding van de orde, zijn toevlucht bij de hospitaalridders.

In 1565 werd Kaaster een hoofdcommanderij, waar verschillende afdelingen in Vlaanderen en Artesië onder vielen. Vanaf dat moment werd de commanderij, gelegen tegen de Galgebeek op grondgebied Eke, niet langer Commanderij van Eke, maar van Kaaster genoemd. Bij de aantreding van broeder ridder Claude de Beauclaire d’Achres als nieuwe commandeur bezocht hij alle bijhuizen van de Commanderij. Op 26 mei 1668 werd er een visitatierapport opgemaakt.

De Commanderij was belangrijk. Tot 1790 werd ze bestuurd door achttien Commandeurs. De laatste commandeur, Eugene Camille de Rohan, werd in 1790 tijdens de Franse Revolutie gedwongen om af te treden.

De Commanderij leidde voortaan over 41 lenen, niet alleen in Kaaster en Eke, maar ook in Borre, Wormhout, Winnezele, Lomme, Radingem, Verlingen, Elverdinge, Brugge, Ruiselede, Anzegem en Waregem. Ook uit Zeeland kreeg de Kaasterse Commanderij inkomsten.

De commandeurs van Kaaster spraken recht over de gemeenten Kaaster en Eke, en ook over een uitgebreid gebied, waaronder Noordberkin, Hazebroek en Okselare. De status van de Commanderij blijkt uit de bouw van het wethuis* in 1614, langs de oude weg van Kassel naar Belle. Dit gebouw, bekend als de gewezen herberg de Caesterlinde, is nu een particuliere woning.

De kapel van de Drie Maagden, centraal gelegen in het dorp, wordt op alle plannen van de Commanderij afgebeeld. Echter, de bronnen geven geen informatie over een mogelijk verband tussen de kapel en de orde van Malta of de tempeliers. Wel wordt er melding gemaakt van een conflict over de inkomsten van de kapel, die niet naar de parochie van Kaaster gingen.

Wat zou de geschiedenis zijn zonder verhalen over tempeliers, geheime gangen en verborgen schatten? Ook in Kaaster bestaat zo’n verhaal, vertelde mijn grootmoeder. Er zou een ondergrondse gang lopen tussen de Commanderij en de kelder van een oud huis naast het gemeentehuis van Kaaster. Ze beweerde de toegang tot de gang ooit gezien te hebben. Het huis is inmiddels gesloopt, en niemand weet nog van de geheime gang die naar de Commanderij leidt…

In mijn jeugd bezocht ik de Commanderij vaak. De boer die de commanderij pachtte kweekte klein fruit. Elke ochtend plukte ik frambozen om wat centen te verdienen. Rond 10 uur werd het te warm voor het plukken, dus maakte ik mijn dagelijkse wandeling rond de oude Commanderij, dromend van ridders en geheime gangen uit vervlogen tijden…

Gepubliceerd

16.04.2025

Kernwoorden
Reacties

D’Artagnan

Op 15 april 1672 wordt Charles de Batz de Castelmore, graaf van d’Artagnan, benoemd tot generaal-majoor en kapitein-luitenant van de Musketiers van de Franse koning, en tot gouverneur van Rijsel. Het gaat hier niet om de romanheld van Alexandre Dumas, maar om de historische d’Artagnan, een hoge officier van de Franse bezettingstroepen. Als gouverneur van de bezetter genoot hij uiteraard niet veel populariteit en besloot hij daarom opnieuw op het slagveld te dienen.

Een jaar later, op 25 juni 1673, wordt hij tijdens het beleg van Maastricht dodelijk getroffen door een musketkogel. Vreemd genoeg staat de lokale overheid toe dat er in Maastricht een standbeeld van d’Artagnan wordt opgericht. Hiermee ontstaat een amalgaan van de romantische held van Alexandre Dumas en de hoge officier van een leger dat onze streken in vuur en vlam zette en hier misdaden pleegde tegen de bevolking van de Zuidelijke Nederlanden.

Gepubliceerd

15.04.2025

Kernwoorden
Reacties

De keure van Sint-Omaars

Op 14 april 1127 verleende de graaf van Vlaanderen, Willem Clito, een keure aan de stad Sint-Omaars. Deze tekst, opgesteld in het Latijn, is de oudste uitvoerige en originele keure die in de Nederlanden bewaard is gebleven. Het diende als model voor de keuren van andere Vlaamse steden.

Dit document is ontstaan uit de strijd om de opvolging van graaf Karel de Goede, die op 2 maart 1127 werd vermoord en geen erfgenaam achterliet. Verschillende kandidaten meldden zich en zochten de gunst van hun onderdanen en de steden. Willem Clito kon aanspraak maken op het graafschap via zijn grootmoeder Mathilde van Vlaanderen, die getrouwd was met Willem de Veroveraar. Hoewel hij enkele maanden aan de macht was, wist zijn meest hardnekkige tegenstrever, Diederik van de Elzas, uiteindelijk het pleit in zijn voordeel te beslechten, dankzij de steun van de Vlaamse steden. Diederik hield zich aan de keure van Sint-Omaars.

Met deze keure werd ondubbelzinnig vastgesteld dat de vorst de wetten moet naleven. De rechtbank van de stad kreeg voortaan, in geval van betwisting, de bevoegdheid om zaken te behandelen en te beoordelen, ook als de landsheer betrokken was.

Historicus Raoul C. van Caenegem merkt op dat in de twaalfde eeuw “een landsheer onderwerpen aan de rechtspraak van zijn eigen onderdanen moet bij vele tijdgenoten als opstandige taal zijn overgekomen.”

Gepubliceerd

14.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Mijn nieuwste boek

Op 10 april heb ik een afspraak gemaakt met ontwerper Raf Claes om de illustraties voor mijn nieuwe boek te selecteren. Ik heb inmiddels een titel gekozen:

DE DRIE MAAGDEKENS VAN KAASTER
De geheimen van een vergeten cultus

en in het Frans:

LES TROIS VIERGES DE CAESTRE.
Les secrets d’un culte oublié

Het aantal pagina’s moet nog definitief worden vastgesteld, maar het boek zal naar verwachting ongeveer 100 pagina’s tellen.

Als primeur voor mijn Facebook-vrienden zie je hieronder het ontwerp voor de kaft van het boek. Het wordt een tweetalige editie Nederlands-Frans.

Voor meer nieuws over de totstandkoming  en de verschijning van dit boek , volg mijn Facebook-pagina en binnenkort ook mijn blog.

Gepubliceerd

10.04.2025

Kernwoorden
Reacties

De Caesterlinde

9 april – De Caesterlinde was een oud café in Kaaster. Het originele bord, hier op de foto van Cyriel Moeyaert, verdween eind jaren ’80. Het gebouw werd toen omgebouwd tot woning. Zo verloor het bord in oud-Nederlands zijn functie. Ik heb de Caesterlinde vaak bezocht toen het nog open was. De deur stond altijd open als welkom.

De Caesterlinde had ook een andere rol. In 1614 werd het gebouwd als wetshuis van de heerlijkheid van de Commanderij van Kaaster. De linde fungeerde waarschijnlijk als grenspaal tussen Kaaster en Eke. Ik heb nooit een oude linde gezien en weet niet wanneer de boom verdween. De grens met Eke raakt tot aan de dorpskom van Kaaster. Daarom spreekt men soms over de Commanderij van Eke. Maar de ligging  in de nabijheid van de oude Romeinse heerweg maakte het ‘Commanderij van Kaaster’.

De Commanderijhoeve ligt een eindje verderop, tegen de beek. Het tempelhuis dateert uit de twaalfde eeuw. De bestuurlijke zetel van de Commanderij was hier in Kaaster. Daarom werd het wetshuis hier gebouwd.

De Commanderij was belangrijk. Tot 1790 werd ze bestuurd door achttien Commandeurs. Ze bezat veel gronden, niet alleen in Kaaster en Eke, maar ook in Borrre, Wormhout, Winnezele, Lomme, Radingem, Verlingen, Elverdinge, Brugge, Ruiselede, Anzegem en Waregem. Ook uit Zeeland kreeg de Kaasterse Commanderij inkomsten.

Uit mijn dagklapper: Een deel van de Commanderijhoeve werd in 1918 zwaar verwoest tijdens het Duitse lenteoffensief. Dit begon precies vandaag op 9 april en eindigde op 29 april.

Gepubliceerd

09.04.2025

Kernwoorden
Reacties

De eerste Frans-Vlaamse  veertiendaagse in Nieuwpoort

Vijftig jaar geleden, in april 1975, vond de eerste Frans-Vlaamse veertiendaagse in Nieuwpoort plaats. Dankzij de Mededelingen van het Komitee voor Frans-Vlaanderen is het volledige programma bewaard gebleven. Op de openingsdag, 29 maart, werd de veertiendaagse geopend door de Nieuwpoortse burgemeester Mommerency, in aanwezigheid van meer dan 250 gasten.

Het is ongelooflijk hoe rijk het programma  van deze twee weken was. Bij de organisatie van deze veertiendaagse waren dertien burgemeesters betrokken, afkomstig uit vijf Vlaamse en acht Frans-Vlaamse gemeenten. Van Vlaamse zijde was ook het ministerie van Nederlandse Cultuur en Vlaamse Aangelegenheden vertegenwoordigd, met kabinetschef O. Coenen.

 Het Komitee voor Frans-Vlaanderen hield een werkvergadering onder leiding van haar bezieler Luc Verbeke. Er werden beiaardconcerten georganiseerd, lezingen gehouden over diverse onderwerpen, en er vertrok een busreis naar Frans-Vlaanderen. Het Frans-Vlaamse volkstoneel van Flor Barbry zorgde voor een indrukwekkende voorstelling voor een volle zaal, en alle Frans-Vlaamse verenigingen, van het CFF tot de Michiel de Swaenkring, waren aanwezig.

André Demedts hield op de openingsdag een visionair betoog waarin hij het deltagebied van de Nederlanden, met wereldhavens zoals Rotterdam, Antwerpen en Duinkerke, als kerngebied en economisch draaischijf van Europa aanwees, en een grote toekomst voorspelde. Verslaggever Raymond Watthy prees in zijn verslag het feit dat tijdens deze eerste Veertiendaagse in Nieuwpoort, vanuit verschillende overtuigingen en richtingen, met respect voor elkaar, soepel werd samengewerkt.

Hoe komt het toch dat mensen als Demedts, Verbeke, Barbry, Montmorency en vele anderen in staat waren om al deze activiteiten te ontplooien, mensen in zo’n kort tijdsbestek samen te brengen en de pers en de politiek te bereiken, terwijl wij dit vandaag de dag niet meer kunnen? Wie volgt in hun voetsporen?

Gepubliceerd

07.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Een Franse, Waalse, of Zuid-Nederlandse hugenote?

Op 6 april 1652 arriveert de Nederlander Jan van Riebeeck in de Tafelbaai, aan de Kaap in Zuid-Afrika. Zijn vrouw, Maria de la Quellerie, vergezelt hem. Maria stamt af van een familie van calvinisten die afkomstig is uit het Land van het Vrije Leen en het Leiedal. Meer specifiek komt haar familie uit het huidige Frans-Vlaamse stadje Armentiers.

Sommige Franse auteurs beweren ten onrechte dat zij afstamt van Franse hugenoten, maar dat klopt niet, aangezien Armentiers toen nog tot de Zuidelijke Nederlanden behoorde. Dergelijke vormen van geschiedschrijving behoren tot de mythes van het eeuwige Frankrijk. Andere schrijvers zijn van mening dat zij afstamt van Waalse hugenoten, omdat de familie De la Quellerie, eenmaal in Nederland, zich had ingeschreven bij de ‘Waalse kerk’. In feite was de familie De la Quellerie Zuid-Nederlandse, meer bepaald Vlaamse, maar Picardisch sprekend.

Jan en Maria richtten, namens de VOC, een verversingspost en tussenstop voor proviandering op de Kaap op. Dit landingspunt markeert het prille begin van wat later zal uitgroeien tot de Republiek Zuid-Afrika.

P.S. Meer info over Maria de la Quellerie vind je in mijn boek “Kinderen van de Beeldenstorm.” Meer informatie en laatste exemplaren zijn beschikbaar op mijn blog widopedia.eu.

Gepubliceerd

06.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Ook niet taalkundigen hebben een mening over taal

In de jaren ’70 van de vorige eeuw bedacht en verspreidde ik samen met Jan Pol Sepieter de slogan: “Ons Vlaamsch is een steektaal van het Nederlands, de taal van 25 miljoen Europeanen.” Onze bescheiden poging om de streektaal te redden was nooit tegen het Nederlands gericht; integendeel. Jaren later kwamen er krachten op die onze boodschap verdraaiden en het Nederlands als vreemd aan de streek en elitair bestempelden.

Ik ben geen taalkundige, maar ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen en getuigd dat dit nooit onze bedoeling is geweest. Ik heb hierover verschillende artikelen geschreven en zelfs een boek, Olla Vogala. Nu lees ik dat Jan Pekelder, een taalkundige van Nederlandse afkomst, mij beschouwt als iemand die de “voortdurende tweespalt” onderhoudt. De man weet wat ik denk al heb ik nooit met hem gesproken. Daarom geef ik hier nogmaals een samenvatting van mijn visie, die ik al meer dan een halve eeuw verdedig. Vandaag precies en jaar geleden schreef ik hierover nog een artikel met de titel ‘Honden in het kegelspel’.

Frans-Vlaams

Cyriel Moeyaert noemde zijn levenswerk “woordenboek van het Frans-Vlaams,” niet van het West-Vlaams. Hiermee maakte hij duidelijk dat dit woordenboek specifiek over de streektaal over de schreve ging. Deze taal is niet zo anders dan die in Heuvelland of Bachten de Kupe, maar de Frans-Vlaamse streektaal heeft eigenaardigheden en woorden bewaard die elders verdwenen of in onbruik geraakt zijn.

We schreven Nederlands en spraken de streektaal.

Wij schreven Nederlands en spraken de streektaal. Van Cyriel Moeyaert leerde ik dat de geschreven taal van de Frans-Vlamingen in de zeventiende, achttiende, negentiende en begin twintigste eeuw altijd Nederlands is geweest. Het Nederlands van die tijd. De geschreven taal van Michiel de Swaen, Andries Steven of Renaat Despicht vertoont soms regionale kleuren en woorden, maar is onmiskenbaar Nederlands.

Streektalen als geheugen van de standaardtaal

Van Cyriel onthield ik ook hoe belangrijk de standaardtaal is en waarom ik de taalerfenis van mijn ouders moet koesteren. De streektalen van het Nederlands zijn het geheugen van onze taal voor alle mensen van goede wil. De liefde voor het Nederlands betekent niet automatisch oppositie tegen de streektaal; integendeel.

Taal evolueert voortdurend

Ooit was het gebied van de huidige Nederlanden in Frankrijk de bakermat van onze taal, waar men het Noordzeegermaans sprak van hier tot aan de Engelse kust. Wat mij betreft had men de standaardtaal Diets kunnen noemen. Het punt is dat het Nederlands de standaardtaal is geworden van de streken die tot de historische Nederlanden behoren. Voor wie problemen heeft met de taal boven de Moerdijk is pragmatisme nodig: het is wat het is. Ook onder de Moerdijk hebben ze misschien vragen bij de evolutie van onze taal. Laten we niet te bekrompen denken: de afstand van Duinkerke tot Amsterdam is amper 300 km, niet veel verder dan Parijs, behalve in onze hoofden.

De geschiedenis is wat het is

Dat onze standaardtaal meer “Hollands” klinkt dan ons in Vlaanderen lief is, heeft te maken met de geschiedenis, de wet van de grote getallen, en de afstand. Het lijkt me logisch: hoe verder men van het centrum staat, hoe minder invloed. Dit geldt niet alleen voor het West-Vlaams; ook Limburgers hebben reden tot klagen. Het zuiden had een tweede centrum kunnen aanduiden, maar is in 1830 een andere weg opgegaan. Een troost: mijn Nederlandse vrienden onder de Moerdijk klagen ook wel eens over de taal van de Randstad.

Nederlands: geen ‘vreemde taal’ in de Westhoek

Er zijn mensen in Frans-Vlaanderen die de onwetendheid van de plaatselijke bevolking en van liefhebbers van de streektaal misbruiken om hen allerlei onzin wijs te maken. Vlaenderen, met ‘ae’, zou Frans-Vlaams zijn, en Vlaanderen, met ‘aa’, zou een andere, vreemde taal zijn: het Nederlands. De Frans-Vlaamse naam voor de gemeente Sercus zou Zurkel zijn en niet het duizendjarige Zerkel. En het Frans-Vlaams zou meer verwant zijn met het Engels en zelfs met het Duits, maar niet met het Nederlands. Dit alles komt van dezelfde zelfgeproclameerde academici van de Vlaemsche taele, die soms niet eens tot vuuve kunnen tellen. Laat staan tot vijf.

West-Vlamingen moeten zich niet vergissen in de strijd

Er zijn mensen aan deze kant van de schreve, liefhebbers van het West-Vlaams, die deze onzin beamen en aanmoedigen. Ze stimuleren deze Frans-Vlamingen om een nieuw Volapük te creëren. De rijkdom van de streektaal is precies in de verscheidenheid, en niet in de standaardisering ervan. Ze moeten ook weten dat zelfs Guido Gezelle, nochtans een hardnekkige verdediger van het West-Vlaams, nooit dialectisch heeft geschreven.

De Nederlandse gedachte helpt

Dat onze standaardtaal meer “Hollands” klinkt dan ons in Vlaanderen lief is, heeft ook te maken met de geschiedenis, de wet van de grote getallen, en de afstand. Hoe verder men van het centrum staat, hoe minder invloed. Dit geldt niet alleen voor het West-Vlaams. Over dat centrum nog dit: het zuiden had een tweede centrum kunnen aanduiden, maar is in 1830 een andere weg opgegaan. Een troost: mijn Nederlandse vrienden onder de Moerdijk klagen ook wel eens over de taal van de Randstad. Het is dus geen specifiek Vlaams probleem.

Vlamingen moeten niet zeuren, maar handelen

Met 25 miljoen sprekers behoort het Nederlands tot de top tien van de meest gesproken talen in Europa. Niet meer, maar ook niet minder. Laten we dus niet kleiner denken dan we zijn en onze plaats innemen. Eenheid in verscheidenheid is al een tijdje de norm. De tijd van de stugge ABN-normen is voorbij. Het zuiden moet, in plaats van de rol van slachtoffer te spelen, de Taalunie en alle mogelijke taalinstanties overspoelen met ideeën en voorstellen voor een betere stem in het kapittel.

Gepubliceerd

05.04.2025

Kernwoorden
Reacties
Jan Achten
15.04.2025 - 07:00

Men leze van Jelle Stegeman: Grote geschiedenis van de Nederlandse taal, deel 2 (deel 1 behandelt de vroege historie, vanaf het Indo-Germaans). In de 16e eeuw was het Nederlands een verzameling streektalen die onderling slecht waren te verstaan. Daarom ontwikkelde zich voor de commercie een bovenregionale taal en in de tweede helft 18e eeuw werd die officieus gecodificeerd, op basis van geschriften van Vondel en P.C. Hooft, allebei Hollanders. De Bataafse republiek maakte die codificatie officieel. Na de scheiding hebben Nederland en Vlaanderen in de tweede helft 19e eeuw die codificatie afzonderlijk opnieuw vastgesteld, aldus werd Hollands officieel Nederlands.
Regio speelt bij ons weinig een rol, we hebben het geluk veel minder last te hebben van de Franstalige overheersing. Nee, het is de erfenis van Vondel en P.C. Hooft!

Antwoord

De ‘Zunnekeuning’ die geen zon bracht

De Vlaamsgezinde directeur van het College van Hazebroek, priester Dehaene (1809-1882), stelde ooit de vraag: “Moeten wij onze voorouders vergeten? Zouden zij niet terecht verbaasd zijn als ze ons zien dansen op hun beenderen bij het bezingen van hun schaamte?” Deze woorden schreef de gezaghebbende Dehaene als protest tegen de oprichting van het gedenkteken voor de drie veldslagen van het Frans-Vlaams Kassel.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een tweetalig straatnaambord in Sint-Winoksbergen: “Voetbruggetje van den zunnekeuning.” Het feit dat dit bord een mengeling is van geschreven folklore-Vlaams en Nederlands, maakt het nog niet acceptabel. De zunnekeuning bracht immers geen zon, maar dood en verderf. De kronieken uit de zeventiende eeuw vertellen ons dat de meeste inwoners waren gevlucht en dat wie achterbleef, ziek of dood was. De hele streek was geplunderd, afgebrand of verwoest.

In de woorden van priester Dehaene: in Sint-Winoksbergen is de schaamte voorbij, zelfs met maar een voetbruggetje, om Pietje XIV te eren. De katholieken onder ons zouden kunnen zeggen: vergeef de initiatiefnemers, want ze weten niet wat ze doen. Maar ik ben een pantheïst. Dit bord ontsiert het stedelijk landschap van deze Vlaamse stad en mag wat mij betreft zo snel mogelijk worden verwijderd of overgeschilderd.

Gepubliceerd

03.04.2025

Kernwoorden
Reacties

Een lezing in een historisch muziekcafé

Vandaag, 31 maart, houd ik een lezing over mijn boek FRANS EN TOCH VLAAMS, HET VERHAAL VAN FRANS-VLAANDEREN op uitnodiging van TROUVAILLES, een groep onder leiding van Bern Paret, regiocoördinator Westhoek, die jaarlijks een auteur uit de streek uitnodigt.

De lezing vindt plaats in Café des Orgues in Herzele, dat wordt uitgebaat door onze vriend Wartje. Wartje is ook de animator van de Frans-Vlaamse vereniging Zannekin (niet te verwarren met de stichting Zannekin) en brouwer van het Zannekin-bier (zie ook logo hieronder).

Deze lezing wordt in besloten kring gehouden. Maar je kunt op eigen initiatief eens een bezoek brengen aan Café des Orgues voor een uurtje muzieknostalgie. De openingstijden zijn elke vrijdagavond, zaterdag en zondagmiddag.

De drie instrumenten van het muziekcafé zijn dansorgels, vervaardigd door Mortier, de bekende dansorgelmaker uit Antwerpen. Dit bedrijf werd opgericht in 1885 en verdween in 1952. Mortier heeft meer dan 600 orgels geproduceerd, maar de meeste zijn inmiddels verloren gegaan. In Café des Orgues kun je nog dansen op de muziek van een van de weinige Mortier-orgels die de tand des tijds heeft doorstaan. Een unieke belevenis!

Gepubliceerd

31.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Tegen de zomertijd

Elk jaar verzet ik, zeer tegen mijn zin, mijn horloge een uur vooruit om over te schakelen naar de zomertijd. Ik herinner me nog goed hoe mijn grootvader, net als alle Frans-Vlaamse boeren, niet om 12 uur, maar om 13 uur pauzeerde voor het middagmaal. 13 uur betekende nog steeds een verschil van één uur met de hoogste zon, maar vanaf vandaag komt daar nog een uur bij, wat in totaal twee uur verschil maakt.

Op de oude metselaarstekens op onze huizen lees je dat onze voorouders de dagen indeelden in drie delen, volgens de drie standen van de zon: de opkomende zon, de hoogste stand of middagzon en de ondergaande zon. Het jaar kan op dezelfde manier worden ingedeeld: de zomerzonnewende (hoogste stand van de zon), de winterzonnewende (laagste stand) en de lente (middelste stand of evenwicht, vandaar de term lente-evening). Deze “drie zonnen-symboliek” vind je terug op gebouwen, maar ook op oude graven.

Onze vreemde wereld heeft een mond vol van de natuur. Men maakt rivieren weer kronkelig nadat ze rechtgetrokken zijn, graaft opnieuw grachten die gedempt waren, en plant bomen waar bossen zijn gesneuveld. Maar rekening houden met de zon is te veel gevraagd.

Het soort stedelijke ‘natuur’-mens dat onze tijd voortbrengt, heeft niets te maken met leven in harmonie met de natuur. Mijn grootvader was een echte natuurmens: hij werd wakker bij het kraaien van de haan, verstond de geluiden van de dieren in de stal en het gezang van de vogels die het ochtendgloren begroeten.

Welke instanties moeten zich hier nu over buigen om de klok definitief minimaal een uur terug te draaien en dat zo te houden? Wie is bevoegd? Misschien de EU onder leiding van Angela Dinges? Dan zijn we nog niet aan de nieuwe aardappelen.

Gepubliceerd

30.03.2025

Kernwoorden
Reacties

De eerste Nederlandse feministe

Op 28 maart 1799 overleed Etta Palm in Den Haag. Ze was courtisane, dubbelspionne en feministe. Geboren in 1743 in Groningen, kwam ze uit welgestelde ouders en sprak vloeiend Nederlands, Frans, Engels en Duits.

Palm woonde in verschillende Europese hoofdsteden, waaronder Parijs. In 1789 raakte ze gefascineerd door de Franse Revolutie. Als een van de weinige vrouwen mocht ze in de Franse Nationale Vergadering een toespraak houden. Daarin betoogde ze dat vrouwen niet onderdoen voor mannen. In Parijs richtte ze ook de ‘Club Patriotique des Femmes’ op, een revolutionaire, patriottische vrouwenclub. Zo ging ze de geschiedenis in als de eerste Nederlandse feministe.

Voor de Franse Revolutie was Etta al bekend als courtisane en actief als spionne, zelfs als dubbelspionne voor haar thuisland en andere mogendheden. Haar turbulente jaren in Parijs eindigden in een gevangenis. Na haar vrijlating vluchtte ze naar Nederland. Daar werd ze ontmaskerd als dubbelagente en opnieuw gevangengenomen. Ze belandde in het kasteel van Woerden. In de gevangenis werd ze ziek, en werd daarom vrijgelaten. Etta Palm overleed een jaar later op 55-jarige leeftijd.

Gepubliceerd

28.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Nicolas Bourgeois, de grijze eminentie van Frans-Vlaanderen

Op 27 maart 1982 overleed mijn goede vriend Nicolas Bourgeois, op 86-jarige leeftijd. Nicolaas, zoals zijn vrienden hem noemden, was een briljante geest. Hij was oud-leerling van de prestigieuze École Normale Supérieure maar relativeerde al lachend de tegenstelling in die titel: “Hoe kun je ‘normaal’ en tegelijk ‘superieur’ zijn?”

Rechtsgeleerde, historicus, politieke theoreticus en schrijver – dat was Nicolaas in al zijn facetten. Zijn doctoraatsthesis, getiteld “Proudhon, het federalisme en de vrede”, en zijn roman ‘Le berceau sous le beffroi’ werden meermaals bekroond.

Als rechterhand van de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois was Nicolaas, vaak onder verschillende pseudoniemen, de meest productieve Frans-Vlaamse schrijver van het interbellum. Namens het Vlaams Verbond in Frankrijk fungeerde hij als contactpersoon voor federalistische kringen in Parijs en andere Franse regio’s. In zijn rol als secretaris van de stad Parijs schreef hij bijna de helft van alle spreekbeurten die namens de gemeenteraad werden uitgesproken. Zelf noemde hij zich spottend “de papegaai van de stad.”

In de jaren ’70 had ik het voorrecht Nicolaas wekelijks te bezoeken in zijn statige Olmkasteel in Hazebroek. Hij vertelde over de Frans-Vlaamse beweging, de voornaamste spelers van zijn tijd en zijn visie op de toekomst van Vlaanderen en Europa. Hij moedigde me aan om te schrijven en besprak mijn eerste (mis)stappen met veel humor en deskundigheid. Hij was bijzonder dankbaar dat jonge mensen in Frans-Vlaanderen de fakkel overnamen. Soms trad hij discreet op als ‘grijze eminentie’ voor de jeugd.

Van Nicolaas ontving ik de wijze raad:

“Ga altijd naar de bron. Lees zelf de boeken die zogezegd de brandstapel verdienen. Neem niet zomaar de mening van een ander over zonder eerst zelf te kijken wat er werkelijk staat. Vele criticasters en zogenaamde beïnvloeders liegen en bedriegen, of weten gewoon niet waarover ze spreken.”

Gepubliceerd

27.03.2025

Kernwoorden
Reacties

De verre reizen van gevluchte calvinisten

Op 23 maart 1568 verbannen de autoriteiten in La Gorgue, vandaag een Frans-Vlaamse gemeente aan de Leie, 35 burgers en confisqueren ze hun goederen. Onder hen bevinden zich vooraanstaande calvinisten zoals minister Antoine l’Escallier, Jaak Saye, Karel Vermeille en greffier Jacques le Roy, die 500 calvinisten uit de regio Belle had verzameld.

Een week later veroordeelt men in het naburige Stegers 44 mensen, waaronder Antoine Reubly, Jaak Becue en Philippe d’Houplines. Op 13 april worden in Armentières maar liefst 76 veroordelingen uitgesproken. Enkele van de namen zijn: Gilles Du Mont, Jacques Brouck, Jean de le Haye en Gille le Maire.

Ik noem deze familienamen met opzet, omdat al deze families naar Vlaanderen, Nederland en ook naar de Duitse landen vluchten, die de Reformatie gunstig gezind zijn. Kinderen van deze families komen later aan boord van de schepen van de VOC, die naar de Nieuwe Wereld, Zuid-Afrika, Indië en Amerika varen. Tussen de allereerste pioniers die zich bij de Hudsonrivier in Nieuw Amsterdam, het latere Nieuw York, vestigen, vind je verschillende van deze familienamen terug.

In de 16e en 17e eeuw, tijdens de Godsdiensttroebelen, zochten vele calvinisten in Europa een veilige haven om hun geloof te praktiseren. Onder hen bevonden zich talloze gevluchte calvinisten die hun thuisland ontvluchtten vanwege religieuze vervolging. Het Leiedal was een bolwerk van het calvinisme geworden, maar deze calvinisten stonden voor ernstige vervolging en onderdrukking door de autoriteiten. Velen besloten hun toevlucht te zoeken in andere landen, zoals Engeland, Nederland en zelfs verder weg, in de Nieuwe Wereld. Hun reis was vaak gevaarlijk en vol ontberingen, maar gedreven door hun geloof en de hoop op een beter leven waagden ze de oversteek.

Gepubliceerd

24.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Oud-Diets aan de kust van Artesië

Onlangs was er in de Westhoek enige ophef over het feit dat er in de streek tussen Giezene (Guines) en Kales nog tot in de 16de eeuw sprake was van tweetaligheid in de Picardische en Nederlandse streektaal.

Vergeten als getuigen in dit debat is de bekende Friese taalkundige Johan Winkler, die de streek aan het einde van de negentiende eeuw bezocht. In zijn boek Oud Nederland, verschenen in 1888 in Den Haag, doet hij onder meer een boeiend relaas van zijn verblijf en verkenning van de streek. Lang geleden, toen ik nog in Frans-Vlaanderen woonde, leende Cyriel Moeyaert me zijn exemplaar van dit boek. Het duurde enkele jaren voordat ik het zelf antiquarisch kon kopen. Daarom is het een van de boeken uit mijn bibliotheek die ik het meest koester.

Johan Winkler vertelt over zijn bezoek aan de Frans-Vlaamse kust, zijn verblijf in een hotel in Duinkerke waar alle personeelsleden nog het Vlaams van de streek spraken. Verder merkt hij op: “Nog ten huidige dagen spreken de dorpelingen, de boeren en de arbeiders die in Artesië langs de zeekust wonen, tussen Kales en Bonen, tot aan het rivierke de Canche (Kwinte) en tot kaap Wittenes (Blanc-Nez zeggen de Fransen, Whiteness de Engelsen), hun Oud-Diets, hun Oud-Vlaams, hun oude landseigene goudspraak van het Nederlands.”

Hij citeert de getuigenis van G. P. Roos, een oude taalvorser afkomstig uit Nederland, die in de streek woonde en met wie Winkler in contact kwam. Roos gaf hem meer informatie over “die hedendaachsche dietsche volkspreektale ter zeekuste van Artesyen.” Hij geeft het voorbeeld van de gesproken taal, namelijk met het verhaal van een vrouw. Het klinkt als volgt: “oe een sjamel kiindeken bikant onder n’n kerre lage, en ’oe ‘eur moeder ’t griipte; ’t kindeke wou een koornauwe van d’n wagen gripen en ’t sloeg umware.”

Verder meldde G. P. Roos: “dat nog heden (na 1885 dus) de kosters in enkele dorpen van deze gou(w), den kinderen wel lager onderwijs geven in het Vlaamsch, gelijk vroeger algemeen gebruikelijk was, toen ook de pastoors der jeugd den Catechismus nog in de Vlaamsche moedertaal leerden. Thans echter geschiedt dit nog slechts ‘ter sluiks’.”

SINT-OMAARS EN OMSTREKEN

Johan Winkler bezocht ook in dezelfde periode Sint-Omaars en omgeving. Hij schrijft dat in de stad Sint-Omaars en in de dorpen St.-Folkwin (St.-Folquin), Nieuwkerke en Oudkerke (Nouvelle-Eglise en Vieille-Eglise), St.-Mariakerke (St. Marie-Kerque), St.-Omaarskapel, Oye, Offerkerke, Rackinghem en Wardek (Wardrèque) “werd door d’ingezetene ten jare 1845 nog vry algemeen Vlaamsch gesproken; in de stad echter weinig.”

Hij voegt daaraan toe dat Edmond de Coussemaker in zijn werk ‘Délimitation du Flamand’ uit 1857 onnauwkeurig was. Volgens Winkler vergat hij, en ik citeer, “het Dietsch, dat in Artesië langs de zeekust gesproken wordt, en dat niet onmiddellijk samenhangt met het Vlaamsch van Fransch-Vlaanderen.” Blijkbaar leunde dat ‘Dietsch’ meer op Saksische/Friese, of moet ik zeggen Zeegermaanse wortels.

Gepubliceerd

24.03.2025

Kernwoorden
Reacties

De moeder van een mijoen Amerikanen

In de lente van 1624 vertrok een groep van dertig families voor de grote overtocht met het schip “Nieue Nederlandt”. Dit schip was het eerste van de VOC dat specifiek naar de Hudson werd gestuurd. Het doel van de expeditie was het vestigen van een permanente kolonie langs de Hudson, die destijds door de Nederlanders de “Noortrivier” werd genoemd.

Het gewapende schip “De Eenheid” vergezelde de “Nieue Nederlandt”. Aan boord van “de Eenheid” bevonden zich Cathelyntje Trico en haar echtgenoot Joris Janssen Rapalije. De familie Trico, of Trigault, had haar wortels in de Zuid-Vlaamse stad Dowaai. Ze werd uit deze stad verbannen vanwege haar godsdienstige overtuiging. Cathelyntje was geboren in het Calvinistische Valencijn, waar haar ouders waren gevlucht. Later kwam ze in Amsterdam terecht, waar ze in januari 1624, net voor hun vertrek naar de Nieuwe Wereld, in de Waalse kerk trouwde.

In de eerste jaren na hun aankomst in Amerika verbleven ze in Fort Oranje. In 1626 verhuisden ze naar Fort Amsterdam, ten zuiden van het eiland Manhattan. Ze vestigden zich aan de East River en kochten twee huizen in de buurt van het fort, nu Pearl Street in Lower Manhattan.

In 1637, achttien jaar na hun aankomst aan de Hudson, kochten ze van de Indianen 135 hectare grond gelegen op Long Island. Ze gaven hun eigendom de naam Waalbocht, wat vandaag de dag Wallabout in Brooklyn is.

Cathelyntje en Joris kregen samen elf kinderen. Hun eerste kind, Sarah, was het eerste kind van Europese ouders dat op Amerikaans grondgebied werd geboren. In 1680 telden Cathelyntje en Joris maar liefst 145 afstammelingen. Men heeft berekend dat zij de voorouders zijn van niet minder dan één miljoen Amerikanen. Een miljoen Amerikanen die dus afstammen van een Zuid-Nederlandse familie uit Dowaai en uit Prisches bij Valencijn. In Brooklyn herinnert de Rapelye Street nog aan de familienaam van de eerste Zuid-Nederlandse inwoners, Joris en Cathelyntje Rapalije-Trico.

Gepubliceerd

20.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Willem J. L. van Es: uitgestrooid op de “heilige heuvel” van Vlaanderen

Op 20 maart 1943 overleed in Wassenaar, Zuid-Holland, Willem Johan Louis van Es, advocaat en taalkundige. Hij werd geboren op 20 maart 1886 als zoon van een hooggeplaatst ambtenaar in Padang, toen Nederlands Oost-Indië.

Op 18 september 1910 was van Es aanwezig op het eerste Vlaams Taal- en Geschiedkundig Congres, waar de Frans-Vlaamse pastoor Emiel Descamps (1855-1925) de hulp inriep van Vlaanderen en Nederland. Dit zou de aanzet vormen voor een beginnende actie ten gunste van Frans-Vlaanderen. In 1911 verkende van Es samen met enkele Nederlandse vrienden Frans-Vlaanderen, waar hij contact legde met de Vlaamsgezinde priester en politicus Jules Lemire. Over Lemire en Frans-Vlaanderen schreef Willem J. L. van Es meerdere artikelen, onder andere in het tijdschrift Neerlandia.

Later droeg hij bij aan het tijdschrift Le Lion de Flandre van het Vlaams Verbond van Frankrijk, waar hij voornamelijk over toponymie schreef. Een van zijn bekendste studies is “De ondergang van het Diets in Frankrijk na de Saksische-Frankische-Friese nederzetting.”

Daarnaast publiceerde Willem J. L. van Es twee boeken:

  • “De Franse Nederlanden” (1918)
  • “De Groot-Nederlandse gedachte” (1918)

Hij was ook meerdere keren bestuurslid van het Algemeen Nederlands Verbond en medeoprichter van de vereniging Zannekin in de periode 1937-1939. Volgens zijn laatste wilsbeschikking werd de as van Willem J. L. van Es, die een vrijzinnige van protestantse huize was, uitgestrooid op de Kasselberg, de “Heilige heuvel” van Vlaanderen.

Gepubliceerd

20.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Vijfde druk!

Met gepaste trots ontving ik zojuist exemplaren van de vijfde druk van mijn boek :

FRANS EN TOCH VLAAMS. HET VERHAAL VAN FRANS-VLAANDEREN.

Mijn dank gaat uit naar uitgever Karl Drabbe en de ploeg van ERTSBERG voor hun vertrouwen en de prettige samenwerking.

Je kunt mijn boek vinden in de boekhandel of bij uitgeverij Ertsberg.

Voor een gesigneerd exemplaar kan je ook terecht op mijn blog widopedia.eu

Gepubliceerd

19.03.2025

Kernwoorden
Reacties

De (Frans-) Vlaamse beweging in de storm

Op 16 maart 1953 verschijnt in De Toerist, de publicatie van de Vlaamse Toeristenbond, een artikel van Testis, een pseudoniem van Jean-Marie Gantois (1904-1968), getiteld “De Vlaamse beweging in de storm”. In dit artikel schetst Gantois zijn relaas over de laatste jaren van het Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF) en het proces tegen het VVF na de oorlog.

Luc Verbeke, de toenmalige algemeen secretaris van het Komitee voor Frans-Vlaanderen, schrijft in zijn boek ‘Vlaanderen in Frankrijk’ (1970) over dit artikel en de periode van de Tweede Wereldoorlog:

“Wij hebben kunnen vaststellen dat er in de publicaties van het VVF niets te vinden is dat wijst op uitgesproken collaboratie met de Duitsers.”

Ook de stukken van de aanklacht in het proces tegen de verantwoordelijken van het VVF, die vorig jaar zijn vrijgegeven, bevestigen de mening van Luc Verbeke.

Belangrijke bewijsstukken, zoals de zogenaamde brief van Gantois aan Hitler, blijken geen handtekening te dragen en hebben daardoor geen bewijswaarde. Ook wordt de fabel ontkracht dat Gantois door het bisdom Rijsel als priester zou zijn ontslagen; dit wordt weerlegd in een brief van bisschop Achille Liénart aan de rechtbank.

Ik moet dringend tijd vrijmaken, bij leven en welzijn, om de omvangrijke stukken van het proces rond Gantois en zijn medestanders grondig te bestuderen en deze te vergelijken met het artikel van Testis. Hiermee hoop ik op mijn beurt een boek over Gantois te schrijven.

Gepubliceerd

16.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Borelle, Borelle,  steek ’t vier in d’helle!

Zo klonk het opnieuw zaterdagavond in Dranouter, tijdens het jaarlijkse Borellefeest. Deze oude heidense traditie, die in het begin van de vorige eeuw was gestaakt, werd in 1976 nieuw leven ingeblazen.

Het Borellefeest, vroeger ook wel Boralefeest genoemd, is gebaseerd op een oud-Germaans gebruik. De symboliek is duidelijk en was vroeger wijdverspreid in Europa: de winter en de boze geesten worden verdreven door verbranding, terwijl de vruchtbare lente wordt verwelkomd, die nieuw leven en voorspoed brengt.

Tijdens het feest worden poppen verbrand die de vier hoeken van de gemeente symboliseren. De feestelijke optocht gaat naar de Waaienberg, een heuvel naast de Monteberg, waar een groot vuur wordt ontstoken.

De feestvierders schminken zich met as, zingen het Borellelied en springen over het vuur. Ook worden er Borellekoeken uitgedeeld, waarvan één op de vijf een Borelle patakon bevat, als jaarlijks aandenken aan het Borellefeest.

De naam Borelle komt van “bralle” (stok). Een bundel stro werd op een paal of stok geplaatst en in brand gestoken. Vervolgens werd een fakkel aangestoken om de stropoppen aan de hoeken van het dorp in vlam te zetten. Het vuur werd daarna naar de berg gebracht, waar het grote vuur ontstoken werd.

Opmerkelijk is dat mijn familienaam in mijn jeugd door oudere, Vlaamssprekende dorpsgenoten als Borelle werd uitgesproken. Of er een verband is met deze oude heidense traditie weet ik niet.

Het is bijzonder dat deze traditie in Dranouter opnieuw tot leven kwam na 70 jaar van afwezigheid. Volgens de archieven van de kerk van Loker werd de laatste Boralezondag in 1905 gevierd. Tot dat jaar vond Boralezondag plaats op de eerste zondag van de Vasten.

Bronnen zwijgen over eerdere feestelijkheden rond het verbranden van de winter op de andere heuvels aan de nu Frans-Vlaamse kant . Het is echter redelijk om aan te nemen dat deze traditie vroeger op andere plaatsen werd gevierd, mogelijk ook met het werpen van brandende wielen vanuit de heuvels, zoals in bepaalde heuvelachtige streken van Duitsland.

Gepubliceerd

15.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Al mijn publicaties

Ik werk momenteel aan de laatste details van een nieuwe, tweetalige publicatie met de titel:

DE DRIE MAAGDEKENS VAN KAASTER. De geheimen van een vergeten cultus.
LES TROIS VIERGES DE CAESTRE. Les secrets d’un culte oublié.

Dit boekje zal in de zomer of het najaar verschijnen. Houd mijn kanalen in de gaten voor meer nieuws! Ter gelegenheid van deze komende lancering heb ik mijn lijst met alle publicaties in brochure- of boekvorm bijgewerkt. Publicaties die met een * zijn gemarkeerd, zijn op mijn blog bij de rubriek ‘boeken’ beschikbaar.

Zie hier de oogst:

  • 2009, Wintertijd in Frans-Vlaanderen (twee drukken).
  • 2010, Een erfenis zonder testament. Hoe en waarom ik Nederlands leerde.
  • 2011, Hier, en aan de overkant. Anekdotische aantekeningen over Frans-Vlaanderen en de Nederlanden. Deel 1.
  • 2012, Cyriel Moeyaert. In de taaltuin van mijn vaderen.
  • 2012, *Perspectief 2013. Een kroniek over bekende en minder bekende mensen, feiten en data uit onze geschiedenis.
  • 2013, Broekers in Waterland. Vlamingen in de moerassen van Sint-Omaars.
  • 2014, *De saga van Lodewijk. Over Lodewijk de Baecker, voorvechter van de Nederlandse Gedachte in Frankrijk.
  • 2015, *Cyriel Moeyaert. In de taaltuin van mijn vaderen. (Tweede , herziene druk).
  • 2016, *Kinderen van de Beeldenstorm. Tien bekende, beruchte of vergeten Zuid-Nederlanders in de geuzentijd.
  • 2017, Olla Vogala. Het verhaal van de taal van de Vlamingen, in Frankrijk en elders/ L’histoire de la langue des Flamands, en France et ailleurs. Tweetalige uitgave Nederlands-Frans.
  • 2017, *Hier, en aan de overkant. Anekdotische aantekeningen over Frans-Vlaanderen en de Nederlanden. Deel 2.
  • 2018, De symboliek van het jaar.
  • 2018, *Het meten van de tijd. Symbolen en tradities/ La mesure du temps. Symboles et traditions. Tweetalige uitgave Nederlands-Frans. (Twee drukken).
  • 2019, *Olla Vogala. Het verhaal van de taal van de Vlamingen, in Frankrijk en elders/ L’histoire de la langue des Flamands, en France et ailleurs. Tweetalige uitgave Nederlands-Frans. (Tweede, herziene druk).
  • 2020, *Nicolas Bourgeois en Frans-Vlaanderen. Confidenties in het Olmkasteel.
  • 2021, Drie heidense gezusters. Beperkte oplage, niet in de handel gebracht.
  • 2022, *Flandre. Des questions qui dérangent. Livre en langue française.
  • 2023, *Frans en toch Vlaams. Het verhaal van Frans-Vlaanderen. (Vier drukken).
  • 2025, In voorbereiding : De Drie Maagdekens van Kaaster. De geheimen van een vergeten cultus/ Les Trois Vierges de Caestre. Les secrets d’un culte oublié. Tweetalige uitgave Nederlands-Frans.
Gepubliceerd

11.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Mijn volgende lezingen

Mijn reeks lezingen gaat volgende week verder.

Ik zal spreken over mijn boek ‘Frans en toch Vlaams. Het verhaal van Frans-Vlaanderen’, en daarnaast ook over de actualiteit van Frans-Vlaanderen.

Om het met de woorden van Mark Elchardus te zeggen leeft in Frans-Vlaanderen ” het gevoel van continuïteit over de generaties ook bij veel mensen, niet als een onderdeel van een politiek ideologie, maar als emotionele verbondenheid met voorouders en omgeving.”

Je kunt mij vinden op de volgende data:

  • Dinsdag 11 maart om 20:00 uur, voor de Heemkundige Kring van Torhout (Cultureel Centrum De Brouckere, Aartrijkestraat 6).
  • Donderdag 13 maart om 19:30 uur, voor Marnixring De Pekker in Izegem (Restaurant De Smaak, Gentsestraat 27).
Gepubliceerd

09.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Jules Lemire en de Revolutie van de Volkstuintjes

Op 7 maart 1928 overleed priester, volksvertegenwoordiger en burgemeester Jules Lemire in Hazebroek. Zijn sociale standpunten en regionalisme zijn algemeen bekend, evenals de belangrijke rol van traditie en volkstaal in zijn denken.

Een opvallend aspect van Lemire’s vele activiteiten en verwezenlijkingen is het sociale project van de oprichting van volkstuinen (Ligue du coin de terre et du foyer). Dit idee had Lemire overgenomen van zijn vriend, de geneesheer Gustave Lancry, die kan worden beschouwd als de geestelijke vader van het terrianisme. Het plan kan als volgt worden samengevat: de arbeider wordt eigenaar en bewerker van een stukje grond. Gemeenten stelden stukjes grond ter beschikking voor een symbolisch bedrag, zodat de arbeiders deze zelf konden bewerken en eigen groenten konden kweken. Voor arbeiders uit de industriegebieden bood het terrianisme een eerste kans om terug te keren naar de natuur.

Het terrianisme verspreidde zich buiten Frans-Vlaanderen en kreeg een eigen leven in Frankrijk, mede dankzij de steun van de federalistische federatie van Charles Brun, waarvan Lemire lid was.

Voor meer informatie over priester Lemire, de sociale geneesheer Lancry, het terrianisme en de revolutie van de volkstuintjes, verwijs ik u naar mijn boek “Frans en toch Vlaams: Het verhaal van Frans-Vlaanderen”, verkrijgbaar bij de betere boekhandels. Voor een gesigneerd exemplaar kunt u terecht op deze blog: www.widopedia.eu.

Gepubliceerd

07.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Ces Flamands qui (ne) parlent (que) le français

Un correspondant me fait remarquer qu’il existe des Flamands francophones depuis des siècles. Cependant, ils sont souvent laissés pour compte, le label “Flamand” étant surtout associé à celles et ceux qui parlent la langue néerlandaise. Il ajoute : « En ce qui me concerne, je pense qu’un habitant de Lille, d’Arras ou de Douai n’en est pas moins flamand qu’un Dunkerquois, un Brugeois ou un Anversois. » Je partage volontiers cette conclusion, moyennant quelques nuances.

APPRENDRE A CONNAITRE TOUS LES LES FLAMANDS – Natif de Flandre en France, je sais que, contrairement à une citation flamande bien connue, « la langue n’est pas tout le peuple. » Toutefois, cette réflexion reste très incomplète. La Flandre d’aujourd’hui est triple, car elle est écartelée entre trois pays. La Flandre zélandaise, la partie la plus modeste, fait partie des Pays-Bas. La Flandre belge inclut aujourd’hui beaucoup plus que les territoires historiques de l’ancien comté de Flandre et compte plus de 6 millions d’habitants. Et puis, il y a la Flandre en France. Un minimum de connaissances sur l’histoire de chaque entité me semble indispensable pour ce débat. Cependant, beaucoup de Flamands de Belgique et des Néerlandais ne connaissent pas ou peu la Flandre en France, et cela vaut également pour la plupart des Flamands de France, qui n’ont quasiment aucune notion de l’histoire de la Flandre belge et des Pays-Bas. On peut évoquer comme excuse le fait que les manuels scolaires de la République se taisent quant à nos voisins, mais c’est un peu facile. Pour ma part, j’ai étudié en autodidacte pendant plusieurs années l’histoire du Mouvement flamand et de l’Idée néerlandaise. J’ai ainsi appris comment les écarts se sont creusés entre nous, ce qui fait que les mêmes mots, les mêmes faits et les mêmes situations sont perçus différemment d’un côté et de l’autre.

LANGUE ET IDENTITE – La fameuse citation flamande « de taal is gans het volk » (la langue est tout le peuple) provient d’un poème intitulé « De Nederduitsche Tael » écrit par le poète Prudens van Duyse (1804-1859). Pour la comprendre, il faut la replacer dans le contexte de son époque, marquée par l’éclosion du Mouvement flamand en Belgique et la lutte contre la francisation de la Flandre dans ce pays. Mais je n’en affirme pas moins que la langue est une composante majeure de l’identité. Cela ne signifie pas pour autant que les Irlandais soient moins Irlandais parce qu’ils parlent presque tous anglais, ni que les Juifs de la diaspora, qui ne maîtrisent pas ou peu l’hébreu, soient moins juifs que les autres. Je suis d’avis que le rôle de la langue est primordial, et qu’ils sont donc irlandais ou juifs, mais d’une autre façon.

AU TEMPS OU LE FRANCAIS N’EXISTAIT PAS ENCORE – L’opinion selon laquelle le français a toujours été la langue dominante à Lille, Douai ou Arras est basée sur l’idée que notre histoire commence seulement après l’an 1000. Pourtant, la Flandre lilloise parlait bien le bas-francique, dont les dialectes flamands et le néerlandais sont les descendants directs. C’était à l’époque où la capitale franque avec son roi Childeric s’appelait Tournai. Cette constatation peut être suivie à la trace, au moins jusqu’à la Somme, et même jusqu’à Paris. Il paraît que le roi de France, Hugo Capet, décédé en 996, comprenait encore convenablement la langue de ses ancêtres. Jusqu’au XIXe siècle, la langue populaire de la Flandre lilloise et de l’Artois était le picard, et il serait donc plus correct de parler de Flamands romans (gallicants) plutôt que de Flamands parlant le français. D’ailleurs, il aurait été difficile de parler français à l’époque de notre légendaire Liederik, pour la simple raison que cette langue n’existait pas encore. L’élite franque a pris son temps pour passer à la langue romane qui deviendra plus tard le français, ce phénomène de romanisation étant également stimulé par la pénétration puis par l’installation progressive du christianisme.

APPRENONS LE NEERLANDAIS – Je terminerai mon propos par une remarque basée sur mon expérience personnelle. Je ne veux blesser personne, mais j’avoue avoir honte à la place de celles et ceux qui se disent flamands en France mais qui ne parlent pas le néerlandais. Je n’ai jamais compris comment il est possible de s’affirmer flamand sans faire l’effort élémentaire d’apprendre la langue. La Flandre en France se montre ici bonne dernière de la classe. Je lisais récemment qu’en Alsace, 90 % de la jeunesse s’initiait d’une manière ou d’une autre à l’allemand. En Flandre en France, nous parlons, selon la formule de Contador, de 0,0001 %. Cette histoire de Flandre et de Flamands francophones depuis le Moyen Âge est donc également utilisée comme une mauvaise excuse par celles et ceux qui sont trop paresseux pour apprendre la langue des Flamands.

Gepubliceerd

04.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Over taal en identiteit

Hans Cany stelt dat er al eeuwenlang Franstalige Vlamingen bestaan. Helaas wordt dit vaak vergeten, aangezien het label ‘Vlaming’ meestal wordt gekoppeld aan het spreken van het Nederlands. Hij voegt eraan toe: “Wat mij betreft, denk ik dat een inwoner van Rijsel, Atrecht of Dowaai niet minder Vlaming is dan een Duinkerkenaar, Bruggeling of Antwerpenaar.” Ik kan deze opmerking beamen, maar wil enkele nuances aanbrengen.

Leer alle Vlamingen kennen: Als geboren Frans-Vlaming weet ik dat de taal in Frans-Vlaanderen niet ‘gans het volk was’ . Maar daarmee is mijn verhaal nog niet ten einde. Vlaanderen strekt zich tegenwoordig uit over drie landen. Zeeuws-Vlaanderen, gelegen op Nederlands grondgebied, is het kleinste deel. Het ‘Belgisch’-Vlaanderen omvat vandaag de dag bovendien veel meer dan de gebieden van het oude graafschap Vlaanderen .En tenslotte Vlaanderen in Frankrijk. Een minimum aan kennis van de geschiedenis van elk deel is noodzakelijk om dit debat te voeren. Veel Vlamingen en Nederlanders weten weinig over Frans-Vlaanderen, en hetzelfde geldt voor veel Frans-Vlamingen, die vaak niet op de hoogte zijn van de geschiedenis van Belgisch-Vlaanderen en Nederland. Zelf heb ik jarenlang de geschiedenis van de Vlaamse Beweging en de Nederlandse gedachte bestudeerd en heb ik geleerd hoe sterk alles uit elkaar is gegroeid; dezelfde woorden, feiten en situaties worden vaak anders gepercipieerd.

Taal en identiteit: De gevleugelde woorden ‘De taal is gans het volk’ komen uit het gedicht ‘De Nederduitsche Tael’ van de Vlaamse dichter Prudens van Duyse (1804-1859) en zijn te begrijpen in de specifieke context van de ontluikende Vlaamse beweging en de strijd tegen de verfransing van Vlaanderen in België. Het is waar dat de strijd voor de taal, meer dan andere elementen, een belangrijke rol speelt in de emancipatie van de Vlaamse Beweging. Taal is een van de bepalende elementen van identiteit. Dit betekent echter niet dat Ieren minder Iers zijn omdat ze bijna allemaal Engels spreken, of dat Joden uit de diaspora die slecht of geen Hebreeuws spreken minder Joods zijn. Het is wel mijn overtuiging dat zij ‘anders Iers’ en ‘anders Joods’ zijn.

Toen het Frans nog niet bestond: Het standpunt dat het Frans altijd de dominante taal is geweest in Rijsel, Dowaai of Atrecht, gaat ervan uit dat de geschiedenis begint na het jaar 1000. Nochtans sprak men in Rijsels-Vlaanderen ooit Neder Frankisch, de taal die in directe lijn voorafgaat aan de Vlaamse streektalen en aan het Nederlands. Tot in de 19de eeuw was de volkstaal van Rijsels-Vlaanderen en Artesië het Picardisch, en het zou dus juister zijn om te spreken van Romaanssprekende Vlamingen. In Rijsels-Vlaanderen, tot aan de Zomme, sprak men in de tijd van de legendarische Liederik geen Frans, omdat deze taal toen nog niet bestond! De Frankische elite heeft zich geleidelijk aan geromaniseerd met de overgang naar het christendom.

Leer Nederlands: Tot slot een opmerking vanuit mijn persoonlijke ervaring: ik wil niemand kwetsen, maar ik schaam me voor het gebrek aan kennis van de Nederlandse taal onder de Vlaamsvoelende inwoners van Frans-Vlaanderen. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom mensen die zich in Frans-Vlaanderen Vlaming voelen, amper of geen moeite doen om de Nederlandse taal te leren. Frans-Vlaanderen vormt hierin een treurig unicum. Ik las dat bijvoorbeeld in de Elzas 90% van de jeugd een of andere opleiding Duits volgt. In Frans-Vlaanderen ligt dat percentage op 0,0001%. Het verhaal dat er Franstaligen in Vlaanderen zijn sinds de middeleeuwen wordt te vaak gebruikt als excuus voor degenen in Frans-Vlaanderen die de moeite niet willen nemen om de taal te leren.

Gepubliceerd

02.03.2025

Kernwoorden
Reacties

Liliane Wouters: vertalen is een kunst

Op 28 februari 2016 overleed de Franstalige dichteres, toneelschrijfster en vertaalster van Vlaamse afkomst Liliane Wouters. Ze werd geboren in Elsene in 1930.

Ze was een talentvolle vertaalster van talloze Nederlandstalige werken en gedichten naar het Frans, waaron der de fabel van Reinaert de Vos en de poëzie van Guido Gezelle. Ook van hedendaagse auteurs als Hugo Raes, Jozef Deleu en vele anderen.

Daarnaast schreef Wouters schreef verschillende anthologieën over Vlaamse en Franstalige dichters zoals ‘Belles heures de Flandre’ (1961); ‘’Bréviaire des Pays-Bas (1973).

Ze was ook de schrijfster van een autobiografisch roman geïnspireerd op haar ervaringen als leerling aan de normaalschool in Gijzegem bij Aalst waar ze tot 1949 blijven als een van de laatste leerlingen van de Franstalige sectie. Het boek werd in het Nederlands vertaald als ‘Vlaams landschap met nonnen.’

Hier volgt nog een uittreksel uit een tekst van Liliane Wouters :

CHARUE JE SUIS ET RESTERAI…

« Les Flamands, ces charrues qui croient en
Dieu »
disait, pour s’en moquer, un pamphlétaire.
Charrue je suis et resterai,
Monsieur,
les pieds solidement plantés en terre,
de la tristesse plein les yeux
mais le rire éclatant, l’appétit, gargantuesque,
priant aussi souvent que je travaille, ou presque,

— ora et labora, joie, joie, joie —

les étés, les hivers se suivent, moi
j’avance, les brouillards arrivent, moi,
j’avance,
Icare tombe, je vais mon
chemin, non pas cheval mais simplement
charrue, un instrument docile, un bon
outil, qui sait la force d’être sans
pouvoir, de se vouloir toujours et seulement charrue
mais par la main du
Laboureur tenue.

Gepubliceerd

28.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Renan en de natie

Op 27 Februari 1823 werd in het Bretoense Tréguier de filoloog, historicus,  filosoof en schrijver Ernest Renan geboren. Hij overleed in 1892. In een boek over jeugdherinneringen vertelt Renan dat hij, volgens de familietraditie, langs vaderszijde afstamt van een Welshe clan  die in de vijfde eeuw naar Bretagne migreerde.

Renan verwierf tijdens zijn leven beruchtheid door zijn boek  “Leven van Jezus” (1863)  en zijn stelling dat men over het leven van Jezus op dezelfde wijze zou moeten schrijven als over het leven elke andere mens. Voor dit boek noemde  Paus Pius IX hem ‘de godslasteraar van Europa’

Ik wil het verder hebben over twee andere fundamentele geschriften van Ernest Renan:

1) ‘La réforme intellectuelle et morale’

In dit boek uit 1871, dat meer een manifest van zijn tijd is, schrijft hij:

“het middeleeuwse Frankrijk is een Germaanse constructie, opgericht door een Germaanse militaire aristocratie met enkele Gallo-romeinse elementen. Het was het werk van het eeuwige Frankrijk om alle resterende componenten van de Germaanse invasies te liquideren, tot aan de Franse Revolutie, die de laatste stuiptrekkingen van deze inspanningen vertegenwoordigt.”

2) Een natie wat is dat?

Boeiend voor het huidige debat over de natie is de voordracht die Renan in 1875 voor het eerst  in het Nederlandse Leiden hield onder de titel “Een natie wat is dat?”

Hij definieert het Franse concept van de natie als volgt:

“Een natie is een ziel, een spiritueel principe. Twee elementen, die in werkelijkheid slechts één zijn, vormen deze ziel, dit spiritueel principe. Het ene bevindt zich in het verleden, het andere in het heden. Het verleden omvat een rijke erfenis aan herinneringen, terwijl het heden de wens vertegenwoordigt om deze erfenis onverdeeld te handhaven. In het verleden delen we een er ergernis van glorie en teleurstellingen; in de toekomst hebben we een gemeenschappelijk programma om uit te voeren. Samen geleden, genoten en gehoopt hebben, dat is meer dan douanebewaking; dat is wat men begrijpt ondanks de diversiteit aan rassen en talen. Een natie is daarom een grote solidariteit, gevormd door het besef van de offers die men heeft gebracht en bereid is te brengen. Uiteindelijk is het een voortdurende volksstemming.”

Deze definitie van Renan is de Franse definitie van de natie geworden, in tegenstelling tot de Duitse definitie die cultuur, taal, geschiedenis, religie, tradities, territorium en volk omvat. Deze Duitse definitie is schatplichtig aan Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) met zijn “Reden an die Deutsche Nation”, maar ook aan Johann Gottfried von Herder (1744-1803), Friedrich Hölderlin (1770-1843 en Joseph Hörres (1776-1848).

Het is betreurenswaardig vast te stellen dat in Vlaanderen, en ook in bepaalde Vlaams-nationale rangen, men meer en meer verschoven is naar een Franse definitie van de natie.

Gepubliceerd

27.02.2025

Kernwoorden
Reacties

De geschiedenis van de kanaaltunnel

Op 26 februari 1914 vergaderde een commissie in het Britse Lagerhuis met Londense zakenlui om de wenselijkheid van een tunnel onder het kanaal opnieuw te bespreken, een oud project met een lange voorgeschiedenis. Het voorstel werd aangenomen, maar verdween al snel in de la door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Na de oorlog waren er andere prioriteiten en belandde het project in de koelkast. Ingenieurs en politici kwamen af en toe bijeen, maar dat leidde tot niets concreets. In 1922 werden er opnieuw proefboringen uitgevoerd, maar het duurde tot 1974 voordat het project weer werd opgepakt.

Uiteindelijk kwam er in 1994 een tunnel, na zeven jaar graafwerk. De inhuldiging vond plaats op 6 mei 1994. De Kanaaltunnel heeft een lengte van 51,5 km en ligt 37 meter onder de zeespiegel.

Een tunnel met obstakels

De voorgeschiedenis van het project begon al in 1802. Een eerste ontwerp van de Franse mijnbouwingenieur Albert Matthieu-Favier voorzag in een kanaaltunnel voor paardenkoetsen tussen Kales en Dover, verlicht met olielampen. Men stelde zich voor dat er een kunstmatig eiland in het midden van het kanaal zou worden gebouwd voor het wisselen van de paarden.

In 1855 stelde de Franse ingenieur Favre voor om een tunnel tussen Kales en Dover te graven. De tunnel zou 30 km lang zijn en 25 meter onder de zeebodem liggen. Met de trein, een toen nieuw en revolutionair transportmiddel, zou men de afstand in 25 minuten kunnen afleggen.

Later, in 1880, voerde de Anglo-French Submarine Railway Company boringen uit aan de Engelse zijde. Aan de Franse zijde werd een concessie verleend aan de “Association française du tunnel sous-marin entre la France et l’Angleterre.” In 1882 begon men aan beide kanten te graven: 1.893 meter aan Britse zijde en 1.669 meter aan Franse zijde. Dit project werd echter in 1883 door de Britten stopgezet. De Britse militaire autoriteiten, die Napoleon niet waren vergeten, hadden strategische bezwaren en beschouwden het risico op een Franse invasie als te groot. Deze officiële visie van Groot-Brittannië zou tot 1914 aanhouden, maar de oorlog kwam als een spelbreker.

Gepubliceerd

26.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Het wurgcontract

Op 25 februari 1212 tekende Johanna van Constantinopel, de dochter van Boudewijn, graaf van Vlaanderen en keizer van Constantinopel, in Pont-à-Vendin (Wendenbrugge) nabij Lens het zogenaamde “wurgcontract” met Filips II August van Frankrijk, na diens bemiddeling voor haar huwelijk met Ferrand van Portugal. Johanna was op dat moment twaalf jaar oud en verbleef al zes jaar in Parijs onder de controle van de Franse koning. Hij wilde haar koppelen aan deze Portugese prins, in wie hij een gemakkelijk te manipuleren graaf van Vlaanderen zag. Dit zou al snel een foute inschatting blijken.

Na de huwelijksceremonie in Parijs keerde Johanna met haar man terug naar Vlaanderen. Nog voordat ze waren aangekomen, werden ze in Péronne tegengehouden door een leger, geleid door de zoon van de Franse koning, de latere koning Lodewijk VIII.

Voor hun blijde intrede in Vlaanderen werden de steden Sint-Omaars en Ariën aan de Leie door het Franse leger belegerd en gedwongen tot overgave. Het wurgcontract verplichtte Ferrand en Johanna formeel om afstand te doen van beide steden.

Gepubliceerd

25.02.2025

Kernwoorden
Reacties

De Franse koning geeft zich over 

Op 24 februari 1525, op het beroemd slagveld van Pavia in Lombardije, neemt graaf Karel van Lannoy (Charles de Lannoy), in dienst van keizer Karel V, de overgave van de Franse koning Frans I in ontvangst. De Franse koning staat symbolisch zijn zwaard af alvorens zich over te geven en gevangen te worden genomen.

Deze gebeurtenis markeert een keerpunt in de Italiaanse Oorlogen, waarin Frankrijk zijn invloed in Italië verliest en Karel V zijn macht uitbreidt.

Karel van Lannoy (1485-1527) werd in Valencijn geboren als een telg van een beroemd adelijk geslacht uit Rijsels-Vlaanderen. Hij was een vertrouweling van Keizer Karel en diens opperbelhebber tijdens de Italiaanse oorlog (1521-1526). Hij droeg de titel van graaf van het Heilig Roomse Rijk. Deze en andere wapenfeiten leidden ertoe dat hij tot onderkoning van Napels en tot eerste prins van Sulmona en Ortonamare werd benoemd.

De Franse koning werd naar Spanje overgebracht en gedwongen de Vrede van Madrid te aanvaarden. Hij moest zijn aanspraken op het hertogdom Milan, het koninkrijk Napels, Franche-Comté, Kroon-Vlaanderen en het graafschap Artesië opgeven.

Frans I zwoer plechtig dat hij het verdrag na zijn vrijlating zou naleven, ook tegenover Lannoy, die de belofte namens Karel V in ontvangst nam. Eenmaal terug in Parijs haastte de Franse koning zich echter om zijn woord te breken, waarna de oorlog kort daarna weer werd hervat.

De belangrijkste punten van de Vrede van Madrid zouden drie jaar later worden bevestigd in de Damesvrede van Kamerijk, wat leidde tot een vermindering van de diplomatieke spanningen en de consolidatie van de machtsverhoudingen in Europa ten gunste van het Rijk.

Gepubliceerd

24.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Maurice wou, na de oorlog, met de Sovjets collaboreren

Op 23 februari 1949 verklaart de algemene secretaris van de Franse communistische partij, Maurice Thorez (1900-1964),  tijdens een vergadering van het centraal comité van zijn  partij:

“In het geval dat het Sovjetleger, dat de zaak van de volkeren verdedigt, dat wil zeggen de zaak van het socialisme, zou worden gedwongen om de agressors tot op onze grondgebied te achtervolgen, zouden de Franse communisten zich aansluiten bij een politiek van  collaboratie.”

Maurice Thorez werd geboren in de Artesische gemeente  Noyelles-Godault, gelegen  in de mijnstreek, nabij Lens. Ook de partner van Maurice, Jeannette Vermeersch (1910-2001), werd geboren in la Madeleine bij Rijsel. Zoals hun familienamen en geboorteplaatsen verraden hadden ze beide Vlaamse wortels.

Over deze zeer stalinistische koppel werd in 1937 een propagandafilm ‘Fils du peuple’ gemaakt ter gelegenheid van de promotie van het gelijknamige boek van Maurice Thorez. De maker van de film was niemand minder dan de later beroemde filmregisseur Jean Renoir.

Gepubliceerd

23.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Adolphe Quetelet en het meten van de tijd

Op 22 februari 1796 werd in Gent  de wiskundige en sterrenkundige Adolphe Quetelet (1796-1874) geboren. Hij was de eerste directeur van het observatorium van Brussel. Quetelet is ook de vader van de sociale statistiek en de uitvinder van de Queteletindex, later body-mass index of BMI genoemd, een vergelijkende  index om het (over)gewicht van een mens te meten.

Het is Quetelet die de opdracht kreeg een oplossing te bedenken voor het harmoniseren van de tijdsverschillen in dit land. Hiervoor traceerde hij 41 meridianen in de voornaamste steden. Zo kon hij op wetenschappelijke wijze de hoogste stand van de zon bepalen per gemeente, alsook een gemiddelde. Een van de meridianen van Quetelet is vandaag nog steeds te zien op de grote markt van Brugge.

Over Quetelet  lees mijn tweetalige publicatie: HET METEN VAN DE TIJD, symbolen en tradities – LA MESURE DU TEMPS, symboles et traditions. Enkele exemplaren zijn nog beschikbaar. Meer info op de homepagina van Widopedia.

Gepubliceerd

22.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Overpeinzingen: Een citaat van Luc Verbeke

“Toen ik nog een kind was heb ik gepoogd de wind te vangen in mijn handen. Ik moest ondervinden dat dit onmogelijk was. Wel kon ik al vroeg ervaren welke kracht er van de wind kon uitgaan, hoe hij de windmolens liet draaien en hoe hij de zeilboten op de Leie vaart gaf.

Ik denk daar soms aan terug als ik lees hoe wetenschapslui de taalsituatie in Frans-Vlaanderen benaderen. Ze doen het ongetwijfeld objectief en hun oordeel en prognose zijn gesteund op feitelijke gegevens maar de geest die een beweging bezielt, stuwt en kracht geeft, die het vuur aanwakkert en die hinderpalen omver blaast, kunnen ze niet vangen.”

Dit schreef Luc Verbeke in 1975. De tijden veranderen en de huidige taalsituatie lijkt de wetenschappers van toen gelijk te geven. En toch is dit een prachtig citaat dat ik  blijf koesteren.

Gepubliceerd

20.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Pater Stracke: “Elc worde een man die striden kan”

Op 18 februari 1970 overleed pater Desideer Stacke (1875-1970) jezuïet, doctor in de Germaanse filologie en grijze eminentie van de Vlaamse Beweging. Hij was een kenner van de middeleeuwse mystiek en de stichter van het Ruusbroecgenootschap.

Stracke legde voor het genootschap een werkbibliotheek aan van 60.000 boeken waarvan 40.000 door hem persoonlijk aangebracht.

Hij publiceerde veelvuldig over de Oud-Nederlandse letterkunde.

Zijn opmerkelijke redevoering “In de leer bij Jacob van Maerlant” is een belijdenis van de Heel-Nederlandse gedachte die ook Jean-Marie Gantois in zijn boek “Ons Nederland boven de Zomme” inspireerde.

Zijn favoriete verzen uit de veertiende eeuw waren ook zijn levensmotto:

‘Elc worde een man
die striden kan,
waar des is nood.
Hi sla zynen arm
breed uut, ende warm,
in fellen wederstoot.’

Deze verzen stammen uit het werk van de middeleeuwse dichter Herman de Wit. Ze zijn afkomstig uit het “Lancelot”, een van de vroege Nederlandse ridderromans en reflecteren de ridderlijke waarden en de strijdlust die typerend zijn voor die tijd.

Gepubliceerd

18.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Vlaams van Frans-Vlaanderen in het Frans: een uschekruusje

Het zijn van die woorden en uitdrukkingen die je nooit vergeet. Op Aswoensdag, moest ik in mijn jeugd naar de kerk om een “uschekruusje” te halen. In Kaaster was dat de naam voor een askruisje. Wist ik veel dat een uschekruusje geen Frans was. Er waren nog veel meer van die Vlaamse woorden en uitdrukkingen die mijn ouders gebruikten als ze met de kinderen Frans spraken. Mijn Franse taal was bezaaid met Vlaamse woorden, woorden waarvan ik het Franse equivalent niet altijd kende. In Kaaster viel dat niet op. Kwam ik dieper in Frankrijk, dan werd me wel meer dan eens gevraagd wat ik bedoelde…

De lijst is niet exhaustief, maar zie hier enkele van die woorden:

  • blote (simpel van geest, lomp, zoals in de uitdrukking ‘blote mussche’)
  • bollard (knotwilg)
  • boon
  • boutje (mannetje)
  • broer(e)
  • buuk (buik)
  • buukenoagel (navel)
  • duuf (duif)
  • dyk (gracht)
  • hommelplok
  • kaantje (kant van een brood)
  • kam
  • kapmes
  • katijverik (vuilerd)
  • kattebei(er) (braambes)
  • keun
  • koolhof
  • kot
  • lietje (beetje)
  • man, manneke
  • mule, ook apemule (muil, zoals in de uitdrukking ‘houd je mule’)
  • mussche (mus)
  • ruschenbusche (iemand die brokken maakt)
  • smitlap
  • stove (kachel)
  • stydig (stijf)
  • teugsje (slokje)

Iedereen zal wel een eigen lijst hebben, gemodelleerd op gewoontes en het beroep van de eigen familie. Frans-Vlamingen laten wel eens vallen dat ze het Frans-Vlaams, op enkele woorden na, niet meer spreken, maar dat ze het nog verstaan. Bovenstaande opsomming past hierbij.

Gepubliceerd

15.02.2025

Kernwoorden
Reacties

De hereniging van de Nederlanden

Op 15 februari 1815 besloot het Weens Congres dat de Nederlanden, zowel het noordelijke als het zuidelijke deel, opnieuw zouden worden verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden, onder de heerschappij van koning Willem I. Deze hereniging volgde op een periode van tumultueuze veranderingen in Europa, waarin de Napoleontische oorlogen een grote invloed hadden gehad op de politieke en territoriale verhoudingen in de regio. Het was een tijd waarin de ideeën van nationale identiteit en soevereiniteit steeds belangrijker werden. De hereniging was een strategische zet om stabiliteit en eenheid te creëren na jaren van conflict en onrust.

De nieuwe staat, het Koninkrijk der Nederlanden, omvatte niet alleen wat nu Nederland is, maar ook het huidige België en Luxemburg. Het vormde een historisch verantwoorde, maar complexe entiteit, met verschillende talen, culturen en tradities die naast elkaar bestonden. Buurland Frankrijk speelde een grote rol in de schaduw om deze zet tegen te werken en ongedaan te maken. Dit leidde tot spanningen tussen de twee regio’s, die zich in 1830 zouden vertalen in een, voor België, heilloze scheiding.

Luxemburg kreeg een aparte status binnen het nieuwe koninkrijk. Het hertogdom werd niet rechtstreeks vanuit het koninkrijk Nederland geregeerd, wat een unieke situatie creëerde. Willem I, die tevens de koning was van Nederland, werd de eerste groothertog van Luxemburg. Deze dubbele rol illustreert de complexe politieke structuren van die tijd. Luxemburg zou echter later zijn eigen weg gaan.

Ondanks de kortstondige vereniging legde de hereniging van de Nederlanden de basis voor toekomstige samenwerking in de regio. Het nut van economische samenwerking en culturele eenheid werd steeds meer erkend. Ook militaire en politionele samenwerking biedt meer dan ooit perspectieven. De erfenis van de periode 1815-1830 is nog steeds voelbaar in de hedendaagse verhoudingen tussen de Benelux landen en biedt een toekomstgericht referentiekader om uit de huidige politieke impasse in België te geraken.

Gepubliceerd

15.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Over staken: je klasse niet en wel verraden

Mijn vader, die helaas niet meer bij ons is, werkte als treinwisselwachter bij de Franse spoorwegen. Maar diep van binnen bleef hij de arbeider die hij in zijn jeugd was. “Je klasse verraadt je niet,” herhaalde hij vaak. Zo bleef hij zijn leven lang een overtuigd socialist, een echte, die geen vertrouwen had in de huidige salon- en universiteitssocialisten. Tegen het einde van zijn leven had hij, net als veel van zijn kameraden, ‘kaviaarlinks’ definitief de rug toegekeerd. In vrede met zijn geweten zocht hij de andere politieke pool op.

Bij de Franse spoorwegen waren de vakbonden de ware machthebbers. De communistische CGT, waar mijn vader bij was aangesloten, vormde het onbetwiste bastion van de macht. In die tijd was het een indrukwekkend goed geoliede machine die met een simpele vingerknip het land kon verlammen.

Thuis heb ik talloze discussies meegemaakt over de rechten van de arbeidersklasse en het staken. Daarbij hoorde ook een retoriek over plichten. Er bestond toen nog een ethiek van de arbeid, een vorm van plichtsbewustzijn die deze militanten evenzeer konden uitstralen.

Als ik terugdenk aan die tijd, realiseer ik me dat de sociale strijd mijn eerste lessen in politieke opvoeding vormde. Mijn vader schreef soms mee aan de pamfletten van de plaatselijke vakbondsafdeling, en ik mocht de teksten nalezen op fouten. Op den duur had ik de vakbondsdialectiek eigen gemaakt en mocht ik verbeteringen voorstellen. Vader leerde me dat elk pamflet moest eindigen met de zin: “Wij zullen strijden tot het einde.”

Op een stakingsdag, wat regelmatig voorkwam, mocht ik als kind mee de stakersposten in Duinkerke bemannen. Ik hielp met het aanbrengen van paletten en het zagen van hout om een vuurtje te stoken in een ton. Ook genoot ik van een snoepje of koekje van de kameraden en schudde ik stevig de hand van de stoere mannen voor één dag. De organisatie was onberispelijk: Jan bakte de worsten, en Pieter bracht een grote pot mosterd mee.

Onder de Vlaamse kameraden werd er stevig in het Frans-Vlaams gediscussieerd. Verschillende spoorwegwerkers kwamen uit de streek tussen Wormhout en Hazebroek. Ik herinner me nog dat mijn vader in het seinhuis van de Zeven Planeten in Koudekerke de luidsprekers gebruikte, die over veertig sporen heen weergalmden, om in het Frans-Vlaams het einde van de stakingsdag aan te kondigen.

Dit verhaal kon niet eeuwig duren. Op een dag kwam ik in ons dorp een andere spoorwegman tegen. In plaats van hem te groeten met “goeie dag,” vroeg ik: “En nog eens aan het staken, zeker?” De man, een vriend van mijn vader, besloot onmiddellijk om hem op te zoeken om zijn beklag te doen.

Ik werd geroepen en moest me bij de kameraad van dienst verontschuldigen. Uiteraard weigerde ik, en zo kwam er een einde aan mijn begrip voor stakingen en stakers. Salvador Dalí schreef ooit: “Je moet altijd je klasse verraden.” En hij voegde er, even provocerend aan toe: “Vandaag ben ik een aristocraat.”

Gepubliceerd

14.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Michel Seuphor: Een Antwerpenaar in Parijs

Op 12 februari 1999 overleed de Vlaamse kunstenaar Michel Seuphor in Parijs, waar hij 75 jaar woonde. Zijn echte naam was Ferdinand Berckelaers en hij werd op 20 maart 1901 geboren in Borgerhout.

Seuphor, een anagram van Orpheus was een kunstenaar en publiceerde invloedrijke werken over de geschiedenis en essentie van abstracte kunst. Over de eerste abstracte kunstenaars schreef Seuphor het boek “L’art abstrait, ses origines, ses premiers maîtres” in 1949. Enkele jaren later publiceerde hij een monumentaal werk over de Nederlandse kunstenaar Mondriaan. Seuphor was ook de auteur van twee andere boeken over abstracte kunst : “Dictionnaire de la peinture abstraite” (1957) en “La peinture abstraite, sa genèse, son expansion” (1962).

In 1939 verscheen zijn roman “Les évasions d’Olivier Trickmansholm,” dat hij beschouwde als een geromanceerde autobiografie. In dit boek beschrijft hij gedetailleerd de moord op zijn vriend Herman van den Reeck tijdens een betoging. Van den Reeck werd doodgeschoten door de politie van Antwerpen na de Guldensporen viering van 1920.

Michel Seuphor was een buitengewoon erudiete man die Sanskriet kende en wereldwijd correspondeerde in het Latijn, Grieks en Hebreeuws, bij voorkeur boven het Engels. Aan het einde van zijn leven kon hij uit het hoofd gedichten van Guido Gezelle in zijn moedertaal declameren.

In 2022 nam het KMSKA  57 tekeningen en werken van Michel Seuphor in ontvangst, een schenking van zijn kleinkinderen aan zijn geboortestad.

Gepubliceerd

12.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Het stadhuis van Hazebroek

Op 11 februari 1801 verwoestte een brand het stadhuis van Hazebroek. De heer Theeten, griffier van dienst, redde zijn leven door uit een raam te springen. Alle archieven van de stad gingen in de vlammen verloren. Het sierlijke stadhuis met belfort was opgetrokken in Vlaamse Renaissancestijl en dateerde uit 1589. Het stond centraal op de markt. Het werd vervangen door een bombastische constructie in Empirestijl. Op 6 mei 1806 begon men met de bouw van het nieuwe stadhuis, waarvan de architectuur de hele markt ontsierde.

Gepubliceerd

11.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Als de dag van toen

In februari 1975, precies vijftig jaar geleden, maakte ik in deze periode mijn voorbereidingen om naar Antwerpen te vertrekken. Het idee was om één jaar in Antwerpen te verblijven om mijn Nederlands te verbeteren.
De vereniging Hekkerschreeuwen gaf dat jaar een zelfklever uit met de tekst “In den Westhoek wil ik bluv’n”. Maar ik zag het anders: ik zou later meer kans krijgen om te ‘bluv’n’ als ik nu vertrok.

Eenvoudig was dat niet. Thuis vond niemand het een goed idee. Ik had geen inkomsten, moest gaan werken voor mijn kost en de schoolbanken vergeten. Met de voorspraak van de schrijver André Demedts kreeg ik een baan bij de Vlaamse Toeristenbond in Antwerpen. Gelukkig kwam ik in de boekhandel terecht, mijn biotoop.

Mijn verhuizing naar Antwerpen gebeurde met de kever van mijn chauffeur van dienst: Cyriel Moeyaert in hoogsteigen persoon. Mijn bagage bestond uit een rugzak, een tas met 20 kg boeken en een vooroorlogse typemachine. Eenmaal in Antwerpen kreeg Cyriel zijn koffer niet meer open. Vaarwel, mijn antieke Underwood. En ik zat daar met mijn spullen en boeken, een would-be-schrijver zonder gerief; geen student, maar wel op kot, tweehoog en eenzaam alleen.

Maar ik maakte snel kennis met ‘t Stad zonder bruggen, de Sinjoren met hun sympathiek-arrogante klep. Ik schreef terloops artikelen voor de Gazet van Antwerpen, vertaalde allerlei teksten naar het Frans om bij te verdienen. Ik opende een secretariaat van de Michiel de Swaenkring, met mijn kotmadam als secretaresse, maakte kennis met alle Vlaams- en studentikoze kroegen, en met de Vlaamse en Heel-Nederlandse beweging van toen.

Het was maar duizend stappen lopen tot aan de bioscoop, en dus ging ik drie keer naar mijn favoriete film van het jaar 1975 kijken: ‘The Man Who Would Be King’. Een inhaalbeweging voor negentien jaar zonder cinema.

Op de radio zong Reinhard Mey :“Als de dag van toen”. Maar er kwam geen dag van toen. Het werd me in Antwerpen zo druk dat ik geen tijd vond om, na één jaar, huiswaarts te keren. ’T kan verkeren zei Brabo.

Gepubliceerd

10.02.2025

Kernwoorden
Reacties
Joël Boussemaere
24.02.2025 - 18:01

Prima werk.

Antwoord
Wido Bourel
03.03.2025 - 16:07

Dank voor de vriendelijke attentie.

Vriendelijke groet van

Wido

Antwoord

Vital Celen, een pionier…

Op 9 februari 1887 werd in Hulshout, in de Kempen, Prof. Dr. Vital Celen (1887-1956) geboren. Celen was van opleiding een germanist en hoogleraar Nederlandse letterkunde.

Met betrekking tot Frans-Vlaanderen was Celen een pionier en een vurige verdediger van de Frans-Vlaamse zaak in Vlaanderen. Hij was bevriend met de vertegenwoordigers van drie generaties Frans-Vlamingen: met prof. Camille Looten; met de leider van het Vlaams Verbond van Frankrijk Jean-Marie Gantois; en ook met de dichter EmmanueL Looten.

Vital Celen schreef verschillende boeken over Frans-Vlaanderen:

  • Fransch-Vlaanderen. Letterkundige betrekkingen met Vlaanderen. Herleving van het nationaliteitsgevoel (1933)
  • Zoo schrijven de Fransch-Vlamingen (1943)
  • Frans-Vlaanderen in woord en beeld (1948)
  • Het Nederlands in Duinkerke door de eeuwen heen (1951)
  • Stemmen van trouw uit Frans-Vlaanderen (1954)

Tussen 1927 en 1934 zou hij ook de volledige werken van de Frans-Vlaamse dichter Michiel de Swaen, uitgeven, met de steun van Camille Huysmans en Maurits Sabbe.

Gepubliceerd

09.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Vergeten Frans-Vlamingen

Op 8 februari 1922 werd in Rijsel de Jeunesses Régionalistes du Nord de la France opgericht, een vereniging van jongeren uit vooraanstaande Rijselse families die zich zou inzetten voor de culturele en economische belangen van de regio Rijsels- Vlaanderen en voor Frans-Vlaanderen.

Achille Glorieux en Henry-Louis Dubly, de twee oprichters van deze vereniging, zijn vandaag vergeten. Ten onrechte want hun verdienste zijn groot. Hun namen duiken overal op in het Rijselse van het interbellum en in het kader van de wederopbouw na wereldoorlog I.

Achile Glorieux (1883-1965) was een ondernemer uit Robeke, actief in de textielsector. Hij maakte naam met zijn ’Comité d’Etudes familiales’, een christelijk en sociaal geïnspireerde instelling die zich inzette voor familiale en regionale belangen. Glorieux financierde de vereniging Jeunesses Régionalistes. Hij was ook de man die de eerste verplaatsingen naar Bretagne betaalde van de latere Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois om er kennis te maken met vooraanstaanden uit de Bretoense beweging.

Ook Henri-Louis Dubly (1901-1985) was een industrieel uit Rokeke. Tot aan zijn dood zou hij een voorname rol spelen in allerlei verenigingen ter bevordering van de relaties tussen Frans-Vlaanderen en België. Hij was ook de auteur van verschillende boeken over Rijsel.

Nog enkele namen uit Jeunesses Régionalistes: Jules Scrive-Loyer, bij leven een van de ondervoorzitters van het Vlaams Verbond van Frankrijk; Jules-Emmanuel Van den Driessche, jurist en auteur van een magistrale geschiedenis van zijn geboortestad Toerkonje; en ook Louis Delepoulle, voorzitter van Les Amis de Lille, oprichter van de Rijsele VVV en van de befaamde Rijselse Handelsbeurs.

Gepubliceerd

08.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Een Frans-Vlaming vertelt over de dood van Ludwig II van Beieren

Op 7 februari 1938 overleed Arthur Savaete. Hij maakte carrière in Parijs als journalist, romanschrijver, dramaturg, uitgever en boekhandelaar. Hij was geboren in Kaaster (1858) als zoon van een brouwergeslacht dat in Kaaster een brouwerij met hopvelden bezat. Groot vader Joseph-Emmanuel was van 1831 tot 1860 burgemeester van Kaaster. De familie was zeer bemiddeld en bezat in Kaaster het zogenaamde “Kasteel Savaete” dat tijdens wereldoorlog I zwaar werd beschadigd.

Arthur behoorde tot de ultramontaanse katholieke kringen. Hij publiceerde talloze artikels in de ‘Revue du monde catholique’, en later in de ‘Revue du monde ancien et nouveau.’

Merkwaardig is dat Arthur Savaete en zijn broers banden hadden met Beieren en met de kringen rond het koningshuis aldaar. Toen Koning Ludwig II  op 13 juni1886 zelfmoord pleegde – of werd vermoord? – was Arthur Savaete de eerste in Frankrijk om een zeer nauwkeurig relaas te brengen van de dramatische gebeurtenissen. Dit verslag verscheen eerst in de ‘Revue du monde catholique’ (01 09 1886). Later schreef hij hierover ook het boek: ‘Louis II de Bavière. Le cygne des Wittelsbach’.

Arthur Savaete verbleef regelmatig in Beieren. Dat kwam omdat zijn broer er directeur was van een schoolinstituut waar de adellijke jeugd van Beieren schoolliep. Dit instituut had ook bijzondere contacten met de koninklijke familie van Beieren die er regelmatig lezingen bijwoonde. Zo kwam Arthur aan informatie uit eerste hand over de tragische gebeurtenissen.

Gepubliceerd

07.02.2025

Kernwoorden
Reacties

En plots werden we twee departementen

In februari 1790 werden in het revolutionaire Frankrijk een nieuwe administratieve indeling, de departementen in het leven geroepen. De grenzen van de aloude provincies werden meestal bewaard maar de historische namen moesten er overal aan geloven.

Het departement du Nord werd de administratieve verzamelnaam voor Frans-Vlaanderen met inbegrip van Rijsels-Vlaanderen, Frans- Henegouwen en het Kamerijkse. Eerst werd Dowaai de hoofdstad van het departement, vervolgens  vanaf 1804, Rijsel. Atrecht werd de hoofdstad van het departement Pas-de-Calais wat staat voor Artesië, het Boonse, de streek van Kales en de stad Monsterhole.

Het schrappen van alle historische benamingen, zogezegd om alle sporen van de feodaliteit te verwijderen, was een heel slimme zet van de Franse Revolutie om de identiteiten van alle volkeren in Frankrijk met een streep van de pen te doen verdwijnen. Plots werd Frans-Vlaanderen het noorden van Frankrijk in plaats van het zuiden van de Nederlanden. En de Vlamingen daar werden tot Nordisten omgedoopt. Zo wordt een identiteit weggegomd.

Gepubliceerd

05.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Over geschreven en gesproken taal

In een recente stuk schreef ik het over soldaat en schoolmeester Philippus Boone die in de negentiende eeuw in keurig Nederlands van toen over zijn avontuurlijke reisverhalen schreef. Idem in de zeventiende eeuw met als voorbeeld Andries Steven, schrijver van het ‘Nieuwen Nederlandschen Voorschriftboek’. Of, op het einde van de zestiende eeuw, met de grote Duinkerkse dichter Michiel de Swaen.

 Cyriel Moeyaert, dé specialist van het Frans-Vlaams, heeft in zijn talloze artikels over de schrijftaal van de Franse Westhoek overvloedig aangetoond dat de Frans-Vlamingen, net als de rest van Vlaanderen of Brabant, de standaardtaal hanteerden in al hun geschriften. Standaardtaal ja dan neen gekleurd met regionale woorden of syntaxis. Uiteraard spraken Philippus Boone, Andries Steven en Michiel de Swaen op straat en in de familiekring het West-Vlaams van hun stad of streek.

Dwaalspoor

Laat me toe hier mijn stelling te herhalen: het promoten van de gesproken taal alleen, en met forse Hauts-de-France subsidies ondersteund, verdient taalkundig een certificaat van onkunde. Men dient uiteraard tegelijk de geschreven taal, het Nederlands, naast de orale taal te erkennen. Een specifieke spelling fantaseren voor de spreektaal is een dwaalspoor.

Niet geholpen door kennis van zaken verkoopt een vereniging als de AVNT dat de archaïsmen in de spelling van de geschreven taal van de vorige eeuwen geschreven dialect zijn. Dat klopt uiteraard niet: het was het geschreven Nederlands van zijn tijd, net als in Vlaanderen, Brabant of Limburg.

‘Schriftdeutsch’

De verhouding tussen dialecten en standaardtaal beantwoordt aan wat de taalkundigen een diglossie noemen. Gesproken dialecten en geschreven standaardtaal zijn niet specifiek voor het Nederlands taalgebied. Het is de normaliteit in veel Germaanssprekende landen.

De Duitssprekende Zwitsers hebben daar een expliciete naam voor: ze noemen hun geschreven standaardtaal Schrifdeutsch. Let op: de meesten spreken dagdagelijks hun respectievelijke streektalen (Muntart). Hun geschreven standaardtaal is het Schweizer Hochdeutsch, een Zwitserse variante van wat ze noemen de ‘pluricentrisch Deutsche Sprache’. De vele dialecten worden gekoesterd, precies omwille van hun diversiteit. De standaardisering van dialecten is in Zwitserland een contradictio in terminis. Niet de gesproken dialecten maar het Schriftdeutsch overkoepelt het geheel.

In de Zwitserse terminologie omgezet: het Frans-Vlaams is een van de dialecten van het standaard Zuid-Nederlands, een variante van de pluricentrische Nederlandse taalgroep. Als de Taalunie het laat afweten wordt de ‘pluricentrische Nederlandse taal’ de nieuwe definitie van de toekomst voor onze standaardtaal.

Gepubliceerd

04.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Charles Flahault: een Frans-Vlaamse voorloper van de ecologie

Op 3 februari 1935 overlijdt in Montpellier de grote Frans-Vlaamse plantkundige Charles Flahault. Hij werd geboren in Belle op 3 oktober 1852. Enkele jaren voor zijn dood verklaarde hij tegen zijn studenten: ‘ik hoop al werkend te sterven. Daarom blijf ik vrolijk en daadkrachtig.’

Flahault ondernam talrijke wetenschappelijke reizen in Scandinavië, Duitsland, Benelux, Spanje, Corsica, Tunesië, Marokko enz. Hij werd benoemd tot professor botanica aan de universiteit van Montpellier. Hij stond ook bekend als een voorloper van de ecologie. Al op het einde van de 19de eeuw voorzag hij de dreigende ontbossing en bracht maatregelenop gang om die tegen te gaan.

Charles Flahault trad in de voetsporen van zijn illustere, toen nog Zuid-Nederlandse voorgangers Clusius en Lobelius.

Gepubliceerd

03.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Over de maand februari

De maand februari, naar mijn aanvoel putje winter, telde zeven zonnige dagen, aldus mijn grootvader. De oudste wijze man van ons dorp, Jérémy, die rond 1875 was geboren, zei me dat een van de dagen van februari, welke dag precies weet ik niet meer, ‘olmendag’ werd genoemd. Hij had nog mensen gekend die een alleenstaande boom opzochten om er op olmendag een wens uit te spreken. Dat moest na zonsondergang en de  boom moest dus een olm zijn. Aan de voet van de boom werd een offer begraven in de vorm van een munt.

Lichtmis, op 2 februari. De kaarsen op lichtmis waren een overwinning op de duisternis. Op die dag werden  twee kaarsen gewijd, om ze later, met Allerheiligen, aan te steken om de dierbare doden te herdenken. Om de dieren te beschermen moest men een kaars aansteken en deze onder de buik van de dieren schudden. Op lichtmis gold vroeger een bijzondere vorm van gastvrijheid tegenover de armen. Men mocht op die dag ook iemand zijn waarheid zeggen zonder nare gevolgen.

Wolven waren ook verbonden aan Lichtmis: het licht van de zon kon op die dag de wolven zes weken doen vluchten. In Frans-Vlaanderen geloofde men vroeger ook dat kinderen gewekt door een priester in weerwolven veranderden tijdens de nacht van lichtmis.

En tenslotte nog het belangrijkste, de pannenkoeken : een pannenkoek dat men op de grond liet vallen bracht ongeluk. Het dopen van de trouwring in de deeg bracht een vrouw dan weer geluk.

Andere namen voor februari:

  • de sprokkelmaand
  • de schrikkelmaand
  • de kortemaand
  • de reinigingsmaand
  • de slijkmaand
  • de koekemaand
  • de regenmaand

Weerspreuken van februari:

  • Regen in kortemaand/ vries in maartemaand
  • Op Lichtmis is geen vrouwken zo arm/ of het maakt haar koekepanneken warm.(02 02)
  • Dits de dach van Sente-Valentine/ op dien dacht klesen de voghelkine hare ghenoeten in den woude.(14 02)
  • Sint-Matthijs breekt het ijs, en als hij geen ijs ontmoet, hij het vriezen doet (24 02)
  • Regen in Sint-Walpurgisnacht/ heeft steeds de kelder vol gebracht. (25 02)

Gepubliceerd

02.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Mijn lezing in Gent

Mijn volgende lezing gaat door op zondag 02 februari  in Gent, op uitnodiging van de Vlaamse Volksbeweging afdeling Gent.

Naar aanleiding van de voorstelling van mijn boek FRANS EN TOCH VLAAMS zal ik er ook de actualiteit van Frans-Vlaanderen bespreken.

Plaats van de bijeenkomst:: Openhuis Otterken, Ottegemsesteenweg 252, Gent. De lezing begint om 11 u.

Gepubliceerd

01.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Over staatsmanschap en het kneden van Vlaamse Koekebrood

Journaliste Isolde van den Eynde bewees gisterenavond op de VRT-zender (als dochter van haar vader) van goede huize te zijn met het aanhalen van wijlen politicus Lode Claes en zijn ‘valorisering van de Vlaamse meerderheid’.

Ik raad de toekomstige premier het boek ‘De afwezige meerderheid’ van Lode Claes opnieuw te lezen. Dit kan pas komen in zijn omgang met de Belgitude in het algemeen, en met de Franstaligen in dit land in het bijzonder.

In het boek ‘De afwezige meerderheid’ las ik ook mijn nota’s van toen, waaronder Lode zijn ‘typologie van de Vlaming.’ Treffend hoe deze grotendeels overeind is gebleven:

“De niet-Vlamingen verdelen de Vlamingen. Zij kiezen hun Vlaming uit. En de keuze is groot. Er is de Vlaming die geen flamingant is; de gematigde Vlaming; de honderd procent-Vlaming maar Belg-voor-alles; de Vlaming die democraat voor alles is, zo dat hij zelfs afziet van de toepassing van het democratisch meerderheidsbeginsel in zijn voordeel; de Vlaming die internationalist is voor alles; de onpartijdige Vlaming; de (politiek) aseksuele Vlaming; de Vlaamse politicus maar staatsman-voor-alles. Men kan de lijst naar believen verlengen (en actualiseren). In de sport van het overleunen naar de andere kant zijn de Vlamingen vrijwel onklopbaar. Ze leggen zich neer bij deze aanspraak op het monopolie van het toekennen van morele kwalificaties door de niet-Vlamingen.”

Ik gok dat de Franstaligen in dit land met Bartje premier uitgaan van de hoogst gequoteerde terminologie: ‘de Vlaamse politicus maar staatsman-voor-alles.’  Om het met de woorden van August Vermeylen te zeggen koesteren ze de Vlaamse politici die “goed deeg kneden om koekebrood te bakken.”  Want op Vlaamse koekebrood zijn deze Franstaligen dol op.

Gepubliceerd

01.02.2025

Kernwoorden
Reacties

Nogmaals over de streektaal

Sommigen van mijn lezers denken dat ik iets heb tegen de Frans-Vlaamse streektaal. Wie mijn verleden kent weet dat dit niet klopt niet. Het Frans-Vlaams is de taal van mijn ouders, taal die ze thuis met elkaar en in onze familie spraken. Mijn interesse voor het Frans-Vlaams heeft me geleid tot mijn studies van het Nederlands. En dat heeft mijn verdere carrière en mijn leven bepaald.

De verdwijning van het Frans-Vlaams maakt me droevig. Met vriend Jan Pol Sepieter lanceerden wij samen in de jaren ‘70 met de slogan “’t is schoon Vlaamsch te klapp’n”, de eerste naoorlogse reddingsoperatie van onze streektaal. Het was toen al duidelijk dat het Frans-Vlaams gevaar liep en de 21ste eeuw met moeite zou halen.

Onze reddingsoperatie was nooit tegen het Nederlands gericht, integendeel. Jan Pol sprak vloeiend Nederlands en dit had hem geholpen om ’t Frans-Vlaams (die hij thuis niet sprak) snel te beheersen en zijn leermethode te schrijven. Ik volgde uiteraard dezelfde lijn. Ik leerde Nederlands met als houvast het Frans-Vlaams gesproken in onze familie. Het was voor ons nogal vanzelfsprekend dat het gesproken Frans-Vlaams een springplank was naar het Nederlands, en omgekeerd.

Van de eminente kenner van het Frans-Vlaams, de taalkundige Cyriel Moeyaert hadden wij geleerd dat het Nederlands geen vreemde taal voor de Westhoek in Frankrijk zoals sommigen beweren. Het was de geschreven taal in enkele van onze scholen nog onderwezen tot in de negentiende eeuw.  En het was ook de taal van het geschreven woord, van onze archieven, net als in West-Vlaanderen of in de rest van Vlaanderen.

In al mijn lezingen over Frans-Vlaanderen, wanneer ik spreek over de verdwijning van onze streektaal, gebruik ik steeds het citaat van George Steiner (1925-2020) Frans-Amerikaans literatuurwetenschapper en cultuurfilosoof:

“De dood van een taal, ook al wordt ze nog maar gefluisterd door een handjevol mensen op een perceel geteisterde aarde, is de dood van een wereld. ”

In tegenstelling tot de ANVT vragen wij dat de regio Hauts-de-France het Nederlands erkent als regionale taal NAAST het Frans-Vlaams en als ’taal van de buren’. Het model bestaat al in de Elzas waar het Duits eindelijk erkend is als een van de streektalen naast het Elzassisch.

Gepubliceerd

30.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Milan Hübl: ‘om een volk te doen verdwijnen’

Op 27 Januari 1927 werd te Nitra in Slovenië de Tsjechische historicus, politicus en dissident Milan Hübl (1927-1989) geboren.

Hübl was ooit een vooraanstaande communist, lid van het Centraal Comité van de Communistische partij in Tsjechoslowakije.

Geleidelijk aan nam hij afstand van het marxisme en zette hij zich in voor de rehabilitatie van de slachtoffers van de stalinistische zuiveringen.

Zijn communistische loopbaan eindigde toen de troepen van het Warschaupact Tsjechoslowakije binnenvielen. In 1969 werd hij uit het Centraal Comité van de communistische partij gezet en één jaar later werd zijn lidmaatschap van de partij ingetrokken.

In de jaren zeventig en tachtig was hij actief in de oppositie en ondertekenaar van Charter 77. In die periode publiceerde hij een clandestien tijdschrift (samizdat). Tussen 1972 en 1976 verdween hij voor bijna vijf jaar in de gevangenis.

Zijn bekendste uitspraak gebruik ik steeds in mijn lezingen om uiteen te zetten hoe men een volk doet verdwijnen:

“Om een volk te doen verdwijnen begint men met het wissen van zijn geheugen. Men vernietigt zijn boeken, zijn cultuur, zijn geschiedenis. Daarna schrijft iemand anders er andere boeken voor, geeft het een andere cultuur en verzint er een andere geschiedenis voor. Vervolgens begint het volk langzaam te vergeten wie het is, en wie het was. En de omringende wereld vergeet het zelfs nog sneller.”

Gepubliceerd

27.01.2025

Kernwoorden
Reacties

In Gent wordt de koning van Frankrijk door de koning van Engeland vervangen

Op 26 januari 1340, onder impuls van Jacob van Artevelde (1290-1345), heft de Engelse koning Edward III (1312-1377) het embargo op de uitvoer van Engelse wol naar Vlaanderen op. Op de Vrijdagsmarkt in Gent roept hij zich uit tot koning van Frankrijk.

De moeder van Edward III was nl. een dochter van de Franse koning. De zittende Franse koning van toen, Karel IV, had geen zoons en zo kwam Edward III in de strijd om de Franse kroon te dragen.

Dit verblijf in Gent is ook de reden dat Jan, de zoon van Edward III, in Gent werd geboren. Van deze Jan van Gent ofte ‘John of Gaunt’ stammen de koningen van het huis van Lancaster af.

Edward III was getrouwd met Philippa van Henegouwen (1313-1369), dochter van graaf Willem van Henegouwen en Holland. Het is geweten dat Philippa vanuit Witsand (Wissant) in het Boonse inscheepte om naar Engeland over te steken. Edward en Philippa zouden in januari 1328 in York op feestelijke wijze trouwen.

In haar boek ‘Jacob van Artevelde*’ vat de historica Patricia Carson de tijd van Artevelde als volgt samen:

“Handig schipperend maken de Vlamingen zich los van Frankrijk en weten de gunst van Engeland terug te winnen.” Maar ze voegt eraan toe: “Van Arteveldes ideeën zijn te revolutionair voor zijn tijd. In 1345 wordt hij vermoord.”

*Patricia Carson, Jacob van Artevelde, Davidsfonds/ Leuven, 1996.

Gepubliceerd

26.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De Unie van Utrecht sluit de rangen van het verzet tegen Spanje

Op 23 januari 1579 sluiten de noordelijke provincies van de Nederlanden de Unie van Utrecht met als doel gezamenlijk de vrijheidsstrijd tegen Spanje te voeren. Talrijke Zuid-Nederlandse steden sluiten er zich bij aan: Venlo, Breda, Antwerpen, Lier, Brussel, Ieper en Duinkerke. ’s-Hertogenbosch en Leuven zijn op dat ogenblik bezet door de Spanjaarden en kunnen de opstand niet vervoegen.

De Unie van Utrecht was een onmiddellijk antwoord op de unie van Atrecht die op 6 januari van hetzelfde jaar was afgesloten. Met de Unie van Atrecht verenigen de vertegenwoordigers van de Staten Artesië, Henegouwen en Dowaai zich in een verbond op katholieke grondslag dat geneigd is zich met Spanje te verzoenen en zich uiteindelijk ook aan Filips II onderwerpt.

Hiermee wordt de eendracht van de Nederlandse provincies, zoals vastgelegd in de Pacificatie van Gent, verbroken. De Waalse gewesten van de Nederlanden, op het Doornikse na, dragen dus een grote verantwoordelijkheid in het uiteenvallen van de Nederlanden.

Gepubliceerd

24.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Lezing in Aalst/ Moorsel

Op 23 januari 2025  geef ik een lezing over mijn boek FRANS EN TOCH VLAAMS. HET VERHAAL VAN FRANS-VLAANDEREN voor de Marnixring Iwein van Aalst.

De naam van de ring verwijst naar een edelman uit de twaalfde eeuw die als woordvoerder fungeerde bij een opstand van Gentse burgers tegen de met Frankrijk collaborerende Vlaamse graaf Willem Clito én de Franse koning. De rede van Iwein van Aalst tijdens een woelige vergadering in Gent op 16 februari 1128 geldt als de eerste grote politieke redevoeringen in Vlaanderen. Iwein had veel bezittingen in het huidige Oost- en West-Vlaanderen, maar ook in Frans-Vlaanderen.

Waar:  Hostelllerie De Biek, Moorsel-Dorp 3 in Moorsel/ Aalst. Aanvang:19.30  u

Gepubliceerd

23.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Tedju zei Becu(w)e

In 1712, in een verordening uitgevaardigd door de wetheren van Hazebroek lees ik:

“Verbieden voorts aan alle cutsers, balloteurs, ende opslaeghers te coopen op de marckdaeghen ordinaire, booter, sticken, eyeren, kieckens, duyvejonghen, perdrissen, sneppen, becuwen ende alle andere diergelycke waerden, ten sy naer den thien heuren geslaeghen voor middaegh.”

Een becuwe is de naam voor een kleinere, verwante soort van een snip, een vogel dus. In deze verordening maakt men duidelijk het verschil tussen een ‘sneppe’ (snip) en een ‘becuwe’.  De familienaam Becuwe, Becu, Becue is in Frans- en West-Vlaanderen algemeen verspreid. Willem Vermandere zongt van ‘Tedju zei Becue.’ Maar het is niet zeker dat alle Becuwen iets weten over de oorsprong en betekenis van hun naam.

Ik noteerde ooit een spreekwoord van een jager in Kaaster als er veel mist (‘smoor’ of ‘smoorende weêre’) was aangekondigd: ‘An de becuwen kommen, ’t smoort altyd.’ De jagers wisten toen nog dat de becuwen, en ook de bonte kraaien, bij mist zouden overkomen.

Gepubliceerd

22.01.2025

Kernwoorden
Reacties
Reinout Beyaert
11.02.2025 - 14:12

becuwe = bokje (limonocryptus minimus).

Antwoord

“Bij de  Vlamingen  drinken we bier ende wijn”

Op 21 01 1973 verzamelde een kleine groep jonge Frans-Vlamingen die zichzelf  ‘Zuid-Vlaamse Jeugd’ noemde voor een zangavond in Kaaster. Er werden forse Vlaamse en Heel-Nederlandse liederen gezongen. Onlangs vond ik in mijn archieven het programma van de avond,  en ook de tekst van een lied van de Bourgondische cavalerie die toen werd gezongen. Het liedje dateert uit de vijftiende eeuw, en wil de ‘Franse vijand’ te lijf  gaan:

Fors devant Dieu, oncques* ne courbe le cap,
Moultes horions* au Roy de France donnerons.
Nostre Seigneur, le Duc Carle le Hardy*,
Nous mesnera de par les tiexhes* pays.
Chez les Flamincs boirons la bière le vin,
Comme pain tout blanc sont demoiselles de Brabant
Demain nos corps, par l’estoc seront percés,
Buvons ce soir à la nostre santé ?
Priez pour nous, Nostre Dame de l’Enclus,
Francs Chevaliers lorsque nostre heure sera venue.

(*oncques: nooit ; horion: zware slag ; Carle le Hardy: Karel de Stoute ;  tiexhe: Diets)

Dit lied is bekend van de slag bij Montenaken (1465) waarbij de Bourgondische troepen de overwinning behaalden op het revolterend Prinsbisdom Luik.

Montenaken, gemeente Gingelom, bevindt  zich vandaag in de Provincie Limburg. Montenaken is ook bekend voor zijn groep van zes beschermde grafheuvels daterend uit de tweede eeuw na onze tijdrekening. Beslist een wandeling waard.

Gepubliceerd

21.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De erkenning van het Nederlands in Frans-Vlaanderen/ La reconnaissance du néerlandais en Flandre française

Op 21 januari 2022, drie jaar geleden, correspondeerde ik met Jean-Louis Marteel, specialist van de Frans-Vlaamse streektaal. Onderwerp van de discussie was: waarom kiezen voor het Nederlands in Frans-Vlaanderen?  Ik zet hieronder alle elementen van het dossier nogmaals op een rij:

  • het initieel bericht van Jean-Louis Marteel;
  • mijn antwoord;
  • de reacties van lezers

Onderstaand debat tussen Jean-Louis Marteel en mezelf werd gevoerd in het Frans. Ik heb de originele teksten niet vertaald en de reacties heb ik overgenomen in de taal gekozen door mijn correspondenten. Deze discussie bevat de voornaamste argumenten voor de formulering van onze eisen inzake Nederlandse taal en blijft daarom mee dan ooit actueel. Samengevat: de Franse overheden moeten de Nederlandse taal erkennen als een regionale taal in Frans-Vlaanderen naast het Frans-Vlaams.

Wij hopen dat de Frans-Vlaamse verenigingen binnenkort een initiatief gaan nemen in die zijn richting de officiële instanties van de Hauts-de-France. Eveneens hopen we dat aan Vlaamse kant in Brussel meer steun komt om deze eisen kracht bij te zetten. Het Nederlands is de standaardtaal, en het bindend element en continuüm van al onze streektalen sinds Keizer Karel. In die zin is het Nederlands evenzeer als de dialectische vormen ervan onze historische moedertaal.

Een bericht van/ Un courriel de Jean-Louis Marteel :

‘Ceux pour qui le flamand n’est pas leur langue maternelle ne comprennent pas l’attachement viscérale des flamandophones à la langue de leurs parents et le rejet de tout autre substitut, fût-il le Algemeen Beschaafd Nederlands, qui est certes « beschaafd », c’est-à-dire une belle langue, mais qui pour eux n’est « gemeen » qu’entre la « Hollande » et la Belgique.

C’est ma langue maternelle flamande (une des grands-mères du néerlandais) qui m’a donné envie d’apprendre le néerlandais et je m’en réjouis mais « une langue régionale » ne peut être qu’ « une langue maternelle. » et le néerlandais n’est pas ma langue maternelle.’

Jean-Louis Marteel

Het antwoord van/ La réponse de Wido Bourel:  

‘Mes parents étant, comme les tiens, de langue maternelle flamande, je partage ton attachement ‘viscéral’ au flamand occidental parlé. Tu omets cependant de dire que la version écrite de notre flamand fut depuis toujours le néerlandais des époques correspondantes, et ce, depuis Michel de Swaen et Andries Steven, jusqu’à nos derniers rhétoriciens au début du 20ième siècle. Il suffit de consulter les travaux de linguistes éminents tels Cyriel Moeyaert, Hugo Ryckeboer, Frans de Brabandere, Piet Paardekooper et Cor van Bree pour le savoir.

Le néerlandais moderne représente le continuüm en ligne directe du flamand occidental de nos ancêtres. Le néerlandais se doit donc d’être reconnu langue régionale au même titre que le flamand occidental comme c’est déjà le cas pour l’allemand et l’alsacien. Il mérite aussi l’appellation ‘langue d’intérêt régional’ puisque nos voisins, flamands de Belgique et néerlandais sont les premiers parmi les ‘étrangers’ à faire vivre notre région, à raison de près d’un million de visiteurs par an.

Les Flamand de France ne sont pas seulement d’hier mais aussi de demain :  le néerlandais leur permettra non seulement d’accueillir leurs voisins proches et de développer le tourisme et l’économie régionale, mais aussi d’étudier et de travailler en Flandre belge. Chercher querelle au néerlandais pour défendre le flamand occidental est du même niveau que faire la guerre au flamand occidental pour défendre le néerlandais. Les deux sont condamnés à s’entraider pour survivre ou à disparaitre dans notre région.’

Wido Bourel

En de reacties van mijn lezers/ Et les réactions de mes lecteurs :  

-Frank Allacker, leraar Nederlands, Broekburg:

“ (…) Le néerlandais, c’est la langue culturelle des Flamands de France – historique, c’est à dire étrangère de prime abord mais avec de solides motifs historiques et culturels de la considérer comme langue régionale, devenue artificiellement étrangère (…)’’

-Karel Appelmans, voorziter Euvo, Brayduinen:

“Prachtige reactie. Mooi verwoord.”

-Dorian Cumps, hoofddocent aan de Universiteit van Paris IV-Sorbonne, afdeling Nederlands, Parijs:

“Excellente réponse, je partage complètement votre point de vue !

-Jaak Fermaut, ereleraar Nederlands, Bierne:

“Je hebt overschot van gelijk! “

-Xavier de France, Kales :

“Bien dit, Wido.”

-Patrick Kleinclaus, ex-“chef de la mission langue et culture régionales au Conseil Général du Haut-Rhin’’, Colmar :

Bravo pour ton texte.

Aux raisons linguistiques s’ajoutent celles de la faisabilité  dans un contexte scolaire (au demeurant peu réceptif:)  celles d’un dialecte sont quasi-inexistantes: pas littérature abondante et contemporaine, pas de littérature enfantine ou pour adolescents, pas de radio , ni de canaux de TV dédiés émettant pour tous les publics, aucun manuel existant du CP au baccalauréat que ce soit pour la lecture, les mathématiques, la musique, la géographie, les sciences, les technologies, pas de presse quotidienne , hebdomadaire ou mensuelle,  très peu de locuteurs en âge d’enseigner et alphabétisés dans le dialecte, peu  de familles d’immersion  possibles utilisant encore le dialecte d’une qualité suffisante, pas d’université pour former les maîtres des disciplines du second degré à enseigner dans la langue. Par contre il est possible de familiariser des bilingues français/néerlandais à comprendre le dialecte qu’est le flamand occidental et à l’utiliser s’ils sont dans un cadre familial ou social qui le pratique que ce soit en Belgique ou en France. Par ailleurs le concept d’utilité joue un grand rôle dans les comportements linguistiques et celle du flamand occidental est bien faible face aufrançais, àl’anglais ou au Néerlandais qui possède tous les atouts qui font défaut au flamand occidental : médias, manuels, cinéma, Tv, universités, familles de séjour linguistique, outil professionnel majeur et continuum linguistique.

-Myriam Minnekeer, ‘La Griffe au Lion’, Kassel :

‘’J’aimerai toujours tes interventions pleines de bon sens.’’

-Jean-Paul Pladys :

(…) ‘’Faisons en sorte que dès les premières années les enfants se mettent au néerlandais (…). Ensuite pour les bonnes têtes, initions-les au flamand de nos grands-parents (…)’’

-Gijs van Ryckeghem (+), priester, Waregem:

“Je beantwoordt op een doeltreffende manier de goedbedoelde, maar toch kortzichtige bewering van Jean-Louis Marteel.”

-Bruno Nicolas Schraen Vanpeperstraete, lyrische zanger, Koudekerke:

“ (…) L’apprentissage du néerlandais a sauvé le peu de West-Vlaams que je connaisse et plus je progresse en néerlandais mieux je comprends le sens du flamand (…)’’

-Damien Top, voorzitter Andries Stevenkring, Bavinkhove:

“Percutante réponse.’’

-Henri Vaassen, gewezen voorzitter van het Huis van het Nederlands, Belle:

« Bravo, Wido, 100% d’accord… »

-Eric Vanneuville, historicus en schrijver, Belle:

‘’ (…) Oui, le flamand occidental bien conservé en Belgique doit être protégé en France où il risque de disparaître, notamment parce que, à la différence de ce qui se passe en Belgique, il ne bénéficie pas du bain quotidien avec la langue néerlandaise. En France, évidemment, ce bain est francophone.

Oui, le néerlandais représente un élément non négligeable dans le fonds littéraire et documentaire de toute la Flandre, y compris en France jusqu’au début du 20e siècle. Mes nombreuses lectures de textes anciens m’en ont persuadé. Au demeurant sa parenté avec le flamand est telle que l’historien, francophone ou néerlandophone, peut avoir l’intime conviction que lorsqu’il lit des textes anciens, lui est fort utile sa connaissance d’un néerlandais dont on ne peut donc claironner que c’est une langue étrangère. Et que dire des études sur l’Histoire et la Géographie de la Flandre publiées en Néerlandais par d’éminents scientifiques de Flandre belge !

Quant à l’intérêt régional du Néerlandais, langue officielle de la Région Flandre en Belgique, il est tellement évident que les travailleurs de Flandre en France, même francophone en sa majeure partie, ne peuvent que trouver profit à l’apprendre. Les exemples de réussite ne manquent pas (…)’’

-Alain Walenne, geograaf en publicist, Santes en Weppe :

‘’Très bien répondu.’’

Gepubliceerd

21.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Michiel de Swaen: “de feniks der dichters”

Op 20 januari 1654 werd in Duinkerke de dichter Michiel de Swaen geboren, heelmeester en belangrijkste rederijker en dichter van de Zuidelijkste Nederlanden.

Tijdens zijn leven maakte hij de militaire aanhechting van zijn geboortestreek door Frankrijk mee. Maar het werk van de Swaen laat geen twijfel over zijn liefde voor de Nederlanden, het oude vaderland dat hem jammerlijk door Frankrijk werd ontnomen.

Bij zijn overlijden in 1707 werden vele grafschriften en lijkdichten in het Nederlands door plaatselijke dichters aan hem gewijd. Hier volgt zo een grafschrift “voor den Phenix der Dichters’ van de hand van P. Labus die zichzelf “syn besondere vrient” noemt”.

HIER LEYDT DE SWAEN DIE DOOR SIJN GROOT VERSTANT
SOO IN DE KONST VAN HEELIGH ALS VAN’T DICHTEN
EN DOOR SIJN VERSSEN KON ELCK ONDERRICHTEN.
DE BROEDERS DIE HEM OP DE REDEN -ZAEL
DIE HOORDEN SPREKEN, MOETEN HERT’LIJCK TUYGHEN,
DAT SIJNEN GEEST EN PEN EN LIEVE TAEL
EEN IEDERS HERT KON TOT SIJN LIEFDE BUYGHEN.
DE VRIENDEN SELFS VAN AL DE VLAEMSCHE STEÊN
BEKENNEN SULCX. MAER ÉÉN SAECK TE BEKLAGHEN
IS DAT HY ’T LICHT ONTVINGH DAER SOO ICK MEEN
DE VLAEMSCHE DICHT KONST WEYNIGH KAN BEHAEGHEN.
EEN SLECHTE LOON VOOR MENIG DEFTIG DICHT
DAT SIJN VERHEVEN GHEEST ONS QUAM TE GEVEN!
ONTVING HIJ ’T ANTWERP OF IN HOLLANDT ’T LICHT
SYN WERCK EN NAEM IN DRUCK SAGH M’EEUWIG LEVEN.

Gepubliceerd

20.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De ‘Helse kolonnes’ van de Franse Revolutie

Op 17 januari 1794 brieft de Franse revolutionaire generaal Louis-Marie Turreau zijn troepen op weg naar de Vendée, dat is een streek net onder Bretagne, aan de Atlantische kust, als volgt:

‘Alle verzetslieden die worden aangetroffen met de wapens in de hand, of waarvan men overtuigd is dat ze die in de hand hebben gehad, worden met de bajonet afgemaakt. Hetzelfde lot zullen vrouwen en kinderen ondergaan. Personen die alleen maar verdacht zijn, worden evenmin gespaard. Alle dorpen, boerderijen, bossen en struikgewas en in ’t algemeen alles wat kan worden verbrand, zal in vlammen opgaan’.

Enkele dagen later begint de genocide tegen de boerenbevolking die de Franse Revolutie bestrijdt. Plunderingen, moorden, wreedheden en verkrachtingen zijn het lot van al wie op de weg van de zogenaamde Helse kolonnes van het Franse revolutionaire leger staan. Alleen al op het eiland Noirmoutiers worden in twee weken 1.500 mensen uitgemoord.

Een andere generaal, Jean-Baptiste Huché heeft ‘alle redenen om zich te verheugen’: zijn soldaten hebben in Chantonnay in geen twee dagen tijd 200 Vendeërs gedood.  Hij beroept er zich op zwangere vrouwen de buik te hebben doen opensnijden en geeft zijn soldaten het bevel om te paraderen met de foetussen op de punt van hun bajonet.

Generaal François Carpentier blijft ook niet achter. Op één dag laat hij 300 ouderlingen en kinderen doden die gevlucht waren in een bos. ‘We doden er meer dan 100 per dag’ verklaart Generaal Louis Grignon die vindt dat “alles gesmeerd loopt.”

Wie tegen de Franse Revolutie werd op sadistische wijze afgeslacht. Deze misdaden werden, laten we het nooit vergeten, begaan in naam van de vrijheid, de gelijkheid en broederschap. Deze leuze bevatte in de tijd van de Revolutie niet drie, maar vier woorden: vrijheid, gelijkheid, broederschap of de DOOD. Laat ons dat nooit vergeten.

Gepubliceerd

17.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Een citaat van Marc Castre

In zijn boek « LA FLANDRE AU LION. Séparatisme et régionalisme en Flandre française (1919-1977) », bijna vijftig jaar geleden verschenen bij Westhoek-Uitgaven, schreef journalist Marc Castre het volgende:

‘Frankrijk is niet in gevaar, Frankrijk wordt enkel in vraag gesteld door zijn autoritaire en centralistische natuur. Wat in vraag wordt gesteld is de samenspanning tussen de natiestaat en de kolonisatie van de regio’s door het kapitalisme dat steunt op het Parijse centralisme.

De Franse eenheid wordt alleen bedreigd door politici die, blindgeslagen door ouderwetse mythes, staan toen en versterken nog door het stilzwijgen de kolonisatie en de verpaupering van de regio’s door Parijs.’

Dit boek verscheen in januari 1977. De analyse van Marc Castre vertoont een linkse, maar correcte signatuur. En waar staat Frankrijk een halve eeuw later?

Gepubliceerd

16.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De ‘Torrewachter’ en ‘le Lion de Flandre’

Op 15 januari 1929 verscheen he eerste nummer van de tijdschriften ‘de Torrewachter’ en de ‘Lion de Flandre’, beide, uitgaven van het Vlaams Verbond van Frankrijk. Ze vulden de plaats in veroorzaakt door de verdwijning van ‘Le Beffroi de Flandre’, een vroegere publicatie van de Vlamingen in Frankrijk.

Jean-Marie Gantois was uiteraard het initiatiefnemer en ook de stuwende kracht achter deze twee nieuwe publicaties. Voor ‘De Torrewachter’ geschreven in het Nederlands en in het Vlaamsch, liet hij zich vooral helpen door zijn vriend Marcel Janssen. Vlaams- en Nederlandssprekende medewerkers van het verbond, zoals Renaat Despicht, Romain van de Meule, Camille Looten, Albert van Hoyweghen en Renaat Schodduyn waren gewaardeerde gelegenheidsmedewerkers. Nog meer voor ‘Le Lion de Flandre’ nam Gantois het leeuwendeel op zich. Een van de belangrijkste medewerkers achter de schermen was Nicolas Bourgeois. Talloze artikels onder diverse schuilnamen zijn van de hand van Gantois of van Bourgeois, of van beiden. Nicolas Bourgeois vertelde me ooit dat de afspraak met Gantois was dat zijn teksten volgens de noden en de inspiratie van het ogenblik mocht wijzigen en aanvullen. Naaste vaste schuilnamen werd dus in Le Lion de Flandre van pseudoniemen gebruik gemaakt telkens twee of meer personen een aandeel hadden in het schrijven van tekst. Daarom is het niet altijd mogelijk één naam te plakken op een bepaald artikel onder schuilnaam.

Gepubliceerd

15.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Het jaarboek De Nederlanden extra muros

Het jaarboek van de stichting Zannekin is dit jaar aan zijn 47ste editie toe. Een niet geringe prestatie in deze tijden waar inhoud en standvastigheid op de meeste plaatsen zoek zijn.

Ik schreef voor dit nummer twee teksten:

  • Een artikel over Meester Lambert van Briaerde, President van den Rade van Mechelen, maar afkomstig uit Duinkerke.
  • En een tweede artikel met als titel: En plots werden we twee Franse departementen. Hoe Jacobijns Frankrijk de grenzen van de Franse Nederlanden uitwiste.

Dit jaarboek bevat nog heel wat interessante artikels, over Lamoraal van Egmont; de Waalse heel-Nederlander Lucien Jottrand; Judith van Vlaanderen; Pruisisch Malmedy, enz.

Kortom aanbevolen lectuur voor al wie belangstelling heeft voor gebieden die ooit tot de historische Nederlanden hebben gehoord. Gebieden zoals de Nederlanden in Frankrijk die door het lot van de geschiedenis extra muros, dus buiten de muren zijn komen te liggen.

Eindredacteur Maurits Cailliau en secretaris Leo Camerlynck verdienen een applaus voor deze puike prestatie.

Gepubliceerd

13.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Petrus Plancius en Isaac Lemaire 

Op 12 januari 1584 ontvouwt de geniale geograaf Peter Platevoet (1552-1622), beter bekend onder zijn Latijnse naam Petrus Plancius,  bij de admiraliteit zijn plan voor een nieuwe zeeweg naar China, door de Noordelijke IJszee heen.

Hij stelt als eerste een tabel op van de magnetische kompasafwijkingen en bracht de zuidelijke sterrenhemel in kaart. In 1602 werd hij benoemd tot cartograaf van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Plancius was geboren in Dranouter (zie ook het gedenkmonument bij de kerk aldaar) toen nog in het Belle ambacht. Zijn vader was ook burger van Belle geweest. In 1585 was hij voor de inquisitie gevlucht naar Amsterdam.

ISAAC LEMAIRE

in zijn boek “Rond de Kaap, Isaac Lemaire contra de VOC” vertelt auteur Tom Dieusaert over de avonturen van een andere Zuid-Nederlander, Isaac Lemaire, met wortels in Doornik, eerst een pionier, vervolgens een tegenstaander van de VOC, die de doorgang tussen Atlantische en Stille Oceaan via Kaap Hoorn ontdekt. Over Plancius schrijft Dieusaert (blz. 64) het volgende:

“Het is niet duidelijk of Plancius nog in de leer was geweest bij Mercator in Duisburg of dat hij iets in die richting had gestudeerd.” En hij voegt er aan toe: “volgens de Frans-Vlaamse schrijver Wido Bourel is de kans groot dat Plancius in zijn jeugd op de banken zat van de mathematische school van Westouter, een school voor landmeters  waaruit verschillende geografen zouden voortkomen”.

Gepubliceerd

12.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Michel de Ghelderode ontslagen

Op 12 januari 1945 ontslaat de gemeenteraad van Schaarbeek de auteur Michel de Ghelderode. De reden? Tijdens de oorlog had hij een aantal lezingen op de Franstalige zender Radio Brussel onder de titel ‘Choses et gens de chez nous’. ‘Dingen en mensen van bij ons’ waren blijkbaar toen al gelijk aan staatsgevaarlijke dingen.

Met zijn echte naam Ademar Martens (1898-1962) koos deze Franstalige, maar door en door Vlaamse schrijver voor de auteursnaam Michel de Ghelderode.

Hij scheef een indrukwekkende oeuvre bijeen: meer dan zestig toneelstukken, honderd verhalen, sprookjes en artikels over traditie, folklore en kunst .Hij maakte ook stukken voor het Koninklijk Poppentoneel Toone. Zijn eerste werken werden in Nederlandse vertaling opgevoerd door het Vlaamse Volkstoneel. Tussen 1949 en 1954 kende de Ghelderode ook veel succes in Parijs.

Titels als ‘Masques Ostendais’, ‘Sire Halewyn’, ‘Pantagleize’ verraden dat de Ghelderode zijn inspiratie zocht in het mythisch Vlaanderen en in Brabant. Ik geef jullie nog mijn favoriete boek van van Ghelderode met een titel als een volle zin: ‘Voyage autour de ma Flandre, tel que le fit aux anciens jours Messer Kwiebe-Kwiebus, philosophe des dunes.’

Michel de Ghelderode stierf in de eenzaamheid in Schaarbeek. Niet meer wetende dat hij in dat jaar was voorgedragen voor de Nobelprijs voor Literatuur.

Gepubliceerd

11.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De invloed van Frankrijk bij het ontstaan van België

Op 11 januari 1831 verklaren de ‘Reunionisten’, dat zijn de voorstanders van de annexatie van België bij Frankrijk  , in het Nationaal Congres in Brussel:

“België kan slecht ontstaan op twee manieren : als het de voorpost van Frankrijk niet wordt, zal het de voorpost van de vijanden van Frankrijk worden.”

Een afgevaardigde uit Bergen (Mons) genaamd de Blargnies verklaarde toen : “ Zo België ophoudt een der sterkten van de Noordermogendheden en van Engeland te zijn, worden wij een aanhangsel van het Franse koninkrijk; (…) en keren we terug tot Gallië en breiden het uit tot aan de Rijn.”

De afgevaardigde uit Verviers, Davignon, voegde er aan toe: “het zijn niet enige inwoners die de vereniging met Frankrijk vragen, het is een bevolking in haar geheel.” En zo ging het nog een tijde verder met pro Franse verklaringen door David, de Baillet, Rogier, Lebeau Gendebien, Barthelemy, Le Hon, de Mérode, enz.

 Deze annexionistische verklaringen vonden uiteraard een geweldige weerklank in Parijs. Ene Maurin riep de Franse kamer toe: “Waarom dan België beletten Frans te worden? België kan niet bestaan zonder Frankrijk. Wat me betreft, ik beken, dat naar mijn oordeel België altijd Frankrijk is.”

In een boekbespreking *op Doorbraak (2020) schrijft Jean Pierrre Rondas: “De stichting van België was niet zomaar een Franse geopolitieke overwinning; ze was in feite de mislukking van iets veel ambitieuzer, namelijk een Franse annexatiepoging. Kortom, de oude flamingantische interpretatie van het ontstaan van België als een Franse constructie was correct.”

Gepubliceerd

10.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Een antirevolutionaire pastoor

Op 8 januari 1795 sterft Gabriel Witsoet (1720-1795), pastoor van Kaaster, en slachtoffer van de Franse Revolutie in de gevangenis van Dowaai. Hij was de prins van de rederijkerskamer van Kaaster.

Zijn handgeschreven “Algemeyne Bewijsboek” van de parochie Kaaster uit 1768 werd door Cyriel Moeyaert herontdekt, grondig bestudeerd en heruitgegeven.

Dit bewijsboek bevat onder meer het relaas van de belevenissen van onze moedige, antirevolutionaire pastoor. Witsoet schrijft:

 “In eenen ogenblijk was gans het huijs vol gewapende mannen met elk eene brandende keijrse in de hand (…) die mij in alle de schuijl-houken sogten: ook hebben sij niet lange geweest sonder mij te vinden, geschreuw uitgalmende gelijk sij eene wonderheijd ontdekt hadden, ben hun te gemoet gegaen zeggende daer rust mijn herte doorsteekt ofte doorschiet dit, ende mijne bost ontblooten hebbe daerbij gevougt, trekt dit uit mijnen boezen ende verschurt het met uwe handen, want ik geeve geijrne mijn leeven te  pande om ulieden zotte rasernie te stutten” (…)

Een beetje later na dit incident werd Witsoet aangehouden en naar de gevangenis van Dowaai gebracht waar hij overleed.

Gepubliceerd

08.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De Unie van Atrecht

Op 6 januari 1579 wordt de Unie van Atrecht gesloten. De vertegenwoordigers van de Staten Artesië, Henegouwen (op Doornik en het Doornikse na)  en Dowaai verenigen zich in een verbond op katholieke grondslag dat geneigd is zich met Spanje te verzoenen en zich uiteindelijk ook aan Filips II onderwerpt.

Men kan historisch vaststellen dat de Waalse gewesten, op het Doornikse na, de volle verantwoordelijkheid dragen voor het uiteenvallen van de Nederlanden.

Hiermee wordt de eendracht van de Nederlandse provincies verbroken, zoals vastgelegd in de Pacificatie van Gent. Het antwoord van de andere provincies, die de strijd willen voortzetten, is de Unie van Utrecht (23 januari 1579).

Gepubliceerd

06.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Over een verdwenen gedenkplaat in Diksmuide

Yoran Embanner is mijn Bretoense uitgever. Yoran werkt momenteel aan de laatste noten van een herziene editie van een van zijn uitgaven. Gisteren stuurde hij me een bericht. Hij wou weten of de gedenkplaat in het Bretoens voor de vele dode Bretoense soldaten van W.O.I in Diksmuide er nog stond. Ik moest hem teleurstellen: ook in Vlaanderen mogen Bretoense gesneuvelden niet in hun eigen taal worden herdacht.

Dit verhaal begint in 2006. In Diksmuide neemt Jan Colaert, toenmalige schepen voor NVA, het initiatief om een gedenkplaat in het Bretoens te voorzien op het plaatselijk monument voor de Franse gesneuvelden. Het waren nl. Bretoense vlootmariniers, die in Diksmuide, onder leiding van admiraal Ronarc’h, bij duizenden hun leven opofferden bij de verdediging van de stad.

Dit initiatief was niet naar de zin van de vereniging ‘Souvenir français’. Deze Franse vereniging, met een West-Vlaamse afdeling maar met een eentalige Franse naam, heeft als doel ‘de herinnering van de gesneuvelde Franse soldaten op Belgisch grondgebied in stand te houden.’ Hierbij hoort het in ere houden van begraafplaatsen en monumenten. Alhoewel: als je vergelijkt met de Commonwealth- en Duitse begraafplaatsen zijn de Franse begraafplaatsen in West-Vlaanderen er het slechtst aan toe als je het mij vraagt.

Ene kolonel Marchand, kennelijk onder impuls of met steun van de Franse ambassade in Brussel, liet toen namens de ‘Souvenir français’ zijn stem horen om de inhuldiging van de Bretoense gedenkplaat in Diksmuide tegen te houden.

Omwille van de Franse druk achter de schermen hadden de stadsdiensten toch juridische informatie ingewonnen. De Fransen hadden geen poot om op te staan: het monument was geen Frans eigendom. De beslissing van de stad Diksmuide was dus volkomen legaal en viel binnen de gemeentelijke bevoegdheden.

Met of zonder Franse instemming werd de gedenkplaat dus geplaatst op het monument voor de gesneuvelden in het park van Diksmuide. Een storm in een glas water eigenlijk want niet meer dan twee regels in het Bretoens : ‘Enor d’ar vretoned marv e Diksmuiden evit at frankiz 16 a viz du 1914.’ Het betekent: ‘Eerbetoon aan de Bretoenen gesneuveld voor de vrijheid in Diksmuide op 16 november 1914.’

Je zal vandaag tevergeefs naar die Bretoense tekst zoeken. Hoe dat komt? Wel, de druk op de stad Diksmuide en op haar toenmalige CD&V burgemeester hield niet op met de plaatsing van de gedenkplaat, integendeel.

De gelegenheid om de gedenkplaat te verwijderen deed zich voor in 2008. Het monument voor de gesneuvelden was toen met graffiti bespoten en de Bretoense gedenkplaat werd verwijderd voor een noodzakelijke reiniging. De gedenkmuur werd vervolgens in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Alleen: de Bretoense gedenkplaat werd ‘en stoemelings’ niet teruggeplaatst. Het bleef achter – en bevindt zich wellicht nog steeds- bij de technische dienst van de stad.

Toenmalige burgemeester Lies Laridon, meermaals met dit verdwijntrucje geconfronteerd, verwees laconiek naar het feit dat er ‘blijkbaar geen consensus was voor deze gedenkplaat’. De malcontenten konden zich enkele kilometers verder troosten bij de Bretoense calvarie voor de gesneuvelden in Boezinge. Een Vlaamse gemeente die onder Franse druk plooit en aan autocensuur doet: il faut le faire in het Vlaanderen van de 21ste eeuw.

Mijn Bretoense vriend Yoran vraagt zich af, na de Vlaamse gemeenteverkiezingen, wat nu? Sinds kort is in Diksmuide een nieuwe coalitie aan de macht. En de nieuwe burgemeester van Diksmuide, Koen Coupillie is van NVA signatuur… Mogen onze Bretoense vrienden er nu op rekenen dat deze Bretoense gedenkplaat terug op zijn plaats komt?

Gepubliceerd

06.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Karel de stoutmoedige

Op 5 januari 1477, bij het beleg van Nancy (Nantzig), sneuvelt Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg, Gelder en Luxemburg, graaf van Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland, Zutphen en Namen, heer van Mechelen.

Zijn bijnaam betekent “de stoutmoedige” en slaat dus niet op verwerpelijk gedrag. Zijn dochter Maria van Bourgondië zal de staatkundige vereniging van de Nederlanden voltooien. Het praalgraf van Karel de Stoute bevindt zich te Brugge in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Gepubliceerd

05.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Frans Masereel: een vissershuisje in Equihem

Op 3 januari 1972 overlijdt in Avignon de Vlaamse houtsnijder, tekenaar, graficus en schilder Frans Masereel. Hij werd in 1889 in Blankenberge geboren als zoon van een welgestelde Gentse Franstalige familie. Vader was textielfabrikant in de Arteveldestad.

Masereel volgde een tekenopleiding aan de Gentse Academie. Hij leerde etsen bij de kunstenaar Jules De Bruycker. Hij zou later een van de voornaamste grafische kunstenaars van zijn tijd worden.

Tijdens wereldoorlog I, weigerde hij als pacifist de Belgische oorlogswetten te volgen en werd als dienstweigeraar beschouwd. Het zou nog tot 1929 duren voor hij België terug binnen mag.

Alhoewel van welgestelde komaf, toch staat hij bekend voor zijn internationalistisch engagement en zijn fascinatie voor de Sovjet-Unie. In 1935-36 behoorde hij tot de Europese linkse kunstenaars, de zogeheten fellow-travellers, die de Sovjet-Unie bezoeken en de lof zingen van het communisme in Europa. Masereel bezocht tweemaal de Sovjet-Unie en  ontmoette er kort de Sovjetdictator Josef Stalin.

Naast de vele werken die de sociale strijd illustreren is een deel van zijn oeuvre sterk verbonden met zijn geboortestreek. Vlaanderen werkte inspirerend voor het illustreren van de legende van Tijl Uilenspiegel van Charles Decoster en de gedichten van dichter Emile Verhaeren.  En ook in zijn boek  ‘Mijn land’ staan de herinneringen aan zijn geboortegrond centraal.

EQUIHEM

Er is ook een band tussen Masereel en de Nederlanden in Frankrijk. Honderd jaar geleden, in 1925 kocht Frans Masereel een bescheiden vissershuisje in Equihem, een vissersdorpje bij Bonen. Daar deed hij inspiratie op voor zijn vele werken, schilderijen, aquarellen en tekeningen waar de zee, de duinen, de schepen en het vissersvolk een plaats krijgen.

Zijn laatste wens was om in Vlaanderen te worden begraven. Zijn graf bevindt zich op de Campo Santo begraafplaats in Gent-Sint-Amandsberg.

Gepubliceerd

03.01.2025

Kernwoorden
Reacties

Welke rol speelde Frankrijk in de tijd van “Leuven Vlaams”?

In januari 1959, 65 jaar geleden, werd Charles de Gaulle tot president van Frankrijk gekozen. Sommige Franstalige historici in dit land beweren dat deze benoeming ook de Vlaamse Beweging van de jaren ’60 heeft beïnvloed.

De Franstalige historicus Vincent Dujardin schrijft, in Le Soir van juni 2008, hierover het volgende: “volgens de verslagen van de staatsveiligheid zou hij (=De Gaulle) de aanhangers van ‘Walen buiten’ onrechtstreeks hebben gefinancierd.” Dujardin voegt eraan toe: “dit leidde de Belgische regering ertoe zich te verzetten tegen een bezoek van de Gaulle aan België in 1968.”

Achter dit verhaal schuilt het idee dat ‘Leuven Vlaams’ het einde van België kon versnellen. En dus ook de verwelkoming van Wallonië bij Frankrijk. Weet iemand van onze lezers hier meer over? Is deze ‘onrechtstreekse’ financiering een fabeltje?

Gepubliceerd

02.01.2025

Kernwoorden
Reacties

De mystica Maria Petyt: vergeten in haar geboortestad

De Vlaams mystica Maria Petyt. werd op 01 januari 1623 in Hazebroek geboren. Maar haar geboortestad is dit vergeten.  En de Nederlandstalige redactie van Wikipedia is blijkbaar niet op de hoogte dat de stad Hazebroek toen nog geen “stad in Frankrijk” was maar in de  Zuidelijke Nederlanden.

In haar autobiografische geschriften verzameld onder de hedendaagse titel “Het leven van Maria Petyt”, schrijft Maria het volgende over haar ouders en haar geboorte:

“Mynen vader was van gheboorte van Haezebroeck, myn moeder van Poperinghe. Vader was ghenoemt Jan Petyt, myne moeder Anna Folque (…). Ick was het eerste kindt van haer tweede huwelyck, ende ben tot Haezebroeck gheboren op Nieu-jaers-dagh ten 12 uren ‘nachts in het jaer 1623 ende wiert ghenoemt Maria.”

Let op de heldere taal van Maria. Geen AVNT kromvlaamsch, geen streektaal maar een heldere en vloeiende Nederlandse taal uit de 17de eeuw. Iemand uit Hazebroek was toen vlot verstaanbaar en leesbaar tot in Gent en Mechelen, steden waar haar  religieuze roeping haar zou brengen.

Gepubliceerd

01.01.2025

Kernwoorden
Reacties