WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor 2021

Interview met Maurits Cailliau

Over, het “oogkleppen flamingantisme en de Heel Nederlandse gedachte” 

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/maurits-cailliau-het-oogkleppenflamingantisme-overstijgen/

Maurits Cailliau (°1938), een West-Vlaming die in Ieper woont, is zijn leven lang de stille kracht achter talloze Heel-Nederlandse initiatieven en publicaties. Ik sprak met hem over zijn Heel-Nederlandse streven en over de actualiteit van de Nederlandse gedachte.

In de traditie van Heel-Nederlandse jeugdbewegingen

Maurits Cailliau, u was al heel vroeg actief in de jeugdbeweging en, opvallend, in Heel-Nederlandse groepen als het Algemeen Diets Jeugdverbond (ADJV). Hoe kwam u er toe?

‘Zo heel vroeg was dat ook weer niet. in 1956 werd ik 18 en zag ik als ‘flamingant’ uit naar een engagement. Het werd het ADJV dat me op het Heel-Nederlandse spoor bracht en me leerde, wat wij noemden, het ‘oogkleppenflamingantisme’ te overstijgen.’

Wie waren de leidende figuren van het ADJV?

‘Vooreerst de twee verbondsleiders: Staf Vermeire, die ook de Uitgeverij Oranje runde. En Jaak de Meester, die Staf als verbondsleider opvolgde, en de naam ADJV wijzigde in Blauwvoetjeugdverbond. Twee totaal verschillende persoonlijkheden. Staf was de rusteloze doener en organisator. Jaak, meer de denker die het diepe onderscheid beklemtoonde tussen enerzijds de jeugdbeweging en anderzijds de jeugdzorg.’

U geloofde in de opvoedkundige waarde van de jeugdbeweging. Veel later, in de jaren ’70, stond u mee aan de wieg van de Oranjejeugd. Is er vandaag nog plaats voor de jeugdbeweging?

‘Oranjejeugd zou zowat de laatste tak worden van de vele gedaanten van de Heel-Nederlandse jeugdbeweging. Hun pedagogisch project lag helemaal in de lijn van wat het ADJV me bijbracht. De jeugdbeweging, vormend en opvoedend, naast het gezin en het onderwijs, heeft beslist nog een onvervangbaar bestaansrecht. Vandaag heeft ze wel de tijdsgeest tegen, die leeft van ‘de waan van de dag’. Men verkiest vluchtig vertier en schuwt verdieping en blijvend engagement.’

De XVIII Provinciën

U toonde ook interesse voor gebieden die historisch ooit tot de Nederlanden behoorden.

‘Wie niet weet waar hij vandaan komt, weet ook niet waar hij heen wil. Dit axioma benadrukt de noodzaak en het nut van de geschiedenis — spijtig genoeg het kneusje in het hedendaags onderwijs. Het bestuderen van onze geschiedenis — onze “roots” — was ook voor mij een evolutie van “voortschrijdend inzicht”: van Vlaanderen naar het grotere Nederland, en uiteindelijk naar het historisch perspectief van de historische Nederlanden, zijnde de XVII Provinciën.’

U was tot vorig jaar eindredacteur van het jaarboek De Nederlanden extra muros van de Stichting Zannekin. Ik tel in mijn bibliotheek 45 jaargangen van dit jaarboek.

‘De huidige Vereniging/Stichting Zannekin had naamgenoten en voorlopers in het interbellum en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze kwam halverwege de jaren ’60 van de vorige eeuw tot stand als steun voor de Zuid-Vlaamse werking en het tijdschrift Notre Flandre, bezield door haar voorman, de E.H. Jean-Marie Gantois. Ze besteedde toen slechts aandacht aan de Franse Nederlanden. Naderhand werd de werking uitgebreid tot alle territoria langsheen de huidige Benelux-grenzen die doorheen onze geschiedenis ooit deel uitmaakten van de Nederlanden, of er cultureel sterk mee verbonden waren geweest. Het jaarboek bundelt studies en beschouwingen over die aloude Nederlandse gebieden die voornamelijk door Frankrijk en Duitsland ingelijfd werden.’

Frans- of Zuid-Vlaanderen

U heeft de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois nog goed gekend. Welke indruk heeft hij op u gemaakt?

‘Reeds in de ADJV-jaren was Frans- of Zuid-Vlaanderen de regio bij uitstek voor onze kampen. Die boden ons herhaaldelijk de gelegenheid Jean-Marie Gantois te ontmoeten, in Rijsel, of in zijn geboortestad, Waten. Later werden de Franse Nederlanden regelmatig het doel van de studie-uitstappen van Zannekin, die als vereniging ook instond voor de gedenksteen met Leo Belgicus op Gantois’ graf.’

Bij onze bezoeken aan Jean-Marie Gantois viel ons vooral zijn erudiete kennis van de geschiedenis en zijn spitse humor op.

‘Na zijn overlijden zorgde de Stichting Zannekin er ook voor dat zijn enorme bibliotheek een veilig onderkomen kreeg. Ze is vandaag nog steeds als “Bibliotheek de Franse Nederlanden” te bezoeken en te raadplegen in de Kulak te Kortrijk. Bij onze bezoeken aan Jean-Marie Gantois viel ons vooral zijn erudiete kennis van de geschiedenis en zijn spitse humor op. Hij volgde nauwgezet de evolutie binnen de Vlaamse Beweging.’

Hoe bekijkt u na al die jaren de evolutie over de Schreve?

‘Al meer dan een halve eeuw beweert men dat de Nederlandse streektaal aldaar tot verdwijnen gedoemd is. Maar ze raakt er klaarblijkelijk niet uitgeroeid. Steeds weer komen er nieuwe initiatieven tot stand ter promotie van de streekgebonden variant van het Nederlands, in het vanouds Vlaamssprekende deel van de zuidelijkste Nederlanden.’

Joris van Severen — de persoon

Een andere persoonlijkheid die u altijd heeft geboeid is Joris van Severen. U bent de werkende kracht achter vele initiatieven en publicaties rond Van Severen. Wat fascineert u in deze man?

‘Al in het ADJV leerde ik Joris van Severen kennen als een van de “Vaders van het Vaderland”. Hij werd gewaardeerd als een politicus die verder zag dan de volgende verkiezingen en een grootse visie voorhield.’

Wat me nog aanspreekt is het beklemtonen van de waarde van de persoonlijkheid, en de blijvende pedagogische betrachting tot de besten te behoren, boven de velen uit te stijgen.

‘Zijn politieke evolutie en koerswijzigingen steunden op zijn voortschrijdend inzicht inzake zijn studie van onze geschiedenis. Wat me nog aanspreekt is het beklemtonen van de waarde van de persoonlijkheid, en de blijvende pedagogische betrachting tot de besten te behoren, boven de velen uit te stijgen. Ook zijn zin voor orde, conditio sine qua non voor een harmonisch samenleven en het vormen van een samenhangend geheel. Dit wou hij maatschappelijk realiseren met het solidarisme, dat klasse- en andere tegenstellingen overwinnen zou.’

Kan het solidarisme nog een rol spelen in deze tijd? Biedt het nog een oplossing voor huidige sociaal-economische problemen?

‘Het solidarisme kan beslist de hedendaagse samenleving nog inspireren. Dit in confrontatie tot de onverkorte liberale globaliseringtendensen die landen en volkeren — en enkelingen — hun identiteit dreigen te ontnemen. Het solidarisme streeft naar een samenleving “op maat van de mens”: een wereld waarmee hij zich verbonden kan voelen. Het beleven van zijn “wortels” staat in schril contrast tot de huidige hang naar een mondiale wereld waarin niemand nog “iemand” is.’

Joris van Severen — de fascinatie

Hoe verklaart u dat, 80 jaar na zijn dood, Joris van Severen  nog het onderwerp is van een lijvige biografie geschreven door Luc Pauwels? Waarom blijft Joris van Severen actueel?

‘Mede omwille van de hiervoor vermelde inzichten. Laten we hopen dat ze stilaan weer aan zin en inhoud winnen in een tijdsbestek dat dergelijke waarden helemaal verliest en materiële welvaart verkiest boven geestelijk welzijn en evenwicht.’

‘De studie over de persoonlijkheid van Joris van Severen is overigens nog lang niet afgesloten. Na de uitmuntende biografie van Luc Pauwels die bij Doorbraak verscheen staat voor volgend jaar alweer een nieuwe biografie op stapel met Dieter Vandenbroucke als auteur.’

U bent de uitgever van een jaarboek rond de persoon van Joris van Severen dat inmiddels aan zijn 25ste jaargang toe is. Zo’n initiatief rond één persoon is, denk ik, uniek in Vlaanderen. Bestaat er nog veel materiaal over van Severen dat niet is gepubliceerd?

‘De jaarboekenreeks bundelt ondertussen meer dan 5000 pagina’s — met uitschieters als Die vervloekte oorlog (Van Severens dagboek over de Eerste Wereldoorlog) en de grootformaatuitgave Fotobiografie Joris van Severen (en het Verdinaso).’

De fascinatie voor zijn uitzonderlijke persoonlijkheid houdt aan, terwijl andere tijdgenoten al lang vergeten zijn.

‘Aan kopij is er vooralsnog geen gebrek. Talloze dagboekpagina’s van Van Severen kwamen nog niet aan bod. En voor heel wat deelaspecten biedt zijn archief nog boeiend studiemateriaal. De fascinatie voor zijn uitzonderlijke persoonlijkheid houdt aan, terwijl andere tijdgenoten al lang vergeten zijn.‘

Er is sprake van hergroepering van alle initiatieven rond Joris van Severen in een overkoepelend instituut. Kan je daar iets meer over vertellen?

‘Tot vandaag evolueerden de Stichting Joris van Severen (die instaat voor het onderhoud van het grafmonument te Abbeville en herdenkingsmomenten organiseert) en het Studiecentrum Joris van Severen (dat vooral de klemtoon op studie benadrukt), in goede verstandhouding naast elkaar. Bedoeling nu is dat beide vzw’s in 2022 de krachten bundelen en tot een fusie komen, onder de gemeenschappelijke naam Joris van Severen Instituut.’

’t Is te kleen om ghedeelt te blijven

Even nog over de actualiteit: N-VA-voorzitter Bart De Wever pleitte recent voor een mogelijke toenadering tussen Vlaanderen en Nederland. Hoe actueel is de Heel-Nederlandse gedachte?

‘Dergelijke toenadering lijkt zich eerder op het Groot-Nederlandse vlak te situeren, zijnde een vorm van taalnationalisme, gespeend van historisch inzicht. “’t Is te kleen om ghedeelt te blijven”, wist Willem van Oranje al, daarin nagevolgd door Joris van Severen. Een historicus als Bart De Wever zal overigens wel weten dat de term ‘België’ het Latijnse equivalent is voor ‘Nederland’.’

Ook professor Mathias Storme verklaarde dezer dagen dat ‘een Nederlandse confederatie uitweg biedt voor moeilijkheden van Vlaamse onafhankelijkheid’. Dat komt aan, in de oren van een ‘Heel-Nederlander’. Zo te zien is er nog toekomst voor de Heel-Nederlandse gedachte. 

‘De kijk van Matthias Storme biedt alvast méér perspectief voor het Heel-Nederlandse streven. Daarin schuilt de mogelijkheid tot het uitbouwen van het Benelux-gebied in z’n geheel tot een daadwerkelijke politieke identiteit. Wellicht kan dit slagen wanneer de beoogde confederatie rekening houdt met, en opgebouwd wordt op, een waarachtige federatieve basis die iedere gewestelijke identiteit haar eigenheid waarborgt.’

Gepubliceerd

16.12.2021

Kernwoorden

Het oudste huis van Kaaster

Volgens Cyriel Moeyaert moet dit het oudste huis van Kaaster zijn. Verscholen in de velden achter de oude herberg het Hondenest. Voor ons was dat het huis van tante Margriet.

Tante Margriet woonde daar eenzaam en alleen. Ze werd geboren in 1895, verloor al heel vroeg twee echtgenoten. Haar tweede man was een broer van mijn grootmoeder. De miserie van het leven had haar niet gespaard. Maar ze ging er vrolijk door, omringd door een dozijn honden en katten met wie ze uitsluitend Vlaamsch klapte. Je moest maar zien waar je kon zitten: ’t was er heel klein en op elke stoel sliep een poes. 

In de tijd dat Tante Margriet er woonde, tot begin de jaren ’80, was in het huis geen elektriciteit en geen drinkwater. ‘De oude mode’ noemde mijn grootvader dat. Midden de tuin stond een waterput, enkele meter diep. Het water werd bovengehaald met een emmer gebonden aan een touw. In huis stond ook geen tuig om te koken. Er werd op de antieke Vlaamse stoof gekookt. Heet, vooral in de zomer.

Margriet kweekte kippen en konijnen, en voor het overige, groenten en klein fruit uit de tuin. Niets kwam op tafel dan van eigen kweek. Het huis had geen kelder. In de tuin was een natuurlijke kelder gegraven die je bereikte via een trap en een deurtje. Het dak van de kelder was een golfplaat bedekt met een zeer dikke laag grond. Primitief, maar koel en efficiënt.

Als ze niet thuis was stond Margriet in de kerk. Voor de kost ging ze meermaals per week de kerk schoonmaken en in orde brengen. Tijdens de missen liep ze streng rond voor het stoelgeld. Weinigen wisten dat Margriet met haar familienaam  Becaert heette. In Kaaster was ze voor iedereen Margriet Stoolkarrette.

Margriet overleed begin de jaren’80. Toen ik een beetje later met mijn broer (zie foto) het huis nog eens bezocht was het verkocht en volledig schoongemaakt. Onwezenlijk, geen springende honden en katten meer. Met de hele troep van tante Margriet was ook de ziel van het huis vertrokken.

Gepubliceerd

04.12.2021

Kernwoorden
Reacties

België en het Franse virus

De echte tegenstander van Vlaanderen is Frankrijk

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/belgie-en-het-franse-virus

Er was nog eens een officieel topoverleg  tussen premier Alexander De Croo, minister van defensie  Ludivine Dedonder en de Franse premier Jean Castex. In het Egmontpaleis ging het over veiligheid, en ook over politie en militaire samenwerking. Premier De Croo kondigde een versterkte samenwerking tussen België en Frankrijk aan om ‘radicale islamisering en extreemrechtse dreiging beter te kunnen beheren’.

Vergis u niet: voor, maar nog meer achter de schermen, is de druk van Frankrijk op dit land al sinds het ontstaan van België ononderbroken, arrogant en nu dus ook besmettelijk.

Franse agenda

Het overleg ging over een Franse agenda:  terrorisme, illegale migratie over de Noordzee, en politie en militaire samenwerking. Ik kan me voorstellen dat, na de moordpartij in en rond de Bataclan, Parijs klaar wil zien in de gevaren van het Molenbeeks integratiemodel. Noteer ‘en passant’ dat men ook hier de Franse semantiek overneemt: het islamisme en extreemrechts worden in een vloeiende beweging voortaan steeds samen genoemd. Het islamisme heet kort en krachtig  ‘radicaal’ te zijn, terwijl extreemrechts niet alleen extreem maar vooral als  ‘dreigend’ wordt gebrandmerkt.

‘Onregelmatige’ migranten

Overleg en samenwerking met betrekking tot de naar Groot-Brittannië overstekende illegale migranten en vluchtelingen, met een nieuw eufemisme tegenwoordig ‘onregelmatige’ migranten genoemd, klinkt dezer dagen feller nu er doden vallen. Alhoewel het Frankrijk vooral te doen is om de buren de hete aardappel lekker door te geven om tijd te winnen, in plaats van in gesprek te gaan met  het perfide Albion.

De Franse minister van Binnenlandse zaken  Gérald Darmanin verklaarde tijdens een recente vergadering vanuit Kales – vergadering waar de Engelsen niet welkom waren – dat de ‘passeurs’ de criminelen van het verhaal zijn. Sammy Madhi wees voor zijn part naar de schuldige Britten die van geen pas willen weten en  naar de Brexit. Over de verpletterende verantwoordelijkheden wegens nalatigheid van Frankrijk en Groot Brittannië, werd uiteraard in alle talen gezwegen.

Ondanks de  nachtelijke oefeningen van politiepatrouilles is het een publiek geheim dat men al te graag deze migranten ziet vertrekken naar Groot-Brittannië

Het Franse kat en muis spel tussen Franse politie en migranten  duurt al jaren. Gevolg is dat tentenkampen zich regelmatig verplaatsen en overal groeien als paddenstoelen. Ondanks de  nachtelijke oefeningen van politiepatrouilles is het een publiek geheim dat men al te graag deze migranten ziet vertrekken naar Groot-Brittannië, al was het maar om de druk op de ketel aan Franse kant in balans te houden. Terwijl in chique Parijse, Brusselse en Londense paleizen  dure woorden van onkunde worden uitgesproken, spoelen soms lijken aan op de mooiste stranden van de Nederlanden in Frankrijk. En de plaatselijke bevolking in Kales en omgeving, die het kotsbeu is haar thuisland te zien veranderen in een sloppenwijk, mag zelf voor haar veiligheid zorgen.

Training in Mali

Tenslotte is in het Egmontpaleis nog beslist dat 250-300 Belgische soldaten zo nodig moeten worden gezonden naar Mali. Niets nieuw onder de zon  en de Franse wensen zijn wet. Wat heeft België te verliezen, tenzij mensenlevens, in een gewezen Franse kolonie? En wat denken de slachtoffers van de overstromingen in Wallonië  hiervan die zelf niet konden rekenen op de deftige inzet van ‘hun’ leger bij de recente watersnood? Prof. Herman Matthijs schreef niet zo lang geleden in Knack (31 7 2021):  ‘een aantal Franstalige partijen dromen van een Belgische divisie in het leger van de Franse vijfde republiek.’

Duizendjarige kwaal

De Franse bemoeiingen in onze regio behoren tot een duizendjarige kwaal. Het aanpassingsvermogen van de Vlamingen aan deze situatie duurt al even lang. Het begon in de tijd van de Vlaamse graven, kende een bloedig hoogtepunt met Lodewijk XIV,  en werd een bezetting door de Franse Revolutionaire troepen en Napoleon. In 1830 was Frankrijk de voornaamste actor achter het ontstaan van België en de verfransing ervan. Het voortbestaan van dit land heeft meermaals aan een Franse zijden draad gehangen.

De achteruitgang van Frankrijk als grootmacht had tot paradoxaal gevolg dat het land meer dan ooit zijn invloed liet gelden in België, haar Europese speeltuin

De achteruitgang van Frankrijk als grootmacht had tot paradoxaal gevolg dat het land meer dan ooit zijn invloed liet gelden in België, haar Europese speeltuin. De onmiddellijke buren gaven meestal niet thuis: Nederlanders toonden in de geschiedenis maar kortstondig interesse. Groot Brittannië keek not amused richting de wijde wereld. En de Duitsers verspeelden hun troeven als gevolg van de twee laatste oorlogen.

Persoonlijke ervaring

Een kleine, persoonlijke anekdote voor wie denkt dat dit allemaal tot een ver vereleden behoort. In 2004 werd ik door de consul-generaal van Frankrijk in Antwerpen gepolst als potentiële conseilleur aux affaires économiques de la France. Dat is een onbezoldigde eretitel als raadgever voor economische aangelegenheden. Voor de lol ging ik op de uitnodiging in. Plaats van het gebeuren voor een introductie tot dit selectief clubje was uiteraard een chique Brussels hotel. Aanwezig waren een dertigtal gasten, naast diplomaten en personeel van de ambassade, een bonte waaier van  bedrijfsleiders, allemaal vertegenwoordigers van grote Franse bedrijven met tentakels in België.

Energiebedrijf Suez voorop die al sinds 1999 Electrabel had veroverd. Uiteraard was de fine fleur van het  Franse bankwezen aanwezig. Vier jaar later zou BNP Parisbas er in slagen Fortis over te nemen. Ik herinner me ook nog vertegenwoordigers van Airbus  en Dassault druk doende over het aantal vliegtuigen in dat jaar in bestelling.  Ze waren toen  al in de running om de vervanging van de  F16 aan de Amerikanen te betwisten. Grote spelers in de voeding, de bouw of de transportsector zoals Carrefour die GB overnam in 2000, Thalys die sinds kort 60 % Frans is geworden, enzovoort.

Uit de bocht

Deze vergadering bleef me niet zo zeer in het geheugen gegrift door de te verwachten, arrogante beau monde. Wel door een opvallende tussenkomst van de aanwezige Franse ambassadrice. Het was daags na het auto-ongeluk van Guy Verhofstadt, toen premier, die met twee gebroken ribben de nacht  in een Gents ziekenhuis had doorgebracht. Ik luisterde nog snel naar de radio om 8 uur: er was weinig geweten over het incident. Maar om 9 u, bij de aanvang van de  meeting, nam de Franse ambassadrice onmiddellijk het woord.

Ze wist het geachte gezelschap gerust te stellen en met veel details  te praten over de gezondheid van onze Premier die ze al aan de telefoon had gesproken. Ik heb toen geconcludeerd dat de relatie tussen de autoriteiten van dit land en de Franse ambassade toch wel van een  heel bijzondere aard moest zijn om over meer nieuws te beschikken dat het ochtendjournaal. Verder heb ik me wijselijk zo ver mogelijk gehouden van deze pedante kringen die de uitkoop van België als hobby van hun geparfumeerd bestaan beoefenen met de collaboratie van plaatselijke zakkenvullers.

Monopolievorming

Het is de Vlaamse politicus Lode Claes die terecht wees op het feit dat de echte tegenstander van Vlaanderen niet zo zeer de Franstaligen  in dit land zijn dan wel Frankrijk. Claes overleed in 1997. Zie hoe het machtsaandeel van Frankrijk in België sinds dat jaar is toegenomen. Was Frankrijk een multinational, haar huidige monopolievorming  op Belgisch grondgebied zou door de Europese instanties worden betwist.

Deze situatie maakt mogelijk dat Franse monopolisten ongegeneerd ons zogenaamde marktprijzen, versta duurdere prijzen dan in Frankrijk, aanrekenen voor bijvoorbeeld dezelfde energie of diensten. Er bestaan duizenden filialen van Franse bedrijven in België. Vele  behoren tot de meest rendabele bedrijven van Franse groepen. Het brengt Franse aandeelhouders jaarlijks vele miljarden op die overal naar toe vloeien, behalve naar België.

De Franse instanties zullen het officieel niet snel toegeven om binnenlandse conflicten te vermijden  maar Brussel is voor de Franse Europese verkozenen en ambtenaren een betere stad dan Straatsburg

Op politiek vlak is het niet anders. Of het nu gaat om de Navo, of om de Europese instellingen, ze zijn tegenwoordig op minder dan twee uren van Parijs snel bereikbaar, en met eigen Frans TGV-vervoer. De Franse instanties zullen het officieel niet snel toegeven om binnenlandse conflicten te vermijden  maar Brussel is voor de Franse Europese verkozenen en ambtenaren een betere stad dan Straatsburg. Franse politici en lobbyisten  kunnen er makkelijker onder de radar  bij de Europese instanties hun gang gaan,  en bovendien in een taal en culturele omgeving die als thuis aanvoelt. Een thuisgevoel gestimuleerd door een kolonie van duizenden rijke Fransen die, om de centen, zich uitstekend kunnen vinden in de discretie en de rust van de chique, exclusieve wijken in Ukkel en Elsene.

Vergeet het rattachisme

Als je het mij vraagt is België voor de Fransen een schatkist én een paradijs op aarde tegelijk. Daarom betwist ik de thesis van Franstalige Rattachisten als Jules Gheude die ons willen doen geloven  dat Frankrijk staat te springen om Franstalig België  in te palmen. Het rattachisme klinkt voor Parijs als een Vaudeville. Wat kan Frankrijk nog meer aan België verdienen dan nu?

Ruzie maken met andere landen van Europa  om de grenzen van Frankrijk tot aan de Brusselse Grote Markt op te schuiven waar ze al vriend aan huis zijn?  Wat is de toegevoegde waarde van dit scenario  met 70 % van de economie waarover men  geleidelijk  aan de controle verliest door de splitsing van het land?  Waar moeten de rijke Fransen naartoe als hun belastingparadijs, nu op amper  85 minuten van Parijs, hun ontvalt? En wat krijgt Frankrijk hiervoor  in de plaats: de shit, de schuld, en de overdracht van de Vlaamse transfers met Wallonië?

Plooien, niet breken

Ik denk dat de volgende Franse ambassadeur een fan wordt van het model van de vier deelstaten, en een leerboek gaat schrijven getiteld: ‘Diplomatie et confederalisme pour les nuls’. Ik zie hem nog ooit vlot Nederlands spreken om de Vlamingen te koesteren.

Volgens mijn niet zo dierbaar vaderland mag België plooien met de wind zoals het riet in de fabel van Jean de La Fontaine. Plooien, niet breken. De spelbepaler  – of is het de spelbreker – voor Vlaamse autonomie en onafhankelijkheid is al duizend jaar gekend. Hij woont niet in Brussel maar in Parijs. De tegenstander negeren en mogelijke Europese en andere bondgenoten verwaarlozen om de strijd  aan te gaan, die twee factoren leiden Vlaanderen naar de overwoekerde paden van de volgende tien staatshervormingen en van de nog hogere facturen voor energie, en voor van alles en nog wat.

Gepubliceerd

01.12.2021

Kernwoorden
Reacties

Poortwachters van het Bretoens

Een interview met Jan Deloof over Bretoense schrijvers en literatuur (2)

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/poortwachters-van-het-bretoens

Jan Deloof over Bretoense schrijvers en literatuur

Jan Deloof, 91 jaar, is een West-Vlaming die verliefd werd op de Bretoense taal en cultuur. Over de Bretoense taal en over auteurs in het Bretoens schreef hij verschillende boeken. Zijn recentste heet ‘Poortwachters. Wat mij boeide in Bretagne.’

Jan Deloof, u schreef het boek Poortwachters. Wat mij boeide in Bretagne*. Wie zijn de poortwachters van Bretagne?
Bij de naam Poortwachters heb ik niet zozeer aan Bretagne gedacht als aan de Bretoense taal. Het zijn mensen die hun leven lang op velerlei manieren geijverd hebben om het Bretoens een taal te laten zijn waarin je net zo goed kunt ademen en leven als in om het even welke zogenoemd ‘grote’ taal. Het gaat vooral over taalminnaars, onder wie linguïsten, recensenten, woordenboekmakers, sprokkelaars van spreuken … Van die spreuken en gezegden zijn er ook een heel aantal opgenomen, met vertaling. 

Vele namen in uw boek zijn ons, eerlijk gezegd, totaal onbekend. Is dat het lot van wie schrijft in en over een kleine taal?

Uiteraard. Neem nu ons Nederlands, dat ondanks een rijke en zeer verscheiden literatuur nog nooit een Nobelprijs heeft binnengehaald. Dat ‘onbekend maakt onbemind’ geldt ook voor bijvoorbeeld het Catalaans en a fortiori voor het Fries of het Bretoens. 

Een auteur als Pierre-Jakez Hélias is door zijn Franse bestseller Cheval d’orgueil, een Bekende Bretoen in Frankrijk geworden. Een andere Bretoen met talent, Xavier Grall, schreef ooit dat Hélias, met zijn boek, de ‘gefossiliseerde folklore’ alle eer aandeed. Terecht?

Grall, die zelf nauwelijks Bretoens kende, heeft wel meer ongenuanceerde dingen gezegd. Per-Jakez Helias (op zijn Bretoens) heeft de samenleving van zijn kinderjaren gewoon empathisch beschreven. Het is alleen maar zondejammer dat Goulven Jacq, die met zijn onvertaald Pinvidigezh ar Paour (de rijkdom van de arme) een soortgelijk boek publiceerde, zelfs in Bretagne vrijwel onbekend gebleven is.

In uw boek schrijft u ‘ondanks alle mogelijke controverse is Roparz Hemon ongetwijfeld een van de allerbelangrijkste figuren van de Bretoense letteren in de twintigste eeuw’. Wie was Roparz Hemon?

Roparz Hemon (1900-1978), pseudoniem van Louis Paul Némo, in enkele lijnen samenvatten valt niet mee. Hij was zijn leven lang taalhervormer, grammaticus, auteur van leerboeken Bretoens, maar evengoed romancier en dichter. Hij wilde in een heldere, van Franse en andere invloeden gezuiverde taal naar een Bretoense literatuur op Europees niveau.

Waarom was Roparz Hemon controversieel?

Frankrijk en de Franstalige Bretoenen onthouden van Roparz Hemon vooral dat hij cultureel gecollaboreerd heeft met de Duitsers. Hij heeft zijn vooroorlogse activiteiten niet stopgezet, maar integendeel nog uitgebreid als de bezetter hem daar de kans toe gaf. Na een proces dat men ook over het Kanaal met argusogen volgde, werd Hemon veroordeeld tot tien jaar verlies van zijn burgerrechten. Naar mijn gevoel is dat geen straf die opgelegd wordt voor ernstige misdaden tegen de mensheid. Hij is uitgeweken naar Ierland en is bij leven nooit meer naar Bretagne teruggekeerd.

6-In 2007 ontving u de prijs Roparz Hemon voor uw vertaalwerk. Wie loofde die prijs uit?

Het is een prijs die uitgaat van de Kuzul ar Brezhoneg (Raad van het Bretoens), een koepel boven verschillende culturele verenigingen en uitgeverijen. Eerlijk gezegd weet ik niks af van hun criteria bij het toekennen van de prijs, noch van wie ook nog allemaal de prijs gekregen heeft. De uitreiking vond plaats tijdens een Bretoense vakantiecursus en was eerder gezellig dan plechtig. 

Een van die auteurs, Gwennole Ar Menn (1938-2009), hebt u ooit naar de IJzerbedevaart meegenomen. Kan men het Bretoense met het Vlaamse streven vergelijken?

Het was op zijn vraag. Zijn conclusie was echter dat onze IJzerbedevaart niets was voor Bretagne. Dat betekent niet dat er geen paralellen zouden zijn. De Bretoense Beweging kun je zonder meer stuk voor stuk vergelijken met de Vlaamse Beweging, maar dan honderd jaar later en op veel kleinere schaal. Het alomtegenwoordige katholicisme, de oppermachtige dialecten…  Als iemand zich geroepen voelt: stel Guido Gezelle tegenover Maodez Glanndour, of Albrecht Rodenbach tegenover Yann-Ber Kalloc’h.  

8-in dit boek publiceert u uitvoerig over de polemiek die u voerde met Jean Le Dû, professor emeritus Keltische studies, verbonden aan de Universiteit Brest. Waarover ging dit precies?

Uiteindelijk draait het om mijn onbegrip voor de houding van Le Dû en de zijnen. Ze bestuderen het Bretoens, ze werken erop, maar niet ermee, en zeker niet ervoor.

Opvallend in Frankrijk is de steun van overheden voor de dialecten in Bretagne, Elzas, Frans-Vlaanderen: een bewuste Franse zet om de standaardtalen (Bretons, Duits, Nederlands) de pas af te snijden?

Bewust of onbewust, die steun probeert randgebieden van het Duits en het Nederlands af te weken van het grotere geheel. In Bretagne, dat geen grote broer heeft om naar te kijken, wakkert die steun alleen maar de reeds grote verschillen tussen de dialectgroepen nog wat aan. 

In een ander omvangrijk boek Ik heb geen ander land publiceert u in 2017 een keuze van gedichten in het Bretons, telkens met Nederlandse vertaling van uw hand. Welke Bretoense dichters kan u de Vlaamse lezer aanraden?

Roparz Hemon, vanwege zijn literaire en taalkundige activiteiten en de opvattingen die eraan ten grondslag liggen. Per-Jakez Helias, vanwege de totaal andere benadering van de Bretoense taalstrijd. Anjela Duval, omdat ik zelf niet begrijp waarom de gedichten van deze ongetrouwde, wat reactionaire boerin mij en veel anderen zo aanspreken.

Anjela Duval die schreef: ‘Rak siwazh, an hini a garen/ Ne gare ket’r pezh a garen’ (Want helaas, hij van wie ik hield/ Hield niet van dat waar ik van hield). Wie was deze dichteres?

Een eenvoudige boerin (1905-1981) die verzen schreef ‘met de ploegschaar / Op het levend vlees van mijn Bretagne, voor na voor, / Daar berg ik de gouden korrels in / Waarvan de lente verzen maakt…’ Ze raakte in één slag bekend in heel Frankrijk door een tv-uitzending in 1971, Les Conteurshttps://www.youtube.com/watch?v=AeGyhtR4dcc&t=2s

doordesemd met de waarden en gebruiken van het Bretoense platteland

Haar klare poëzie is doordesemd met de waarden en gebruiken van het Bretoense platteland. Ze schreef maar één gedicht dat verwijst naar de liefde voor een man, en die heeft moeten wijken voor de liefde voor haar land, haar taal, haar vrijheid.   

Welke toekomst ziet u voor de Bretoense taal en literatuur?

Die zie ik eerder somber in. Het aantal sprekers van de taal neemt langzaam maar voortdurend af. Zorgwekkend is de kloof tussen de traditioneel dialectsprekende plattelander en de nieuwe sprekers die het onderwijs in beperkte mate aflevert. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ik met mijn publicaties eigenlijk een papieren grafmonument heb opgericht.

*Ik heb geen ander land.  Bretonse poëzie met Nederlandse vertaling.  Uitgeverij Boekscout, Soest (NL), 2017.  –  ISBN 978-94-022-3510-4.

*Poortwachters. Wat mij boeide in Bretagne. Uitgeverij Boekscout, Soest (NL). – ISBN 978-94-6431-912-5

Gepubliceerd

14.11.2021

Kernwoorden
Reacties

Verliefd op de Bretoense taal en cultuur

Een interview met Jan Deloof (1)

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/verliefd-op-de-bretoense-taal-en-cultuur

Jan Deloof, 91 jaar, is een West-Vlaming die verliefd werd op de Bretoense taal en cultuur. Over de Bretoense taal en over auteurs in het Bretoens schreef hij verschillende boeken. Ik sprak met hem over wat hem boeit in Bretagne.

Deloof: ‘Mijn wieg stond in de Deerlijkstraat in het Zuid-West-Vlaamse Zwevegem, tien jaar voor het begin van de Tweede Wereldoorlog. Laat me mezelf een oude krijger noemen die vooral actief was op drie fronten: de lokale geschiedenis van mijn geboortedorp en omstreken, de Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde, en de Bretoense taal- en letterkunde.’

Pioniersjaren

U behoort tot de eerste redactiemedewerkers van het tijdschrift Ons Erfdeel. Hoe was dat in de pioniersjaren?
‘Zoek het in mijn belangstelling voor Frans-Vlaanderen. Ook Ons Erfdeel was in het prille begin sterk op Frans-Vlaanderen gericht. Mijn eerste ontmoeting met stichter Jozef Deleu had trouwens plaats in Waregem, bij een van de Frans-Vlaamse Cultuurdagen in de vroege jaren zestig. Van 1968 tot 1994 was ik lid van de redactie van Ons Erfdeel, en van 1972 tot 1994 ook van die van het zusterblad Septentrion. In 1994 hield ik er in gezamenlijk overleg mee op, omdat men de redactie wilde verjongen.’

‘Binnen Ons Erfdeel hield ik het oog vooral gericht op het Nederlands buiten de Nederlanden, en op Zuid-Afrika. Ook over de literatuur in het Afrikaans heb ik behoorlijk veel geschreven en gepubliceerd.’

Pêcheur d’Islande

Hoe kwam u in contact met Bretagne en met de Bretoense taal en cultuur?

Jan Deloof

‘De Franse schrijver Pierre Loti ligt aan de basis van mijn belangstelling voor het Bretoens. In de Derde Latijnse of in de Poësis las ik, een fragment uit het boek Pêcheur d’Islande. Een reder moet aan een oud moedertje meedelen dat haar kleinzoon op zee is omgekomen. Hij doet dat omzichtig, met veel begrip voor het verdriet dat hij haar zal aandoen, maar ze kent geen woord Frans en begrijpt zijn verhullende zinnen niet. Hij moet dus noodgedwongen overschakelen op het weinige Bretoens dat hij machtig is: “Marw eo, hij is dood.” Het trof haar en mij als een vuistslag in een volle maag en ik heb die twee woorden nooit meer vergeten.’

‘Een feit in de familie kwam de herinnering nog versterken. Twee wat oudere neven moesten tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bretagne aan de Atlantic Wall werken. Enige tijd na de bevrijding kwamen ze allebei naar hun dorp terug, beiden in het gezelschap van een Bretoense echtgenote. Ik stelde daarbij vast dat de ene vrouw Bretoens sprak en de andere niet. Ik vond dat zonderling. Hoe zat het ginds eigenlijk met die talen?’

‘Jaren later moest ik voor mijn werkgever Bekaert op zoek naar handboeken Frans en Engels. Al speurend in verschillende catalogi stootte ik onverwacht op boeken om Bretoens en Catalaans te leren. Alweer dat Bretoens! Dat intrigeerde me persoonlijk veel meer dan Frans en Engels. Ik kocht die boeken, zette me aan de studie, en de rest is geschiedenis.’

Behoren de mensen die in Bretagne voor de Bretoense taal en cultuur uitkomen tot het Bretoense nationalisme?
‘Dit is een lastige. In de context van Bretagne als gewest van Frankrijk is kiezen voor het Bretoens op zichzelf al een daad van nationalisme. Maar ik heb geen zicht op de politieke verhoudingen in Bretagne, en het verenigingsleven is er op een heel andere leest geschoeid dan hier. Tijdens het interbellum had je wel de sterke nationalistische stroming rond de vernieuwer Roparz Hemon en zijn belangrijk tijdschrift Gwalarn, het Van Nu en Straks van Bretagne. Maar een markante schrijver als Per-Jakez Helias wordt dan weer door de nationalisten uitgespuwd.’

Bretoens, hoe leer je dat als Vlaming?

De Bretoense uitgever Yoran vertelde me dat u beter Bretoens spreekt als hij. Hoe doe je dat als Vlaming: Bretoens leren?
‘Hier kan ik niet anders dan even de puntjes op de i zetten: Bretoens kan ik goed lezen en een beetje schrijven, maar ik kan het niet spreken. Daarvoor zou ik echt in Bretagne moeten wonen of toch geregeld met het gesproken Bretoens in aanraking moeten komen. Quod non. En ik heb nooit tijd uitgetrokken voor mondelinge beheersing. Vergelijk het met de manier waarop we destijds Oudgrieks en Latijn leerden. Dan is het een verhaal van leren in studieboeken en luisteren naar opnamen van liedjes en toespraken.’

Is Bretoens een moeilijke taal om te leren?
‘Het is an sich niet moeilijker dan andere Indo-Europese talen, maar er spelen elementen die het moeilijk maken. Net als de andere Keltische talen kent het Bretoens bijvoorbeeld mutaties. Dat wil zeggen dat bepaalde beginmedeklinkers onder invloed van het voorgaande woord veranderen. Dat maakt het raadplegen van woordenboeken zonder voorkennis knap lastig. Komt daar bij dat het Bretoens vier grote dialectgroepen telt en eigenlijk geen overkoepelende standaardtaal met een vaste spelling heeft die algemeen wordt gevolgd. Het is soms een echte doolhof.’

Slinkende groep Bretoenssprekenden

Hoe is het gesteld met de Bretoenssprekenden in Bretagne vandaag? Zijn er nog Bretoenen die van thuis uit Bretoens spreken?
‘Betrouwbare officiële tellingen zijn er niet. Het aantal sprekers van het Bretoens wordt geschat op een paar honderdduizend. Op een bevolking van drie miljoen is dat een kleine minderheid. De traditioneel Bretoens sprekende plattelandsbevolking slinkt voortdurend. Wie de levensloop van de huidige schrijvers bekijkt kan er niet omheen: hun ouders hebben het laten afweten en ze hebben hun Bretoens voornamelijk geërfd van hun grootouders. Er zijn zeker nog jonge mensen die de taal van huis uit meekrijgen, maar ze zijn gering in getal.’

Zijn de Diwanscholen en het immersieonderwijs de ultieme redding voor de Bretoense taal?
‘Theoretisch is het vandaag de dag mogelijk om onderwijs in het Bretoens te volgen, in bijvoorbeeld de scholen van Diwan. Er zijn enkele duizenden leerlingen die op die manier het Bretoens grondig aanleren en het gaan beschouwen als hun moedertaal. Het grote probleem hierbij is dat deze jonge mensen een Bretoens spreken dat ver afstaat van dat van de traditionele sprekers. Hoe en of die twee groepen elkaar zullen vinden is de cruciale vraag van deze tijd.’

Woordenboek

In 2004 gaf u een mini woordenboek Bretoens-Nederlands uit. Is daar een publiek voor in Bretagne? En in de Lage Landen?
‘Het is uitgever Yoran die met het idee kwam. Het zijn piepkleine boekjes (6x4x2 cm) waar meer in staat dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Toch zijn het veeleer plezierige hebbedingetjes dan handige woordenboeken. Ik denk dat het alleen wat toeristen zijn die het zich aanschaffen als souvenir.’

‘Ik ben echter doorgegaan op dat elan en heb een veel ruimer woordenboek Bretoens-Nederlands en Nederlands-Bretoens uitgewerkt, met veel hulp van derden, dat niet op papier verschenen is maar raadpleegbaar is op het internet. De lezer kan er hier kennis van nemen.

Zijn er veel Vlamingen die Bretoens spreken?
‘Ik ken er maar één die het echt spreekt, een gewezen jeugdrechter uit Roeselare, en nog een paar van wie de kennis van het Bretoens vergelijkbaar moet zijn met de mijne. Verder is het “effene vlakte, diep verschiet”.’

Gepubliceerd

07.11.2021

Kernwoorden
Reacties

Hansi, tekenaar van het Franse revanchisme

Een overdosis Frankrijk in Elzassische klederdracht

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/hansi-tekenaar-van-het-franse-revanchisme

Ze noemden hem teder Oom Hansi. In de eerste helft van de vorige eeuw was hij dé tekenaar en karikaturist van de Elzas. Voor de Fransen blijft hij de beroemdste Elzasser, nog vóór de Nobelprijswinnaar voor de filosofie 1952, Albert Schweitzer. Tomi Ungerer, die andere bekende tekenaar en cartoonist uit de Elzas — overleden in 2019, schreef nochtans weinig flatterend over zijn streekgenoot en voorganger. Hij stelde: ‘Zijn horizon bleef ongewijzigd blauw als een (Frans) militair uniform van 14-18, steriel, tweeslachtig en verstoord door een Franse driekleurige regenboog.’ De wereld van Hansi kleurt als een overdosis Frankrijk in Elzassische klederdracht.

Oom Hansi, een indigestie

Ik was onlangs nog eens op bezoek in de Elzas en ik kon er niet naast kijken. Werkelijk overal vind je de tekeningen van Hansi: op tafelkleden en gordijnen. En ook op bestek, kopjes, borden, potten en pannen. Hansi rijmt op de lange duur met indigestie.

Steeds dezelfde idyllische taferelen van een landelijk, paradijselijk, want Frans-kleurend Elzas. Hansi is de geestelijke vader van de Vijf C’s, die staan voor cathédralecoiffecigognechoucroute en colombage (kathedraal, hoofddoek, ooievaar, zuurkool, vakwerk). Bezocht u ooit de Elzas, dan is de kans groot dat u een van zijn tekeningen, in de vorm van een post-, kerst- of nieuwjaarskaart, in handen kreeg. Alle folkloristische illustraties, overal te koop in kranten- en souvenirwinkels, zijn door Oom Hansi getekend, of door hem geïnspireerd. Maar wees gewaarschuwd: achter de kampioen van de Elzassische folklore schuilt een rabiate anti-Duitse Franse nationalist en een meester in de manipulatie van zijn lezers.

Geboren in het Keizerrijk

Oom Hansi, wiens echte naam Jean-Jacques Waltz was, werd als jongste van vier kinderen, in 1873, in de stad Colmar geboren. Vader Waltz was aanvankelijk slager van beroep maar klom op door zelfstudie. Hij werd conservator en bibliothecaris van het Unterlinden-Museum in zijn stad. Dit museum bestaat nog steeds.

Je geboorteplaats kies je niet zelf: zo werd Hansi op de valreep als Duitse staatsburger geboren

Frankrijk had juist de oorlog van 1870-1871 tegen Pruisen verloren. Elzas-Lotharingen werd vervolgens door Bismarck bij het Keizerrijk Duitsland ingelijfd. Je geboorteplaats kies je niet zelf: zo werd Hansi op de valreep als Duitse staatsburger geboren.

Het nieuwe vaderland

Wie als inwoner van Elzas-Lotharingen in 1871 de nieuwe situatie niet accepteerde, kreeg één jaar de tijd om naar het Frans grondgebied te vertrekken. Tien procent van de bevolking maakte gebruik van de regeling. Om deze vertrekken te compenseren bevorderde de Duitse regering Germanisierungs- und Assimilationsversuchen. Dit kwam neer op georganiseerde migratie van Duitse onderdanen naar het gebied.

Net als de Fransen voordien, die de Elzas trachtten te verfransen, bevestigden de Duitsers op hun beurt het Duits als ambtelijke taal, Duits onderwijs, Duitse wetten, Duitse dienstplicht, enzovoorts. Sommige maatregelen werden koel onthaald, zoals de bestuurlijke aanpak uit de eerste jaren, waardoor Elzas-Lotharingen onder rechtstreeks gezag van Berlijn viel. Na vele strubbelingen kreeg Elzas-Lotharingen uiteindelijk in 1911 meer autonomie, met een eigen Landtag.

Revanchisme

De familie Waltz behoorde tot een minderheid Elzassers die de annexatie als een bezetting beleefden. Hansi werd thuis opgevoed in het verlangen naar Frankrijk, zeg maar in een anti-Duitse en Frans-patriottische sfeer. Vader en zoon werden hevige ‘revanchisten’, zeg maar aanhangers van de terugkeer naar Frankrijk. Het protest werd uiteraard vanuit Parijs als een perfect melodrama geregisseerd. Ontelbaar zijn de boeken, publicaties, schoolschriften en liederen allerhande. Die werden als bidprent gebruikt om de Fransen dagelijks te herinneren aan de arme Elzassers die in de handen van de barbarij vielen. Heel Frankrijk zong toen in koor, tot tranen toe bewogen:

Vous n’aurez pas l’Alsace et la Lorraine,
Et malgré vous nous resterons Français

(Elzas-Lotharingen zult u niet krijgen, / Ondanks u zullen wij Frans blijven)

Het revanchisme van Hansi werd nog extra gevoed tijdens zijn schooltijd in, wat hij noemde, het Moffenlyceum: de Kaiserliche Schule van Colmar. Die was bemand door een lerarenkorps van strenge Pruisische leer.

Anti-Duitse karikaturist

Hansi bezat van jongs af aan een uitzonderlijk talent voor tekenen, en in het bijzonder voor de karikatuur. Geleidelijk aan gaat hij over tot het schrijven en illustreren van kinderboeken over de geschiedenis van zijn geboortestreek. Met zijn kinderboeken weet hij als geen andere kinderzieltjes te beïnvloeden in de richting van het pro-Franse kamp.

Dat dit ook contraproductief kon werken, daarvan getuigt de reeds geciteerde cartoonist Tomi Ungerer: ‘Ik ben opgevoed in de anti-Germaanse wereld van oom Hansi, tot ik tot het besef kwam dat hij bij kinderen de haat aanwakkerde.’

Nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog fungeert Hansi als voornaamste bron voor de grootse anti-Duitse propagandamachine van Frankrijk

Beroemd wordt Hansi in 1908 met zijn boek Professor Knatschke waarin hij, in de persoon van een fictieve Pruisische professor, op karikaturale wijze de spot drijft met de bekrompenheid en gedragingen van de Rijksduitsers in zijn streek. Groot jolijt verzekerd tot in Parijs, in een periode dat de revanchisten in Frankrijk de messen slijpen voor een oorlog met Duitsland. Nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog fungeert Hansi als voornaamste bron voor de grootse anti-Duitse propagandamachine van Frankrijk.

In moeilijkheden

Het succes van zijn Duits-vijandige karikaturen en publicaties wordt de Duitse autoriteiten een doorn in het oog. In 1914 wordt Hansi tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld omwille van het belachelijk maken van een Duits officier. Kort daarop wordt hij schuldig bevonden aan het bespotten van Duitse ambtenaren en de belediging van de Duitse gemeenschap. Hansi wordt tot twaalf maanden gevangenis veroordeeld.

Hij weet via Zwitserland naar Frankrijk te vluchten. De oorlog is inmiddels uitgebroken en Hansi meldt zich als vrijwilliger in het Franse leger. Revanchisten worden er met open armen ontvangen: Hansi spreekt uiteraard vloeiend Duits en wordt meteen als tolk ingezet en snel tot onderluitenant bevorderd. Hij draait als ervaringsdeskundige volop in de anti-‘moffen’-propaganda. Intussen strijden zijn streekgenoten in het Duitse leger tegen de Fransen en hangt zijn geboortestad Colmar vol aanplakborden die de bevolking oproepen om Hansi wegens verraad aan te geven.

Interbellum

Na de Eerste Wereldoorlog wordt Elzas-Lotharingen opnieuw door Frankrijk ingelijfd. Je zou denken dat Oom Hansi als een held wordt ontvangen en dat zijn boeken als broodjes verkopen. Maar zijn literair succes is tanend en zijn momentum lijkt voorbij. Het leven gaat verder onder Frans militair bestuur terwijl de Elzassers hun Duitse uniformen aan de kapstok hangen. Onderwijs in het Duits wordt verboden en Franstalige leerkrachten worden geïnstalleerd. Duitstalige kranten mogen niet meer verschijnen. Men moet zich hierbij voorstellen dat in 1918 96% van de Elzassers uitsluitend Duits spreekt.

Er volgt ook een gedwongen terugkeer van de Rijksduitsers die over de Rijn zijn geboren en in Elzas-Lotharingen wonen. Al hun bezittingen worden door de Franse autoriteiten genadeloos in beslag genomen. Oom Hansi applaudisseert voor deze menselijke ellende en maakt talloze tekeningen van de door Frankrijk beroofde en verjaagde Duitse families die aan de grens worden bespot.

Zelfbestuur, een Duits complot?

Haat is een slecht leidmotief. Niet iedereen slikt zomaar de fratsen van revanchisten als Oom Hansi. Moedige Elzassers blijven ijveren voor zelfbestuur binnen de Franse staat. Voor Hansi klinkt dit als een nieuw pangermaans complot.

Overal ziet hij de hand, de propaganda en de financiële steun van Duitsland

Hij is er als de kippen bij om de autonomiebeweging en zijn leider, Dr. Karl Roos, aan te vallen. Karl Roos zou later, in 1940, door Frankrijk valselijk van spionage en hoogverraad worden beschuldigd en worden geëxecuteerd. Evenzeer voert Hansi publiek een vuile oorlog tegen de Duitstalige krant Elsaß-Lothringische Zeitung. Overal ziet hij de hand, de propaganda en de financiële steun van Duitsland.

Mishandeld

Als nazi-Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenvalt weet Hansi dat de oorlog snel naar de Elzas gaat overwaaien. Tijd om zich uit de voeten te maken want, vanuit zijn verleden, weet hij dat hij gevaar loopt. Na een verblijf in Bourgondië duikt hij onder in de stad Agen, gelegen in Vichy-Frankrijk: de zogenaamde ‘Vrije Zone’. De Gestapo zit hem op de hielen en in april 1941 is het zover: Hansi wordt op straat, ter hoogte van zijn onderduikadres, door drie Gestapoagenten in elkaar geslagen en voor dood achtergelaten. Maar de taaie Hansi weet de ondergane mishandelingen te overleven. Hij vlucht opnieuw en bereikt uiteindelijk Zwitserland waar hij tot het einde van de oorlog verblijft.

Gezuiverd en omgetoverd

In 1946 is Hansi terug thuis in Colmar, berooid door de jaren van inactiviteit en gebroken door de zware mishandelingen. Hij voert nog een lang gevecht, deze keer met de Franse administratie, voor zijn verloren papieren die hem recht moeten geven op een pensioen. Hansi zal tot het einde van zijn leven – hij overlijdt in 1951 – blijven tekenen om den brode in een wereld die hem niet meer begrijpt. Pas jaren later wordt het werk van oom Hansi, waar nodig gezuiverd van zijn meest ergerlijke ondertoon, marketingkundig omgetoverd tot liefelijke folklore uit de Elzas. Alhoewel: de Franse driekleur van het revanchisme is op alle tekeningen gebleven.

Gepubliceerd

26.10.2021

Kernwoorden
Reacties

Een Vlaamse windmolen in… Picardië

Over erfgoed, architectuur en identiteit

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-vlaamse-windmolen-in-picardie

Stavele, een rustig, verscholen dorpje in de Westhoek. Ik kom er wel eens als keerpunt van een van  mijn favoriete wandelingen  langs de IJzer. Alleen  in het weekend tref je wat leven aan taverne Amigo en bij Iris van ’t Hof van Commerce. Onlangs las ik over de Westmolen van Stavele en  zocht er tevergeefs naar. Maar die staat  al lang niet meer in Stavele, wel 153 km verder in…Picardië. Een verhaal over een verdwenen molen, over de nut van het erfgoed, en nog meer…

De molen van Stavele

De Westmolen van Stavele in West-Vlaanderen is een mooi voorbeeld van een staakmolen, daterend uit 1662. In Stavele stond  hij op het hoogste punt van de gemeente. Op de steenbalk, gebeiteld door een zeventiende eeuwse timmerman lees je: “Bewaer my hier van donder en vier lange sta ik hier”.

Je kon in die tijd, 1963, blijkbaar een uniek stuk Vlaams patrimonium uit de XVIIde eeuw verpatsen aan het buitenland

Maar het was niet donder en vuur, wel de desinteresse en het winstbejag van de mens, die maakte dat de molen in de jaren 1960  van vorige eeuw werd afgebroken. Hij werd verkocht aan een inwoner van het Franse Naours bij Amiens, in… Picardië. Je kon in die tijd, 1963, blijkbaar een uniek stuk Vlaams patrimonium uit de XVIIde eeuw verpatsen aan het buitenland zonder dat iemand, laat staan een overheid, er naar kraaide.

Onverschilligheid versus respect

Hoe het met onze Vlaamse molen verder  is vergaan? Het goede nieuws is: in Picardië heeft men er goed voor gezorgd. Drie jaar geleden werd de bouwvallige ‘ moulin de Stavèle’ om veiligheidsredenen  afgebroken. Maar na een schitterende promotiecampagne werd de molen – in Frankrijk inmiddels een  beschermd monument – volledig gerestaureerd en onlangs opnieuw opgetrokken. De vereniging Nord Patrimoine kreeg hiervoor de steun van de missie Stéphane Bern. In Frankrijk is Bern een  bekende TV figuur die zich inzet voor de redding van waardevol patrimonium.

respect voor een stuk erfgoed dat Vlaanderen ooit in onverschilligheid liet vertrekken.

Voor de restauratie deed men beroep op een Nederlandse deskundige, de rondreizende timmerman Erwin Schriever. Een kostenplaatje van meer dan 500.000 euro, en een  resultaat dat mag gezien worden. Paradox van de situatie: Picardisch respect voor een stuk erfgoed dat Vlaanderen ooit in onverschilligheid liet vertrekken.

Een missie

Zoek dus niet verder naar de Westmolen in Stavele. Ga wel eens 150 km verder kijken, in Naours, een dorpje van 1000 inwoners dat  ons een stille les geeft over hoe om te springen met waardevol erfgoed. Gelukkig gaan de Nederlanden historisch tot aan de Somme! Zo blijft de molen nog een beetje van ons.

Terloops nog een vraag: wanneer krijgen wij in Vlaanderen een actie als de missie van Stéphane Bern en een tv-programma die mensen en overheden wakker schudt om een waardevol stuk patrimonium te redden?

De oorsprong van het nieuwe

Johan Huizinga schrijft: “Het is de oorsprong van het nieuwe wat onze geest in ’t verleden zoekt”. Maar wat is het nut van de oorsprong ? Moeten wij al dat oude  behouden? Voor de fanaten van de vooruitgang is een oude molen, en al de rest, een hindernis in de weg naar onze toekomst. In het beste geval willen ze het nut van erfgoed afwegen tegen hedendaagse, functionele behoeften.

Betonnen dozen aan de kust

Wij blijven in de Westhoek: ik stel me ook veel vragen over erfgoed aan de Vlaamse kust.  Staan de allerlaatste villa’s in cottagestijl op de dijk in de weg van de vooruitgang en het bouwen van honderden appartementen? Waren die villa’s zo waardevol dat we ze moesten behouden?  Of wilden we hiermee ook de einder, het zicht, de ziel van de Vlaamse kust zeg maar, behouden?

Zijn die architecturaal waardeloze betonnen dozen die in de plaats werden gebouwd dan de zogenaamde vooruitgang en, los van bouwpromotoren en vastgoedmakelaars, voor wie nog? En waarom dan, al die foto’s uit de oude doos in winkels, cafés en op elke hoek van de straat als herinnering aan “hoe het ooit was”?

Erfgoed, voor onze kinderen

Dat het erfgoed in de laatste honderd jaar vreselijke verwoestingen heeft doorstaan is niet alleen het gevolg van oorlogen. Veel is ook door toedoen of onwetendheid  van de  mens kapot gemaakt, afgebroken, of verloor aan zin en betekenis door nieuwe, storende, omgevende factoren.  Geschiedenis en erfgoed gaan samen, en worden ook samen verwaarloosd en achtergesteld.

Een louter, mercantiele benadering over nut en kost van het erfgoed

Kinderen vertellen over de geschiedenis van de plaats waar ze wonen, ze doen dromen over de vroegere inwoners van een historisch gebouw of plaats, ze laten ontdekken hoe mensen leefden, werkten en dingen vervaardigden en gebruikten, blijft meer dan ooit een zinvolle pedagogische methode om interesse te wekken voor het verleden. Een louter, mercantiele benadering over nut en kost van het erfgoed, in combinatie met het beperken van de lesuren geschiedenis, is het beproefd  recept van de moderniteit  om elke identiteit te fnuiken.

Architectuur en identiteit

Als je in Stavele verder loopt langs de IJzer kom je via de grensgemeente Roesbrugge in de Franse Westhoek. Net als hier in de Westhoek  onderging de streek in 1914-1918  vele verwoestingen. Er moest worden heropgebouwd en er kwam een hevige discussie los over wie het voortouw ging nemen in een land waar alles in Parijs gecentraliseerd en beslist wordt.

Gelukkig voor Frans-Vlaanderen hadden een groep regionalistische architecten en jonge industriëlen zich  voorbereid op de naoorlogse periode en over de aanpak van de heropbouw van de streek. Enkele van deze mensen zouden in de volgende decennia een  bijzondere rol spelen in de regio. Ik beperk me hier tot twee leidende figuren:  Louis Delepouille, die later de befaamde Rijselse jaarbeurs zou inrichten, én de bekende architect Louis Cordonnier, internationaal gewaardeerd voor o.m. het ontwerpen van het prestigieus Vredespaleis in Den Haag.

de streek heropbouwen in een regionale Vlaamse stijl

Rond deze mensen verzamelden zich heel wat bekende architecten uit de streek, met één motto: men zou de streek heropbouwen in een regionale Vlaamse stijl en de betonnen koten van de Parijse voorsteden niet toelaten. Het is dankzij de vastberadenheid van deze groep, tegen de bemoeienissen van Parijs in, dat vele verwoeste gemeenten in Frans-Vlaanderen vandaag nog een opvallende Vlaamse sfeer ademen. Erfgoed en architectuur als drager van onze identiteit, zeer zeker.

Gepubliceerd

10.10.2021

Kernwoorden
Reacties

Doggerland, een verdwenen continent aan onze kust

De Noordzee moet nog veel geheimen prijsgeven

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/doggerland-een-verdwenen-continent-aan-onze-kust

Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen: ooit kon je lopen van de  huidige Vlaamse en Nederlandse kust tot in Engeland.  Geologische verschuivingen leidden zowat 6000 jaar voor onze tijdrekening tot een breuk tussen het Europese vasteland en Groot-Brittannië. Meer dan 200.000 km2 land verdween toen in de zee. Dit gebied, dat zich uitstrekte van het huidige Frans-Vlaanderen en Groot Brittannië tot Schleswig-Holstein en Denemarken, kreeg een naam: Doggerland.

Doggerland

In de 19de eeuw alludeerde de Britse schrijver H. G. Wells als eerste, in zijn boek A story of the Stone Age, over het bestaan van een verdwenen land tussen Groot-Brittannië en het Europees continent. Het is een andere Britse, prof. Bryony Coles, een archeologe die baanbrekend onderzoek deed naar het overspoelde gebied, die er, in de jaren ’90, de naam Doggerland aan gaf.

Ze noemde het naar de Doggerbank, de ondiepe zandbank in de Noordzee

Ze noemde het naar de Doggerbank, de ondiepe zandbank in de Noordzee die tegenwoordig als platform dient voor de bouw van een gigantisch windmolenpark. Een naam die Nederlands kleurt want dogger is een Middelnederlands woord voor een vaartuig waarmee op kabeljauw werd gevist.

Zondvloed

De bewoners van het Doggerland kregen na de laatste ijstijd, tussen 11.000 en 7.000 jaar geleden, te maken met een zondvloed, ten gevolge van geologische verschuivingen veroorzaakt door klimaatwijzigingen. Zo verdween hun land onder de zee. In mijn jeugd was er ook sprake van een meteorietinslag van uitzonderlijke omvang, ergens op de aarde. Maar wetenschappers zijn ook mensen die zich laten beïnvloeden door de waan van de dag.

Mammoetbotten opgevist

Langs de Noordzeekust vindt men vaak allerlei aangespoelde artefacten uit de prehistorie: gebruiksvoorwerpen en wapens vervaardigd uit steen, beenderen of geweien. Het gaat om resten van zoogdieren als mammoets, wolharige neushoorns, leeuwen, reuzenherten oerossen en meer.  Ook botten van Neanderthalers én van moderne mensensoorten duiken wel eens op.

Men treft deze vondsten ook veelvuldig aan in de speciën die baggeraars en bedrijven actief in grondstofwinning bovenhalen

Vaak lopen jutters langs de Zeeuwse kustlijn waar vele stukken aanspoelen. Vissers brengen ze regelmatig naar boven in hun netten. Niet zelden blijkt na onderzoek een of ander bot van een prehistorisch dier of mens te zijn opgevist. Men treft deze vondsten ook veelvuldig aan in de speciën die baggeraars en bedrijven actief in grondstofwinning bovenhalen. Vandaag de dag worden grote baggerprojecten in de Noordzee, maar ook in havens, en in de monding van stromen, systematisch gecontroleerd met het oog op archeologische vondsten.

Paleolithisch landschap

Sinds vorige eeuw brachten specialisten uit verschillende landen de Noordzeebodem geologisch in kaart voor allerlei economische doeleinden. De studie van de  zeebodem voor archeologisch onderzoek kreeg ook stilaan een plaats.

De zeebodem toont nog sporen van de beddingen van de grootste stromen en rivieren die hier samenkwamen : de Seine, de Schelde, de Theems, de Maas en de Rijn. Onder het water herkent men nog het reliëf van een idyllisch landschap van beboste heuvels, valleien en moerassen. Voor de kust van Norfolk werd recent een paleolithisch landschap ontdekt. Groepen van fossiele boomstronken blijken nog zichtbaar. En in die boomstronken bevinden zich resten van dieren als bevers, beren of wolven, ooit verrast door het opkomende water.

Het lijkt er sterk op dat de grootste archeologische schat van Europa zich nog in de Noordzee bevindt.

Mensen en klimaat

Lang zal het niet meer duren tot archeologen ons meer zullen vertellen over de inwoners van Doggerland zelf. Britse archeologen hebben al sporen gevonden van vroegere bewoning van zowat 950.000  jaar geleden. De poging tot datering geeft een idee van de archeologische rijkdommen van het gebied. Maar om andere vestigingsplaatsen in de loop der tijden terug te vinden is nog veel onderzoek nodig.

De drang om meer te weten over het verdwenen Doggerland wordt bij sommigen gedreven door de huidige klimaatproblematiek. Specialisten willen meer weten over de geologische bewegingen die geleid hebben tot de zondvloed die het gebied overspoelde, hoe snel dit is gegaan, en hoe de mens zich heeft aangepast aan de steeds veranderende situatie.

Atlantis aan de Noordzee

De zoektocht naar verdwenen continenten heeft veel literatoren van  diverse pluimage geïnspireerd.  Maar archeologen zoeken al lang naar concrete sporen van bewoning op verdwenen eilanden, en in verzonken dorpen en steden. Reeds in de jaren ‘50 van de vorige eeuw, in het Duitse Noord-Friesland,  deed Jürgen Spanuth, een Oostenrijkse predikant én archeoloog, onderzoek naar dat deel van Doggerland tussen het eiland Helgoland en de kust van Schleeswijk-Holstein en Denemarken.

Zijn publicaties zorgden toen voor heel wat controverse. Een van zijn boeken gaf hij de titel ‘Atlantis’. Hij meende, na grondige studie van de dialogen van Plato en van geschriften van Egyptische farao’s, op het spoor te zijn gekomen van het verdwenen Atlantis en van de zogenaamd vluchtende ‘Noordmeer’volkeren . Zat Jürgen Spanuth toch op een goed spoor?  En  kunnen wij  binnenkort de naam  Doggerland schrappen en vervangen door ‘Atlantis aan de Noordzee’?

Tentoonstelling in Leiden

Doggerland is momenteel ook het onderwerp van een boeiende tentoonstelling in het Rijksmuseum van oudheden in Leiden. In een tijdreis van meer dan één miljoen jaar wordt getracht te tonen hoe deze prehistorische wereld leefde. Meer dan 200 mooie en interessante vondsten zijn er tentoongesteld, stuk voor stuk buitgemaakt langs de branding van Nederlandse stranden, door vissers bovengehaald, of naar aanleiding van onderwateropgravingen. Het gaat voornamelijk om vuistbijlen, fossielen van dieren, botten en kiezen van mammoets, versteende keutels van dieren. Luc Amkreutz, de conservator van de collectie Prehistorie bij het Rijskmuseum van Oudheden in Leiden, verwoordt het zo: ‘het gebied van Doggerland is een schatkamer voor geologen en paleontologen.’

Centraal in de Leidse tentoonstelling is het nagebootst gelaat van een Neanderthaler. Hij kreeg ook een naam: Krijn. Deze reconstructie kon worden gerealiseerd op basis van het gevonden bot van een wenkbrauw. Krijn wordt beschouwd als de oudst  ‘Nederlandse’ Neanderthaler die ergens in Doggerland, meer dan 50.000 jaar geleden, rondliep.

De tentoonstelling in het Rijksmuseum van oudheden te Leiden, opgevat als een familietentoonstelling,  blijft nog open tot 31 oktober 2021. Bij de tentoonstelling hoort ook een boek : ‘Doggerland. Verdwenen wereld in de Noordzee’.

Gepubliceerd

26.09.2021

Kernwoorden
Reacties

De oudste weg door de Lage Landen

Reizen van de Noordzee tot Keulen in de Romeinse tijd

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/de-oudste-weg-door-de-lage-landen/

De oudste weg door de Lage Landen is de Romeinse heerweg die loopt van de havenstad Bonen (Boulogne-sur-Mer) in de Franse Nederlanden via Tongeren tot de Rijnstad Keulen. Robert Nouwen, doctor in oude geschiedenis en specialist van de Romeinse periode, schreef hierover het boek De Romeinse heerbaan.

Alle wegen leiden naar Rome

De afstand Bonen-Keulen bedraagt ongeveer 400 kilometer. De Romeinse heerweg van Bonen naar Keulen maakte deel uit van een complex uitgerold wegennet van 120 000 kilometer dat Rome verbond met de verste uithoeken van het Romeinse Rijk.

De Romeinen waren wellicht de eersten die zo stelselmatig een wegennet uitbouwden dat Rome, de hoofdstad van het Rijk, met de belangrijke steden en regio’s verbond.

Het is fout te denken dat er vóór de Romeinen geen wegen bestonden. Landbouw- en handelswegen waren er al sinds de steentijd. De Romeinen maakten in het begin gebruik van het bestaand wegennetwerk van Morinen, Menapiërs en andere Keltische stammen. Ze zouden ze vervolgens niet alleen grondig verbeteren, maar met de tijd ook aanzienlijk uitbreiden. De auteur verwoordt het zo: ‘De Romeinen waren wellicht de eersten die zo stelselmatig een wegennet uitbouwden dat Rome, de hoofdstad van het Rijk, met de belangrijke steden en regio’s verbond.‘

Robert Nouwen overloopt de Romeinse bronnen en de bestaande literatuur over deze wegen. Hij bestudeert de zeldzame kaarten en de trajecten tussen Bonen en Keulen. Zo geeft hij ons interessante inzichten over de uitbreiding en de bouw van wegen en bruggen in de Romeinse tijd. De archeologische vondsten langs de heerweg tussen Bonen en Keulen geven nieuwe inzichten in de groei van de bewoning langs de wegen en in de steden. Ze geven ook inzichten in de noodzakelijke infrastructuur om deze wegen te onderhouden, te verdedigen en te gebruiken.

Een verdwijnend verleden

Terecht klaagt Nouwen de teloorgang in de negentiende en de twintigste eeuw van dit wegenpatrimonium aan. De chaotische ruimtelijke ordening in Vlaanderen, de vele verkavelingen en industriezones tonen weinig respect voor dit uitzonderlijk patrimonium. Tongeren gaat weliswaar terecht prat op haar Romeins verleden en pronkt met een prachtig Gallo-Romeins museum. Maar de stad zocht geen oplossing om de oude Romeinse weg naar Maastricht, de Heesterveldweg, maximaal in het landschap te behouden. Zo zijn er vele andere voorbeelden van hoe het niet moet. De auteur breekt terecht een lans om de resterende stukken van de heerwegen alsnog te valoriseren als historisch landschap. Ze zijn makkelijk te integreren in routes voor zinvol wandel- en fietstoerisme.

Enig minpuntje in dit voor het overige boeiend boekje: de auteur schrijft voornamelijk over Limburg, en is minder uitvoerig over de andere delen van het traject. Als Frans-Vlaming wil ik me op mijn beurt dan ook graag even focussen op deze heerweg op het grondgebied van de Franse Nederlanden, met de haven van Bonen aan de Noordzee, en op Kassel, als strategisch knooppunt van wegen.

Bonen / Portus Itius

De begin- of eindbestemming Bonen aan de Noordzee was strategisch met de nabijheid van Groot-Brittannië. In de buurt van Bonen lag ook de Romeinse haven Portus Itius. Caesar vermeldt die haven in -54 in zijn De Bello Gallico als de haven die hij voor zijn overtocht naar Groot-Brittannië gebruikte.

Over de locatie van Portus Itius werd lang gedebatteerd. Volgens Caesar bedroeg de afstand tussen Portus Itius en de Engelse kust 44 kilometer. Geweten is dat het zich bevond in de streek van Bonen en dat het oorspronkelijk een haven van de Morinen was. Van hieruit maakten de Romeinen zich klaar voor de invasie van Groot Brittannië. In een eerste expeditie in -55 was er sprake van 80 schepen en 10 200 manschappen. Een jaar later moest men een voor die tijd enorme vloot van 800 schepen en 25 000 manschappen verzamelen. De kans is dus groot dat het eerder ging om een baai of golf dan over een echte haven.

Door de jaren heen hebben onderzoekers vele namen genoemd. Zij noemden uiteraard verschillende locaties in Bonen zelf, maar ook Ambleteuse, Izeke (Isques), Kales (Calais), Witzand (Wissant) en Zandgate (Sangatte). Sint-Omaars en omgeving werd ook overwogen, omdat deze stad toen nog direct verbonden was met de zee via een brede golf.

Mysterie ontrafeld

Dr. Ghislain P. Beeuwsaert, een Vlaams amateur archeoloog en zeiler uit Hooglede, onderzocht een twintigtal jaar geleden nauwkeurig de vallei van het riviertje de Slack, op twaalf kilometer ten noorden van Bonen. Hij had goede redenen om te vermoeden dat de havenplaats Bazingem (Bazinghen) het antieke Portus Itius van de Romeinen kon zijn. De Slack is nu gekanaliseerd, maar in de tijd van de Romeinen vormde het een baai van 5 kilometer. De analyse van de sedimenten bevestigde dat de baai onder invloed van getijdenbewegingen stond en schepen met een diepgang van 1,5 meter toeliet. Enkel hier was er voldoende plaats voor het bouwen van 800 schepen in een veilige omgeving.

Het mysterie van Portus Itius werd hiermee definitief ontrafeld

Het legerkamp was volgens Caesar een mijl in het vierkant en ook dat stemt overeen met de locatie van Bazingem. En ten slotte: de afstand tussen Bazingem en Dover bedraagt 30 mijl of 44,3 kilometer. Laat dat precies de afstand zijn die Caesar meldde tussen Portus Itius en de kust van Brittannië. Het mysterie van Portus Itius werd hiermee definitief ontrafeld.

De wegen naar Kassel

In Frans-Vlaanderen leiden niet alle wegen eerst naar Rome maar wel naar de Kasselberg. Ook de oudste weg door de Lage Landen loopt eerst van Bonen naar Kassel. Reeds voor de Romeinen wisten de Menapiërs hoe strategisch belangrijk Kassel was om de hele streek te controleren. Kassel lag toen kort bij de zee.

Wil je een waaier van Romeinse heerwegen zien, klim dan even tot boven op de Kasselberg. De rechte sporen van zeven Romeinse heerwegen zijn nog zichtbaar en verdelen het landschap. Naast de heerweg vanuit Bonen (Boulogne-sur-Mer / Gesoriacum quo Nunc Bononia), zie je de heerwegen naar Terwaan (Thérouanne / Taruenna), Atrecht (Arras / Nemetacum), Doornik (Tournai / Turnacum), Wervik (Virouiaco) en Thiennes (Tienen / Teones). Eén heerweg leidde naar de exploitatie van de Menapische zoutpannen in het toen nabijgelegen kustgebied.

Wij zullen het Robert Nouwen niet kwalijk nemen dat zijn bijzondere aandacht gaat naar zijn Limburgse geboortestreek. Het boek De Romeinse heerbaan is beslist een aanrader en boeiende voorbereidende lectuur bij een wandeling of een fietstocht langs de oudste weg door de Lage Landen.

Gepubliceerd

25.09.2021

Kernwoorden
Reacties

Een geheim gehouden rapport van het Frans Ministerie van Onderwijs

Is het model van de Bretoense Diwanscholen tegen de Franse wet?

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-geheim-gehouden-rapport-van-het-frans-ministerie-van-onderwijs

De naam Diwan staat voor een merkwaardig onderwijsproject dat in 1977 in Bretagne het leven zag. Het woord ‘diwan’ betekent in het Bretoens ‘kiem’. Van de kleuterschool tot het middelbaar onderwijs wordt in de Diwanscholen uitsluitend onderwijs in het Bretoens gegeven. De Diwanscholen tellen meer dan 4000 leerlingen en zijn aanwezig in alle vijf de Bretoense departementen. Maar een geheim gehouden rapport van de Franse onderwijsinstanties gooit nu roet in het eten.

Geheim gehouden

De Bretoenen hadden zich het nieuwe schooljaar anders voorgesteld. Eerst kwam dit jaar de weigering van de Franse Constitutionele Raad om de wet op regionale talen integraal op te nemen. Nu blijkt ook een geheim gehouden rapport te bestaan dat het immersieonderwijs dat Diwan toepast als onwettelijk aanklaagt. Immersieonderwijs staat voor een onderwijsvorm die volledig in de te leren taal wordt gegeven.

Na onderzoek van een hoofdinspecteur van het Frans onderwijs werd een rapport opgemaakt

In een Diwanschool worden alle lessen in het Bretoens gegeven. Ook de communicatie, bij voorbeeld op de speelplaats of met de ouders, gebeurt in het Bretoens. Na onderzoek van een hoofdinspecteur van het Frans onderwijs werd een rapport opgemaakt. Maar dat rapport werd nooit aan de verantwoordelijken van de Diwanscholen bezorgd. Na veel vijven en zessen konden twee Bretoense volksvertegenwoordigers, Yannick Kerlogot en Chistophe Euzet het rapport onlangs inkijken.

Succesvol onderwijs

Eerst wil ik nog kwijt dat de Diwanscholen over een uitstekende reputatie beschikken volgens… vroegere rapporten van de Franse onderwijsinspectie. De gewezen verantwoordelijke van Diwan, Stéphanie Stoll, citeert uit vroegere evaluaties dat leerlingen van de Diwanscholen ‘succesvol zijn, zeer goed zijn opgeleid op basis van een algemeen aanvaarde methodiek, dat ze studeren in een gematigde sfeer (te verstaan als: “er wordt daar geen toekomstige Bretoense autonomist gekweekt”)’; en er is ook sprake van een ‘waardevol pedagogisch project’. De inspectie krijgt het niet over de lippen, maar de Diwanscholen scoren beter dan andere onderwijsinstellingen met klassiek Frans onderwijs in Bretagne.

president Macron kwam in hoogsteigen persoon op 21 juni 2018 naar Bretagne

In 2017 werd in Bretagne betoogd om meer hulppersoneel in te zetten voor de Diwanscholen. Klassieke Franse tactiek op maat van lastige Bretoenen: president Macron kwam in hoogsteigen persoon op 21 juni 2018 naar Bretagne om zijn recalcitrante onderdanen te paaien. Hij beloofde uiteraard een krachtdadig onderzoek en dito maatregelen. Over het resultaat van dat onderzoek dadelijk meer. Eerst wil ik de truc met de toverhoed van een Franse president even uitleggen: de burgers vragen om meer onderwijspersoneel, maar tegelijk wordt het onderwijs gevraagd posten te schrappen; de ambtenarij bereidt onvermurwbaar de schrapping voor; de Bretoenen blijven uiteraard protesteren; qu’à celà ne tienne, de President van de Republiek moeit zich en bevestigt royaal dat de geschrapte posten worden gehandhaafd. Opdracht volbracht: er komen uiteraard geen posten bij en dat was de enige ware bedoeling van de president-samaritaan.

Janusverhaal

Terug naar het onderzoek: ene Yves Bernabé, ‘inspecteur-generaal belast met de regionale talen’ onderzocht het reilen en zeilen van de Diwanscholen. Ik zocht even naar de bevoegdheden van de man in het Journal Officiel, het Franse staatsblad. Treffend is zijn competentiegebied tot in de overzeese gebieden toe. In de laatste jaren werd hij in zijn functie afzonderlijk benoemd voor de volgende talen, en ik citeer : het Tahitiaans, het Occitaans, het Creools, het Bretoens, het Baskisch, het Kanaaks, het Catalaans, het Corsicaans, het Hebreeuws, het Armeens, enz.

Het rapport dat tot voor kort niemand las

Gezien deze talenkennis niet te vatten is in één mensenbrein besluit ik dat in Frankrijk een inspecteur-generaal, bevoegd voor de regionale talen, deze talen niet moet kennen om het onderwijs ervan te kunnen beoordelen en adviseren. Deze man bezocht de Diwanscholen van de steden Rennes, Vannes en Quimper, sprak uitvoerig met leerlingen, leerkrachten, verantwoordelijken uit het verenigingsleven, enz. Volgens gewezen Diwandirectrice Stéphanie Stoll was hij vol lof voor de pedagogische aanpak. Vervolgens schreef Yves Bernabé een rapport over de scholen. Het rapport dat tot voor kort niemand las.

Onwettelijk?

Wat staat dan in zo’n rapport dat het licht niet mocht zien maar toch zo belangrijk was om te schrijven? Het eerste probleem met de Diwanaanpak is, aldus Bernabé, dat de kinderen eerst leren lezen in het Bretoens, vervolgens in het Frans en niet omgekeerd. Tweede pijnpunt: het immersieonderwijs kan wettelijk niet bestaan omdat in Frankrijk wetten bepalen dat de taal van het onderwijs uitsluitend het Frans is. De bestaande constructies waren dus toegestane uitzonderingen op de regel, en de inspectie wil voortaan alles volgens de letter van de wet. De wet voorziet alleen scholen die maximaal 50% in het Frans onderwijzen en 50% in het Bretoens.

De schooldirectie die in het Bretoens communiceert, of Bretoens op de speelplaats zijn dus uit den boze…

Deze formule is dan wel conform de Franse wet maar verliest al haar kracht. Vergelijking tussen scholen met immersieonderwijs in de Elzas en scholen die maar de helft van de opleidingen in het Duits geven bewijzen dat immersieonderwijs in een land als Frankrijk de enige kans is om van kinds af een taal echt te spreken. Verder herinnert dat rapport eraan dat een Franse school uitsluitend in het Frans dient te worden geleid. De schooldirectie die in het Bretoens communiceert, of Bretoens op de speelplaats zijn dus uit den boze…

Eén pot nat

Het rapport van Yves Bernabé dat de betrokkenen niet mochten lezen heeft een andere functie gekregen. Toen dit jaar de wet op de regionale talen werd gestemd nam de Franse Constitutionele Raad onder druk van het ministerie van onderwijs de wet volledig onder de loep. Niet toevallig werd deze wet verworpen omwille van het immersieonderwijs. Bij nader inzicht werd dit rapport over de Diwanscholen niet alleen door Yves Bernabé geschreven.

Het draagt ook de handtekening van Sonia Dubourg-Lavroff, een topambtenaar op het ministerie van onderwijs onder de toenmalige directeur generaal Jean-Michel Blanquer, nu Frans minister van onderwijs. En de genoemde Sonia Dubourg-Lavroff werd inmiddels benoemd tot lid van de… Constitutionele Raad die de wet op de regionale talen kelderde.

Het belooft eens te meer een heet najaar te worden in Bretagne…

Gepubliceerd

02.09.2021

Kernwoorden
Reacties

De moerassen bij Sint-Omaars

De ontdekking van Frans-Vlaanderen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-moerassen-bij-sint-omaars

Als laatste artikel in onze zomerse reeks ‘De ontdekking van Frans-Vlaanderen’ breng ik u naar het prachtige landschap van de moerassen van Sint-Omaars (Saint-Omer). Het wordt een verhaal over natuur, maar ook over cultuur en identiteit. Een leuke plaats om ons bezoek aan het waterland te beginnen is het natuurreservaat De Romelaere.

Natuurreservaat

De Romelaere bevindt zich op enkele kilometer van de stad Sint-Omaars, in het dorpje Nieuwerleet (Nieurlet), op korte afstand van de boerderij van de vroegere abdij van Klommeres (Clairmarais). Je komt er via de D209 en het natuurreservaat is plaatselijk goed aangeduid. Het bestaat uit een veenplassengebied, 108 ha groot, ontstaan door vervening. Je vindt er meer dan 250 plantensoorten, 200 vogelsoorten, en 17 vissoorten. Het reservaat is opengesteld voor bezoekers en wandelaars. Het domein is vlot toegankelijk voor groot en klein via verschillende makkelijke wandelpaden die soms de watergangen doorkruisen.

Waterlabyrint

De Romelaere is maar een deel van het grotere watergebied van de moerassen. De streek heeft iets van een geheimzinnig labyrint van honderden kilometers watergangen en wateringen. Het verschil tussen beide: de watergangen worden onderhouden door de plaatselijke tuinboeren, ‘Broekers’ of ‘Brouckaillers’ genoemd, en de wateringen door de overheid.  Het gebied werd vanaf de vroege middeleeuwen deels in cultuur gebracht door drooglegging van gronden voor de tuinbouw.  Het watergebied ligt verspreid over vijftien gemeenten, samen goed voor een oppervlakte van 35 km2. Het omvat 3.500 ha waterland, 700 km watergangen en wateringen, 1.050 ha natte weiden, 436 ha tuinbouwgronden, 171 ha rietvelden. De verschillende sectoren van het moeras dragen namen die verraden dat hier ooit onze taal werd gesproken: Doulac, Lek, Meer, Bisvaert, Liennevaert, Brouckhuys, enz.

Vlottende eilanden

De moerassen waren vroeger bekend door een bijzonder natuurverschijnsel: de vlottende eilanden, in de streek ‘vlotten’ genoemd. Deze drijvende eilandjes, tot 100 m2 groot, konden meerdere mensen of dieren dragen. Onder deze drijvende gronden was het water koeler en talloze vissen gedijden in een biotoop van wortels, riet- en waterplanten. Van september tot in mei namen de eigenaars hun eiland op sleeptouw. De rest van het jaar lieten ze de eilandjes drijven. Keizer Karel, Filips II, Filips-Willem, oudste zoon van Willem van Oranje, Juan van Oostenrijk, Lodewijk XIV… allemaal kwamen ze in hoogsteigen persoon naar hier om dit unieke natuurfenomeen te bewonderen. Wanneer de laatste vlotten zijn verdwenen is niet geweten. In 1835 werd er door het tijdschrift La France pittoresque nog een artikel aan gewijd.

Het rijk van de Broekers

De Broekers woonden voornamelijk in twee gemeenten: Hoge Brigge (Haut-Pont) en IJzel (Lyzel) — nu voorwijken van Sint-Omaars. Ze bewaakten de toegang en het moeras en bebouwden er de vruchtbare gronden die sinds mensgeheugenis in handen van dezelfde families bleven.

Het was altijd hard wroeten in het moeras, maar het resultaat mag er zijn: de gunstige omstandigheden laten toe driemaal per jaar te oogsten. Alle soorten teelten gedijen hier. Dé specialiteit is de wereldberoemde bloemkool, jaarlijks zeven miljoen stuks. Enkele kilometer verder is het dorpje Tilleke (Tilques) bekend om zijn wortelen.

Watergangen als wegen

Tot in de jaren 50 van de vorige eeuw waren straten in het moeras onbestaande. Men kon zich alleen door de 700 kilometer watergangen en wateringen verplaatsen. Het enige vervoermiddel voor mens, dier en oogst was de boot. Ze bestonden in vele maten en droegen namen die, zelfs in het Frans, Vlaams aandoen. De traditionele platte boten van de streek noemen ze een ‘escute’ (schuit) en een ‘bacôve’ (bakkogge). Ze worden nog steeds plaatselijk vervaardigd. Andere maten zijn de ‘yckinghen’ of ‘halve yckinghen’. Een Broeker op zijn ycking heet in het Frans van het moeras een ‘yckenaire’. Nog grotere vaartuigen noemt men ‘bercoghe’ en ‘bélandre’ (bijlander). Om zijn schuit vooruit te duwen gebruikt de boteman een lange stok, ‘drome’ of ‘dromme’ genoemd,  of een ‘ruie’, een roeispaan. Tot hier een snelcursus Frans-Vlaams in de taal van de Broekers.

Een solidaire gemeenschap

In het begin van de twintigste eeuw kon je nog het Vlaams van de streek horen spreken op de wekelijkse markt van Sint-Omaars. Dat was de taal van Broekers die er hun groenten kwamen verkopen. Niet alleen spraken ze een andere taal dan de verfranste omgeving, ze hadden ook eigen gewoonten en tradities. De Broekers van Hoge Brigge en IJzel vormden een zelfvoorzienende, solidaire gemeenschap. Men noteerde er de laagste criminaliteit van de hele regio. Er werden geen scheidingen geplaatst tussen de eigendommen. De weduwe van een overleden Broeker kon rekenen op de solidariteit van de hele gemeenschap. Opvallend ook: eigendommen werden nooit buiten de gemeenschap verkocht. Bij de Broekers geen pottenkijkers!

De Broekers en de Franse Revolutie

Over onze 3.000 Broekers werd in Frankrijk ooit duchtig gesproken. In de periode van de Franse Revolutie werden ze argwanend in de gaten gehouden en overvloedig bestudeerd. Ze werden bestempeld als een vijandig volk met een eigen taal en eigenzinnige tradities dat uit de feodaliteit moest worden ‘geholpen’. In de revolutionaire literatuur staan ze bekend als een heus volk, het zogenoemde Peuple hautponnais (van Haut-Pont = Hoge Brigge). Hun klederdrachten deden de Jakobijnen vermoeden dat het ging om afstammelingen van de…Galliërs. Oordeel zelf: de mannen met hoge muts, korte jas tot aan de lenden dichtgeknoopt met zilveren knopen en een brede broek; de vrouwen met gouden oorhangers en halssnoer met kruis, een grove strohoed met neerhangende muts, een bruin lijfje en een jurk uit grove blauwe stof.

Het oude Sithiu

Waren de Broekers van het moeras van Sint-Omaars de laatste afstammelingen van een ‘ander’ volk? De drooglegging van gronden van het moeras was het werk van de plaatselijke Sint-Bertijnsabdij, opgericht in de zevende eeuw. De abdij staat ook aan de oorsprong van Sithiu, het latere Sint-Omaars. Men weet dat Karel de Grote Saksische families die zich niet wilden bekeren tot het christendom, naar andere regio’s van het rijk had gedeporteerd. Ooit bezocht hij de abdij van Sint-Omaars. Een mogelijkheid is dat de eerste droogleggers van het moeras Saksen waren, in opdracht van de abdij. De bijnamen ‘Sassen’ of  ‘Sarrazijn’, die de inwoners van omliggende dorpen geven aan de mensen van het moeras, is mogelijk gelinkt aan deze heidense Saksen.

Voor wie een uitstap wil doen naar de moerassen van Sint-Omaars is een combinatie met een bezoek aan de historische stad een aanrader. Geen beter oord om natuur en cultuur te combineren tijdens een weekend Frans-Vlaanderen.

Gepubliceerd

28.08.2021

Kernwoorden
Reacties

Een gedenkzuil op de Kasselberg

De ontdekking van Frans-Vlaanderen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-gedenkzuil-op-de-kasselberg

Op het hoogste punt van Frans-Vlaanderen, in Kassel, kan je rustig genieten van een plaatselijk Anosteké- bier op de Markt of lopen tot Kassel-boven om van het weidse zicht te genieten. Richtingspijlen wijzen naar vele Europese steden. Dichterbij ontwaar je de acht oude Romeinse heerwegen die het landschap indelen. Je ziet de kustlijn, de laatste steenbergen van de oude koolmijnen, en het heuvellandschap van Artesië. Van de vele windmolens op oude postkaarten is er welgeteld één overgebleven.

Fransen lopen ook de berg op om het standbeeld van Foch op zijn paard te begroeten, maar de maarschalk heeft wat van zijn patriottisch aura verloren. Toch zijn we tot hier gekomen om over geschiedenis te spreken, de Vlaamse dan. Afspraak bij dat ander monument dat schoonheid en tragiek van duizend jaar strijd in deze streek samenvat.

Drie veldslagen

Dit monument op Kassel-boven heeft de vorm van een obelisk. Het herdenkt de drie bekende veldslagen bij Kassel. We schrijven 1071, 1328 en 1677. Data als symbolen van een niet aflatende strijd tegen de Franse koningen. Het initiatief voor dit monument werd in 1873 genomen door P. J. F. De Smytttere, geneesheer en historicus, dezelfde die enkele jaren eerder het monument van de slag aan de Peene oprichtte om de inlijving van de streek bij Frankrijk in 1677 te gedenken. Initiatieven die niet zonder kritiek bleven.

Deze gedenktekens zijn niet als een monument van de overwinning bedoeld , maar als een eenvoudige steen van herinnering.

De directeur van het college van Hazebroek, priester Dehaene (1809-1882) stelde toen in de pers de vraag: ‘Moeten wij onze voorouders vergeten? Zouden deze niet terecht verbaasd zijn als ze ons zouden zien dansen op hun beenderen bij het bezingen van hun schaamte?’ De Smyttere trachtte zich te verantwoorden : ‘Deze gedenktekens zijn niet als een monument van de overwinning bedoeld , maar als een eenvoudige steen van herinnering.’ En ook: ‘ Het gaat er niet om de overwonnenen te vernederen, want ze waren dikwijls dapperder dan de overwinnaars’. Met het vak geschiedenis begeeft men zich op glad ijs als men niet in de pas loopt van het eeuwige Frankrijk.

De naam van de verliezer

De eerste melding op het monument refereert naar de eerste slag bij Kassel, in Bavikhove, op 20 februari 1071. De aanzet was een familieruzie om de erfenis van het graafschap Vlaanderen. Robrecht, broer van de graaf van Vlaanderen, betwist de ambities van zijn neef Arnulf III die kan rekenen op de steun van de Franse koning. Tijdens het gevecht wordt Arnulf door eigen manschappen omgebracht en zo wordt Robrecht graaf van Vlaanderen. Dankbaar voor deze grote overwinning laat Robrecht in 1072-1073, hier op Kassel-boven, de Sint Pieter stiftkerk bouwen, inmiddels afgebroken. Hij zal er later worden begraven in de crypte die men nog kan zien tussen resterende funderingen.

Op het monument zelf staat enkel een tekst in het Frans die Robrecht als de overwinnaar aanwees.

Het graf van Robrecht de Fries werd later geschonden door Franse revolutionairen, zijn grafsteen stukgeslagen, en zijn stoffelijke resten meegesleurd tot op de Grote Markt en in de goot geworpen. Een stuk van de grafsteen werd lang in het stadhuis bewaard, maar verdween met de bombardementen van 1940. In de 19e eeuw liet men in Brussel een afgietsel van deze steen maken, maar ook deze is nu spoorloos. Op het monument zelf staat enkel een tekst in het Frans die Robrecht als de overwinnaar aanwees. De Frans-Vlaanderenkenner Cyriel Moeyaert merkte fijntjes op dat men vergat te melden dat het hier vooral ging om de vaststelling dat de grote verliezer van de eerste slag bij Kassel de Franse koning Filips I was.

Een vraagteken in de steen gebeiteld

Tweede veldslag op het monument : 23 augustus 1328. De Franse koning Filips van Valois wordt als overwinnaar vermeld, maar, merkwaardig genoeg, gevolgd door een vraagteken (‘Philippe de Valois vainqueur?’). Deze slag is in Vlaanderen bekend als de opstand van Nicolaas Zannekin en van zijn ‘Kerels’ in het verzet tegen het Franse despotisme en voor de eerste vrijheden in het Kustland. Tijdens de gevechten verloren meer dan 3.200 Vlamingen, waaronder Zannekin, het leven.

Geweten is dat de slag aanvankelijk in het voordeel van de Vlamingen verliep.

In Frans-Vlaanderen werd ooit geloofd dat het vraagteken op het monument later was aangebracht. Een ontwerpschets van het monument bewijst evenwel dat het vraagteken origineel is. Wat hiermee bedoeld werd, blijft een raadsel. Was de overwinning van de Franse koning dan een Pyrrhusoverwinning in de ogen van de initiatiefnemers? Of een teken van verzet? Geweten is dat de slag aanvankelijk in het voordeel van de Vlamingen verliep. De situatie was een tijdje onbeslist voor men met zekerheid kon spreken van een grafelijke, en dus Franse overwinning.

Hoe dan ook, de repressie die volgde was genadeloos. Opstandelingen werden opgejaagd en afgemaakt, hun familie lastig gevallen, hun bezittingen verbeurd verklaard. De gevangengenomen Willem de Deken, burgemeester van Brugge, werd na folteringen door de straten van Parijs gesleept en omgebracht. Wraak van de geschiedenis : Zannekin bleef voor altijd een volksheld, maar niemand herinnert zich nog de naam van de overwinnaar.

De prijs van de liefde?

De derde slag op het monument, de slag van de Pene, had plaats op 11 april 1677. De slag was beslissend voor de aanhechting van dit stuk Vlaanderen bij Frankrijk. In het boek 1677 –  De Slag van de Pene* schrijven de auteurs dat de oprichters van het monument het hebben over een ‘terugkeer naar Frankrijk’. Op het monument dat ze enkele jaren eerder hadden opgericht in het nabijgelegen Zuidpene ging het niet over de ‘terugkeer’, maar over de ‘aanhechting’ bij Frankrijk. Dr. Desmyttere was duidelijk van mening veranderd. In zijn speech bij de inauguratie van de obelisk van Kassel voegde hij er aan toe dat voor dit monument ‘de prijs van de liefde voor het dierbaar vaderland werd betaald’.

Na de slag stonden alle omliggende dorpen in vuur en vlam : de streek was totaal verwoest.

En of de prijs voor het nieuw vaderland hoog was: onze voorouders woonden toen in de Zuidelijke of Spaanse Nederlanden. Voor hen was de vijand Frans en het bevriende leger de Spaans-Nederlandse coalitie onder bevel van Willem III. De aanwezigheid van 60.000 manschappen op het terrein betekende het leegplunderen van alle huizen op zoek naar proviand en de slachting van de volledige veestapel. Inwoners getuigden dat ‘hen niets overblijft, dat de meeste mensen zijn gevlucht en wie gebleven is nu dood of ziek is’. Na de slag stonden alle omliggende dorpen in vuur en vlam : de streek was totaal verwoest.

‘De prijs voor de liefde’ werd inderdaad meermaals door de bevolking duur betaald. Of deze liefde wederkerig was in het nieuw vaderland kan ieder, na dit verhaal van de drie slagen bij Kassel, zelf beoordelen.

*1677. De Slag van de Pene, uitgegeven door het museum ‘het Huis van de Slag van de Pene’, onder redactie van Dominique Hemery, Kristof Papin, e. a. Noordpene, 2017. Te koop in het museum in Noordpene.

Gepubliceerd

22.08.2021

Kernwoorden
Reacties

Drie Maagden kwamen uit Engeland…

De ontdekking van Frans-Vlaanderen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/drie-maagden-kwamen-uit-engeland

Vandaag neem ik u mee naar een bijzondere plaats van herinnering: de Kapel van de Drie Maagden van Kaaster. De kapel staat in het centrum van het dorpje Kaaster (Caestre), gelegen tussen Duinkerke en Rijsel, op de oude heerbaan die van Belle (Bailleul) naar Kassel loopt, in vogelvlucht nog geen tien kilometer van de huidige Belgisch-Franse grens.

Het is een gebouw ontstaan uit een oude legende die haar heidense oorsprong moeilijk verbergt, en in vroeger eeuwen dezelfde aantrekkingskracht bezat als Scherpenheuvel.

Oudste kapel uit de streek

Het moet zijn dat de kapel iets bijzonders betekent voor de mensen hier want grote bloempotten versieren de ingang. De kapel, een van de oudste in Vlaanderen, was belangrijk genoeg om te worden vermeld op alle kaarten vanaf de zestiende eeuw. De toren in gele baksteen contrasteert met de rest van het gebouw. Ze stamt uit de negentiende eeuw en vervangt een bouwvallige voorganger uit de dertiende eeuw.

Het middenstuk, het oudste deel van het gebouw, toont nog Romaanse invloeden en dateert uit de vijftiende eeuw. Een vuurslag in bakstenen, symbool van de Bourgondiërs, gemetseld in een muur, bevestigt dit. Maar de cultusplaats is veel ouder. Enkele ijzerzandstenen in de onderbouw zijn sporen van een vroegere constructie. Achteraan is het hoger opgetrokken koor een latere uitbreiding.

Drie gezusters uit Engeland…

In de kapel van Kaaster hangt een bijzondere sfeer. ‘Je moet niet gelovig zijn om dat te beamen,’ zei me onlangs nog een inwoonster uit het dorpje. Binnen vallen vooral de schilderijen op die de legende van de Drie Maagden uitbeelden.

een mooi voorbeeld van zinvol Vlaams engagement

Deze zes schilderijen werden vijfentwintig jaar geleden gerestaureerd op initiatief van de werkgroep de Nederlanden. Twee ervan werden onderhanden genomen door de Koninklijke Academie van Schone kunsten in Gent. De vier overige zijn reconstructies uitgevoerd door de Gentse schilder-restaurateur Bart Verbeke; een mooi voorbeeld van zinvol Vlaams engagement.

De teksten die bij de schilderijen horen vertellen in keurig Nederlands de christelijke legende waar de kapel haar naam aan ontleent. Drie gezusters, afkomstig uit het koninkrijk Mercia in Engeland, waren onderweg naar Rome. Ze werden in de bossen van Kaaster vermoord door huurmoordenaars. Een blinde ridder uit de omgeving, na een verschijning van Onze-Lieve-Vrouw en door vogels begeleid, kwam ter plaatse, wreef zijn ogen met het bloed van de drie zusters, en kreeg zijn zicht terug. Uit dankbaarheid besloot hij een kapel te bouwen.

Zoek de witte vloer op

Een beetje onopvallend, in het middelste gedeelte van de kapel, zie je in de donkere vloer een in witte vloertegels uitgespaarde plek. Volgens de overlevering werden daar de drie zusters vermoord en begraven.

Het valt op dat op de glasramen en schilderijen na, weinig wordt gedaan om de aandacht te vestigen op de Drie Maagden. Integendeel: centraal boven het altaar staat een beeld van Onze-Lieve-Vrouw, en helemaal onderaan, onder het altaar dus, worden de drie zusters afgebeeld.

Vreemd, want in alle documenten wordt het gebouw als de Kapel van de Drie Maagden aangeduid, en niet zoals vandaag in het Frans, Kapel van Onze-Lieve-Vrouw. Men weet ook uit vroege bronnen dat het altaar voor Onze-Lieve-Vrouw oorspronkelijk kleiner was en ondergeschikt aan de cultus van de Drie Maagden.

Van heidendom naar christendom

We hebben hier te maken met een aloude, voorchristelijke cultus die eerst in de Karolingische tijd, en nadien stap voor stap, werd gekerstend. De moord op de drie zusters zou hebben plaatsgevonden op acht december 819, ofwel vijf jaar na het overlijden van Karel de Grote.

Zo ging een heidense cultus, met een duwtje van de contrareformatie, over in een traditionele, christelijke traditie.

Maar deze datum is enkel te verstaan als het tijdstip van de definitieve kerstening van de site, met de bouw van een eerste kapel, het symbolisch begraven van de heidense maagden, en de verschijning van Onze-Lieve-Vrouw in het verhaal. De tijd deed de rest, geholpen door vele historici die het eerste leven op aarde laten beginnen met de kerstening. Zo ging een heidense cultus, met een duwtje van de contrareformatie, over in een traditionele, christelijke traditie.

Keltisch-Germaanse schikgodinnen

De traditie van drie gezusters komt nochtans in allerlei vormen veelvuldig voor in de Nederlanden en Duitsland. Ze noemen in alle talen ‘Drei Jungfrauen,’ ‘Trois Maries’ en ‘Drie Maagden of Gezusters’. Enkele voorbeelden: in Limburg, heb je de drie gezusters van Brustem, Rijkel en Zepperen, van Herkenrode, of van Hakendover. Dicht bij Kaaster, in de West-Vlaamse bergen, loopt het paardje Malegijs tussen Ieper en de Kemmelberg met op zijn rug Drie jonkvrouwen.

De drie gezusters zijn verwant met de drie nornen uit de Keltisch-Germaanse traditie, en met de Romeinse Parcae en de Moirae van het Griekse Pantheon, zogenaamde schikgodinnen die verleden, heden en toekomst, en dus het lot van mensen en goden bepalen.

Een heiligdom in openlucht?

In de negentiende eeuw werd onderzoek gedaan naar de plaats waar de drie maagden zouden zijn vermoord. De opgravingen gebeurden nogal amateuristisch. Men maakte toen melding van enkele vondsten: een mes of wapen, gebeente van gevogelte en van een soort gebak dat leek op een anijskoek.

De plaats of put werd niet verder onderzocht of gemeten. Wellicht gaat het hier niet om een graf maar om een offerschacht waar resten van dieren en voorwerpen aan de goden werden geofferd. Een offerschacht had de functie van een doorgeefluik naar de krachten van de onderwereld.

De oorsprong van het dorp

Ook nooit onderzocht maar zeer opvallend: de vier centrale straten van Kaaster die leiden naar de kapel vormen een trapezium waarvan de afmetingen overeenkomen met wat men in de Germaanse landen een ‘Vierheckeschanz’ of openluchtheiligdom noemt.

Alles wijst erop dat we hier te maken hebben met sporen van een boeiende voorhistorische site die spijtig genoeg nooit ernstig is onderzocht.

Algemeen wordt aangenomen dat de naam Kaaster terugslaat op een Romeins castrum of militair kamp om de heerbaan te bewaken. De vraag blijft of, voorafgaand aan de aanwezigheid van Romeinse soldaten, de oorsprong van het dorp niet te zoeken is in een aloude heidense cultusweide van Keltische stammen die in het naburige Heuvelland versterkingen bezaten. Alles wijst erop dat we hier te maken hebben met sporen van een boeiende voorhistorische site die spijtig genoeg nooit ernstig is onderzocht.

Een volgend artikel brengt ons bij een bijzonder monument op de nabijgelegen Kasselberg.

Gepubliceerd

15.08.2021

Kernwoorden
Reacties

Langs de aloude Vlaamse grens

De ontdekking van Frans-Vlaanderen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/langs-de-aloude-vlaamse-grens

Voor sommige Vlamingen is Frans-Vlaanderen een gebied dat je snel voorbijrijdt op weg naar het zuiden. Maar wie de rustige schoonheid van de streek heeft ontdekt weet wel beter. Het is een gezellig oord voor een leuk weekeinde of een korte vakantie, op zoek naar sporen van onze geschiedenis en identiteit. Daarom brengt Doorbraak tijdens deze zomerdagen een andere kijk op  bekende en minder bekende plaatsen in Frans-Vlaanderen. Vandaag nemen wij u mee langs de aloude grens tussen Vlaanderen en Artesië (Hauts de France).

Waten aan de A

We spreken af in het stadje Waten, pal op de historische grens tussen het graafschap Vlaanderen en Artesië. Waten is niet te verwarren met het West-Vlaamse  grensdorp Watou op de schreve.  Je bereikt het stadje best via Ieper, Steenvoorde en Kassel. De naam Waten betekent doorwaadbare plaats. De aloude Romeinse heerweg van Kassel naar Bonen liep via dit wad.

Niet te verwonderen dat Albrecht Rodenbach bij dit grootse uitzicht vanuit de Watenberg inspiratie vond voor zijn Gudrun

Waten aan de A ligt in een van de mooiste landschappen van de zuidelijkste Lage Landen. Om dit machtig landschap te aanschouwen beginnen we onze verkenning op de Watenberg (Waten-boven), een heuvel boven het stadje, de laatste van de Vlaamse bergen. Niet te verwonderen dat Albrecht Rodenbach bij dit grootse uitzicht vanuit de Watenberg inspiratie vond voor zijn Gudrun.

Het stadje ligt een beetje verborgen aan de voet van de heuvel waar ook de rivieren de A, de Kolme en de Holne (Houle) vloeien. Een andere waterloop, het Monsterleet, vormt met de oude Kolme, nu  Broekburgse vaart, de twee takken waarlangs de oude A in vroegere tijden de zee bereikte. Dat staat al beschreven in een keure van Filips van de Elzas uit 1172. Aan de overkant van de A beginnen de Artesische heuvels met de prachtig beboste Sperlekeberg.

Blootland en Houtland

Hier op de Watenberg  ontdek je het  contrast tussen de twee landschappen: het Blootland, eindeloos vlak tot aan de zee, en het Houtland, een glooiend landschap, vroeger  met veel  bosjes en hagen. Tot de 7e eeuw bedekte de zee het hele Blootland. De kust liep tegen de Artesische heuvels langs Giezene (Guînes) en Aarde (Ardres) tot aan Sint-Omaars die het einde van een baai vormde.

Vandaar liep de kustlijn terug langs Oudemunster (Saint-Mommelin). Om dicht bij Waten door een smalle geul te lopen en dan naar Sint-Winoksbergen, en verder langs Diksmuide richting Nieuwpoort. Dit verklaart waarom de Vikingen in  de 9de eeuw, op hun drakars, zo diep in het land konden binnendringen om de abdij van Sint-Omaars te plunderen. Waarna ze dan,  via Leie  en Schelde, Gent en Antwerpen konden bereiken.

Abdij en molen

Op Waten-boven zie je nog de ruïnes van de toren van de ooit befaamde abdij van Waten. Graaf Dirk van de Elzas, die in 1168 bij Grevelingen sneuvelde, verkoos deze abdij voor zijn laatste, eeuwige rustplaats. Ook Erasmus kwam ooit tot in Waten om er de rijke abdijbibliotheek te raadplegen. De molen aan de andere kant van de straat, gebouwd in 1731 op een laatste bult van de heuvelrug, werd enkele jaren geleden prachtig gerestaureerd en is nu beschermd. Hij is achthoekig, van het stenen, Artesische type, uniek voor de Westhoek.

Aan de overzijde van de A, op de flank van de Sperlekeberg, midden in het bos, ontwaar je een bunker die de grootste van de wereld zou zijn, zegt men. Hij is opgetrokken door de Duitsers om er V2’s te bouwen en te lanceren richting Engeland.

In het dal domineert de toren van de Sint-Gilliskerk het stadje. De eerste melding van deze kerk dateert van 1336, maar een eerste parochiekerk stond er al een eeuw eerder, in 1228. Rechts van de ingang kun je een Vlaams opschrift zien, deels uitgewist. Je ontcijfert alleen nog: ‘in ’t jaer ons heeren m….’. Op het plaatselijke kerkhof bevindt zich het graf van  Jean-Marie Gantois (1904-1968), bekend voorman van de Vlaamse Beweging in Frankrijk, in Waten geboren en er ook overleden.

Verdedigingsgracht tegen de Fransen

De A werd in de 19de eeuw gekanaliseerd en dat heeft het waterlandschap van weleer drastisch gewijzigd. Daardoor vloet ze ter hoogte van Waten nu westwaarts, achter de huizen. De A met de Leie 15 km verder, vormden in de middeleeuwen een natuurlijke hindernis tegen de vijand komend uit het zuiden. Tussen beide rivieren lag een moeilijk verdedigbare open ruimte, zeg maar een zwakke plek waar vijandelijke troepen makkelijk konden doordringen.

“Den nieuwen dyck tegen de Franschen”

Op de befaamde kaart van Mercator uit 1540, waarvan het unieke exemplaar in het Antwerpse  Plantin-Moretusmuseum wordt bewaard, ziet men, precies  op deze zwakke plek, een gracht die A en Leie verbond. Op de kaart wordt, zeer expliciet, de naam  “Den nieuwen dyck tegen de Franschen” vermeld zodat niemand er aan kon twijfelen dat de vijand van toen  Frans was.  “Dyck”, het West-Vlaamse woord voor sloot of gracht, is nog terug te vinden in de Franse benaming ‘Canal de Neufossé’, het kanaal dat de plaats nam van de nieuwe dijk.

De Nieuwen Dyck en de taalgrens

Deze Nieuwen dyck werd in 1047 in de tijd van Boudewijn V gegraven. De Brugse historicus  Kervyn de Lettenhove vertelt dat het graven van de negen mijlen lange gracht in amper drie dagen en drie nachten werd uitgevoerd. Hiervoor werden soldaten in 24 werven ingezet die naar elkaar toewerkten. Het was voor zijn tijd een omvangrijk militair verdedigingswerk versterkt door een wal met palissaden en kleine forten, in de streek blok(h)usen genoemd. De enige  doorgang, de Haeskensbrugge, werd  verdedigd door het kasteel van Ruischeure, (Renescure),  dat aldus Sanderus ‘de wacht optrok tegen Frankrijk’. Vandaag dienen de overblijfselen van dat kasteel als gemeentehuis van Ruischeure.

In zijn boek “De graven van Vlaanderen” *merkt Edward De  Maesschalk terecht op dat de Nieuwen dyck tegen de Franschen op de duur ook de taalgrens werd tussen het Dietse noorden en het Picardische zuiden’. Dat klopte tot in de twintigste eeuw. Inmiddels is ook deze situatie achterhaald en de streek grotendeels verfranst.

In een volgend artikel breng ik u naar een volgende bijzondere plaats van herinnering in het dorpje Kaaster.

*De graven van Vlaanderen, Edward De Maesschalk 861-1384,  Davidsfonds, 2012

Gepubliceerd

01.08.2021

Kernwoorden
Reacties

Een vergeten politiek filosoof: Johannes Althusius

‘Tegen een tirannieke overheid heeft het volk een recht op verzet’

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-vergeten-politiek-filosoof-johannes-althusius

In mijn jeugd had ik als Frans-Vlaming één doel dat in Frankrijk niet haalbaar was: ik zou kost wat kost Nederlands leren. Ik droomde om te voet, per fiets of per autostop de kust te bewandelen van Duinkerke tot in Oost-Friesland, de Noordzee volgend en al reizend een taalbad te nemen. Bij wijze van voorbereiding bestudeerde ik uitvoerig alle gemeenten en steden in de kuststreek. Zo leerde ik de stad Emden kennen, met haar 50.000 inwoners de grootste stad van Oost-Friesland, en de meest westelijke haven van Duitsland.

De geschiedenis van Emden kleurde ook Nederlands. Ze vertelde over de vele protestantse vluchtelingen die er ooit een veilige schuilplaats vonden, en over het leven en de ideeën van de Nederduitse calvinistische rechtsgeleerde Johannes Althusius (1557-1638) die aldaar als Ratssyndicus actief was.

Johannes Althusius

Johannes Althusius werd geboren in het Westfaalse Diedenshausen in 1557, in de nabijheid van het calvinistische graafschap Nassau. De jonge Althusius studeerde rechten, filosofie en theologie aan de universiteiten van Keulen, Parijs, Bazel en Genève. In 1597 werd hij tot rector benoemd van de Nassause academie Herborn, in 1584 opgericht op aandringen van Willem van Oranje.

Het laten openbloeien van een harmonisch sociaal leven, dat hij symbiose noemde, stelde hij tot doel van de politieke wetenschap

In 1603 schreef Althusius zijn belangrijkste werk Politica methodice digesta, atque exemplis sacris et profanis illustrata wat staat voor ‘de politiek methodisch ontleed en verlucht met heilige en wereldse voorbeelden’. Hiermee vestigde hij definitief zijn naam als politiek filosoof. Tegen de katholieke en Romeinse traditie in, die politiek als een systeem van machtsuitbreiding, ordehandhaving en consolidatie van de hiërarchie ziet, omschreef Althusius de politiek als ‘de kunst van het grondvesten, cultiveren, en van de noodzakelijke, essentiële en homogene voorwaarden van het sociale leven’. Het laten openbloeien van een harmonisch sociaal leven, dat hij symbiose noemde, stelde hij tot doel van de politieke wetenschap én van het praktische politieke handelen.

Volkssoevereiniteit en subsidiariteitsprincipe

De kwaliteiten van de methode van Johannes Althusius en de, voor zijn tijd volkomen nieuwe aanpak, werden meteen door de Europese geletterden erkend. Het uitgangspunt van Althusius was niet het oude homo homini lupus, (de mens is een wolf voor andere mensen), en het ‘rationele’ eigenbelang, maar de oorspronkelijke bereidheid van de mensen om levensvoorwaarden te delen en af te spreken met elkaar in een consociato, een levensgemeenschap. Althusius bouwde zijn staatsleer van onderen op. Consequent legde hij de hoogste macht in de Staat bij het volk (volkssoevereiniteit), waaruit de burgerlijke vrijheden en de godsdienstvrijheid volgen. De politieke bestuurders oefenden slechts een gedelegeerde macht uit. Het absolutisme van de koning was uit den boze.

Tegen een tirannieke overheid heeft het volk een recht op verzet.

Precies deze gedachtegang werd ook verdedigd door Willem van Oranje en het is daarop dat Althusius heeft voortgebouwd. Tot op heden wordt zijn Politica dan ook beschouwd als het meest uitvoerige en stelselmatige verweerschrift van de Nederlandse opstand: de macht van de koning en andere gezagsdragers is geen ‘goddelijke’ maar door het volk gedelegeerde macht. Tegen een tirannieke overheid heeft het volk een recht op verzet.

In zijn werk maakte Althusius opvallend veelvuldig gebruik van het woord ‘subsidiariteit’: de staat moet zich enkel bezig houden met de taken die de collectiviteiten op een lagere niveau niet kunnen vervullen of oplossen.

Jean Bodin

Met zijn belangrijkste werk ging Johannes Althusius in tegen het soevereiniteitsbegrip geformuleerd door de Fransman Jean Bodin (1530-1596) in 1576. Bodin, die voor het begrip soevereiniteit het Latijns woord majestas gebruikt, stond voor een sterk gezag en ondeelbare macht. Voor hem verpersoonlijkt de koning de absolute macht. De soevereiniteit is de absolute en eeuwige kracht van een staat. De koning dient alleen rekenschap te geven aan God waarvan hij de ‘politieke’ vertegenwoordiger op aarde is, aldus Jean Bodin. Het opent de deur voor het gecentraliseerd concept van de staat gepersonifieerd door de koning. De Franse koning Lodewijk XIV zal dit in zijn tijd als volgt uitdrukken : ‘De Franse natie wordt enkel en volledig door de persoon van de koning vertegenwoordigd’.

De koning werd een beetje later in Frankrijk onthoofd, maar het absolutisme van de staat bleef in een nieuw kleedje springlevend.

De schrijver Alain de Benoist, die het werk van Johannes Althusius in Frankrijk opnieuw in de aandacht bracht, merkt terecht op dat ‘het concept van Bodin niet enkel het absolutisme van het koningschap heeft gedefinieerd. Men vindt het in grote lijnen ook terug in het jakobijns nationalisme’. En voor het jacobinisme voegt hij er nog aan toe: ‘Het gaat over dezelfde onbeperkte soevereiniteit die aan de machthebbers dezelfde rechten van despoten geven.’ De koning werd een beetje later in Frankrijk onthoofd, maar het absolutisme van de staat bleef in een nieuw kleedje springlevend.

Althusius en Emden

Johannes Althusius kreeg tijdens zijn leven de unieke kans om zijn ideeën in de praktijk te brengen met het besturen van de havenstad Emden, een calvinistisch bastion, ook bekend als het Genève van het Noorden. In 1604 werd hij gevraagd en gekozen tot gemeentelijke syndicus (Ratssyndikus).

De stad Emden bood toen onderdak aan de velen die uit de Nederlanden waren gevlucht omwille van hun geloof. Emden genoot een bijzondere vorm van autonomie aan de grens tussen de Verenigde Provincies en Duitsland. Het zou eeuwenlang deze bijzondere status verdedigen, onder bescherming van Oranje.

Hij slaagde er in van Emden een autonoom Nederlands bastion in vijandelijk gebied te maken

Althusius was een bewonderaar van de opstand van Willem van Oranje tegen Spanje. Hij paste in de stad Emden de principes toe van wat wij vandaag zelfbeschikkingsrecht en zelfbestuur noemen. Hij slaagde er in van Emden een autonoom Nederlands bastion in vijandelijk gebied te maken, onder bescherming van Oranje. Johann Althaus, met zijn Duitse naam, zou als zeer gewaardeerde Ratssyndicus tot aan zijn dood actief blijven. Hij overleed in Emden, 81 jaar oud, op 12 augustus 1638.

Blijvende waarde

De publicaties van Althusius hebben een blijvende waarde als grondslag van het federalisme en als een coherent Europees rechtssysteem dat niet schatplichtig is aan het Romeinse of kerkelijke recht. Zijn werk blijft vruchtbaar om na te denken over autonomie, het subsidiariteitsprincipe, het verzetsrecht, de rol van maatschappelijke organisaties, de democratie en fundamentele rechtsbeginselen. Het wordt tijd dat het bijzonder leven en de ideeën van de grote politieke denker Johannes Althusius in Vlaanderen een betere plaats krijgen.

Gepubliceerd

30.07.2021

Kernwoorden
Reacties

De Blanckaerts

De familiesaga van een aloude Vlaamse stam

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-blanckaerts

Als je in Frans-Vlaanderen passeert moet je beslist het dorpje Zegerskapel, gelegen op luttele kilometers van het bekende kasteel van Ekelsbeke, bezoeken. Daar heeft de vereniging Euvo het graf van de familie Blanckaert gerestaureerd. Aan de voet van het grafmonument, op een opvallende ligsteen, zie je de Vlaamse leeuw met de tekst ‘Hier rust een Vlaming’. Euvo staat voor de vereniging die, onder leiding van haar onvermoeibare voorzitter Karel Appelmans, inmiddels duizenden Nederlandstalige opschriften in Frans-Vlaanderen heeft geplaatst of gerestaureerd.

Hendrik Blanckaert

Hier rusten meerdere leden van de familie Blanckaert. De eerste voor wie het grafmonument werd opgericht is Hendrik Blanckaert (1827-1899). Hendrik werd als boerenzoon in Bambeke geboren. Van zijn vader nam hij niet alleen de boerenstiel over maar ook de passie voor familiekunde én voor de Vlaamse zaak. Zijn, voor een Fransman van toen, opvallend Vlaams bewustzijn werd in ere gehouden mede doordat de familie Blanckaert trots was op haar Vlaamse afstamming. Verschillende Blanckaerts sneuvelden in 1328 in de slag bij Kassel aan de zijde van Nicolaas Zannekin. Vandaar wellicht de oude familieleuze: ‘Een Blanckaert kan maar vrij leven, of sterven’.

Paul Fredericq koesterde een warm hart voor Frans-Vlaanderen.

Men weet van Hendrik Blanckaert dat hij bevriend was met de Gentse historicus Prof. Paul Fredericq, en ook met een andere Vlaamsgezinde liberale politicus, Julius Vuysteke. Terloops: wat is er vandaag geworden van de geestelijke erfenis van deze negentiende-eeuwse Vlaamsgezinde, of beter gezegd, heel-Nederlandse liberalen? Paul Fredericq koesterde een warm hart voor Frans-Vlaanderen. De naam van Hendrik Blanckaert pronk toen als lid van het toenmalig Willemsfonds en als de enige ‘Franse’ abonnee van de Gentse krant Het Volksbelang. Hendrik schreef wel eens over Frans-Vlaanderen voor deze krant en tekende zijn brieven met ‘uw gewezen stamgenoot, simpele Vlaamse boer’.

Generaal Boulanger

Een anoniem artikel van zijn hand, verschenen in Het Volksbelang van 7 januari 1870 viel op. Frankrijk was toen verwikkeld in een oorlog met Pruisen. In zijn brief meldt Blanckaert een ‘muiterij en desertie’ onder de miliciens uit Frans-Vlaanderen. Er is sprake van een muiterij van 300 gemobiliseerde miliciens uit Hazebroek die men heeft moeten ontwapenen en deporteren naar een strafkamp in het Normandische Cherbourg. In dezelfde krant werd ook gesuggereerd dat sommigen hoopten dat Frans-Vlaanderen, na de blitse overwinning van Pruisen in Sedan in september 1870, bij België zou worden gevoegd. Meer gegevens over deze opvallende episode ontbreken, spijtig genoeg. Daarom is de getuigenis van Hendrik Blanckaert een interessante piste voor verder historisch onderzoek.

Generaal Boulanger was een militaire held en gewezen minister van defensie.

In Het Volksbelang verslaat Hendrik Blanckaert later nog de Franse parlementsverkiezingen van 1897. Hij meldt dat de kandidaat Generaal Boulanger gebruik maakt én van Franse, én van Vlaamse aanplakbiljetten. In de vertaling, aldus Blanckaert, vertaalt Boulanger de woorden ‘Vive la République’ door ‘Leve het Vaderland’. Generaal Boulanger was een militaire held en gewezen minister van defensie. Zijn politieke ideeën leunden aan bij het monarchisme en het Frans nationalisme, gekoppeld aan een fanatieke vorm van anti-Duits revanchisme. In 1891 zou Boulanger, na te zijn beschuldigd van een poging tot staatsgreep, in ballingschap in Brussel zelfmoord plegen op het graf van zijn jonge minnares.

Frankerijke en is onze Vaderland niet

Als antwoord, en dus als protest op de affiche van Boulanger, verscheen toen een andere affiche met als ondubbelzinnige tekst ‘ Vlaemingen dat zijn wij en wij en zijn geen Franschen. Wij en hebben geen anderen Vaderland als Vlaenderen; en Frankerijke en is onze Vaderland niet, maer hij is eene zugepompe, die sichten 300 jaer onze zweet optrekt naer Parijs. Leve het Vaderland’. Let op het plastisch begrip ‘zugepompe’ om uit te drukken dat Parijs al het geld uit de provincies zuigt. Blanckaert voegt er nog aan toe dat de Franse politie zich haastte om deze affiche, die tot in de haven van Duinkerke toe werd verspreid en op schepen aangeplakt, te verwijderen.

Als Vlaamse pedigree kan dat tellen!

Niet zoveel Vlamingen kunnen refereren naar sporen van een voorouder in het begin van de 14e eeuw, laat staan een voorouder die in de slag bij Kassel in 1328 aan de zijde van de volksheld Nicolaas Zannekin vocht. Bij de familie Blanckaert leeft de overlevering dat niet minder dan  zeven – sommige bronnen maken zelfs melding van dertien – Blanckaerts vochten en sneuvelden in de rangen van de Kerels van Vlaanderen tegen de tirannie van de Franse koning en Vlaamse leliaards. Als Vlaamse pedigree kan dat tellen! De familie Blanckaert mag ook verwijzen naar een andere verre verwant, admiraal Jan Blanckaert, die behoorde tot de Brugse edelen. Jan Blanckaert was admiraal van Vlaanderen tussen 1396 en 1432, kamerheer van Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië en kapitein van de Torre van Bourgondië in Sluis.

Justin (Styn) Blanckaert  

Hendrik had niet alleen beroemde voorvaders. Ook zijn zoon Justin (1863-1942) was actief in de Frans-Vlaamse beweging en zette de familietraditie verder. Justin werkte mee aan de Vlaamse tijdschriften Le Beffroi de Flandre, en behoorde in 1928 tot de oprichters van het Vlaams Verbond van Frankrijk onder leiding van Jean-Marie Gantois. Hij werd voorzitter van het verbond, nam de leiding op zich van de tijdschriften De Torrewachter en Le Lion de Flandre.

de strijd om het onderwijs van het Nederlands; de redding van het Vlaams architecturaal patrimonium; het behoud van het marionettentheater, enz.

In die publicaties, alsook op de jaarlijkse congressen van zijn Verbond vindt men teksten van Justin over de meest uiteenlopende onderwerpen: de strijd om het onderwijs van het Nederlands; de redding van het Vlaams architecturaal patrimonium; het behoud van het marionettentheater, enz. Deze zeer verdienstelijke Frans-Vlaming, ook actief in zijn gemeente als schepen en voorzitter van de kerkraad, overleed tijdens de Tweede Wereldoorlog en werd eveneens in het familiegraf bijgezet. De ligsteen ‘hier rust een Vlaming’ werd naar aanleiding van zijn overlijden door zijn vrienden van het Vlaams Verbond van Frankrijk aangebracht.

Dr. Pieter Blanckaert

Pieter Blanckaert (1896-1944), zoon van Justin, zou zijn vader en grootvader waardig opvolgen. Na zijn studies geneeskunde in Parijs vestigde hij zich als geneesheer in de kustgemeente Ooie-aan-Zee (Oye-Plage), in de nabijheid van de stad Kales. Als geneesheer was hij sociaal bewogen en vroeg arme gezinnen geen honorarium voor zijn prestaties. Net als zijn vader werd hij bij diens overlijden voorzitter van het Vlaams Verbond van Frankrijk. Tijdens zijn mandaat stichtte hij, in het zog van het Verbond, de jeugdbeweging Zuid-Vlaamse Jeugd alsook het tijdschrift De Jonge Zuid-Vlaming. Hij maakte zich ook verdienstelijk door verschillende toponymische studies in het Boonse, de streek rond Bonen (Boulogne), en de kuststreek. Op weg naar een patiënt vond hij, in oktober 1944, vroegtijdig de dood toen zijn wagen over een landmijn reed. Nog een vierde Blanckaert (1923-), zoon van Pieter, en die eveneens Hendrik heette, werd leider van de Zuid-Vlaamse jeugd.

De naam Blanckaert komt men nog meer tegen, doorheen de geschiedenis van Vlaanderen. Fascinerend hoeveel verwanten en vertakkingen zo een familie heeft waarvan de stamboom tot aan de tijd van de Vlaamse graven teruggaat. Nog straffer: vandaag zijn er nog steeds Blanckaerts die zich inzetten voor de Vlaamse zaak. Zo is een Blanckaert, Patrick Blanckaert, de huidige voorzitter van de Frans-Vlaamse vereniging Michiel de Swaenkring. Welke Vlaamse stam kan nog zo een familiesaga voorleggen?

Gepubliceerd

26.07.2021

Kernwoorden
Reacties

Wil je in de Jacques Brelstraat wonen?

De plaats van bekende Franstalige Vlamingen in Vlaanderen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wil-je-in-de-jacques-brelstraat-wonen

Ik las dat in Frankrijk 230 straten de naam Jacques Brel dragen. Voor Franstalig België zijn dat 50 straten, pleinen en een metrostation. In Vlaanderen zal je tevergeefs naar een straat zoeken genoemd naar Jacques Brel. Een voor zich sprekende nul. De Vlamingen hebben Brel immers nooit vergeven, al bezong hij als geen andere het vlakke land in het Frans, dat hij onze taal ooit met het geblaf van honden vergeleek.

Volgens Luk Ferdinand uit Merksem, die zichzelf een superfan noemt van Brel, moet hier verandering in komen. Hij ging op tournee langs de burgemeesters van Brugge en Gent, en van Oostende tot Antwerpen. Zijn oproep luidt: Jacques Brel verdient een straat of een plein in Vlaanderen. 15 bekende Oostendenaren steunen het voorstel, 46 bekende Gentenaars, en nog 62 bekende Vlamingen, van Luc Van der Kelen tot Bart Peeters.

Franstalige Vlamingen

Ik ben op zoek gegaan hoe het die andere Franstalige Vlamingen verging. Hebben ze een straat gekregen? De twee die ondubbelzinnig hun liefde voor Vlaanderen verklaarden, namelijk Charles de Coster, geestelijke vader van Tijl Uilenspiegel, en Emiel Verhaeren, onsterfelijk geworden met zijn ode aan de Schelde, zijn er goed bij gevaren. De Coster heeft, buiten Brussel, een straat in Antwerpen en Nieuwpoort. Verhaeren uiteraard in zijn geboortestad Sint-Amands, maar ook in Boom, Gentbrugge, Knokke, Nieuwpoort, De Haan, enzovoort.

Voor de andere Franstalige Vlamingen, ja dan neen verdacht van een haat/liefdeverhouding tot Vlaanderen, of van minachting voor onze taal en cultuur, valt het eigenlijk ook mee. Suzanne Lilar heeft een straat in Gent. Michel de Ghelderode, auteur van Autour de ma Flandre is in het straatbeeld van zijn geboortestad Elsene aanwezig, maar ook in Wemmel en Lokeren. Georges Rodenbach wordt met een straat in Schaarbeek en Nieuwpoort herdacht. Maar niet in Brugge. Ondanks het feit dat zijn beste werk Bruges-la-Morte heet, pas in 1978 in het Nederlands vertaald onder de titel ‘Brugge die Stille’. Naar Georges Eekhoud zijn wel straten in Vlaanderen genoemd. Maar, vreemd genoeg, niet in zijn geboortestad Antwerpen. Die eert hem wel met een standbeeld vervaardigd door Henry Van de Velde. En zo kunnen wij nog een eindje doorgaan. Ook met schilders als Ferdinand Khnopff, Theo Van Rysselberghe, en James Ensor. Alleen de schrijfster Marie Gevers heeft geen straat in haar geboorteplaats Edegem. Die erkent, voorlopig, alleen haar vader, Florent, met een straatnaambord. In Hingene vind je wel een standbeeld van de Dijkgravin, naar het hoofdpersonage van haar roman La Comtesse des digues.

Weinig rancuneus Vlaanderen

Ik stel vast dat, in werkelijkheid, Vlaanderen zich weinig rancuneus opstelt. Zelfs ene Maurice Maeterlinck, hater van zijn volk, is niet vergeten met straatnaamborden in zijn geboortestad Gent, en ook niet in Lokeren, Koksijde en Knokke. Hopelijk wordt hier de Nobelprijswinnaar voor literatuur geëerd en niet de man die in 1902 in de Franse krant Le Figaro het Nederlands een ‘jargon informe et vaseux’ noemde; de Guldensporenslag een ‘commémoration inutile’, een nutteloze herdenking die de haat tegen Frankrijk aanwakkerde; en van de Vlaamsgezinden van zijn tijd ‘een handvol geagiteerden’ maakte. Als Vlamingen nog twijfelen voeg ik eraan toe dat Maeterlinck de man was die, in 1911, hevig protesteerde tegen de, volgens hem, ‘absurde en misdadige eis’ om de Gentse universiteit te vernederlandsen. Ik ga principieel niet pleiten voor het schrappen van straatnamen en standbeelden, maar men kan op mijn discretie rekenen als zo’n naambord bij nacht wordt besmeurd.

hebben deze Franstalige auteurs mee mijn latere Vlaamsgezindheid bepaald?

Als geboren Frans-Vlaming, waren in mijn prille jeugd mijn eerste ontmoetingen met de Vlaamse geschiedenis en cultuur eenzijdig Franstalig getint. Ik moest het toen stellen met een Franse versie van De Coster’s Tijl Uilenspiegel La légende d’Ulenspiegel. Het boek was, stel je voor, uitgegeven door de Editions du Progrès in Moskou. In die tijd gold Tijl nog als een heldhaftig voorbeeld voor de communistische vrijheidsstrijd. En ook met Les aventures de Lyderic, de eerste mythische voorvader van de Vlaamse graven, geschreven door Alexandre Dumas, de schrijver van de Drie Musketiers. Of de Franse versie van le Lion de Flandre van ‘Henri’, onze Hendrik Conscience. En nog de Contes et légendes de Flandre van Antonia de Lauwereyns de Roosendaele, meermaals heruitgegeven bij de bekende Parijse uitgever van school- en jeugdboeken Fernand Nathan. Is mijn onbewuste beïnvloed door Franstalige romantische verhalen over Vlaamse helden en legenden? En hebben deze Franstalige auteurs mee mijn latere Vlaamsgezindheid bepaald?

Hoe groot was le Grand Jacques?

Maar laat ons terugkomen bij Jacques Brel. In Parijs kende Jacques Brel, opvallend, pas succes na het bespelen van een Vlaamse snaar. Het was de toepassing van de oude leuze ‘om iemand te zijn moet je van ergens zijn’. Ooit verklaarde hij dat hij ‘gekozen had om een Vlaming te zijn’. Hij voegde eraan toe: ‘geen Vlaamsvoelende Franstalige maar een Franstalige Vlaming’. Als zulke uitspraken nog ergens geloofwaardig waren, toen, was het wel in een streek als Frans-Vlaanderen. Daar was Brel zo goed als thuis, met West-Vlaamse wortels in Zandvoorde bij Zonnebeke. Naar Franse normen bekleedde hij de bijzondere positie van verstaanbare Franstalige Vlaming. De latere perikelen met franskiljonse liedjes klonken buiten België als een te verwaarlozen detail van de geschiedenis van een grote vedette in de nadagen van zijn roem.

De ‘Grand Jacques’ met warme liefde voor zijn Vlaamse Marieke

Zelf bekijk ik Jacques Brel als een gespleten persoonlijkheid. De ‘Grand Jacques’ met warme liefde voor zijn Vlaamse Marieke, het vlakke land dat mijne is, en de Noorderwind die de dijken doet kraken. En dan de soms zielige Brusselaar, met de franskiljonse bourgeoismentaliteit van La Belgique à papa, die hij nochtans in zijn liedjes aanklaagde.

Moet Vlaanderen na zovele jaren loslaten? Wil ik in de Jacques Brelstraat wonen? Frans-Vlamingen zouden ja zeggen. Maar eerlijk gezegd, als Vlaming ben ik er nog niet helemaal uit. In Brugge, op de Coupure, hebben ze dat subtiel opgelost door een standbeeld te geven aan Marieke, en dus niet aan Brel. Mijn suggestie: schrap dan de vloek op het Vlaams blazoen dat de naam Maurice Maeterlinck draagt en vervang het door Kleine Jaakstraat.

Gepubliceerd

11.07.2021

Kernwoorden
Reacties

Blijvende inzet voor gebieden die ooit tot de Nederlanden behoorden

De stichting Zannekin en het jaarboek “De Nederlanden extra muro”

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/blijvende-inzet-voor-gebieden-die-ooit-tot-de-nederlanden-behoorden

Vers van de pers verschijnt voor de 43ste  keer het jaarboek van de stichting Zannekin. Een scharniermoment, want hoofdredacteur Maurits Cailliau geeft na meer dan een halve eeuw noeste arbeid de fakkel over. Wim van Heugten wordt de nieuwe hoofdredacteur. Leo Camerlynck, bekende Brabander en Brusselaar met Frans-Vlaamse roots, is en blijft voorzitter van Zannekin.  Leo is  vertaler-tolk van opleiding, reisorganisator en publicist. Overal in Europa en de wereld gaat hij op zoek naar  sporen van Nederlandse aanwezigheid en het wel en wee van de Nederlandse taal en cultuur. De juiste man op de juiste plaats dus. Een gesprek over  Zannekin, het jaarboek  en de toekomst.

Leo Camerlynck, waar komt Zannekin vandaan?
‘De Stichting Zannekin is een heel-Nederlandse vereniging. In de tweede helft van de 30-er jaren van de voorbije eeuw stichtte meester van Es, een Nederlandse notaris uit Rotterdam, de vereniging Zannekin  ter ondersteuning van de Nederlandse taal en cultuur in Frans-Vlaanderen.’

Zannekin is toch niet alleen bezig met Frans-Vlaanderen?
‘Na de tweede oorlog verrees een Zannekin-‘arbeidsgemeenschap’, die zich toespitste op Frans-Vlaanderen. In de zeventiger jaren van de voorbije eeuw werd het werk verdergezet als Stichting Zannekin. Die bleef belangstelling koesteren voor Frans-Vlaanderen. Maar ze verruimde de werking ook naar het Walenland, Luxemburg en de grensgebieden met Duitsland. Het belangstellingsveld beslaat al de gebieden buiten Nederland en Belgisch-Vlaanderen,  die door de eeuwen heen verbonden zijn met het kerngebied van de Nederlanden.’

Wie waren de eerste initiatiefnemers en wat waren hun beweegredenen?
‘Te veel namen uit Noord en  Zuid om hier op te noemen. Ik beperk me tot enkele namen van medewerkers uit de gebieden extra muros na de tweede wereldoorlog: de Waal Roger Viroux, de Frans-Vlamingen Dr. Jan Klaas en Priester Jean-Marie Gantois, de Fries Marten Heida, de Duitser Raimund Sper. De beweegredenen waren en zijn de Nederlanden extra muros bekend maken en waar nodig initiatieven  in deze gebieden te steunen.’

Jullie willen de banden aanhalen met de gebieden die ooit tot de historische Nederlanden behoorden. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen?
‘We onderhouden nauwe contacten met belangstellenden. We organiseren allerlei culturele activiteiten in samenwerking met verenigingen in deze gebieden. Zo hadden we succesvolle culturele activiteiten samen met heemkundige kringen in Duitsland, Luxemburg en  Frans-Vlaanderen. Het netwerk in stand houden is in deze heel belangrijk.’

Zannekin staat voor een gemeenschappelijke visie op Noord en Zuid. Is er vandaag nog plaats voor de Nederlandse gedachte?
‘De ‘Nederlandse gedachte’ is nooit een massabeweging geweest en zal het ook nooit worden. Maar ik merk toch hoopvolle signalen op verschillende niveaus. Ik denk hierbij aan de verderzetting van de Benelux-akkoorden, uitgebreid naar de Duitse en Franse grensgebieden toe.’

Jonge mensen warm maken voor het verenigingsleven is tegenwoordig meer dan een uitdaging.  Hoe loopt dat bij Zannekin?
‘Men zegt vaak dat  jonge mensen nog nauwelijks interesse koesteren voor het verenigingsleven. Zannekin ontsnapt daar niet aan. De kennis van aardrijkskunde en geschiedenis bevindt zich bij de jongere generatie op een dieptepunt. Kijk maar naar de tv-kwissen : zelfs eenvoudige vragen over geografie en historische gebeurtenissen blijven vaak onbeantwoord.’

Hoe komt een Brusselaar bij zoveel belangstelling voor de grenslanden van de Nederlanden? Wat is jouw persoonlijke achtergrond?
‘Langs vaderszijde liggen mijn wortels in Belle (Bailleul) in Frans-Vlaanderen. Langs moederszijde zijn we al generaties lang Brabants. Mijn ouders hadden ook veel belangstelling voor de gebieden en landen waar onze Nederlandse taal een rol speelt. En natuurlijk waren er  de familiebijeenkomsten aan beide zijden van de ‘Schreve’. Zo werd mijn liefde voor Frans-Vlaanderen al vroeg aangewakkerd.’

Speelt je ervaring als Vlaming in Brussel ook een rol?
‘Omdat ik altijd in het Brusselse, en meer bepaald in Ukkel heb gewoond en nog altijd woon, ben ik alert voor de problematiek van taal- en cultuurminderheden. Van jongs af aan bouwde ik ook contacten op met de Duitstaligen in België, met de Friezen in Nederland en Duitsland, en uiteraard met Frans-Vlamingen.’

Jullie geven een jaarboek uit: ‘De Nederlanden ‘Extra Muros’?
‘De jaarboeken over ‘De Nederlanden Extra Muros’ kennen al jaren heel wat bijval. En zonder te willen pochen, ook ver buiten de Lage Landen bij de zee worden ze aandachtig gelezen. We proberen zo veel mogelijk bijdragen te brengen uit Frans-Vlaanderen, het Walenland en de Duitse grensgebieden.  Soms gaan we ook nog iets verder waar sporen uit de Nederlanden nog duidelijk aanwezig zijn.’

Welke van deze historische gebieden heeft het meest de banden met ons cultuurgebied bewaard?
‘De Franse Nederlanden spannen de kroon. Maar ook bepaalde gebieden zoals het hertogdom Gulik, het land van Kleef, Oost-Friesland halen regelmatig de banden met ons cultuurgebied aan. We hebben ook uitstekende contacten met heemkundigen en verenigingen uit Erkelenz, Kevelaer of Aarlen.’

Je komt bijna een halve eeuw in Frans-Vlaanderen. Zelf heb je Frans-Vlaamse roots.  Wat vind je van de evolutie in Frans-Vlaanderen  in al die jaren?
‘Op familiefeesten in Belle in de zestiger en zeventiger jaren spraken zowel de Frans-Vlamingen als de West-Vlamingen hetzelfde West-Vlaamse dialect van de Nederlandse taal. Toen de volksmuziekgroep ‘De Droge Haring’, waar ik deel van uitmaakte, in Steenvoorde, Boeschepe, Godewaersvelde, Kaaster en andere plaatsen in Frans-Vlaanderen optrad, kon je nog heel veel Vlaams horen. Dat was tussen de jaren 1974 en 1977. Ook waren er in diezelfde periode heel wat jonge Frans-Vlamingen, die zich toelegden op het leren van Nederlands.’

Er zijn toch meer mensen dan vroeger die Nederlands studeren?
Jazeker, maar er waren toen nog geen stoorzenders zoals de ‘Akademie van Nuuze Vlaemsche Taele’, die een surrogaat-Vlaams willen doordrukken. Ze zaaien verwarring bij mensen die onze Nederlandse taal willen leren. In het straatbeeld is het Nederlands meer dan vroeger aanwezig, mede dankzij verenigingen als EUVO. Maar het algemeen gebruik van onze Nederlandse taal, zij het in West-Vlaamse dialectvorm, is jammer genoeg aan het wegkwijnen.

Het jaarboek De Nederlanden Extra Muros verschijnt binnenkort.  Is er iets veranderd  – of gaat er iets wijzigen – aan de redactionele lijn van het nieuwe jaarboek?
Redactioneel zal er weinig veranderen tenzij dat we graag met een kernredactie de lijn willen bepalen. En wij zullen nog meer een beroep  doen op correspondenten uit de gebieden “extra muros”.’

Wat mogen we verwachten van de nieuwe editie?
In het jaarboek van 2021 wordt onder meer de klemtoon gelegd op de Frans-Nederlandse taalgrens doorheen Frans-Vlaanderen en België onder meer aan de hand van de Vlaanderen-kaart van Mercator uit 1540. Recenter  nog bekijken we de vastlegging van de taalgrens in België in 1963. Ook de eeuwenoude religieuze uitstralingscentra in de Duitse grensgebieden komen ruimschoots aan bod.

Welke auteurs publiceren in het jaarboek?
Historici zoals Dr. Herman Vandormael, voormalig kasteelheer van het kasteel van Gaasbeek, en de Nederlander Jan van Tongeren verleenden hun medewerking. Taalkundigen zoals Frank Hellemans bezorgden ook een bijdrage. Taal- en geschiedkundigen vormen de meerderheid van de auteurs.

Waarom moet ik het jaarboek De Nederlanden ‘Extra Muros’ lezen?
Wie graag op de hoogte wil blijven van het reilen en zeilen in de Nederlandse gebieden ‘extra muros’ vindt zijn gading in de jaarboeken. Ook worden minder bekende facetten uit onze rijke geschiedenis uit de doeken gedaan.

De papieren uitgave van het jaarboek de Franse Nederlanden van Ons Erfdeel – toch een huis dat mede met overheidsgeld wordt gesteund – is verdwenen. Het jaarboek van Zannekin houdt stand, en wel zonder subsidies.  Hoe kan je dit verklaren?
Al jaren kan de Stichting Zannekin een beroep doen op idealisten, die met hart en ziel meewerken aan een jaarboek met onderwerpen die je weinig in andere publicaties aantreft. Momenteel kunnen wij jammer genoeg niet rekenen op subsidies, noch uit Vlaanderen, noch uit Nederland. We hebben in het verleden een aantal giften ontvangen. En voorts is het zuinig omspringen met de financiën.

Voor de pandemie organiseerde Zannekin jaarlijkse uitstappen in een of ander interessant gebied van de historische Nederlanden. Wat zijn de plannen voor de toekomst?
De bedoeling is om in de toekomst het jaarboek voor te stellen op een ontmoetingsdag in een locatie ‘extra muros’. Rijsel wordt de plaats van de volgende ontmoetingsdag. Al jaren organiseren wij ook een meerdaagse reis naar sporen uit de Nederlanden. Zo waren we al in de Duitse Fläming, Polen, Kent, Tsjechië, Bourgondië. De volgende meerdaagse zal richting Denemarken en Zuid-Zweden zijn.

Het 43ste jaarboek ‘de Nederlanden Extra Muros’ verschijnt in juli. Het telt 222 bladzijden. Men kan het  bestellen via de.zavelberg@live.nl. Wie meer informatie wil over het lidmaatschap van  de vereniging Zannekin kan zich richten tot  leo.camerlynck@skynet.be

  • 43ste JAARBOEK DE NEDERLANDEN ‘EXTRA MUROS’
  • 222 blz.
  • ISSN 0773-2414
  • ISBN 9789491436130
  • Depotnummer D/2021/1227/002
  • Prijs: 35 euro
Gepubliceerd

28.06.2021

Kernwoorden
Reacties

Wat willen de Vlamingen met hun taal?

Over taal en dialecten in Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen en elders

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wat-willen-de-vlamingen-met-hun-taal

In Frans-Vlaanderen loopt de campagne voor de regionale verkiezingen op volle toeren. Enkele Vlaamse verenigingen hebben zich tot de kandidaten gericht met de vraag om stellingname in verband met het West-Vlaams en het Nederlands als regionale talen in Noord-Frankrijk. De kennis van de taal speelt ook een rol voor mogelijke tewerkstelling, voornamelijk in West-Vlaanderen.

Veel kandidaten zijn niet uit de Franse Westhoek afkomstig. Ze weten dus niets over onze taal, laat staan over het verband tussen het West-Vlaams dialect gesproken in de streek, en het Nederlands. In Frankrijk is de spraakverwarring over talen vrij algemeen. Probeer maar eens aan een modale Fransman uit te leggen dat Oostenrijk geen Oostenrijks spreekt maar Duits, of varianten daarvan.

Stel over België dezelfde vraag aan een wat oudere Frans-Vlaming en hij zal u antwoorden: ‘de Belgiekenaars spreken Belgisch’. Hiermee wordt ‘niet-Frans’ bedoeld en dus Nederlands. Helemaal verloren moeite is het trachten uit te leggen dat het Nederlands van nu het standaard continuüm is van het Vlaamsch van hun ouders.

Jantje Contrarie 

Een vereniging, de Akademie voor nuuze  Vlaamsche Taele (ANVT), lobbyt als geen ander, met het oog op de erkenning van het West-Vlaams als regionale taal. Ze poneert dat de regio het West-Vlaams dialect moet kiezen als regionale taal, niet het Nederlands. Met deze Jantje Contrarie-houding infiltreert ze het culturele leven, de regionale politiek, en ook het onderwijs.

de negentiende eeuwse strijd om het West-Vlaams particularisme

En ze gaat nog verder: volgens deze vereniging is het West-Vlaams dé taal om een job te vinden over de schreve. Ze verklaart op de volle steun van …West-Vlaamse werkgevers en instellingen te kunnen rekenen. Krijgt de negentiende eeuwse strijd om het West-Vlaams particularisme een nieuw leven met nieuwe toepassingen over de schreve? 

Van onschatbare waarde

Laat me duidelijk zijn: ik heb niets tegen het West-Vlaams, en evenmin tegen om ‘t even welke streektaal van het Nederlands. Bij ons thuis spraken ze nog het Vlaamsch van Frans-Vlaanderen. Zelf ging ik ooit in de leer bij de taalkundige Cyriel Moeyaert. Hij overtuigde me van de onschatbare filologische waarde van de dialecten voor de studie van oorsprong en geschiedenis van onze taal.

Maar Moeyaert leerde me tegelijk het belang van een verzorgde standaardtaal en was een voornaam promotor van het Algemeen Nederlands in West-Vlaanderen. Vraag het maar aan Geert Bourgeois en generatiegenoten!

West-Vlaamse bedrijven

De vereniging AVNT argumenteert dat, volgens West-Vlaamse bedrijfsleiders, bijna uitsluitend dialect wordt gesproken in de West-Vlaamse bedrijven. Ik begrijp dat sommige werkgevers last ondervinden om te rekruteren, maar toch.

Een degelijke kennis van de standaardtaal is onmisbaar om werkelijk te kunnen functioneren

Mag ik deze werkgevers enkele vragen stellen: in welke taal hebben jullie gestudeerd? Welke taal is de officiële communicatietaal in jullie bedrijf, voor de signalisatie, de IT, de schriftelijke correspondentie, en andere sociale documenten? Is dat het West-Vlaams misschien? In Frans-Vlaanderen probeert men enkele duizenden mensen Nederlands te doen leren om hun toekomst veilig te stellen. Wij trachten hen duidelijk te maken dat in Germaanssprekende landen het dialect de taal is van de familie, de vrienden, het voetbal en de lol op café. Toegegeven, ook op de werkvloer en in de cafetaria. Maar een taal wordt niet alleen gesproken maar ook geschreven en gelezen. Een degelijke kennis van de standaardtaal is onmisbaar om werkelijk te kunnen functioneren en op te klimmen in de bedrijven.

Sommige West-Vlamingen gebruiken als argument dat zij de provincie zijn waar het dialect het meest wordt gesproken. Specialisten zullen dat misschien bevestigen. Alhoewel, vanuit mijn persoonlijke ervaring, stel ik geen fundamenteel verschil vast tussen bijvoorbeeld de provincies West-Vlaanderen, Antwerpen of Limburg. De meeste Antwerpenaars zijn eveneens trots op hun taal en spreken veelvuldig Antwerps, aldaar een wereldtaal genoemd. En vanuit mijn 25 jaar lange carrière als ondernemer in Limburg herinner ik me nog dat tijdens woelige discussies, het persoonlijk voornaamwoord ‘ich’ voor ‘ik’ steeds de voorhand nam. 

Moedertaal en vaderland

Toen ik Nederlands leerde kwam ik logischerwijze eerst in contact met de taal van West-Vlaanderen. Ik maakte er kennis en sprak met mensen van alle slag maar ook wel eens met bekende West-Vlamingen zoals André Demedts, Cyriel Moeyaert, Luc Verbeke, Jozef Deleu. Ze toonden respect voor de dialecten maar, om het met de gevleugelde woorden van Jozef Deleu te zeggen, hun vaderland was de Nederlandse taal.

Vervolgens, via een omweg langs Groningen, landde ik in Antwerpen. Het is nooit in mij opgekomen om algemeen beschaafd Antwaarps te studeren. Ik deed gewoon, sprak Nederlands, en de taal van de Sinjoren leerde ik al doende.

Zootje dialecten

Vlaanderen heeft ooit moeten vechten tegen de verfransing. Dat werd een strijd van lange adem, tegen de politieke, economische en culturele machthebbers van dit land. Men is vergeten dat de argumenten tegen de vernederlandsing waren dat de Vlamingen geen taal spraken maar een zootje dialecten. Bekende namen als de historicus Henri Pirenne of kardinaal Mercier, hoofd van de Belgische kerk, konden lang volhouden dat de taal van de Vlamingen als wetenschapstaal ‘ontoereikend’ was.

Ontwaken

Ik stel me wel eens de vraag: wat willen de Vlamingen met hun taal? Eerst vochten ze om er één standaardtaal van te maken en om een taalgrens tot stand te brengen. Tegenwoordig wordt in sommige scholen los omgesprongen met de standaardtaal en betoogt onze jeugd met Engelstalige slogans. Terwijl Kristien Hemmerechts beaamt dat taalregels en creativiteit niet samengaan.

Binnenkort leren alleen nog nieuwkomers fatsoenlijk Nederlands, spreken de Vlamingen verkavelingsvlaams onder elkaar en studeren in het Engels aan de universiteit. En aan de kust zal enkel de Vlaamse horeca nog toestemming krijgen om etnische profilering toe te passen om te weten wanneer ze Nederlands moeten spreken.

Jaak Peeters op zijn blog Doorstroming trekt eveneens aan de alarmbel en terecht:

de kans wordt reëel dat het Nederlands wordt gemarginaliseerd

‘Er blijft van onze zelfbeschikking niets meer over (…) In die nieuwe toestand zal het behoorlijk lastig worden om onze culturele en taalkundige eigenheid te bewaren. Wie het niet gelooft moet maar eens op de markt lopen in Vilvoorde of Dilbeek – het mag nu weer. Er zal geen taalgrens meer bestaan en de kans wordt reëel dat het Nederlands wordt gemarginaliseerd, hetgeen de bazen van de EU vermoedelijk geen moer kan schelen.’

Gepubliceerd

18.06.2021

Kernwoorden
Reacties

Frans-Vlaanderen als nieuw Bokrijk

De Vlaamse identiteit, opsmuk voor toeristen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/frans-vlaanderen-als-nieuw-bokrijk

Laat het me vooraf stellen: ik heb niets tegen openluchtmusea en al evenmin iets tegen toerisme. Waar het hier wel om gaat: hoe een marketingplan de Vlaamse identiteit in Frans-Vlaanderen aanwakkert als opsmuk voor de toeristen.

‘Landelijk Vlaanderen’

Sinds twee jaren heeft de regio Hauts-de-France (HDF) een zogenaamd Contrat de Rayonnement Touristique ontvouwd. Dat contract, getekend voor de periode 2019-2022, wil het toerisme promoten als economische activiteit en als stimulator van nieuwe werkgelegenheid in de streek.

Hiervoor heeft de regio HDF onder de naam ‘Flandre rurale’, ofwel ‘Landelijk Vlaanderen’, een te bewerken gebied afgebakend. Het stemt ongeveer overeen met het deel van Frans-Vlaanderen dat vijftig jaar geleden nog het Frans-Vlaams dialect sprak. Het plan wil de Vlaamse identiteit gebruiken om de streek aantrekkelijker te maken voor toeristen.

Naar het schijnt komen meer dan 15 % van de toeristen die Frans-Vlaanderen bezoeken van over de Schreve

Tussen haakjes, het gaat hier ook om vele ééndags- of weekendtoeristen uit Vlaanderen. De streek is voor de Vlamingen vrij populair voor fietsend en wandelend grenstoerisme. Naar het schijnt komen meer dan 15 % van de toeristen die Frans-Vlaanderen bezoeken van over de Schreve. En dat percentage neemt elk jaar fors toe.

Van Bokrijk tot Terdegem

Het golvend landschap van het Houtland met de Katsberg en de Kasselberg, de vlakte van het Blootland dat in de horizon verdwijnt. Veel Vlamingen zijn er verliefd op. Het biedt hen de ruimte die ze in het volgebouwde Vlaanderen verloren zijn.

Bokrijk heet hier Terdegem: een dorp verscholen in een heuvellandschap van korenvelden. Een zogenaamd village patrimoine, een erfgoeddorp aan de voet van de Wouwenberg. Een kerk met sierlijke metselaarstekens een gebed in het Vlaamsch geschilderd op de deur van de sacristie, een tiental met smaak gerestaureerde huizen, een standaardmolen in de verte en kapelletjes met oud-Vlaamse opschriften langs smalle veldwegen. De plaatselijke feestzaal draagt er de naam Till l’Espiègle, en de enige herberg van het dorp met gezellig terras – warm aanbevolen – heet Kerkhoek. En de Vlaamse leeuw die overal wappert, meer dan in Vlaanderen op 11 juli: wat wil je nog meer?

Marketing

Wat is dan het probleem? Wel, het toeristisch contract van HDF werd door professionele marketeers geschreven en klinkt iets minder paradijselijk. Er is sprake van ‘toeristische aanbiedingen te voorzien die de vragen van de klant beantwoorden in een logica van economisch gerichte resultaten en globale attractiviteit’. En ook van ‘aangepaste competitieve acties genereren die de vragen van de bezoekers beantwoorden, en een duidelijk voordeel en toegevoegde waarde genereren’ voor de streek. Achter het landelijk imago van ‘la Flandre rurale’ schuilt een heus marketingscenario voor een meetbare, rendabele beleving van een weekend Vlaming-zijn-in-Frankrijk.

Ook de Belgische Westhoek zijn ze niet vergeten

Als marketeer van beroep voel ik me aangesproken. De marketeers van HDF schetsen het profiel van ‘la Flandre rurale’ als ‘cultureel en geografisch het meest noordelijk territorium van Frankrijk’. En ik lees verder ‘met een bijzondere identiteit met een unieke cultuur, gastronomie en erfgoed’. Ook de Belgische Westhoek zijn ze niet vergeten: ‘er is een gelijkenis tussen deze gebieden rond een gemeenschappelijke identiteit vast te stellen’.

Het valt te hopen dat deze marketingstudie boordevol algemeenheden niet te veel geld heeft gekost. Er is bij de collega’s marketeers nog wel een andere bel gaan rinkelen: ‘een gelijkaardige situatie doet zich voor in Baskenland, Bretagne, Catalonië, Provence en Corsica’. Dat is dan weer wat minder goed nieuws voor het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken, want deze namen evoceren niet enkel zon en zee, maar ook wat de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois ooit noemde ‘de gebieden die verzet bieden tegen het jakobinisme’.

Cement van een identiteit

Toerisme, daar kan je toch niets tegen hebben? Zeker, ware het niet dat Hauts-de-France eenparig heeft beslist dat het verdwijnende Vlaams dialect het cement moet zijn van een ‘idee van opbouw van een specifieke identiteit’.

Nou breekt mijn klomp: de Frans-Vlaamse streektaal is ooit bestreden, verboden, en uitgerangeerd geweest als boerentaaltje, en overblijfsel van het feodalisme. En als alles voorgoed kapot is gemaakt ontspringt, als eeuwige Franse bron van wijsheid, de idee van de heropleving van het Frans-Vlaams als ‘toeristische hefboom’ en als ‘stimulans voor de grensoverschrijdende werkgelegenheid’.

sommigen willen onwetende Frans-Vlamingen wijsmaken dat de taal van de bedrijven in West-Vlaanderen niet het Nederlands is maar enkel het West-Vlaams

Het moet zijn dat iemand van HdF naar ‘rute 98’, de meest beroemde computerles ooit, heeft gekeken. Want sommigen willen onwetende Frans-Vlamingen wijsmaken dat de taal van de bedrijven in West-Vlaanderen niet het Nederlands is maar enkel het West-Vlaams.

Frans-Vlaanderen voor dummies

Je kan er niet naast kijken: als je regelmatig in Frans-Vlaanderen komt zie je dat meer en meer gemeenten tweetalige gemeenteborden met hun naam in het Frans én in het Frans-Vlaams aanbrengen. Hoe moet je deze plotse euforie voor het verloren Frans-Vlaams begrijpen? Heel simpel, de Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele ontvangt elk jaar 77 000 euro om deze tweetalige borden overal te plaatsen, onder de hoede van HDF. De tweetaligheid is een opsmuk ten behoeve van de toeristen.

terwijl de folklore wordt gestimuleerd heeft de Franse overheid nog steeds niet het Frans-Vlaams erkend als streektaal

Dit verklaart ook de fantasierijke namen die er worden aangebracht, soms zonder respect voor de historische benamingen: Zurkel voor Zerkel, Blaeuwkapel voor Wemaars-Kapel, enz. enz. Het komt niet zo nauw, als het maar een beetje gesproken ‘Vlaemsch’ aanvoelt. Het is louter de toepassing van een heus marketingplan van de regio Hauts-de-France die de Vlaamse identiteit van de streek gebruikt als verpakking ten behoeve van de bezoekers. Voor wie de situatie in Frans-Vlaanderen goed kent blijft de harde realiteit: terwijl de folklore wordt gestimuleerd heeft de Franse overheid nog steeds niet het Frans-Vlaams erkend als streektaal. Idem voor het Nederlands gedoceerd als een ‘vreemde taal’, in het land van de dichter Michiel de Swaen.

Ik wil niemand het genot ontnemen van een leuke uitstap in mijn geboortestreek en van een anosteké-bier te drinken op de grote markt van Kassel. Alle Vlamingen van harte welkom. Ik wou enkel duiden waarom ik het beu ben uit te leggen wat het verschil is tussen het Frans-Vlaamsch voor dummies en de echte strijd voor een Vlaamse identiteit in Frankrijk.

Gepubliceerd

31.05.2021

Kernwoorden
Reacties

Als talen ‘staatsgevaarlijk’ zijn

De wet op de regionale talen in Frankrijk wordt gecensureerd

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/als-talen-staatsgevaarlijk-zijn

De goedkeuring in april jl. van de wet op regionale talen in Frankrijk bracht taalminnend Frankrijk even in euforie. Prachtig, buitengewoon, historisch! Het ontbrak niet aan lovende superlatieven om de overwinning te beschrijven. Maar de zogenaamde wet Molac belandde snel bij de Franse Constitutionele Raad door de klacht van een zestigtal parlementsleden. Resultaat: ze wordt ontdaan van haar ’staatsgevaarlijke’ artikels, en mag nu gecensureerd verder.

Artikel 2

De discussie draait rond het begrip immersie-onderwijs. Het houdt in dat men een taal leert door alle, of meerdere vakken in die taal te geven. Het faciliteren van immersie-onderwijs was het belangrijkste, maar tegelijk het meest betwiste punt van de wet Molac (artikel 4). De Constitutionele Raad steekt er nu een stokje voor en legt deze onderwijsmethode aan banden. Nochtans is immersie-onderwijs veruit de beste manier om een taal te leren, aldus de taalpedagogen. Deze vorm van taalonderwijs wordt onder meer met succes toegepast in de Bretoense DIWAN-scholen. Deze scholen zullen dus hun model moeten wijzigen. In Frankrijk is 15% van de schoolgaande jeugd betrokken bij deze vorm van onderwijs.

Het immersie-onderwijs is per definitie ‘staatsgevaarlijk’

Artikel twee van de Franse grondwet zegt: de taal van de Republiek is het Frans. In een andere taal dan het Frans doceren is dus tegen de grondwet, aldus de Constitutionele Raad. Het gewone taalonderwijs is onschuldig. Het immersie-onderwijs is per definitie ‘staatsgevaarlijk’.

Woede

Dat jakobijns Frankrijk aan de alarmbel zou trekken was te voorzien. De verdedigers van de regionale talen zijn woedend. Ze wijzen met een beschuldigende vinger in de richting van de Franse minister van Onderwijs, Jean-Michel Blanquer. Nog voor de wet Molac met grote meerderheid werd goedgekeurd was het al duidelijk dat Blanquer, achter de schermen, het verzet tegen deze wet orkestreerde. Het is volksvertegenwoordiger Aurore Bergé, van wie geweten is dat ze nauw bij Blanquer aanleunt, die de nodige zestig stemmen vond om de klacht bij de Constitutionele Raad te kunnen indienen.

Jean-Michel Blanquer wast nu zijn handen in onschuld. Aan twee journalisten van het dagblad Ouest France verklaart hij dat hij ‘zich niet heeft verzet tegen het onderwijs van de regionale talen’ op zich. Als ze maar worden gedoceerd in een school waar de voertaal Frans is voor minimaal 50%. Om zijn goede intenties te staven refereert hij naar een vroeger leven als onderwijsrector in het overzeese Guyana. Daar heeft hij, als we hem mogen geloven, heel wat gedaan voor de heropleving van de plaatselijke talen. Volgt een weinig concrete liefdesverklaring voor de regionale talen. En een opsomming van enkele projecten om het onderwijs van deze talen te ondersteunen.

Talen en separatisme

Maar de minister blaast tegelijk koud en warm. Hij maakt al te graag een amalgaam van regionale immersie-scholen en wat hij noemt ‘de problematiek van privéscholen zonder contract gefinancierd door buitenlandse mogendheden’. Het onderwijzen van vreemde talen in Frankrijk brengt blijkbaar het vaderland in gevaar. Hij verwijst daarom naar de noodzaak van een sterk juridisch kader om deze gevaren te bestrijden. Er bestaat in dit land ook een wet Gatel die Frankrijk toelaat privéscholen zonder contract die een ‘separatistische logica’ nastreven, te verbieden. Deze wet van 2018, vooral bedoeld om de wildgroei aan islamitische scholen in te perken, is dus voldoende rekbaar om immersie-onderwijs en separatisme te bestrijden, mocht het nodig blijken. Let ook op het dubieus gebruik van het woord ‘separatisme’.

Kritische noot

Leo Camerlynck, voorzitter van de stichting Zannekin, kent als taalkundige de situatie van de regionale talen in Frankrijk als geen ander. Hij brengt de nodige kritische noot in het debat: ‘De Bretoenen, de Basken en de Catalanen nemen een duidelijke positie in omdat die drie volkeren over een standaardtaal beschikken’. Het is geen toeval dat volksvertegenwoordiger Paul Molac, de indiener van de wet, een Bretoen is.

Camerlynck beschrijft de situatie als een zootje: ‘De Corsicanen beweren bij hoog en bij laag dat Corsicaans een taal is, en geen samenraapsel van Genuese en Toscaanse dialecten’. Zelfde vaststelling in andere regio’s: ‘in Occitanië distantiëren de Gascons zich van de Languedociens, en willen de Provençalen zich niet tot de Occitanen rekenen. En dan zijn er nog de noch-mossel-noch-vis Arpitanen, die tussen het Frans en het Provençaals bengelen’. En om de rij af te maken: ‘In Moezel-Lotharingen en in de Elzas is het een gebakkelei tussen verdedigers van het dialect en de Duitse standaardtaal’.

De situatie in Frans-Vlaanderen is taalkundig te vergelijken met die van de Elzas, maar erger: ‘De Frans-Vlaamse Westhoek telt 89 nog nauwelijks Vlaamssprekende gemeenten. Daar zou met een strategisch goed doordacht beleid het Nederlands terug kunnen gedijen in bepaalde gelederen.’

Verdeel en heers

De terechte conclusie van Leo Camerlynck is dat de algemene toestand van de regionale talen in Frankrijk, aan de bron al dubbelzinnig is en zwakker dan ooit. Dat is het gevolg van de bewuste politiek van de Franse staat om geen standaardtalen als regionale talen binnen Frankrijk toe te laten. In de plaats worden regionale dialecten tot taal bevorderd: Elzassisch in plaats van Duits, West-Vlaams en niet Nederlands, enzovoort. Het is een subtiele manier om op de rempedaal te duwen. Deze aanpak betekent in Franse ogen minder gevaar voor de eenheid van de staat. Vroeg of laat, zorgt dit ook voor tweespalt tussen aanhangers van het dialect en van de standaardtaal. Het is tegelijk een strategie van verdeel en heers.

ervoor te zorgen dat, in de toekomst, de regionale talen dezelfde rechten kunnen genieten als de Franse taal

De Franse minister van Onderwijs stelt dreigend vast dat hij ‘met gepaste wetten die de basisprincipes van de Republiek bevorderen, alle scholen kan sluiten die een foute weg bewandelen’. Terwijl roept volksvertegenwoordiger Paul Molac op tot verzet tegen de uitholling van de wet die zijn naam draagt. Hij werkt nu aan een nieuw voorstel tot herziening van de Franse grondwet. Dit om ervoor te zorgen dat, in de toekomst, de regionale talen dezelfde rechten kunnen genieten als de Franse taal. In afwachting van nieuwe grondwettelijke initiatieven wordt alvast op 29 mei in verschillende regio’s betoogd tegen de beslissing van de Constitutionele Raad.

Gepubliceerd

26.05.2021

Kernwoorden
Reacties

Ergernis bij een verjaardag

Geen einde in zicht voor Napoleon

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/ergernis-bij-een-verjaardag

Op een receptie in het oud stadhuis van Tongeren werd mijn aandacht getrokken door een buste op de schouw. Een beeltenis van Napoleon, anno 1999, stel je voor. In mijn speech, me richtend tot burgemeester Patrick Dewael, vroeg ik waarom de man daar nog stond. En of de plaats van Napoleon, die ooit de streek in vuur en vlam zette, niet eerder een plaatselijk museum was. Dezelfde man die, alle wijn- en boomgaarden, de trots van Limburg, verwoestte, een militaristische uitvoering van het toenmalige protectionisme om de Franse wijn- en landbouweconomie te bevorderen. De aanwezigen bleken verrast over mijn opmerking, en ik verbaasd over hun verrassing.

Napoleon in Antwerpen

Dezelfde mentaliteit trof ik ook in Antwerpen. Je weet wel: Antwerpen, de plek waar Napoleon één keer sliep, en waar hij op ik weet het niet meer welke triomfboot, plechtig varend op de Schelde, gekomen en gegaan was. Hoe belangrijk was Napoleon toch voor Antwerpen geweest, en zo. Hij maakte eindelijk komaf met die vervelende Hollanders die de Schelde blokkeerden; bouwde de dokken die uiteraard zijn naam dragen, en waar Gert Verhulst nu zijn bootje aanmeert.

Hij wou van Antwerpen een vuist maken gericht tegen Engeland, noemde Antwerpen de eerste Franse haven, wat een eer. Ooit hoorde ik: als Napoleon er niet was geweest, was de vader van Hendrik Conscience niet in Antwerpen terechtgekomen en had zijn zoon nooit De Leeuw van Vlaanderen geschreven. Toegegeven, deze Sinjoor had een glaasje te veel gedronken. Maar de dronkenschap had kennelijk zijn vermogen om verbanden te leggen niet aangetast. En dat zegt iets over wat leeft in ’t Stad.

De les van Abba

Ik bespaar u de klinkende overwinning van de geallieerden in Waterloo die, hoe zou dat komen, in een treurige nederlaag werd omgezet. Victor Hugo draagt hiervoor een grote verantwoordelijkheid met Waterloo! Waterloo! morne plaine!, een gedicht als een zwanenzang.

Maar Agnetha en Anni-Frid van Abba deden meer voor de objectiviteit in de geschiedenis door de waarheid te bezingen:

At Waterloo, Napoleon did surrender, Oh, yeah

At Waterloo, Napoleon did surrender, Oh, yeah. Dat wordt blijkbaar betwist door diegenen die bij elke herdenking huzaar-voor-een-dag spelen op en rond het slagveld.

Duizenden en duizenden soldaten

Ik ga me deze dagen niet naar de Napoleontentoonstelling in Luik begeven. De wereld telt al genoeg fanaten van de kleine korporaal. Ik zal me in het postvirustijdperk beperken tot een ingetogen bezoek aan een klein kerkhof gelegen in het Frans-Vlaamse Hazebroek. Daar rusten enkele dappere Frans-Vlaamse soldaten van Napoleon, ook twee naamgenoten die opduiken in een zijtak van mijn stamboom.

Waar zijn al die arme soldaten gesneuveld? In Toulon, Montenotte, Lodi, Rivoli, Aboekir, Marengo, Austerlitz, Jena, Auerstedt, Eylau, Friedland, Essling, Wagram, Moskowa of Waterloo. Geen verdienste dat ik dat nog uit mijn hoofd weet. Het was de lijst van de glorierijke overwinningen van Napoleon die wij vroeger op school moesten aframmelen. Je kon ook prenten verzamelen over al die fantastische veldslagen, met illustraties van huzaren en generaals in vol ornaat. Met een vriend kon je dan de dubbels wisselen voor prentjes die je miste. Dat was het pedagogisch materiaal van de modale Fransman in wording. Gratis te verkrijgen bij de aankoop van een reepje chocolade.

Een Europeaan avant la lettre noemen ze hem in Frankrijk

Denkend aan de arme, dode soldaten op het kerkhof: nergens in mijn jeugd las ik dat Napoleon 3,25 miljoen doden op zijn geweten heeft. Dit is nochtans de schatting van de slachting in amper 15 jaar, een wervelwind die over Europa raasde. Een Europeaan avant la lettre noemen ze hem in Frankrijk, maar dat Europa heet dan Groot-Frankrijk.

Groot-Frankrijk

De jakobijnse columnist van conservatieven huize Eric Zemmour vatte het onlangs plastisch samen: ‘De Napoleon die in mij leeft is de Napoleon van de 130 départementen , van Antwerpen als eerste Franse haven, van Keulen als stad van het Ruhr-departement. van het opnieuw bijeengebrachte Romeinse Gallië op de kustgebieden van Noord-Duitsland na, van het rijk van Karel de Grote dat zijn evenwicht van voor 843 terugvindt. Het is het Frans Europa, dat de geschiedenis maakt en niet ondergaat. Een Frankrijk dat zich niet in Europa bevindt maar dat Europa zelf belichaamt’.

Asjemenou. Zemmour, anno 2021, in de rol van de Kleine Korporaal. Wedden dat Zemmour 1,68 m groot is, net als zijn idool?

Napollioné

Er zijn dikke boeken geschreven over Napoleon. Ik ga me dus niet wagen aan een samenvatting in duizend woorden. Een niet exhaustieve lijst van zijn bijnamen zet ons toch een beetje op de weg. Napoleon, Corsicaanse nationalist in zijn jeugd, leerde gebrekkig Frans spreken in de kazerne.

Zijn bijnaam was toen Napollioné , op zijn Frans uitgesproken, La-Paille-au-Nez. Dat kwam omdat hij geradbraakt Frans sprak met een opvallend Corsicaans-Italiaans accent. Lachen met accenten was toen nog niet verboden. Aan zijn Corsicaans verleden herinneren de spotnamen De Corsicaanse menseneter, de Corsicaanse bandiet, de zwarte engel van Corsica en de Corsicaanse Nero. Of simpelweg de Corsicaan. Zijn moeder noemde hem teder Nabulio.

Robespierre te paard

Mme de Staël, romanschrijfster en essayiste, noemde Bonaparte die eerst consul was geworden de moderne Attila en ook nog Robespierre te paard. Ze zal voor deze woorden in 1803 moeten vluchten en in haar geschriften Europa blijvend waarschuwen voor de despoot. Sieyès, de jakobijnse priester en revolutionair, die de concurrentie voelde aankomen, noemde hem de kleine onbeschaamde en andere logebroeders de kwaal van de Revolutie.

Zolang de weg naar overwinningen voerde werd Napoleon door zijn soldaten op handen gedragen. Hij was voor hen de vader van zijn soldaten, de kleine korporaal, de grote generaal, de grijze mantel, de kaalgeschoren man. Ook de Afrikaanse held omdat hij tijdens de Egyptische campagne zich zo dapper had gedragen: herinneringen aan Jaffa, zijn zon, zijn sinaasappelen en zijn 4.000 gevangen Mammelukken die glorieus door de Franse soldateska werden afgeslacht.

 ‘Papa empereur’

En het gaat zo maar door : Napoleon de vredelievende, de weldoener, de grote ondernemer, de overwinnende prins. In Polen zag men in hem de bevrijder. Napoleon vierde deze bevrijding net iets te uitbundig met een plaatselijke schone in kasteel Walewice. Zijn natuurlijke zoon Alexandre noemde hem later Papa empereur. Dat was nog iets geweest voor Mobutu! En voor wie zijn collectie spotnamen wil vervolledigen: wat te vinden van SpartacusTiberius en de god Mars….?

meer dan één miljoen dode zonen en vaders op de oorlogsvelden van Europa

Als het bergaf ging werd de totalitaire neiging van onze kleine grote man met bloed-aan-zijn-handen in de verf gezet: de despoot, de tiran, de beenhouwer, de moordenaar, de bloeddorstige. De verbannen royalisten bleven een beetje verweesd achter met de usurpator. De Franse moeders weenden om de meer dan één miljoen dode zonen en vaders op de oorlogsvelden van Europa. Frankrijk kreunde, er was niemand meer om de oogst binnen te halen, en het volk was de verplichte conscriptie moe. In Frans-Vlaanderen alleen al kwamen 50.000 jonge mensen in opstand, onder leiding van Louis Fruchart, die de reguliere troepen bevochten tot de abdicatie van Napoleon.

Boney

Napoleon werd dan de bangerik van 1814, de vluchteling van Elba en, ô zo schoon, ‘le Père la Violette’, Vader Viooltje, omdat hij bij zijn vertrek in ballingschap op Elba had verklaard dat hij terug zou komen als de viooltjes bloeien, in de lente dus. Daarom werd het viooltje na zijn val het symbool van zijn aanhangers, en, een tijd, een verboden bloem in Franrijk.

De Engelsen die hem tot aan zijn dood bewaakten in zijn laatste ballingsoord Sint-Helena noemden hem droogjes Boney. Ik heb me laten wijsmaken dat bony in het Engels staat voor ‘uitgemergeld’… Bonaparte bleef zich tot het einde de arend noemen en voelde zich de koning van de natuur, duidelijk geïnspireerd door Jean-Jacques Rousseau.

Ik vergat nog: In Tongeren, in het stadhuis, antwoordde notaris Patrick Dewael : ‘Maar mijnheer Bourel: Napoleon is toch de man van het burgerlijk wetboek?’ En Hitler de man van de autostrades en de Volkwagen.

Lees hier ook de bijdrage van Koen Dillen naar aanleiding van de 200ste overlijdensdag van Napoleon Bonaparte.

Gepubliceerd

05.05.2021

Kernwoorden
Reacties

De jakobijnen regeren het land

Verzet tegen de wet op de regionale talen in Frankrijk

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-jakobijnen-regeren-het-land

De euforie, na de goedkeuring van de wet ten gunste van de regionale talen in Frankrijk, was van korte duur. Zoals te voorzien werd op de valreep verzet aangetekend bij de Constitutionele Raad. Die heeft nu één maand tijd om zich uit te spreken.

De wet op de regionale talen, de zgn. wet Molac, werd op 8 april jl. goedgekeurd met een overgrote meerderheid van 247 stemmen voor en 76 tegen. Bij de ja-stemmers een honderdtal verkozenen van La République en Marche (LREM)de beweging van président Macron. Dezelfde Macron die nog in 2018 in het Bretoense Quimper verklaarde: ‘Regionale talen bedreigen de Franse taal niet meer’. Een uitspraak die veel zegt over hoe jakobijns Frankrijk de regionale talen bekijkt. Men zou denken dat het Frans steeds een bedreiging was voor de regionale talen, en niet omgekeerd.

Verzet op de valreep

Ondanks de duidelijke meerderheid ten gunste van de wet-Molac komt er verzet uit regeringskringen. In de laatste weken waren de negatieve uitspraken van minister van onderwijs Jean-Michel Blanquer al een teken aan de wand. Een groep van zestig verkozenen, het minimum aantal om verzet aan te tekenen, vraagt nu dat de Constitutionele Raad de wet-Molac teniet doet. Deze zestig mandatarissen behoren eveneens tot La République en Marche van president Macron.

Achter dit initiatief schuilt uiteraard de minister van onderwijs en, met hem, de schaduw van de regering

Het verzet wordt gecoördineerd door ene Aurore Bergé, een volksvertegenwoordiger van wie geweten is dat ze heel dicht bij Blanquer aanleunt. Achter dit initiatief schuilt uiteraard de minister van onderwijs en, met hem, de schaduw van de regering. Zestig mandatarissen die ingaan tegen de stemming van honderd mandatarissen uit dezelfde politieke groep. Het brengt ons in herinnering dat de beweging van Macron geen partij is, maar een samenraapsel van politici die met elkaar bekvechten.

Hoe moet dit verder?

Wat is het probleem met deze wet? Men wil af van de verplichte subsidiëring van privéscholen die het zgn. ‘enseignement summersif’ aanbieden. Dat zijn lesuren die uitsluitend in de regionale taal plaatsvinden en waar geen Frans aan te pas komt. Welke invalshoek ze ook nemen, de indieners van de klacht zijn er op uit dat de Franse Constitutionele Raad de hele wet vernietigt.

Hij schrijft niet te begrijpen waarom men tot de laatste dag heeft gewacht om verzet aan te tekenen.

De Bretoense volksvertegenwoordiger Paul Molac, initiatiefnemer van de wet die zijn naam draagt, heeft in een eerste reactie zijn verbazing uitgedrukt over deze gang van zaken. Hij schrijft niet te begrijpen waarom men tot de laatste dag heeft gewacht om verzet aan te tekenen. De procedure voorziet dat men hiervoor twee weken krijgt. Men heeft tijd gekocht om de tekst grondig te bestuderen en de klacht te formuleren.

Er valt niets goeds te verwachten van deze juridische procedure tegen de wet-Molac. Het hele Franse jakobijns, administratief en juridisch apparaat van het één en ondeelbare Frankrijk wordt nu in stelling gebracht. En wel met één missie: de wet-Molac in te perken of zonder voorwerp te maken. De uitspraak van de Constitutionele Raad krijgt ook een politieke staart: de beslissing valt juist voor de Franse regionale verkiezingen die in juni plaatshebben.

Frans-Vlaanderen

De regionale talen die in Frankrijk op dit moment erkend worden door de onderwijsinstanties en in aanmerking komen voor de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet zijn: het Baskisch, het Bretoens, het Catalaans, het Corsicaans, de Gallo-streektaal, het Occitaans, de talen van de Elzas en de talen van de Moezelsteek. Ik beperk me hier tot het Europees continent en bespaar u de talen van de Franse overzeese gebieden.

Je zou dan denken dat het Nederlands de oplossing kan bieden.

Geen spoor van de West-Vlaamse streektaal en van het Nederlands, noch in het kader van het onderwijs, noch in het kader van de besprekingen rond de wet-Molac. Ondanks de vele pogingen van een lobbygroep om het West-Vlaams als regionale taal te laten erkennen is er tot nu toe niets van in huis gekomen. De Franse onderwijsautoriteiten verduidelijken dat het West-Vlaams niet beschikt over opgeleide leraars die competent zijn in hun vakgebied. Je zou dan denken dat het Nederlands de oplossing kan bieden. Het Nederlands wordt in Frans-Vlaanderen door goed opgeleide leerkrachten onderwezen. Maar van de band tussen onze taal en het West-Vlaams willen sommigen niet weten. En daar wringt het schoentje.

Nederlands én West-Vlaams

Samen sterk zou je dan denken. Maar de vertegenwoordigers van het West-Vlaams in Frans-Vlaanderen willen de ruimte voor de streektalen alleen benutten. Ze doen alsof het Nederlands niet bestaat wanneer ze deelnemen aan het debat. De reden is dat ze momenteel kunnen steunen op een rijke subsidiepot vanwege de regio Hauts-de-France. Deze subsidies willen ze niet delen met een andere partij. Anderzijds, de vertegenwoordigers van het Nederlands onderwijs maken op hun beurt de fout afwezig te blijven bij de debatten rond de regionale talen in Frankrijk. Ze denken veel te snel dat ze toch niet in aanmerking komen voor een erkenning. Nochtans vertegenwoordigen ze meer dan 20.000 leerlingen en studenten die Nederlands leren tegen een klein duizendtal die de Frans-Vlaamse streektaal leren.

Maar wij zijn in Frankrijk en de ‘vreemde’ standaardtalen zien ze daar als een gevaar.

Het Nederlands blijft buiten deze discussie en geldt als een ‘vreemde taal’ die niet in aanmerking mag komen als regionale taal. Nonsens uiteraard. Maar wij zijn in Frankrijk en de ‘vreemde’ standaardtalen zien ze daar als een gevaar. De keuze voor het West-Vlaams bevordert een dialect en de orale traditie, boven de standaardtaal. Men heeft dit ook in de Elzas toegepast door in 1946 het Duits uit te schakelen en het Elzassisch te bevorderen. Maar sommige Elzassers hielden voet bij stuk. Frankrijk heeft op de lange duur alsnog het Duits moeten erkennen als regionale taal naast het Elzassisch.

Niet opgeven!

Er is geen enkele reden dat wat waar is voor de Elzassers niet waar zou zijn voor de Frans-Vlamingen. Frans-Vlaanderen mag niet opgeven en moet gaan voor de erkenning én van het Nederlands én van het West-Vlaams als regionale talen.

De wet-Molac geeft hoe dan ook hoop voor de regionale talen in Frankrijk. En nu maar bang afwachten of deze hoop bewaarheid wordt.

Gepubliceerd

28.04.2021

Kernwoorden
Reacties

Wie is Xavier Bertrand?

Een vroege kandidaat voor het Frans presidentschap

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wie-is-xavier-bertrand

In Frankrijk wordt deze dagen veel over Xavier Bertrand gesproken. Bertrand, de voorzitter van de regio Hauts-de-France, een geografische bundeling van de vijf meest noordelijke departementen van Frankrijk, heeft nu ook zijn kandidatuur gesteld voor de komende Franse presidentsverkiezingen in 2022.

Een politiek beest

Xavier Bertrand heeft al een stevige politieke loopbaan achter de rug. De man is 56 jaar oud, geboren in Châlons en Champagne. Hij is geen ‘product’ van de Franse elitescholen, maar studeerde aan de Universiteit van Reims publiek recht en politieke wetenschappen. Zijn eerste stappen in de politiek deed hij bij de jongeren van de gaullistische partij Rassemblement pour la République (RPR). Hij kende zijn eerste successen in de lokale politiek. In 2014 bracht hij het tot burgemeester van de stad Saint-Quentin.

Sarkozy nam in 2015 het initiatief om van UMP Les Républicains (LR) te maken

In 2002 raakte hij verkozen als parlementslid voor de Union pour un Mouvement Populaire (UMP). De UMP was de fusiepartij van het RPR en Démocratie Libérale. Sarkozy nam in 2015 het initiatief om van UMP Les Républicains (LR) te maken. Hiermee heb ik alle partijen opgesomd waarlangs Xavier Bertrand  ooit passeerde.

Last but not least en als prelude voor een politieke carrière op nationaal niveau: Xavier Bertrand werd in 1995 ingewijd in de vrijmetselarij als eminent lid van de loge Grand Orient de France.

Nationale carrière

Xavier Bertrand nam doorlopend deel aan de macht in de laatste twee decennia: in 2004 als staatssecretaris  voor de Ziekteverzekering in de regering-Raffarin III; een jaar later als minister van Volksgezondheid in de regering gevormd door Dominique de Villepin. In 2006 is hij een van de woordvoerders van het campagneteam van Nicolas Sarkozy,  naar aanleiding van diens kandidatuur voor de presidentsverkiezingen, en in 2007 komt hij terug als minister van Arbeid in de regering-Fillon. Hij verlaat de regering in 2009 om de leiding van de partij UMP over te nemen en wordt opnieuw volksvertegenwoordiger. Een beetje later, in november 2010, is hij terug als minister van Arbeid, Tewerkstelling en Volksgezondheid in de regering-Fillon III.

In 2017 verlaat Bertrand Les Républicains nadat Laurent Wauquiez tot voorzitter wordt gekozen

Bij de parlementsverkiezingen van 2012 wordt hij opnieuw verkozen, en wel met meer dan 50 % van de stemmen. In 2016 gaat hij de symbolische strijd aan tegen Marine Le Pen met als inzet de superregio Hauts-de-France. Hij wint, met de hulp van de vele linkse kiezers  die weigeren voor Le Pen te stemmen. Zo wordt hij verkozen tot president van de Hauts-de-France.  In 2017 verlaat Bertrand Les Républicains nadat Laurent Wauquiez tot voorzitter wordt gekozen. Bertrand zou Wauquiez te rechts gevonden hebben en niet akkoord gaan met zijn voorstellen inzake migratie. Hoe dan ook, Xavier Bertrand positioneert zich vanaf dan boven de partijen. Dit bepaalt mee de aanloop tot zijn kandidatuur.

Een winnende tactiek?

Xavier Bertrand wil niet wachten op de traditionele strijd aan de rechterzijde om een kandidaat aan te duiden. Door zijn kandidatuur nu al te stellen probeert hij de partijleiding in snelheid te nemen. Zijn kandidatuur wordt binnen de liberale rangen nogal koel onthaald. Sarkozy zou Bertrand misprijzen, Macron beschouwt hem als een bedreiging. En de meest populaire liberale politicus is momenteel voormalig premier Edouard Philippe.

Stoere taal, maar de kans is groot dat hij opnieuw verkozen raakt

Maar Xavier Bertrand behoort tot geen enkele partij meer. Hij wil als kandidaat door de Franse kiezer worden aangeduid, en door niemand anders. Zijn momentum komt: over drie maanden zijn het weer regionale verkiezingen in Frankrijk. Xavier Bertrand stelt zich opnieuw kandidaat voor de Hauts-de-France. Een overwinning zou zijn kandidatuur voor het Frans presidentschap bevestigen. Als hij het presidentschap van de Hauts-de-France mist, zegt hij, zal hij zich volledig uit de politiek terugtrekken. Stoere taal, maar de kans is groot dat hij opnieuw verkozen raakt.

Welk beleid?

Wat moet men verwachten van een figuur als Bertrand? Als sociaal gaullist doet hij zich graag voor als een man van het volk. In feite behoort hij familiaal tot de middenklasse uit de Champagnestreek. Maar, met het verhaal van de gele hesjes in het achterhoofd, wil hij zich sociaal profileren en de Fransen opnieuw samenbrengen. Hij sprak zich onlangs nog uit voor meer veiligheid op straat en ook voor recht en orde. Dat zijn zo van die inhoudsloze algemeenheden die elke kandidaat meesleurt. Hoe dit zich concreet zal uiten moet nog blijken.

een hevig discours pro atoomenergie

Opvallend de laatste tijd zijn de forse verklaringen van Xavier Bertrand tegen de toename van windmolens die hij kost wat kost wil inperken. Dit ondersteunt hij door een hevig discours pro atoomenergie. In deze gaat hij in tegen de politiek van president Macron die, inzake milieu en duurzaamheid, graag het wereldforum benut.

Regionalist?

Als pluspunt heeft hij de reputatie van een strenge, correcte beheerder en staat hij bekend als een harde werker. In de kolom van de minpunten staan ongetwijfeld zijn gebrek aan charisma en zijn grijs profiel bovenaan.

een samenraapsel en slecht benoemd

Men kan alvast kijken naar enkele punten van zijn beleid als president van de Hauts-de-France. Sommigen zien in Bertrand een uitgesproken regionalistisch profiel. Als president zou hij kunnen gaan voor meer decentralisatie, alsook voor een verbeterde indeling van Frankrijk. Men blijft in Frankrijk ruziën over de samenstelling van de superregio’s: de Hauts-de-France zijn een samenraapsel en slecht benoemd; Bretagne is te klein en mist een historisch deel van zijn territorium; de Elzas wil een afzonderlijke entiteit blijven, enz., enz.

Steun aan regionale talen

Eén zaak is zeker : in de regio Hauts-de France heeft Bertrand gezorgd voor steun en subsidies voor de regionale talen in het gebied. Hij ondersteunt maatregelen om het Picardisch en het West-Vlaams in Frans-Vlaanderen te promoten en officieel te laten erkennen. Hij financiert royaal de vereniging AVNT die het West-Vlaamse dialect van de streek verdedigt. Ook de tweetalige borden van de gemeenten die in Frans-Vlaanderen het charter voor de tweetalige signalisatie (Frans-West-Vlaams) ondertekend hebben, worden door de regio betaald. Binnenkort komt er een Office régional du flamand occidental. Dit allemaal door zijn impuls.

Waarom Xavier Bertrand het West-Vlaams dialect steunt en niet het Nederlands? Hij  antwoordde ooit dat het Nederlands ‘een andere kwestie’ is. Wat hij hiermee bedoelt mag Joost weten. De andere kwestie is nu of Frankrijk volgend jaar een nieuwe president krijgt die het West-Vlaams gunstig gezind is. Wordt vervolgd.

Gepubliceerd

12.04.2021

Kernwoorden
Reacties

Vlaams in Frankrijk: het verhaal van Sint-Omaars

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/vlaams-in-frankrijk-het-verhaal-van-sint-omaars

Edwin Truyens, voorzitter van het Vormingsinstituut Wies Moens en hoofdredacteur van het blad Kort Manifest, nam het initiatief een van de laatste geschriften van Cyriel Moeyaert in boekvorm uit te geven. Een mooi eresaluut aan de Frans-Vlaanderenkenner en taalkundige die ons vorig jaar op 100-jarige  jaar leeftijd verliet.

Ik had u niet verwacht als initiatiefnemer voor dit boek: hoe komt u er toe om dit boek van Cyriel Moeyaert opnieuw uit te geven?
‘In het najaar van 2019 verscheen al een boekje onder de titel Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen . De tekst was bedoeld als synthese van zijn vroegere bijdragen voor de jaarboeken van de Stichting Zannekin. Alleen, dit boekje was onzorgvuldig samengesteld en ik schreef dit nogal ongezouten neer in een recensie in Kort Manifest.’

Voor mij was het integendeel een gelegenheid om een project op te starten

‘Hoe en waarom het precies is misgelopen, wist ik niet. Mark Ingelaere, die zich dagelijks inzet voor Frans-Vlaanderen en goed bevriend was met Cyriel, daagde mij uit om beter te doen. Ik heb die uitdaging aangenomen. Tja, er zijn zoveel mensen die 2020 als een verloren jaar beschouwen ingevolge Covid-19. Voor mij was het integendeel een gelegenheid om een project op te starten, dat ik maar kon realiseren dankzij het wegvallen van zoveel andere activiteiten.’

Het idee om dit boek opnieuw uit te geven kwam in coronatijd. Heeft u Cyriel Moeyaert hierover nog persoonlijk kunnen spreken?
‘Toen ik de uitdaging aannam was het onmogelijk om Cyriel te bezoeken. Hij verbleef in een WZC te Poperinge en mocht dus geen bezoek ontvangen. Ik heb in eerste instantie schriftelijk zijn toestemming gekregen via zijn neef. Cyriel gebruikte immers zijn pc niet meer en hij nam ook geen telefoon meer op. Van zodra Cyriel opnieuw bezoek mocht ontvangen heb ik afgesproken met neef Dirk en diens echtgenote en ben ik naar Poperinge gereden. Ik heb Cyriel kunnen spreken op 22 juni van vorig jaar. Ik heb toen ook kunnen kijken naar de bestanden op zijn pc.’

‘Door het dragen van een mondkapje had Cyriel mij ook niet onmiddellijk herkend. Het was voor mij toen heel duidelijk: Cyriel had zelf het initiatief genomen voor een synthese, maar hij had niet meer de kracht gehad om ze te realiseren. Dat was voor mij een extra stimulans om dit werk tot stand te brengen. Cyriel verdiende een kroon op zijn jarenlange werk.’

Cyriel Moeyaert was een monument van de Vlaamse Beweging. Wat is u bijgebleven bij deze ontmoeting?
‘Tijdens die laatste ontmoeting bleek nog maar eens dat Cyriel een uiterst minzaam man was. Noch zijn neef, noch ikzelf hebben zich gerealiseerd dat hij mij niet herkend had. Toch kwam hij naast mij zitten aan zijn PC in een poging om te helpen bij het zoeken naar de juiste bestanden. Toen hij dan eindelijk door had wie ik was, straalde hij zonder meer. Maar tegelijk realiseerde ik me dat hij totaal uitgeleefd was.’

Cyriel was een trouwe abonnee van Kort Manifest

Hij las nog, droeg nog dagelijks een eucharistieviering op en ontving bezoek aan de lopende band nu het opnieuw mocht. Meer kon niet meer. Veel mensen denken dat ik goed bevriend was met Cyriel, maar in werkelijkheid heb ik hem slechts enkele keren ontmoet. Gelukkig, toch minstens één keer in Frans-Vlaanderen. Maar Cyriel was een trouwe abonnee van Kort Manifest en omgekeerd heb ik heel veel van zijn bijdragen her en der gelezen. We wisten dus echt wel wat we aan elkaar hadden.’

Sint-Omaars ligt aan de historische grens tussen Vlaanderen en Artesië. Tot wanneer heeft men daar Nederlands gesproken?
‘De vraag is eenvoudig, het antwoord is complex. Cyriel schrijft ergens dat het Nederlands in 1560 nog de eigen taal is in Sint-Omaars, elders verwijst hij naar de geleidelijke verfransing vanaf de 16de – 17de eeuw. Tegenstrijdig? Zeker niet. Wie zich uitsluitend steunt op authentieke documenten, zoals de meeste historici doen, zal het begin van de verfransing vroeger situeren in de tijd, omdat men onbewust steunt op de toestand bij de bovenlaag van de maatschappij.’

‘In de mate van het mogelijke heeft Cyriel het onderzoek van historische bronnen aangevuld met veldwerk, om zich een idee te vormen over de taaltoestand bij de bredere lagen van de bevolking. De gewone man bewaarde het Nederlands veel langer dan de bovenlaag. Als we kunnen stellen dat het centrum van Sint-Omaars vanaf de 17de eeuw geleidelijk aan verfranste, dan geldt dit niet voor de buitenwijken IJzel en Hogebrigge. Daar hield het Nederlands stand tot het begin van de 20ste eeuw. En dat is best merkwaardig!’

Dit boek gaat over de geschiedenis van onze taal in Sint-Omaars. Het is geen taalkundige studie?
‘De geschiedenis van Sint-Omaars en de geschiedenis van het Nederlands in die stad zijn inderdaad heel belangrijk. Maar vergeten we niet dat Cyriel taalkundige was. Hij heeft de taal op zichzelf bestudeerd maar ook de namen van straten en andere toponiemen onderzocht, omdat dit veel leert over het Nederlands en het plaatselijke dialect. Wie als toerist naar Sint-Omaars trekt, kan ook niet meer om dit boek heen.’

Zowat het hele cultuurpatrimonium van Sint-Omaars komt immers aan bod

‘Zowat het hele cultuurpatrimonium van Sint-Omaars komt immers aan bod: van het 13de eeuwse kunstwerk Le Grand Dieu de Thérouanne, over de kruisafneming van Pieter Pauwel Rubens in de kathedraal tot en met de klok Bertina in Wizeke. Kijk naar het beeld van Onze-Lieve-Vrouw met de kat in de kathedraal: het zal u zo niet veel zeggen, maar als u het verhaal daarachter gelezen hebt, wordt dit opeens een belangrijk monument.’

En wat is het verhaal van Onze-Lieve-Vrouw met de kat?
‘Dit  verhaal gaat over de bevrijding van de stad  tijdens de Bourgondische periode. Om meer te weten moet u het boek lezen.’

In Sint-Omaars spreken ze geen Nederlands meer. De taal is daar niet meer gans het volk?
‘De taal is een uitermate belangrijk criterium om volkeren te definiëren maar ze is nooit gans het volk. De Ieren hebben massaal hun taal verloren en spreken Engels (of iets wat op Engels lijkt), maar het blijven Ieren, duidelijk te onderscheiden van Engelsen. Een precieze etnische grens trekken is niet zo eenvoudig, maar de gebieden waar ooit Nederlands gesproken werd, kunnen grosso modo tot het territorium van het Nederlandse volk gerekend worden. Sint-Omaars is daar zeker nog bij.’

U hebt  Sint-Omaars bezocht n.a.v. dit boek. Hoe ging dat?
‘Ik was al eerder een paar keer in Sint-Omaars geweest. Op 11 en 12 augustus 2020 was ik er samen met Dirk de Groof, een vriend van in mijn collegetijd en al jaren zowat de huisfotograaf van het Vormingsinstituut Wies Moens. Dirk was ook al eerder in Sint-Omaars. Ons enige doel was: foto’s nemen voor het boek. Aangezien we beiden de stad al kenden en goed wisten wat we moesten fotograferen, ging dat heel vlot.’

Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen is een  ultieme hommage  aan de grote Vlaming Cyriel Moeyaert, onmisbare lectuur voor wie van Vlaanderen in Frankrijk  houdt. En uiteraard verkrijgbaar in de online boekhandel van Doorbraak.

Gepubliceerd

31.03.2021

Kernwoorden
Reacties

West-Vlaanderen is meer dan Bevergem

Liefdesbrieven aan een bijzondere provincie

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/west-vlaanderen-is-meer-dan-bevergem/

West-Vlamingen zijn “preus lik fjirtig” op hun regio.

Hoe moet je West-Vlaanderen voorstellen: 1,2 miljoen inwoners, een sappige taal die, dankzij Guido Gezelle, in de mooiste gedichten van ons taalgebied weerklonken. De enige provincie met zee en bergen, grenzend én aan Frankrijk én aan Nederland, met te veel slagvelden, van het Groeningeveld tot aan de oevers van de IJzer.

Eens de West-Vlaamse cultuurschok overleefd, groeide gaandeweg zijn interesse

Hoe kom je ertoe, als geboren en getogen sinjoor, een boek met Liefdesbrieven aan West-Vlaanderen samen te stellen? Karel Luyckx is een Antwerpenaar die in Zeebrugge terechtkwam. De voeling met de maritieme wereld bracht hem ooit naar een andere zeehaven. Als freelancejournalist schreef hij voor vele dag- en weekbladen. Eens de West-Vlaamse cultuurschok overleefd, groeide gaandeweg zijn interesse voor deze eigenzinnige provincie. Als man van ‘t Stad publiceerde hij uiteraard veelvuldig over Antwerpen.

Toen Karel het idee opvatte om te recidiveren met een ode aan West-Vlaanderen, verklaarde een West-Vlaamse vriend hem voor gek. Maar Karel deed het. Het is te zeggen, hij trommelde een aantal b(w)v’s op die zo “preus lik fjirtig” zijn op hun roots, dat ze er voor in hun pen wilden kruipen.

Het boek is opgedragen aan Manu Ruys die ooit de ‘Brusselse politieke rimboe en het groene Meise’ verliet om evenzeer in Zeebrugge van de rust van eb en vloed te genieten. Hij komt in dit boek een laatste keer aan het woord, zich verheugend over het feit dat ‘weinigen dit troosteloze oord’ kennen. Hij wou de andere charme van Zeebrugge een beetje voor zichzelf houden en was op zijn hoede omdat ‘naarmate de kust commercieel dichtslibt ook Brugge-aan-zee een zeldzaam schrijn’ werd.

Wie schrijft liefdebrieven aan West-Vlaanderen? De Vlaamse viceminister-president, de burgemeester, een kapitein en de gouverneur. Maar ook een havendichter, een pastoor, artiesten en vele publicisten. Een scheut hartig, een scheut braaf, en een scheut zoetzuur, maar altijd met een hart voor de West-Vlaamse roots.

Menapiërs

Tussen deze laatste een columnist van eigen huis, Johan Sanctorum. Ik had het kunnen raden, in Oostende geboren. Geen Romein dus, maar een Menapiër. Zijn visie over de modale West-Vlaming: cynisch, nukkig, misantroop en xenofoob. Sanctorum, een scheut contrarie-zijn als liefdesverklaring, een masker van Ensor op het gezicht. Alleen Oostendenaars ontspannen zich niet aan de kust.

een patattenstaat waarin eeuwenoude tsjevenfamilies ebben en vloeien

Een conflictualist is ook Broos Claerhout, actief bij een Kortrijkse jongerenradio. Hij ziet West-Vlaanderen als ‘een patattenstaat waarin eeuwenoude tsjevenfamilies ebben en vloeien‘.

De zachte G, een wereldtaal

Je kan ook de liefde voor West-Vlaanderen uitspreken op een tedere manier: Manon Huysman, Oost-Vlaamse van afkomst, lerares en radiovrouw van beroep, deed in West-Vlaanderen de vondst van haar leven. Een partner. Ze schrijft: ‘Je zou zelf kunnen zeggen, ik ben voor die zachte ‘G’hevallen’.

Dit maakt van het West-Vlaams, aldus Ignace Lowie, een wereldtaal

‘Hebban olla vogala’ is ook West-Vlaams met een zachte ‘g’, maar dan van 1000 jaar geleden. Het verraadt een ‘Ingveoonse, Noordzee-Germaanse inslag’, zeg maar een taalsymbiose tussen Frankisch, Fries en Saksisch. Dit maakt van het West-Vlaams, aldus Ignace Lowie, een wereldtaal die ook een Noorse visser kon verstaan. Mits hij zo ‘plat’ mogelijk sprak. Ignace is ook niet te benauwd om te bekennen dat de Gentse Jacob en Filips van Artevelde…West-Vlaams spraken.

(West-)Vlaamse geschiedenis

Je bent stadsgids in Brugge of je bent het niet: Ignace Lowie maakt met zijn lezers een afspraak aan het standbeeld van Breydel en de Coninck.  Hij nodigt ons uit om niet zo zeer naar boven te kijken maar wel naar de sokkel van het standbeeld. Daaronder is alles haarfijn uitgebeeld, van de Brugse Metten, via de Guldensporenslag tot de slag op de Pevelenberg.

Daarboven speelt Hendrik Conscience ons een beetje parten. Met Breydel en de Coninck moeten wij het doen, terwijl ook de vergeten heldhaftige burgemeester van de stad Jan Heem een plaats verdiende op dat standbeeld. Verder wordt de thesis bevestigd van Bruno De Wever, professor met te weinig gevoel voor romantiek, dat Breydel niet vocht in de Guldensporenslag, maar enkel het vlees leverde voor de dappere Vlaamse strijders. Paardenvlees voor de strijd: een recept voor winnaars!

De Komense hel

Komen, dat is dus ook…West-Vlaanderen. Graag las ik de liefdesbrief van Hector Van Oevelen over Meester Noël. Dat was Noël Decraemer. Ik heb de man ooit ontmoet. Een bescheiden, maar moedige leraar die zijn Vlaamse school in Komen dapper openhield.

schoolgaande kinderen bespuwd door intimiderend francofoon gepeupel

Iedereen herinnert zich nog de camerabeelden van schoolgaande kinderen bespuwd door intimiderend francofoon gepeupel.  Meester Noël deed het, ondanks de dreigementen, het getier en geduw omdat onderwijs in de moedertaal een mensenrecht is. Met Hector Van Oevelen zeg ik: Noël dank u wel!

Wie schrijft nog een liefdesbrief aan West-Vlaanderen?  Manu Ruys, Erik Burj, Broos Claerhout, Ignace Lowie, Dirk de Faux, Hendrik Carette, Hilde Crevits, Kris Declercq, Filips De Bodt, Carl Decaluwé, Hector van Oevelen, Matthias Noë, Henk Houwaart, Patrick Lateur, Manon Huysman, Loes Vandromme, Wim Opbrouck, Mieke Verhelle, Dolf, Joris Praet, Johan Sanctorum, Mark van de Voorde, Emmily Talpe, Katrien van Eeckhoutte, Miet Waes, Wido Bourel, Steve Savels, Thomas Vandamme.

En uiteraard ook een woordje van samensteller Karel Luyckx.  Ik zou zeggen: kopen dat boek en rustig lezen tijdens een verblijf aan de kust of in de Westhoek.

Gepubliceerd

06.03.2021

Kernwoorden
Reacties

Vlaams verzet tegen Frans windmolenpark in Duinkerke

Hoe een arrogante buur ons beperkt

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/vlaams-verzet-tegen-frans-windmolenpark-in-duinkerke

‘Hoe een arrogante Franse buur ons beperkt’ was ooit de titel van een rake column van wijlen senator Lode Claes in Trends. Ik dacht er nog eens aan  bij het zien van de Franse plannen om, pal aan onze territoriale wateren, een windmolenpark in zee te installeren, met alle hinder voor Vlaanderen.

Een mega installatie

Waarover gaat het precies? Op minder dan 10 km van de Vlaamse kustlijn wil de Franse energiesector in een zone van 73 km², 46 reuze windmolens bouwen. Windmolens met een hoogte van 260 tot 300 meter: hoger bestaat wereldwijd niet op dit moment. De capaciteit van elke windmolen bedraagt 12 tot 16 MW, 600 MW in totaal, goed voor de voorziening van 1 miljoen huisgezinnen. Het project is niet bedoeld voor kleine jongens: het gaat hier om een investering van 1,4 miljard euro.

Dit betekent dat de veiligheidszone in Vlaamse territoriale wateren komt te liggen.

Geografisch zou dit windmolenpark komen tussen Duinkerke en de Frans-Belgische grens, met amper een bufferzone. Dit betekent dat de veiligheidszone in Vlaamse territoriale wateren komt te liggen. Er werd een grote show uitgevoerd met een publiek onderzoek en Franse beloftes, maar een ernstig bilateraal overleg met de grensgemeenten kwam er niet. Dat betreurt Bram Degrieck, burgemeester van De Panne, die ook de  belangen van de gemeenten Koksijde en Nieuwpoort vertegenwoordigt in dit dossier.

Visuele hinder

De haven van Duinkerke wordt netjes ontweken. Alle nadelen komen op de schouders van de Frans-Vlaamse badsteden Malo-Bad, Bray-Duinen, alsook van verschillende West-Vlaamse kustgemeenten. Frankrijk concentreert nu al in de Duinkerkse haven verschillende Seveso bedrijven, en wat verder, in Grevelingen, een van de grootste atoomcentrales van Europa.  De vervuiling en risico’s van deze  situatie zijn voor de Frans-Vlaamse bevolking en voor de nabije West-Vlaamse buren. Ook dit gebeurde ooit zonder overleg. En nu komt er nog zo een megaproject bij.

De vooropgestelde visuele hinder met dit windmolenpark is evident. Momenteel staan de dichtst bij zijnde windmolens in Vlaamse wateren op 23 km van de kustlijn, twee maal zo ver dus. En toch zijn ze zichtbaar vanuit de Oostkust.  Het gaat bij ons om constructies van 158 meter hoog, te vergelijken met het Frans project waar  windmolens van 260 tot 300 meter worden vooropgesteld. Zoals het er nu voorstaat komen deze windmolens op amper 9,5 km van de kust, ter hoogte van de Panne. De grootst mogelijke visuele hinder, ook ‘s nachts met de veiligheidssignalisatie, is zo voorspelbaar.

Koksijde

In Koksijde moet je ook rekening houden met de luchtmachtbasis. Sinds de tv-reeks Windkracht 10 weten alle Vlamingen dat de helikopters van hieruit vertrekken voor reddingsoperaties op zee. Maar de Fransen gaan er vanuit dat de luchtmachtbasis in 2023 sluit. De luchtmachtbasis verhuist inderdaad naar Oostende. Maar alle opties voor de  nieuwe bestemming van de vlieghaventerreinen moeten openblijven. En het komt de Franse autoriteiten niet toe om dit te bepalen of te beïnvloeden.

Er is ook niets geweten over mogelijke radarstoringen en de gevolgen voor de hele maritieme omgeving.

Het Franse windmolenpark staat gepland in de luchtruimte die België controleert. Obstakels tot 300 meter, zo kort bij een bestaande vlieghaven, zijn niet toegelaten, aldus internationale reglementering. Er is ook niets geweten over mogelijke radarstoringen en de gevolgen voor de hele maritieme omgeving. Als men telkens een windmolenpark van zulke omvang moet omzeilen betekent dit eveneens  groot tijdverlies voor bepaalde reddingsoperaties op de Noordzee.

Oostende

Ook in Oostende kan men niet  lachen met het Franse voorstel. Twee historische vaarroutes  tussen Oostende en Groot-Brittannië komen door dit project in gevaar. Met de problematiek van de brexit, en de nieuwe ontwikkelingen in de relatie tot Groot Brittannië, blijft de mogelijkheid open voor aangepaste nieuwe initiatieven. Waarom niet de Ferrylijn, in 2013 stopgezet, opnieuw openen?  Het Duinkerkse windmolenpark, op de nu vooropgestelde plaats, hypothekeert bij voorbaat de rentabiliteit van zulke projecten doordat het tot grote omwegen verplicht. Het schendt bovendien het recht van onschuldige doorvaart, zoals bepaald in het VN-zeerechtverdrag.

De windmolens komen te liggen in een gebied dat grenst aan de door het Natura 2000 programma beschermd gebied  van ‘de Vlaamse Banken’. Dit is dan weer gevoelige materie voor Europa en de milieuverenigingen. Ook hier dus voer voor een lange juridische strijd.

Quickie in actie

Ik heb het als Frans-Vlaming nooit begrepen. Maar het is een Belgische minister die in zijn portefeuille de verantwoordelijkheid draagt voor de Vlaamse kust. Vincent Van Quickenborne, bevoegd voor de Noordzee, heeft in het Parlement  laten weten niets tegen windenergie te hebben maar wel tegen een hinderend windmolenpark zo kort bij de kustlijn. Franse kranten zoals La Voix du Nord interpreteerden  het ‘als forse tegenwind vanwege de Belgische autoriteiten’.

De minister gaat nu tijd winnen tot de resultaten van de afgesloten publieksconsultatie bekend zijn.

Van Quickenborne maakte een synthese van de argumenten van kustburgemeesters die alternatieve locaties vooropstellen. Meer naar het noorden opschuiven betekent voor Vlaanderen het bewaren van de historische scheepvaartroutes, van de luchtruimte en het zeezicht. De minister gaat nu tijd winnen tot de resultaten van de afgesloten publieksconsultatie bekend zijn. Hij rekent verder op de diplomatie en op informeel bilateraal overleg om de zaak te deblokkeren. Dat klinkt vaag genoeg om zich ongerust te maken.

Let op uw zaak

De belangen in de regio zijn enorm, en de beschikbare ruimte op zee, in een van de drukste vaarroutes ter wereld, is beperkt. Van zijn kant bouwt België in zijn territoriale wateren, eveneens grenzend aan de Franse wateren, maar op 33 km van de kust, een park van 281 km2 voor productie en opslag van windenergie die de naam van Prinses Elisabeth draagt.

Hoe en waar de nieuwe arrogante Franse plannen zonder kleerscheuren voor de Vlaamse kust zullen worden uitgerold blijft een open vraag. Is Quickie echt van plan de strijd aan te gaan met de goede neoliberale vrienden in Parijs? Zo niet welk nieuw pand van onze onafhankelijkheid gaan we prijsgeven als het komt tot een koehandel tussen de Franse plannen in Duinkerke en bestaande of nieuwe gemeenschappelijke initiatieven bij ons?  Zoals ik dit stuk begon geef ik Lode Claes ook het laatste woord : ‘Franse arrogantie rendeert’. Vlaamse kustburgemeesters, let op uw zaak.

Gepubliceerd

25.02.2021

Kernwoorden
Reacties

Wallonië op zoek naar een vaderland!

Over de vrienden en vijanden van Frankrijk.

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wallonie-op-zoek-naar-een-vaderland

Op zoek naar een vaderland geloven Waalse rattachisten dat Frankrijk het uitverkoren paradijs op aarde is. Over de belijdenis dat God in Frankrijk leeft kan ik getuigen dat ik hem aldaar nooit tegenkwam. Over de rol en houding van Frankrijk in dit land valt meer te zeggen. Dat is ook de inzet van het rattachisme.

Taalgeschiedenis

Het zal wel kloppen dat sommige  intellectuelen in Wallonië vrij snel voor het Frans kozen. Maar de talen gesproken door de gewone mensen  in de Waalse provincies waren Romaanse streektalen. Noem dit niet te snel Frans. Deze dialecten konden zich vlot handhaven in de orale traditie tot in het begin van de twintigste eeuw.

De stelling dat Wallonië, in historisch perspectief, taalkundig en cultureel Frans is, klopt niet.

Vergelijk het met de Vlaamse, Brabantse en Limburgse dialecten in verhouding tot het Nederlands van toen. Het geschreven woord gaf de taal  de status van standaardtaal. De streektalen, verschillend van streek tot streek, en soms van dorp tot dorp, waren lokaal de communicatietalen bij uitstek. Deze situatie bleef zo goed als ongewijzigd tot aan de Eerste Wereldoorlog, en zelfs langer. De Engelse schrijver Graham Robb heeft dat in zijn boek De ontdekking van Frankrijk met verve aangetoond: in de tijd van de Franse Revolutie kon een Fransman uit de Loirestreek een volksmens uit een Henegouws dorp niet (vlot) verstaan. De stelling dat Wallonië, in historisch perspectief, taalkundig en cultureel Frans is, klopt niet. De identiteit van de Waalse provincies was Romaans met Waalse en Picardische varianten, die trouwens ouder zijn dan het Frans.

Bijen tegen de Franse aanvaller

Volgens Jules Gheude kon Frankrijk in de Waalse provincies op een ‘edelmoedig onthaal’ rekenen. Maar is dat wel zo? Doorheen de eeuwen kan men sporen van vijandigheid tegen de Franse agressor terugvinden. Enkele voorbeelden uit mijn verzameling:

Mouches staat voor ‘bijen’, vroeger ook  een honingvlieg genoemd.

We bevinden ons in de Henegouwse stad Avesnes, nu Frans grondgebied, op enkele kilometers van de grens gelegen. In de kerk van Avesnes kan je nog het beeld zien van Notre Dame des Mouches. Onze Lieve Vrouw van de vliegen, of van de bijen. Mouches staat voor ‘bijen’, vroeger ook  een honingvlieg genoemd. In 1498,  werd de stad Avesnes voor de zoveelste keer door de vijand belegerd. Onze Lieve Vrouw jaagde de bijen uit de bijenkorven op de vestingmuren. De woedende bijen vielen de Franse soldaten massaal aan. Ze vormden, aldus het verhaal, ‘een stekende muur van duizenden angels tegen de vijand die zich moest terugtrekken’. De Franse aanvaller als ‘vijand’ van Henegouwen  in de 15de eeuw dus. Het verzet tegen de Fransen dat religieuze, en zelfs mythische dimensies aannam.

Vermoord door de vijand

Een beetje verder, het  Henegouwse  dorpje Ramousies, eveneens gelegen op luttele kilometers van de grens. Hier kan je nog steeds een beschermde grafsteen zien, gemetseld in de rechtermuur van de kerk. Ik vertaal de tekst in het Nederlands:

Hier rust het lichaam van Jacques Louis,
Zestig jaar oud, 33 jaar lang secretaris van Ramousies
laffelijk vermoord door de Franse vijand (‘occis misérablement par l’ennemi françois’).
De avond voor Sint Simon Sint Jude van het jaar 1630
Bid God voor zijn ziel

Voor de inwoners van Ramousies, in de 17de eeuw, was Frankrijk ‘l’ennemi’. De vijand dus, voor de eeuwigheid in harde steen gebeiteld.

Bevriende kanonnen?

En wat vonden de Brusselaars van hun francofone  vrienden in het jaar 1695? Toen werd  de stad zonder militaire reden, 48 uur lang gebombardeerd en totaal verwoest. Met de hulp van 12 kanonnen, 25 mortieren, 4.000 kanonkogels, 5.000 bommen, 6.000 lanceerraketten, 2.000 granaten en 20.000 kogels. Tegen een weerloze bevolking. Een laffe, nutteloze daad die, naast het menselijk leed, een aanzienlijk kunstpatrimonium vernietigde. Zelfs Napoleon, toch van geen kleintje vervaard, zou deze misdaad later veroordelen.

In 1677 kon de Franse bezetter van Sint-Omaars ook niet op applaus van de bevolking rekenen. 

Over kanonnen gesproken: we verplaatsen ons  nog even naar de historische grens tussen Vlaanderen en Artesië. In 1677 kon de Franse bezetter van Sint-Omaars ook niet op applaus van de bevolking rekenen. Enkele geladen kanonnen werden voor de zekerheid in de nabijheid van het stadhuis permanent opgesteld. Het zwaar geschut zou er blijven tot aan de vooravond van de Franse Revolutie. Dat is meer dan honderd jaar lang. Al spraken ze toen al Frans, de inwoners van Sint-Omaars bleven de Franse legers als een bezetter aanzien.

Collaboratie met de vijand

Jules Gheude suggereert dat de Franse revolutionaire troepen in de Waalse  gouwen overal welkom waren. Dat kan waar zijn voor plaatselijke aanhangers van de Revolutie. Maar zeker niet voor de hele Waalse bevolking. Sommigen hadden, en terecht, meer aandacht voor de nu gecensureerde laatste woorden van de leuze vrijheid, gelijkheid en broederschap. Waarom dit niet volledig citeren? Het moet zijn: ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap, of de dood!’ De rattachisten, als volleerde jakobijnen, geven een eenzijdige  lezing uit de Franse geschiedenisboeken.

Nooit gehoord over het verzet van de vele Boerenkrijgen tegen de Franse bezetter, Mijnheer Gheude? Er was nochtans heel wat verzet in het Luikse, in Luxemburg en in Brabant. Tot in uw geboortestreek van Eigenbrakel toe, waar Cousin Charles, bijgenaamd Charlepoeng, en zijn boerenleger ‘Armée Belgique’,  de Franse bezetter het leven zuur maakten.

Jean-Baptiste Jourdan is een Franse revolutionaire generaal uit mijn land, overwinnaar van de slag bij Fleurus

Als ‘buitenlander’ wil ik terloops  mijn verbazing uitdrukken dat in Fleurus, het (Koninklijk) Atheneum de naam Athénée Royal Jourdan draagt.  Jean-Baptiste Jourdan is een Franse revolutionaire generaal uit mijn land, overwinnaar van de slag bij Fleurus. Een slag die bepalend was  voor een jaarlange Franse bezetting van uw land. Sommige mensen willen tegenwoordig voor minder standbeelden en naamborden  neerhalen. Ik pas hiervoor maar ziehier mijn ruilvoorstel : als Jourdan mag blijven, dan komt Cyriel Verschaeve terug!

Vlaanderen en het rattachisme

Wat moeten de Vlamingen met het Waalse rattachisme? Niet zo maar applaudisseren en beamen, want het heeft zo zijn gevolgen. Frankrijk deed al sinds de middeleeuwen vergeefse pogingen om tot aan de Rijn te komen. Steeds ten koste van vele oorlogen in Vlaanderen. De ‘bevriende’ Waalse broeders werden evenmin gespaard en deelden in hetzelfde lot.

Vandaag heeft Frankijk andere wapens dan de militaire om  in Brussel de hoofdrol op te eisen. Eén zaak is zeker: de Franse aanwezigheid en machtsontplooiing in dit land loopt door en is zelfs toegenomen. In het begin van de coronacrisis heeft Marc van Ranst dit meermaals meegegeven door te verklaren  dat, wat inzake pandemiemaatregelen niet waar was in Frankrijk, ook hier niet waar zou zijn vanwege de Franstaligen in dit land.

Desinteresse van lam, tam Vlaanderen

De klinkende Franse overwinningen van vandaag vertalen zich in onze energieafhankelijkheid, onze financiële afhankelijkheid met het overnemen van onze grootste banken. Macron heeft met Michel de perfecte secretaris gevonden om niet alleen Europa,  maar ook België  in de pas te houden en verder uit te kopen. De totale desinteresse van lam, tam Vlaanderen voor een zinvolle Nederlandse taal en cultuurpolitiek in Franstalig België en in Noord-Frankrijk doet de rest.

Een situatie — of moet ik zeggen een omsingeling — die te mijden is als de pest

De vraag is welke meerwaarde voor Vlaanderen het Waalse rattachisme, met de grenzen van Frankrijk aan de poorten van Brussel, kan betekenen. Wat mij betreft: ik zie er geen. Een situatie — of moet ik zeggen een omsingeling — die te mijden is als de pest.

En heeft Frankrijk iets te winnen, buiten een hoop Europese last met Brussel hoofdstad van Europa als inzet, boven zijn huidige comfortabele controle van België? Veel hangt af van de bereidheid van Duitsland om de Franse ambities binnen de bandbreedte te houden.

Wat is de mening van Vlaanderen over alle denkbare scenario’s aan zijn  grenzen met pro’s en contra’s? Want in geval de Vlaamse politici geen mening hebben zullen andere landen dit in onze plaats bepalen.

Gepubliceerd

09.02.2021

Kernwoorden
Reacties

Leger bewaakt Ierse taal

In Ierland is er nog een toekomst voor de Ierse taal

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/leger-bewaakt-ierse-taal/

Alain Walenne woont in Rijsel waar hij zich inzet voor Frans-Vlaanderen en de minderheidsculturen in Frankrijk. Hij is ook een uitstekende kenner van Ierland. Een gesprek met een Frans-Vlaming over Ierland en de Ierse taal.

Hoe kwam je als Rijselnaar in contact met Ierland?
Alain Walenne: ‘Een van onze dochters studeerde in Dublin. Ze leerde daar een Ierse studiegenoot kennen, nu haar echtgenoot. Met hun drie kinderen wonen ze in de streek van het Wicklowgebergte, ten zuiden van Dublin. Een mooie, landelijke streek, met kleine, gezellige maar drukke steden waar het sociaal contact sterk is’.

Taal van de bezetter

In Vlaanderen werd de verfransing ongedaan gemaakt, maar de onafhankelijkheid blijft een droom. Ierland werd wel onafhankelijk, maar bleef de taal van de bezetter spreken. Hoe kan dat?
‘Op het eerste zicht lijkt dit een nederlaag voor Ierland, na bijna een eeuw onafhankelijkheid. De verklaring is simpel: vier eeuwen Engelse bezetting met een economische (in beslagname van de gronden), een religieuze (Engelsen zijn protestant) en een taalkundige kolonisatie. Het Iers is een eeuwenoude taal die haar wortels heeft in het Gaelic, de taal van de Kelten. Maar de Engelse machthebbers hebben de verengelsing veralgemeend. De Ierse taal werd weggeduwd tot in de arme, landelijke graafschappen in het westen’.

Elders wordt het Iers verstaan, maar weinig gesproken

Waar spreekt men nog Iers?
‘In verspreide landelijke gebieden, “gaeltachtai” genoemd. Ze bevinden zich in de streken Donegal, Connemara, Mayo, Munster. Daar is de communicatietaal Iers. Elders wordt het Iers verstaan, maar weinig gesproken. Op “militante” families na waarvan het cultureel activisme als positief wordt ervaren door de gemeenschap.’

‘Volgens een recente enquête van het Iers nationaal dagblad Irish Examiner (13 januari) blijkt dat 1,5 miljoen Ieren verklaren zich vlot in het Iers uit te drukken. Dat is 28% van de Ierse bevolking. Deze cijfers klinken nogal optimistisch, maar een enquête geeft het spontaan antwoord van mensen weer. De situatie in Noord-Ierland is beduidend slechter met amper 12% Ierssprekenden’.

Promotie van het Iers

Is er sprake van een actieve promotie van de Ierse taal door de Ierse regering?
‘Zeer zeker. De Ierse grondwet zegt dat het Iers de eerste officiële taal van de Republiek is. In Noord-Ierland is het enkel een communautaire taal. In Ierland wordt de volledige tweetaligheid Iers/Engels toegepast in de officiële sfeer. Bijna alle ministers in de Ierse regering spreken Iers. En de kennis van de taal is een must voor wie ambtenaar wil worden.’

In alle scholen is het onderwijs van het Iers verplicht

‘In alle scholen is het onderwijs van het Iers verplicht. De meeste Engelstalige Ieren hebben dus een kennis van de Ierse taal. Ze kunnen de taal min of meer spreken, of in elk geval verstaan. Er zijn ook scholen die volledig tweetalig zijn. Dat betekent dat 50% van de lessen in het Iers wordt gegeven.’

‘De Ierse Republiek ondersteunt de zenders die doorlopend in het Iers uitzenden. Het gaat om twee TV-omroepen en vijf radiozenders. Maar ook de andere TV omroepen en bijna alle radiozenders bieden hun luisteraars zendtijd in de Ierse taal’.

Het leger voorop

Je gaf me ook het voorbeeld van het Ierse leger?
‘Jazeker. Na zijn ingenieursstudies volgt mijn kleinzoon een opleiding in de Kadettenschool van Kildare. Hij is vol lof over het gebruik van de Ierse taal in het leger.’

‘Het leger van de Ierse Republiek (Irish Defence Force / Óglaigh na hÉireann) is een klein leger. Het gaat om 10.000 militairen en evenveel reservisten voor een totale bevolking van ongeveer 5,17 miljoen inwoners. Het is voornamelijk een landmacht, die wordt ingezet voor de ordehandhaving, ook in buitenlandse conflicten (Tsjaad, Mali, Libanon). Ze ondersteunt ook de Ierse politie. Op zee en in de lucht is ze symbolisch aanwezig met een duizendtal manschappen. Ze bieden ondersteuning aan de landmacht, en ook om de visserij te controleren’.

Wat is de situatie van de Ierse taal in het leger?
‘Voor wie niet vertrouwd is met het dagelijkse leven in een opleidingscentrum valt het gebruik van de Ierse taal onmiddellijk op. Alle communicatie met en door de officieren gebeurt uitsluitend in het Iers: de orders, de inspecties, de parades, de speeches enz. Kortom, alles wat officieel is. Het Engels wordt enkel gebruikt tijdens de oefeningen en de maneuvers op het terrein. Dus alles wat operationeel en vluchtig is’.

Het Iers in het leger wordt dus verplicht, al is het niet de moedertaal van de grote meerderheid

Wat is daar buitengewoon aan?
‘Je moet je voorstellen dat het Iers tegenwoordig door amper 11% van de bevolking wordt gebruikt. Vergelijk dit percentage met de 28% van de bevolking die, n.a.v. de enquête van de krant Irish Examiner, verklaart het redelijk tot vlot te kunnen spreken. Het Iers in het leger wordt dus verplicht, al is het niet de moedertaal van de grote meerderheid’.

Hoe wordt dit door de aspiranten onthaald?
‘Heel positief blijkbaar. Iedereen vindt dat niet minder dan normaal’.

Bewaker van de Ierse nationale taal

De Ierse Republiek is dus zeer proactief voor de Ierse taal: het leger als voorbeeld?
‘Natuurlijk is de Engelse taal overal aanwezig: in de economie, de cultuur, voor de sociale contacten. Maar het Iers staat op gelijke voet met het Engels in het publiek domein: de bewegwijzeringen op de openbare weg, in de stations, de vlieghavens, de administratie. In Dublin, op de bus, wordt de volgende halte telkens ook in het Iers afgeroepen.’

Na eeuwen taalonderdrukking dient het leger als bewaker van de Ierse nationale taal

‘In het leger gaat men nog verder en heeft de Ierse taal voorrang. Na eeuwen taalonderdrukking dient het leger als bewaker van de Ierse nationale taal. Ze geeft het Iers de status van ‘heilige taal’. Een beetje zoals het Latijn vroeger in Europa, of het Hebreeuws in Israël. De wil van het leger om taal en identiteit te bewaken heeft te maken met haar oprichting in 1922. Ze moest zich toen onderscheiden van de vijand. Het leger wil hiermee ook de Ieren gedenken die gevallen zijn voor de onafhankelijkheid van Ierland.’

Heeft de Irish Examiner gelijk te stellen dat de Ierse taal in de lift zit?
‘De strijd met een wereldtaal als het Engels is ongelijk maar er is zeker nog een plaats voor de Ierse taal!’

Alain Walenne, Ik dank je voor dit gesprek.

Gepubliceerd

06.02.2021

Kernwoorden
Reacties
Koen Declerck
17.03.2024 - 16:33

weer iets bijgeleerd, vooral dat van het leger. positief ! het Iers is toch veel meer dan de Gaeltacht,

Beantwoorden

Munitie voor een canon

Over de Vlaamse canon en identiteit

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/munitie-voor-een-canon

Herinnert u zich nog de aankondiging dat er een Vlaamse canon zou komen? Ik schrok me toen een aap bij de overtrokken reacties van een handvol universitaire historici.  ‘Er is in Vlaanderen geen enkele professionele historicus  voorstander van een canon’, zongen Bruno De Wever en confraters in koor. Inmiddels loopt een commissie van een tiental specialisten zich warm om er  aan te werken. Met tien geven ze zich twee jaar tijd om de canon te schrijven, stel je voor. Ook schrijver Stefan Hertmans verklaart onbevreesd in Knack (23 december) dat hij  ‘niet ziet wat het probleem is met die veelbesproken canon’.

Met de aanvang van het nieuwe jaar neem ik steeds enkele goede voornemens. Bij vrienden is dat meer sporten. Ik ga voor het samenstellen van een Frans-Vlaamse canon.

Geschiedenis: het geheugen van een volk

Wat moet er komen in mijn Frans-Vlaamse canon?

Voorafgaand wil ik het bekende citaat van de dissident Milan Hübl in herinnering brengen: ‘Om een volk te doen verdwijnen begint men met zijn geheugen af te nemen. Men  vernietigt zijn boeken, zijn cultuur, zijn geschiedenis. Vervolgens schrijft iemand anders andere boeken, vanuit een andere cultuur en verzint een andere geschiedenis. Het volk vergeet dan langzaam wie het is en wie het was. En de wereld rondom hem vergeet nog sneller.’

Maar dat  leerden ze in de Franse kolonies ook, al waren vele ‘Fransen’ aldaar van een prachtige ebbehouten kleur.

Op de Franse schoolbanken  leerde ik nog, eerste paragraaf van mijn boek geschiedenis, en ik citeer: ‘Onze voorouders waren de Galliërs. Ze hadden blond haar en blauwe ogen.’ Maar dat  leerden ze in de Franse kolonies ook, al waren vele ‘Fransen’ aldaar van een prachtige ebbehouten kleur.

Onze Togolese, Marokkaanse en Algerijnse ex-Franse lotgenoten hebben uiteraard recht op hun geschiedenis. En evenzeer de Frans-Vlamingen. Onze canon voorziet vrij en vrank in de restitutie van wat ons is ontnomen: onze identiteit als Vlaming.

Een canon zonder grenzen?

Minister van onderwijs Ben Weyts liet in de Financieel Economische Tijd opschrijven (18 september 2020): ‘Ook moet de canon respect tonen voor de territoriale verscheidenheid en de verschuivende grenzen die voorafgingen  aan onze huidige natievorming’. Kom dat wel goed Ben? Moet men zich herinneren  aan de verschuivende grenzen om wat er nu buiten valt te vergeten… of te verbinden? Zijn Komen en Moeskroen, bijvoorbeeld, historisch minder Vlaams omdat Belgische politici ze ooit voor een bord linzensoep hebben geruild?

De Frans-Vlaamse canon volgt : ‘La Flandre une et triple’  van Valentin Bresle, een  Vlaamsgezinde Rijselnaar, actief tijdens het interbellum. Vlaanderen zonder grenzen, van Breskens in Zeeuws-Vlaanderen  tot Grevelingen in Frans-Vlaanderen. Klinkt dat niet mooi hedendaags?  In een historische vogelvlucht zijn of waren wij ooit Nederlands, Diets, Grootnederlands, Bourgondisch, Frankisch of Germaans. Dat laat sporen na, ook extra muros. Maar Vlaanderen blijft voor de Vlamingen de erkenbare, kleinste gemene deler. Terloops, een vraag aan Ben: Stopt jullie Vlaamse canon echt aan de Belgische grenzen?

De Guldensporenslag, een mythe?

Met Hendrik Conscience hebben sommige universiteitsprofessoren blijkbaar niet leren lezen. Historici zonder gevoel voor romantiek: saai. Dat het Nederlands van Conscience  niet je dat was, dat Jan  Breydel niet deelnam aan de strijd, dat de Brabanders tot het vijandige kamp behoorden en Namen onze bondgenoten waren…  En dan?

Het zegt alles over wie  Vlaanderen wou inpalmen, over de krachts- en sociale verhoudingen tussen de machthebbers, de steden en de burgers.

Deze slag blijft toch ‘zowel politiek als militair een erg interessante veldslag’ vond ook prof. Luc de Vos in zijn boek Veldslagen in de Lage Landen. Het zegt alles over wie  Vlaanderen wou inpalmen, over de krachts- en sociale verhoudingen tussen de machthebbers, de steden en de burgers. Als symbool van onze ontwakende vrijheden en als overwinning van de underdog kan dat tellen.

Over de mythevorming schreef de Franse dichter en theatermaker Jean Cocteau:  ‘Mijn voorkeur ging altijd naar de mythologie boven de geschiedenis omdat de geschiedenis een waarheid is die van mond tot mond vervormd wordt tot leugens, terwijl de mythe van mond tot mond in kracht toeneemt en écht wordt.’

Eén zaak is zeker: talloze strijders in de Vlaamse gelederen waren afkomstig uit mijn geboortestreek. De Guldensporenslag zal dus een ereplaats krijgen in een Frans-Vlaamse canon. Mijn hoed af voor Hendrik Conscience.

De taal

Naast de geschiedenis wil ik graag in een Frans-Vlaamse canon ook plaats geven aan de taal als geheugen van een volk.

George Steiner, Frans-Amerikaanse literatuurwetenschapper en cultuurfilosoof schreef:  ‘De dood van een taal, ook al wordt ze nog maar gefluisterd door een handjevol mensen op een perceel geteisterde aarde, is de dood van een wereld’.

Voor onze voorouders, gestraft met het signum en met tikken op de vingers omdat ze Vlaamsch spraken, gaat de Frans-Vlaamse canon de linguicide die zich momenteel in Frans-Vlaanderen voltrekt, met data en feiten benoemen.

Collaboratie

Volgens een onderzoek van Arnaut Van Vlierden gemaakt voor de VRT antwoorden de Vlamingen dat de collaboratie het eerste is wat in zo’n Vlaamse canon moet komen.

Zijn punt was dat ze de lading niet dekken om iemand aan te klagen en te veroordelen die het Belgische feit niet erkent.

Lode Claes, bij leven Vlaamse senator en voorzitter van de Vlaamse Volkspartij, nodigde me ooit uit na te denken over de begrippen ‘verrader’, ‘vijand’ en ‘collaboratie met’.  Niet omdat hij zijn verleden wou witwassen. Zijn punt was dat ze de lading niet dekken om iemand aan te klagen en te veroordelen die het Belgische feit niet erkent.

Hij citeerde graag  Edward Hallett Carr, auteur van What is history? : ‘De verliezer betaalt. Het lijden is eigen aan de geschiedenis. Elke grote periode heeft haar slachtoffers en overwinnaars.’

En Friedrich Nietzsche voegde er aan toe : ‘De geschiedenis wordt altijd geschreven vanuit het standpunt van de overwinnaar.’

De opmerking van Lode Claes geldt ook voor sommige Bretoenen, Elzassers en Frans-Vlamingen in die periode die zich enkel als  geografische Fransen erkenden. In een Frans-Vlaamse canon breng ik deze periode rustig onder de noemer ‘Tweede Wereldoorlog, winnaars en verliezers’.

Konijn met pruimen

Wat nog in een Frans-Vlaamse canon? Vlaanderen overweegt mijn lievelingsgerecht op te nemen: konijn met pruimen. Lekker! Maar is dat geen discriminatie van de vegetariërs? Gaat Vlaanderen een konijn uit de lege doos toveren uit angst voor kritiek?

Een Frans-Vlaamse canon zal rustig onze identiteit als Vlaming benadrukken en de ‘eigen aard’, van onze gemeenschap, spijts jakobijnen en mondialisten van allerlei slag, trachten weer te geven met voorbeelden uit de kunsten, de wetenschappen en het volksleven. Munitie genoeg voor mijn canon.

Gepubliceerd

12.01.2021

Kernwoorden
Reacties

Dagklapper – januari

1januari1200Het Graafschap Vlaanderen beëindigt zegevierend een driejarige oorlog tegen Frankrijk. De Vrede van Péronne (1199) treedt in werking: de Franse koning Philips-August schenkt aan Graaf Boudewijn XI van Vlaanderen het noordelijke gedeelte van Artesië terug en erkent zijn leenheerschap over de lenen Gwijne (Guines), Aarde (Ardres) en Bethun (Bethune).
1januari1777Het dorp Zuidkote (Frans-Vlaanderen) wordt onder het zand bedolven. Enkel de (nu ook verdwenen) vierkante toren kwam er nog boven uit. Oude verhalen  vertellen dat bij stormweer men nog de klokken van de bedolven toren kan horen.
1januari1948Oprichting van Benelux als economische samenwerkingsverband en douane-unie tussen België, Nederland en Luxemburg.
1januari1991De Provinciale Staten van Friesland besluiten dat de provincie Friesland voortaan officieel Fryslân heet.
2januari1797Aan het hoofd van een honderdtal boeren verjaagt baron Jan-Jozef de Meer de Franse sansculotten uit de abdij van Affligem. Hij wordt gevangengenomen en op 23 januari in Brussel terechtgesteld, twee dagen na twee van zijn medestrijders.
2januari1845In Turnhout overlijdt Philip Brepols grondlegger van de papierverwerkende nijverheid in Turnhout en oprichter van de grote drukkerij die zijn naam draagt.
2januari1909Start van de eerste Elfstedentocht. Winnaar wordt een theologiestudent van 24 jaar, Minne Hoekstra.
3januari1338Jakob van Artevelde (ca.1290-1345), gesteund door alle standen, neemt in Gent de macht over. Hij wil Vlaanderen buiten de oorlog tussen  Frankrijk en Engeland houden en verzet zich tegen het bevel van de Franse koning om nog wol  uit Engeland in te voeren.
3januari1356Het hertogelijk paar Johanna van Brabant en Wenzel van Luxemburg kondigt de Blijde Inkomst af, een grondwettelijk charter waarmee de Brabanders inspraak wordt verleend in het bestuur, de rechtspraak en de financiën. Alle volgende vorsten, tot zelfs Jozef II in de 18de eeuw, leggen bij hun inhuldiging als hertog van Brabant de eed van trouw aan de Blijde Inkomst af, die de grondslag vormt voor een democratisch bestel in de Lage landen. De herroeping van de Blijde Inkomst door Jozef II in 1793 is de directe aanleiding tot de Brabantse Omwenteling.
3januari1892Geboorte in Bloemfontein (Zuid-Afrika) van de schrijver John Ronald Reuel Tolkien, hoogleraar Oud-Engels en Engelse taal- en letterkunde aan de universiteit van Oxford en beroemde schrijver van De Hobbit en In de Ban van de Ring.
4januari1168Overlijden in de Frans-Vlaamse havenstad Grevelingen van Diederik van den Elzas, graaf van Vlaanderen, die vier maal op kruistocht trok.  Onder zijn bewind kende Vlaanderen vrede en een groeiende welvaart.  Hij werd op eigen verzoek begraven in de abdij op de Watenberg in Frans-Vlaanderen. De ruïnes van de toren van de abdij beheersen vandaag nog steeds het prachtige heuvellandschap.
4januari1908Overlijden van Anthony Winkler Prins, schrijver, dichter, dominee, vrijmetselaar en encyclopedist die zijn naam heeft gegeven aan de meest beroemde Nederlandse encyclopedie.
4januari1959In de Congolese hoofdstad Leopoldstad breken zware rellen uit tegen het Belgische koloniale gezag.
5januari1477Bij het beleg van Nancy (Nantzig) sneuvelt Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg, Gelder en Luxemburg, graaf van Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland, Zutphen en Namen, heer van Mechelen. Zijn bijnaam betekent “de stoutmoedige” en slaat dus niet op verwerpelijk gedrag. Zijn dochter Maria van Bourgondië zal de staatkundige vereniging van de Nederlanden voltooien. Het praalgraf van Karel de Stoute bevindt zich te Brugge in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
6januariAls ’t op Dertiendag vriest,
Vriest het dertien weken lang.
 Met Driekoningen lengt de dag
Zoveel een geitje springen mag.
6januari1227Na dertien jaar verlaat Ferrand, graaf van Vlaanderen als een gebroken man de gevangenis waar hij sinds de slag van Bouvines (27 juli 1214) door de Franse koning Filips II August  was opgesloten.
6januari1560Paus Pius IV geeft toestemming om de universiteit van Dowaai op te richten, na Leuven de tweede universiteit in de Nederlanden.
6januari1579Unie van Atrecht. De vertegenwoordigers van de Staten Artesië, Henegouwen en Dowaai verenigen zich in een verbond op katholieke grondslag dat geneigd is zich met Spanje te verzoenen en zich uiteindelijk ook aan Filips II onderwerpt. Hiermee wordt de eendracht der Nederlandse provincies verbroken, zoals ze was vastgelegd in de Pacificatie van Gent. Het antwoord van de andere provincies, die de strijd willen voortzetten, is de Unie van Utrecht (zie 23 januari).
6januari1827Geboorte van de romanschrijver en verteller Charles Deulin in Condé aan de Schelde, in Frans-Henegouwen. Hij is de auteur van de Contes d’un buveur de bière (1868) en Contes du roi Gambrinus (1874).
6januari1861Geboorte in Gent van architect Victor Horta. Hij speelde een belangrijke rol in de opkomst van de Art Nouveau of Jugendstil. Verschillende van zijn gebouwen zoals het Solvayhuis en het Paleis van Schone Kunsten zijn in Brussel nog te bewonderen.
7januari1761In Rijsel publiceert Charles-Joseph Panckoucke het eerste nummer van het  blad “ Les annonces et avis divers pour  les Pays-Bas ». Wie zei weer dat de benamingen Nederlanden en ‘Pays-Bas’ nooit werden gebruikt in Frans-Vlaanderen ?
7januari1937In Den Haag trouwt de toekomstige koningin Juliana met de Duitse prins Bernhard zur Lippe-Biesterfeld.
8januari1558Hertog Frans de Guise verovert in opdracht van de Franse koning Hendrik II Kales en Guizene op de Engelsen.
8januari1565Voor Antwerpen vriest de Schelde dicht. Het ijs is twee voet dik. Dit inspireert Lucas van Valckenborch (1535-1597) tot het schilderij Bekijk van Antwerpen met de bevroren Schelde.
8januari1795Gabriel Witsoet, pastoor van Kaaster en slachtoffer van de Franse Revolutie, sterft in de gevangenis van Dowaai. Hij was prins van de rederijkerskamer van Kaaster en schreef o.m. een toneelstuk De drie maegden van Caester.
8januari1796Tien Brigands die werden opgepakt in het Zoniënwoud worden ter dood veroordeeld.
8januari1851Overlijden in Lestrem bij Mergem van de Frans-Vlaamse royalist en verzetsstrijder Louis Fruchart, bijgenaamd Lodewijk XVII. Voor meer informatie over Louis Fruchart,  lees mijn boek Hier, en aan de overkant, deel 2.
9januari1464In Brugge worden de Staten-Generaal van de Nederlanden voor de eerste maal samengeroepen.
9januari1522Adriaan Floriszoon Boeyens (1459-1523) wordt tot eerste – en tot vandaag toe – enige Nederlandse paus gekozen. Hij was voordien pastoor van het Groot Begijnhof in Leuven en huisleraar van keizer Karel V.
9januari1918De Duitse luchtheld Max, Ritter von Müller stort met zijn vliegtuig  neer bij Moorslede. Hij telde 36 overwinningen.
10januari1430In Brugge, oprichting van de Orde van het Gulden Vlies door Filips de Goede, hertog van Bourgondië en “bij de gratie Gods Groothertog van het Westen”. Hij slaat de 23 eerste ridders van de Orde, die de staatsdragende elite van de Nederlanden zal vormen.
10januari1480Geboorte in Brussel van Margaretha van Oostenrijk, enige dochter van Maximiliaan I van Oostenrijk en van Maria van Bourgondië. Zij wordt later landvoogdes der Nederlanden.
10januari1876Overlijden in Rijsel van Edmond de Coussemaker, uitmuntend jurist, etnoloog, historicus en musicoloog, en auteur van het befaamd boek Chants Populaires des Flamands de France waarin hij 150 Frans-Vlaamse volksliederen met de oorspronkelijke zangwijze verzamelt.
11januari-49Julius Caesar spreekt de historische woorden uit “Alea iacta est” (de teerling is geworpen) en steekt met zijn leger het riviertje de Rubicon over, de grens tussen Cisalpijns Gallië en Italië. In geforceerde dagmarsen trekt hij naar Rome. Een voor heel Europa zwaarwichtige beslissing.
11januari1790De Zuid-Nederlandse provincies, bevrijd  van de Oostenrijkse overheersing worden door de Staten-Generaal onafhankelijk verklaard. Zij kiezen een zwart-geel-rode vlag naar de heraldische kleuren van Vlaanderen, Brabant en Henegouwen, maar horizontaal gestreept zoals de Nederlandse vlag.
11januari1831De Reünionisten verklaren in het Nationaal Congres : “België kan slechts bestaan op twee manieren : als het de voorpost van Frankrijk niet wordt, zal het de voorpost van de vijanden van Frankrijk worden”.
11januari1923Onder het motto van de “vredeswil” der grote naties bezetten Frans-Belgische troepen het Duitse Ruhrgebied.
12januari1519Overlijden van Maximiliaan I, keizer van het Heilige Roomse Rijk en echtgenoot van Maria van Bourgondië. Na de voortijdige dood van Maria in 1482 werd hij de feitelijke heerser over de Nederlanden. In Frans-Vlaanderen. Talrijke jaarbeurzen, broederschappen enz. hebben hun oprichting en de erkenning van hun voorrechten aan keizer Maximiliaan te danken.
12januari1584De geniale geograaf Peter Platevoet (1552-1622), beter bekend onder zijn Latijnse naam Petrus Plancius, ontvouwt bij de admiraliteit zijn plan voor een nieuwe zeeweg naar China, door de Noordelijke IJszee heen. In 1585 vlucht Plancius, geboren in Dranouter, voor de dreiging van de inquisitie van Ieper naar Amsterdam. Plancius stelt als eerste een tabel op van de magnetische kompasafwijkingen en brengt de zuidelijke sterrenhemel in kaart. In 1602 wordt hij benoemd tot cartograaf van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Plancius ligt begraven op het kerkhof bij de Zuiderkerk in Amsterdam. Hij wilde om hygiënische redenen niet binnen in de kerk worden begraven. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit. Voor meer informatie over Plancius lees mijn boek Kinderen van de Beeldenstorm.
12januari1625Overlijden in Antwerpen  van Jan Brueghel de Oude, bijgenaamd de Fluwelen  Brueghel.
12januari1850Geboorte in Herdersem van Alfons de Cock (1850-1921), Vlaamse schrijver en folklorist. Grondlegger van de wetenschappelijke volkskunde in Vlaanderen.
13januari1151Overlijden van Suger, minister en regent van Frankrijk. Hij was een Vlaams monnik, afkomstig van Sint-Omaars. Suger begunstigde als eerste de gotische bouwkunst en bouwde de abdij van Saint-Denis waarvan hij abt was.
13januari1426Hertog Filips de Goede verslaat met zijn Vlaamse en Hollandse troepen het Engelse krijgsvolk dat Humphrey van Gloucester had gestuurd en dat bij Brouwershaven op Schouwen was geland.
13januari1552Een van de grote stormvloeden aan de Nederlandse kust, de Sint-Pontiaansvloed, slaat in West-Friesland (“de kop van Holland”) grote stukken veen weg. In Zeeland stromen vele polders onder. Het eiland Agger in Nederland verdwijnt voorgoed van de landkaart. Bath, Hinkelenoord en de lagere gebieden tussen Bergen op Zoom en Ossendrecht stromen geheel onder.
13januari1943Engelse vliegtuigen lossen honderden bommen op steden van de Rijselse agglomeratie. Men telt er 143 doden.
13januari1972Oprichting in Kassel (Frans-Vlaanderen) van de Michiel de Swaenkring, Vlaamsgezinde culturele vereniging voor de Zuid-Vlamingen.
13januari1978Overlijden in Anderlecht van de dichter Maurice Carême.  Bij  zijn collega Geo Norge leerde hij de Waalse militante auteurs  Charles Plisnier en Marcel. Thiry kennen maar evengoed de Vlaamse letterkundigen Abraham Hans en Karel Jonckheere. Carême leerde Nederlands en maakte o.m. prachtige vertalingen van Guido Gezelle.
14januari1526Keizer Karel V legt de Franse koning Frans I het Verdrag van Madrid op waarbij Frankrijk volledig moet verzaken aan zijn leenrechten op Vlaanderen en Artesië.
14januari1647In een brief waarvan de afzender anoniem is gebleven wordt de vondst beschreven van ‘de fundamenten van een kleyn huysken groot een roede of wat meer in ’t vierkant’. Dit is de beschrijving van de ontdekking van de tempel van Nehalennia, godin van het leven en de vruchtbaarheid, tempel die door de wind op het strand van het Zeeuwse Domburg in  1647 werd blootgelegd. Nehannelia werd als moedergodin geëerd door de Kelten, meer bepaald door de Menapiërs en de Morinen. Zij beschermde de zeevaart, en dus ook, zeelui en de reizigers.Meer informatie hierover: klik hier.
14januari1951Overlijden aan de gevolgen van tuberculose in Le Touquet van de Frans-Vlaamse romanschrijver Maxence van der Meersch. Hij schreef ondermeer La maison dans la dune (1932) en Maria, fille de Flandre (1935). In 1936 krijgt hij de Prix Goncourt voor L’Empreinte du dieu. Zijn bekendste werk blijft Corps et âmes (1943), vertaald in dertien talen.
14januari1972Geboorte in Zwolle van de Nederlandse liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke, grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie en drie keer premier. Van 1825 tot 1830 was hij hoogleraar aan de Universiteit Gent.
15januari1909Oprichting van de Vereniging De Friesche Elf Steden, organisator van de Elfstedentocht.
15januari1929Publicatie van het eerste nummer van De Torrewachter en Le Lion de Flandre, uitgegeven door het Vlaams Verbond van Frankrijk.
15januari1963De Noordzee bevriest enkele dagen. Op 18 januari kan men in Friesland, wegens deze bare weersomstandigheden, de legendarische Elfstedentocht houden. Winnaar is de 32-jarige Reinier Paping.
16januari1219Tijdens de eerste Sint-Marcellusvloed worden grote delen van Noord-Nederland, het Zuiderzeegebied en Noordwest-Duitsland overstroomd.
16januari1362De tweede Sint-Marcellusvloed of Grote Mandrenke (grote verdrinking), een reusachtige overstroming die alle landen rond de Noordzee treft. Het Waddeneiland Nordstrand met zijn havenstad Rungholt en zeven andere dorpen verdwijnen in het water. Langs de gehele kust breken dijken door en grote delen van Noord-Nederland lopen onder water. Schattingen over het aantal slachtoffers lopen uiteen van 25.000 tot 100.000.
16januari1566De uitgeputte keizer Karel V verlaat zijn geboorteland Vlaanderen en scheept te Vlissingen in naar Spanje. Hij trekt zich terug in het klooster van San Jeronimo in Yuste waar hij nog geen drie jaar later sterft. Voor de Nederlanden breekt een sombere tijd aan.
16januari1955Eerste optreden in Sint-Janskappel (Frans-Vlaanderen) van het “Volkstoneel voor Frans-Vlaanderen” o.l.v. Flor Barbry. De eerste uitvoering was een werk van Felix Timmermans, En waar de sterre bleef stille staan, in de taal van de Westhoek omgezet door Joris Declercq (Djoos Utendoale).
17januari1168Overlijden in de Frans-Vlaamse havenstad Grevelingen van Diederik van den Elzas, graaf van Vlaanderen, die vier maal op kruistocht trok. Hij werd op eigen verzoek begraven in de abdij op de Watenberg in Frans-Vlaanderen. De ruïnes van de toren van de abdij beheersen vandaag nog steeds het prachtige heuvellandschap.
17januari1579Triomfantelijke intrede van Willem van Oranje in Brussel.
17januari1583Franse Furie. De hertog van Anjou legert een Frans garnizoen in enkele Vlaamse en Brabantse steden om vervolgens de grootste Nederlandse stad, Antwerpen, bij verrassing in te nemen. De inwoners, met de Spaanse furie van 1576 nog vers in het geheugen, verweren zich met alle mogelijke middelen en drijven de Fransen uit de stad. Hoe heftig het Antwerpse verzet wel was, blijkt uit het dodencijfer: slechts 80 burgers verloren het leven, maar meer dan 1500 Franse soldaten, waaronder velen van hoge rang.
18januari1677Overlijden in Batavia van Jan Anthoniszoon van Riebeeck. Hij was de stichter van Fort Duijnhoop, de eerste Europese kolonie in Zuid-Afrika, bij de Kaap de Goede Hoop.
18januari1918Op het militair kerkhof van Oeren worden door onbekenden de letters AVV-VVK van 38 huldezerkjes met cement dichtgesmeerd. De daders werden nooit gevonden.
18januari1918Een tiental Vlaamse soldaten worden omwille van hun Vlaamsgezindheid van het front verwijderd. Ze worden naar  het Franse departement Orne (Normandië)  overgebracht waar ze, als straf voor hun politieke overtuiging, bomen moeten omhakken. Ze gaan later de geschiedenis in als ‘de Houthakkers van de Orne’.
18januari1995Overlijden van de schilder-boer Felix De Boeck in St-Agatha-Berchem. Hij was geboren in Drogenbos op 12 januari 1898. Hij zei ooit: “Ik ben geen boer die schildert, maar een schilder die boert”.
19januari1101De Brabantse kruisvaarders, onder de leiding van Godfried van Bonen, doen hun intrede in Brussel te midden van een uitbundige feestvreugde. Godfried, die o.m. markgraaf van Antwerpen was, is de geschiedenis ingegaan als Godfried “van Bouillon”. In werkelijkheid was hij de zoon van Eustaas II van Bonen, in Frans-Vlaanderen (in het Frans: Boulogne-sur-Mer)
19januari1795Eén dag nadat stadhouder Willem V naar Engeland is gevlucht wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen en wordt Nederland een vazalstaat van Frankrijk.
20januari1646De Franse eerste minister kardinaal Mazarin  stuurt een brief aan de Franse gevolmachtigde bij de vredesbesprekingen te Münster waarin hij de wens uitdrukt dat de Nederlanden (“tout l’ancien royaume d’Austrasie”…) veroverd zouden worden en bij Frankrijk aangehecht.
20januari1654Geboorte in Duinkerke (Frans-Vlaanderen) van de dichter Michiel de Swaen, heelmeester en belangrijkste rederijker van de Zuidelijke Nederlanden.
20januari1790Frans-Vlaanderen gaat voor een groot deel op in het kunstmatige “département du Nord”, opgericht door de Constituante. Officieel bestaat de naam Vlaanderen niet meer in Frankrijk. De oude provinciale indeling van Frankrijk wordt volledig weggeveegd.
20januari1792Eerste Franse bezetting van onze  streken. Oprichting in Parijs van een “Comité révolutionnaire des Belges et des Liégeois réunis” en van de “légions armées” in Givet (Franse Ardennen) en Rijsel (Frans-Vlaanderen).
21januari1515De jonge Karel van Gent, later keizer Karel V, wordt in Leuven ingehuldigd als hertog van Brabant en Limburg.
21januari1950Overlijden in Londen van Georges Orwell, Britse schrijver en journalist. In zijn meest bekende boek De boerderij der dieren (Animal Farm), schrijft hij: Alle dieren zijn gelijk maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere. Een nog steeds zeer actueel en aan te bevelen pamflet tegen alle vormen van totalitarisme.
22januari1536In Münster sterft de wederdoper Jan Beukels, ook Jan van Leiden genaamd, de marteldood.  Hij was als volgeling van Jan Matthijs en Melchior Hofmann uit Straatsburg, de stichter van de “Republiek van Sion”.  Als koning van het Wederdopersrijk in Münster stelde hij er de gemeenschap van goederen en de polygamie in, maar op overtreding van de tien geboden  stond de doodstraf.
 
22januari1942De 8ste Elfstedentocht wordt gehouden in barre weersomstandigheden. Er vallen drie doden.
23januari1563Christian Schaepshooft en Pieter Pollet worden in Ieper onthoofd. Ze werden ervan beschuldigd  aanwezig te zijn geweest op een belangrijke openbare hagenpreek in Boeschepe (nu Frans-Vlaanderen).
23januari1579De noordelijke provincies van de Nederlanden sluiten de Unie van Utrecht met als doel gezamenlijk de vrijheidsstrijd tegen Spanje te voeren. Dit is een reactie op de Unie van Atrecht (zie 6 januari). Bij de Unie van Utrecht sluiten zich talrijke Zuid-Nederlandse steden aan: Brugge, Venlo, Breda, Ieper, Lier, Duinkerke, Brussel en Antwerpen. Leuven en ’s-Hertogenbosch kunnen zich niet aansluiten omdat ze bezet zijn door de Spanjaarden.
24januari1448Karel VII van Frankrijk erkent Filips de Goede als hertog van Bourgondië.
24januari1597Maurits van Nassau, zoon van Willem van Oranje, verslaat het Spaanse garnizoen te Turnhout.
24januari1911Geboorte in Dinant van de uitgeefster Angèle Manteau.
24januari1947Overlijden in Lier van de schrijver Felix Timmermans. In het buitenland was Timmermans in zijn tijd de bekendste, meest vertaalde Vlaamse auteur.
25januari1531Na tien jaar afwezigheid komt keizer Karel V terug naar de Nederlanden. Hij  vestigt zich in Brussel waar hij een zitting van de Staten-Generaal voorzit. Hij bereidt er  een drastische hervorming van het centraal bestuur voor dat het vertrekpunt is van een gemeenschappelijke wetgeving en toepasselijk op alle gewesten “van herwaarts over”.
25januari1759Geboorte van Robert Burns, The Bard genoemd, legendarische Schotse nationale dichter en liederenschrijver, hoofdfiguur van de Romantiek én van de vrijmetselarij in Schotland. Hij schreef in het oude Schotse dialect.
25januari1817Oprichting in Seraing  van de naamloze vennootschap Cockerill, met de steun van Willem I.  In het  Luikse bouwde  Cockerill de eerste  hoogovens waarin niet langer houtskool, maar cokes werden gestookt, op basis van gezuiverde steenkool uit de nabijgelegen mijnen. Door het gebruik van cokes kon men hogere en meer rendabele hoogovens bouwen.
26januari1340De Engelse koning Eduard III wordt in Gent tot koning van Frankrijk uitgeroepen en als nieuwe leenheer van Vlaanderen erkend. Jacob van Artevelde wist zo de economische relatie tussen Vlaanderen en Engeland te handhaven.
26januari1794In Frankrijk bepaalt een wetsbesluit dat een Franstalige onderwijzer moet worden benoemd in elke gemeente van het Noorderdepartement.
26januari1794In Frankrijk bepaalt een wetsbesluit dat “dans toutes les parties de la République, l’instruction se fera en langue Française”, wat het einde betekent van het onderwijs in streektalen of grensoverschrijdende talen zoals het Nederlands, het Duits en het Catalaans.
26januari1902Geboorte in Eibergen van de Nederlandse auteur Menno ter Braak, essayist, literair criticus en cultuurfilosoof, in de traditie van Oswald Spengler en Johan Huizinga. Ter Braak was een elitaire non-conformist  voor wie zowel nationaalsocialisme als communisme uitdrukking waren van de verstikkende  “Grote Gelijkheid”. Hoe die grote massabewegingen samenhingen met het christelijke gedachtengoed zet hij meesterlijk uiteen in zijn boek Van oude en nieuwe christenen.
26januari1950Terechtstelling in Scheveningen van Antonius van der Waals, genaamd “de grootste Nederlandse landverrader van de Tweede Wereldoorlog”.
27januari1492Geboorte in Vleteren (Frans-Vlaanderen) van Jacob de Meyere, de “vader van de Vlaamse geschiedschrijvers”.
27januari1853Op initiatief van keizer Napoleon III verbiedt de Conseil Académique du Nord het gebruik van het Vlaams in de Zuid-Vlaamse scholen.
28januari814Overlijden in Aken van keizer Karel de Grote, de stichter van het Heilige Roomse Rijk. Hij werd in 742 geboren, waarschijnlijk in het Luikse. Zijn familie was uit de Nederlanden afkomstig waar hij ook zelf graag en dikwijls verbleef. Karel de Grote had ook bijzondere banden met de streek van Ariën-aan-de-Leie (Frans-Vlaanderen). Hij regeerde 56 jaren en stierf op zijn 72ste.
28januari1688In Peking, overlijden op 65-jarige leeftijd van Ferdinand Verbiest, Vlaams jezuïet, missionaris en keizerlijk wiskundige en astronoom. Hij overlijdt als gevolg van een val van zijn paard en krijgt een staatsbegrafenis. Keizer Kangxi betaalt het mausoleum waarin hij wordt begraven.
28januari1918Overlijden in het militair ziekenhuis van Bonen (Frans-Vlaanderen) van de Canadese militaire arts en dichter, luitenant-kolonel John McCrae, schrijver van het beroemde gedicht In Flanders Fields.
29januari1616De Nederlandse ontdekkingsreizigers Jacob le Maire (1585-1616), uit Antwerpen, en Willem Corneliszoon Schouten (1580-1625) ontdekken de doorgang naar de Grote Oceaan nabij Kaap Hoorn. Deze kaap wordt door hen zo genoemd ter ere van de geboorteplaats van Schouten, het havenstadje Hoorn in West-Friesland.
29januari1910Eerste Groot-Nederlands Studentencongres in Antwerpen.
30januari1384Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, sterft in Sint-Omaars (Frans-Vlaanderen). Zijn enige dochter Margareta huwt met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en zo gaat het  graafschap Vlaanderen over in het huis van Bourgondië.
30januari1574De watergeus Lodewijk van Boisot, in Brussel geboren Zeeuwse admiraal, verslaat de Spaanse vloot, geleid door Romero en Davila in de buurt van Bergen op Zoom.
30januari1648De Vrede van Münster maakt een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. De noordelijke Nederlanden slagen erin hun Republiek door Spanje te doen erkennen als een vrije en onafhankelijke staat. Het doel van Willem van Oranje, de bevrijding van de volledige Nederlanden, wordt echter niet bereikt. De zuidelijke Nederlanden blijven bezet en gaan duistere jaren tegemoet.
30januari1791Geboorte in Mergem (Merville) van Louis-Joseph Fruchart, bijgenaamd Louis XVII, later de leider van een Boerenkrijg in Frans-Vlaanderen.
31januari1488Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519) wordt  in Brugge gevangengenomen. Hij was naar Vlaanderen gekomen om de opstand tegen de stijgende belastingen en zijn voortdurende oorlogen te onderdrukken.
31januari1578Het Geuzenleger wordt in Gembloers verslagen door de Spaanse troepen van Don Juan van Oostenrijk.
31januari1802Geboorte in Amsterdam van luitenant-ter-zee Jan van Speijk die, toen hij tijdens de Belgische opstand op de Schelde aangevallen werd door opstandelingen, zijn kanonneerboot liet ontploffen en, met hem, de hele bemanning alsook alle aanvallers (5 februari 1831).
31januari1966De Belgische regering besluit de mijn van Zwartberg te sluiten. Er breken stakingen uit en  bij rellen vallen vele gekwetsten  en twee doden, Valeer Sclep en Jan Latos.
Gepubliceerd

01.01.2021