Op 20 februari 1528 wordt Gherard van Meckeren, ook geschreven als Van Meckere en bijgenaamd Batenborg, benoemd tot kapitein-generaal — of viceadmiraal — van de Vlaamse vloot onder het bestuur van Keizer Karel V. De historicus Sanderus noemt hem “prefect van de Vlaamse zee”. Zijn voornaamste opdracht bestaat erin de Vlaamse kust en haar scheepvaart te beschermen.
Van Meckeren werd geboren in Sint-Winoksbergen. Zijn exacte geboortedatum is onbekend, maar kan vermoedelijk worden gesitueerd op het einde van de vijftiende of het begin van de zestiende eeuw, in een tijd waarin zeeschepen nog tot in Sint-Winoksbergen konden varen. Zijn voornaam verschijnt in de bronnen in uiteenlopende schrijfwijzen, waaronder Geraert, Gerit, Geeraert, Gheraerdt en Gherard. Hij overleed in 1562. Naast zijn maritieme loopbaan bekleedde hij ook een stedelijk ambt: als poortmeester stond hij tijdelijk mee aan het hoofd van de stad.
In een Nederlandstalige passage, geciteerd door Lodewijk de Baecker, wordt zijn woonplaats nauwkeurig beschreven:
“in Sinte-Maertins prochie op de noortzijde van Laenderstraete, tusschen de huyse van jonckheere Nicollaes Daesus van oosten ende den waterloop deser stede van weste.”
Gherard van Meckeren gold als de meest bekwame zee-aanvoerder van zijn tijd. Hij was een vertrouwensman van de keizer en van diens admiraal-ter-zee Maximiliaan van Bourgondië. Naast zijn taak als hoofdbewaker van de Vlaamse kust werd hij belast met talrijke vertrouwelijke opdrachten. Maximiliaan van Bourgondië omschreef hem als een man “met onwrikbare trouw aan zijn keizer” en prees zijn ruime militaire ervaring op zee.
Van Meckeren kan worden beschouwd als de man die de latere dynastie van de Vlaamse kapers uit Duinkerke inluidde. Tijdens langdurige missies in dienst van Keizer Karel beschermde hij Vlaamse vissers- en koopvaardijschepen langs de kust. Hij lag mee aan de basis van de tactiek die het succes van de Vlaamse kaperij verklaart: verrassingsaanvallen op vijandelijke handels- en oorlogsschepen, gebaseerd op snelheid en een superieure kennis van de Noordzee. De bewuste keuze voor een vloot van kleine en middelgrote, sterk bewapende maar uiterst wendbare schepen droeg zijn stempel. Zelfs de scheepsnamen weerspiegelden deze aanpak: De Adelaar, De Draak, De Zwaluw, De Sperwer en De Valk.
Van Meckeren voerde namens — en soms in het gezelschap van — zijn keizer de keizerlijke vloot aan naar de vele havens waar oorlogen en politieke opdrachten hem brachten. Schriftelijke bronnen getuigen van zijn bijna permanente aanwezigheid op zee, met expedities naar Italië, Denemarken, Frankrijk en Groot-Brittannië, van de Oostzee tot de Atlantische Oceaan. Ook enkele van zijn exploten tegen Frankrijk haalden de geschiedenisboeken. Zo liet hij in mei 1543, tijdens vergeefse pogingen om de haven van La Rochelle in te nemen, talrijke schepen geladen met Bordeauxwijn verbranden en nam hij een twintigtal andere in beslag. Tussen 1553 en 1554 veroverde hij bovendien 28 Franse schepen.
Toen Keizer Karel afstand deed van de macht ten gunste van zijn zoon, was het Gherard van Meckeren die als kapitein op het schip De Olifant werd aangeduid om de vorst naar zijn rustoord in Spanje te begeleiden — een duidelijk teken van uitzonderlijk vertrouwen. Deze zeereis duurde toen elf dagen.
Onze kennis over deze zeeofficier is grotendeels te danken aan het speurwerk van de Frans-Vlaming Lodewijk de Baecker (1814–1896), die in West-Vlaanderen — bij pastoor Van de Putte in Boesinge — een deel van de familiearchieven van zijn stadsgenoot Van Meckeren kon raadplegen. Zijn studie is integraal online beschikbaar onder de titel Gherard van Meckeren, vice-amiral de Flandre sous Charles Quint (Brugge, 1849).
Ik heb me afgevraagd waarom een grote naam in zijn tijd als Gherard van Meckeren tussen de mazen van de geschiedenis viel. Ik zie daarvoor vier belangrijke redenen. Van Meckeren was in de eerste plaats een dienaar van de staat, geen vorst of pronkfiguur die zijn eigen daden liet vastleggen, maar een uitvoerder van het beleid van Keizer Karel V. Daarnaast zijn veel maritieme en administratieve archieven uit zijn werkgebied door oorlogen en verwoestingen verloren gegaan. Een derde reden ligt in het vertrouwelijke karakter van zijn opdrachten, die vaak mondeling werden gegeven en nauwelijks sporen nalieten in de geschreven bronnen. Tot slot stierf hij niet in een heroïsche zeeslag die tot legendevorming leidde, maar verdween hij stil uit het openbare leven, zoals zovele bekwame mannen van zijn tijd.
Van Meckeren oefende zijn ambt uit in een woelige periode, waarin de Noordzee en het Kanaal geen veilige handelsroutes waren, maar strategische frontlinies geteisterd door oorlog en kaapvaart. Met zijn ervaring en gezag droeg hij bij tot een professionelere organisatie van de Vlaamse vloot. Het is opvallend dat hij na de terugtrekking van Keizer Karel uit de actieve bronnen verdwijnt. Men weet dat hij toen ziek was en dat hij nooit volledig herstelde van de dood van zijn enige zoon Cornil in 1558. Vandaar mijn hypothese dat hij zich, na een lange loopbaan in dienst van de kroon — samen met zijn keizer — heeft teruggetrokken uit het openbare en militaire leven. Na zijn overlijden in 1562 raakte zijn naam geleidelijk in de vergetelheid, maar zijn loopbaan toont hoe ook Vlaamse zeeofficieren een sleutelrol speelden in het maritieme machtssysteem van hun tijd.
20.02.2026
Vandaag, 6 november, is volgens de katholieke kalender de feestdag — en tevens sterfdag — van de heilige Winok (of Winoc), geboren tussen 640 en 650 en overleden op 6 november 716 of 717.
Volgens de christelijke traditie was Winok een Bretoense koningszoon die de heilige Bertijn kwam ondersteunen in het bisdom Terwaan en in diens abdij van Sithiu (het latere Sint-Omaars). Over de taal die Winok en zijn medebroeders spraken, bestaat geen zekerheid. Vast staat wel dat zij het Frankisch moesten beheersen om in de streek te kunnen prediken. Daarbij rijst de vraag of de aanduiding “Bretoen” moet worden begrepen als afkomstig uit Bretagne, dan wel uit Brittannië, en dus van over de Noordzee, waar in die tijd aan de kust eveneens Noordzeegermaanse talen werden gesproken.
Vanuit Sithiu werden monniken — onder wie Winok — uitgezonden om het nog grotendeels heidense Vlaanderen te kerstenen. Later trok Winok zich terug in het klooster van Woromhold, het huidige Wormhout. Na zijn dood in Wormhout werd zijn lichaam overgebracht naar Sint-Winoksbergen, de stad die tot op vandaag zijn naam draagt.
Waarom Winok zich precies naar de kuststreek begaf en op de Groenberg een bidplaats oprichtte die later zou uitgroeien tot de abdij van Sint-Winoksbergen, wordt in de christelijke hagiografie slechts sporadisch vermeld. Volgens de historicus Lodewijk de Baecker werd op deze heuvel door de plaatselijke bevolking een heidense god vereerd, die hij Baal noemt. Al snel denkt men daarbij aan Balder (of Baldr), de Germaanse god van het licht en de lente. De jezuïet Malbrancq sprak in de 16de eeuw echter over de Groenberg als de plaats van een “duivelse cultus” gewijd aan Wotan.
Diezelfde Wotan werd overigens niet ver van Sint-Winoksbergen vereerd, namelijk in Veurne. Op die heidense cultusplaats werd later de Sint-Walburgakerk gebouwd.
Men mag er rustig van uitgaan dat Winok en zijn confraters systematisch de heidense cultusplaatsen in de streek bezochten om de lokale bevolking tot het nieuwe geloof te bekeren. Veel van de eerste kloosters, kerken en kapellen werden immers opgericht op plaatsen waar eerder een heidense eredienst bestond. Dat patroon geldt zowel voor de abdij van Sithiu, het klooster van Wormhout als voor de abdij van Sint-Winoksbergen.
06.11.2024
De Vlaamsgezinde directeur van het College van Hazebroek, priester Dehaene (1809-1882), stelde ooit de vraag:
“Moeten wij onze voorouders vergeten? Zouden zij niet terecht verbaasd zijn als ze ons zouden zien dansen op hun beenderen bij het bezingen van hun schaamte?”
Deze woorden schreef Dehaene als protest bij het nieuws van de oprichting van het gedenkteken voor de drie veldslagen van Kassel.
Daar moest ik aan denken bij de inauguratie deze week van een tweetalig straatnaambord in Sint-Winoksbergen: “Voetbruggetje van den Zunnekeuning.”
Het is niet omdat dit bord een mengeling is van geschreven folklorevlaamsch en Nederlands, dat het daardoor acceptabel wordt. De Zunnekeuning bracht geen warmte, maar dood en bederf. De kronieken van de zeventiende eeuw vertellen dat de meeste inwoners waren gevlucht; wie bleef, werd ziek of stierf. De hele streek werd geplunderd, afgebrand of verwoest.
Naar de woorden van priester Dehaene: het is de schaamte voorbij om in Sint-Winoksbergen, Pietje XIV – zelfs met maar een voetbruggetje – deze figuur te eren.
De katholieken onder ons zouden kunnen zeggen: vergeef de initiatiefnemers, want ze weten niet wat ze doen. Maar ik ben een pantheïst. Dat bord ontsiert het stedelijk landschap van deze Vlaamse stad en mag wat mij betreft zo snel mogelijk worden verwijderd of overgeschilderd.
04.04.2024

La charte bilingue de l’Institut Régional de la Langue Flamande/ Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele (ANVT) ne fait pas l’unanimité, à en croire les nombreuses réactions à mon article sur Kaester/ Kaaster. Ces lecteurs me demandent mon avis sur les propositions concernant la bonne ville de Bergues pour laquelle l’ANVT suggère le nom de Bergen.
Au temps où le territoire de Bergues avait l’aspect d’une presque île face à la mer, Winoc (640/650 -717), disciple de Bertin qui fonda l’abbaye de Saint-Omer, y établit un premier monastère sur une élévation appelée le Groene Berg ou Groenberg. Comme c’est souvent le cas, le site était certainement l’emplacement d’un culte païen à l’origine. Selon les sources : Gruono(m) Berg en 857. Les comtes de Flandre transformèrent petit à petit la ville en un solide bastion. En 944, une mention latine précise ad castrum quod dicunt Bergam. Bergam, du germanique Berga qui signifie ‘Berg’ (mont, colline,). C’est donc ce Groene Berg, cette ‘colline verte’, qui est à l’origine du nom de la ville. L’aspect militaire de l’endroit est également exprimé par la dénomination Castrum Bergense ou camp (militaire) sur la colline.
La ville qui se développa autour du Groenberg prit pour protecteur Saint Winoc, comme il était coutume au temps de la christianisation, et devint Sint-Winoksbergen. Ce nom figure, avec ou sans la mention ‘sint/saint’, et sous différentes orthographes, sur les cartes de Flandre et des anciens Pays-Bas. La carte de Flandre de 1592 dessinée par Mathias Quad mentionne Winoxbergen, la carte des XVII provinces de Willem Blaeu (1617) Wynoxberge. Un nom un peu long pour nos cartographes qui utilisent également l’abréviation Berghen, Berge ou Bergen. La carte de Flandre de Gerardus Mercator (1540) mentionne Berghen, de même que la très belle carte de l’évêché d’Ypres signée Joan Blaeu Bergen (1662).
Ceci étant dit, le nom exact de Bergues restera Sint-Winoksbergen, en français Bergues-Saint-Winoc, jusqu’à la Révolution française. Preuve en est que les Révolutionnaires rebaptiseront Bergues-Saint-Winoc, Bergues-sur-Colme, ce qui n’aurait pas été nécessaire si le nom courant avait été Bergues/Bergen.
Conclusion: c’est une erreur de conclure qu’un nom abrégé pour de simples raisons pratiques puisse avoir pris la place du nom officiel d’une commune. Sint-Winoksbergen est le seul nom de Bergues connu dans les Pays-Bas historiques. C’est un nom qui situe la fondation de Bergues aux premiers temps de la christianisation de la région. C’est un nom qui rend unique cette belle ville de Flandre. Il évite les amalgames avec les autres Bergen en Europe : Bergen/ Mons dans le Hainaut, Bergen op Zoom aux Pays-Bas, Bergen en Hollande du nord, Bergen en Basse-Saxe, Bergen en Norvège, etc. Confusions et problèmes garantis à notre époque digitale.
La préconisation du Cercle Andries Steven pour le nom flamand de la ville de Bergues est donc Sint-Winoksbergen. Il serait également judicieux que la ville profite de l’occasion, si tel n’était pas encore le cas, pour valider son nom historique en français: Bergues-Saint-Winoc.
Wido Bourel
Vice-président du Cercle Andries Steven Kring
Auteur du livre Olla Vogala, histoire de langue des Flamands, en France et ailleurs paru aux éditions Yoran Embanner.
25.10.2020

Je suis heureux de pouvoir vous parler ici de Caestre pour trois raisons: la première c’est que j’y ai vécu durant les vingt premières années de ma vie; la seconde est que j’y ai lancé le premier cours de néerlandais (qui n’était pas un cours de Flamand occidental comme certains l’affirment aujourd’hui), cours qui fut plus tard pris en main par mes successeurs Messieurs Jean-Paul Couché, aujourd’hui président de l’Institut Régionale de la Langue Flamande, et Jean-Charles Decoopman; la troisième, c’est que j’apprends par les journaux que Caëstre devient Kaester, maintenant que la commune adhère à la charte de la signalétique bilingue Oui au flamand.
Je trouve bizarre que tout ceci se fasse dans l’ombre, sans liens ni échanges avec les gens de Caestre, ni avec des spécialistes en toponymie. Il existe pourtant des spécialistes locaux qui connaissent la toponymie régionale, font des recherches dans les archives, et pourraient être consultés. La langue et la toponymie flamande ne constituent pas un monopole mais appartiennent à tous les Flamands, et celle de Caestre à tous les Castrois. J’ai moi-même travaillé avec le regretté linguiste Cyriel Moeyaert sur les registres paroissiaux de Caestre. Il y a trois ans, j’ai publié les travaux de C. Moeyaert sur la toponymie locale. Mais tout ceci ne semble guère intéresser l’Institut de la Langue Régionale Flamande. Pourtant, ils connaissent ces publications et ils savent comment nous joindre.
Sur quelles sources historiques l’Institut de la Langue Régionale Flamande se base t-il pour faire ses choix? Prenons l’exemple de Flêtre, village voisin de Caestre. Le choix de Vleeter, imposé par l’Institut de la Langue Régionale Flamande, n’est étayé par aucune source connue. Les sources historiques mentionnent Fleterne (1072 et 1075), Vleterne (1284 et 1288). Les cartes du 16ième siècle, comme celle de l’Atlas Major de Joan Blaeu datant de 1665, mentionnent tout simplement Vleteren. La même orthographe donc que celle des communes de Oost-Vleteren et West-Vleteren en Flandre occidentale. Il ne faut pas être membre d’une société savante pour le savoir : il suffit d’aller déguster une bière trappiste à West-Vleteren pour savoir comment s’écrit Vleteren en Flamand occidental comme en néerlandais.
Même chose pour le village de Méteren quelques kilomètres plus loin : il n’y avait rien d’autre à faire que d’enlever l’accent aigu du premier ‘e’. Méteren s’écrit donc Meteren et non pas Meeter en flamand/néerlandais. Meteren qui viendrait du celte ‘matrona’, est mentionné Meternes dans une source de 1158. Ensuite il y a unanimité pour l’orthographe Meteren sur toutes les cartes de Flandre et des Pays-Bas historiques depuis le 15e siècle. Dans ces deux cas, la tradition orale ne peut l’emporter sur cinq siècles d’histoire. Il fallait donc choisir Meteren et Vleteren. La prononciation dialectale de ces deux noms ne modifie en rien leur écriture.
Je pourrais continuer et vous faire les mêmes commentaires sur les traductions de Herzeele, Sainte-Marie-Cappel, et j’en passe. Pourtant, la toponymie est une science sérieuse. Avec les choix de l’Institut de la Langue Régionale Flamande, la signalétique bilingue de notre Flandre tourne trop souvent à la farce.
J’ai conservé Caëstre, le village de ma jeunesse, pour la fin.
Si l’Institut fait le choix de noms historiques pour la signalétique bilingue, il se doit d’utiliser les noms retrouvés dans les archives, sur les cartes, etc. Pour Caestre on a théoriquement le choix de toute une série de noms attestés historiquement. Je vous en donne une liste qui n’est pas exhaustive: Castris (1174), Castre (1188), Caestere (1328), et Caester sur la célèbre carte de Mercator (1540). C’est donc Caester qui aurait pu être choisi sur base des sources existantes.
Si l’Institut donne priorité à la linguistique plus qu’à l’histoire, alors il se devait de faire le choix de Kaaster et non pas de Kaester. ‘Kaaster’ pour éviter une orthographe archaïque et faire le lien entre le flamand occidental et sa version moderne qui est le néerlandais.
Conclusion: Le choix de Kaester est révélateur car il montre le manque de rigueur scientifique dans les choix des tenants de la charte ‘Oui au flamand’. Kaester, ce n’est pas une orthographe attestée par les sources et, linguistiquement, c’est l’orthographe archaïque de Kaaster en flamand/néerlandais d’aujourd’hui.
Mon village s’appelle KAASTER!
Wido Bourel
Vice-président du Cercle Andries Steven Kring
Auteur du livre Olla Vogala, histoire de la langue des Flamands, en France et ailleurs paru aux édtions Yoran Embanner
23.10.2020