WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Het verhaal van Vlaanderen

Een introductie tot de Vlaamse canon

Lees dit artikel ook op Facebook: https://www.facebook.com/wido.bourel

Wat ik vind van het verhaal van Vlaanderen? Dat is dé vraag van de week.

Ik heb uiteraard punten van kritiek over dit programma. Maar iets belet me te huilen met de wolven. Tom Waes neem ik er bij, Geert. Al zou onze gemeenschappelijke leermeester Cyriel Moeyaert, bij leven, ook zijn bedenkingen hebben geformuleerd. Zo een figuur maakt het programma juist populair.

Als verlicht amateurhistoricus en autodidact kan ik alleen maar applaudisseren bij elk vulgariserend en volks programma dat onze geschiedenis in de kijker zet. Sinds het onderwijs het vak geschiedenis heeft dichtgeknepen tot iets gevaarlijks raakt de doorsnee Vlaming in trance bij het herontdekken van de Guldensporenslag, het officiële feest van de Vlaamse Gemeenschap, nota bene. Wie had het ooit over “Arm Vlaanderen”?

Een sluwe inleiding tot de Vlaamse Canon

Ik geniet van het venijnig optreden van sommige beroepshistorici. Renegaten als Bruno de Wever en Marc Reynebeau voelen de bui al hangen. Dit programma is nl. een sluwe inleiding voor de aanvaarding van de Vlaamse-canon-die-er-niet-mocht-komen.

Deze strijd zijn ze nu al verloren en dat is goed nieuws. Ik heb wel respect voor een historicus als Jan Dumolyn die als marxist ons de guldensporenslag als sociale strijd presenteert. Deze lezing stoort me niet echt, al is deze maar een deel van het verhaal.

Het ander deel is de eindeloze agressie van Frankrijk en de groei van het verzet van de Vlaamse steden. Een verzet tegen de overmacht van Frankrijk en, met vallen en opstaan, de eerste pogingen tot zelfbestuur van steden en van een regio. Als dat geen feitelijke stap is in de richting van natievorming, wat dan wel?

Het goede nieuws is dat Jan voortaan 11 juli als sociale strijd kan meevieren met een Vlaamse leeuw op zijn woning. Als rode klauwen kunnen helpen om de stap te wagen Jan bezorg ik je een vlag uit Frans-Vlaanderen, al zijn de voorraden, na de voetbalmatch, uitgeput.

Mijn boodschap als Frans-Vlaming aan de dames en heren gediplomeerde historici: ‘Het is een vuile vogel die schijt in zijn nest’. In de Franse school heb ik de geschiedenis van de ‘historische vijand’ geleerd. Dé ‘objectieve’ en enige ware geschiedenis, gezien door een jakobijnse bril. Om hiervan af te kicken leer ik en schrijf ik elke dag over de geschiedenis van onze Lage Landen.

Nota bene: een betere verklaring om de band tussen geschiedenis en identiteit te duiden kan ik niet formuleren.

Gepubliceerd

26.01.2023

Kernwoorden
Reacties

Duizenden leeuwenvlaggen tegen PSG

Frans-Vlaamse amateurploeg speelde tegen de beste club van Frankrijk

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/duizenden-leeuwenvlaggen-tegen-psg/

Voetbal is niet onmiddellijk mijn ding maar gisteren, in het Frans-Vlaamse Kassel, kon ik  er niet omheen: sinds de plaatselijke voetbalploeg zich heeft gekwalificeerd voor de zestiende finale van de Franse beker was er nog maar één onderwerp: een toegangskaart, een geel-zwarte sjaal en een vlag bemachtigen om naar de match te gaan.

De bekendmaking van de volgende tegenstander kwam als een tsunami over in Frans-Vlaanderen. Zesdeklasser Kassel werd uitgeloot tegen Frankrijks nummer 1 Paris Saint-Germain, de rijkste club van het land, met Mbappé, Neymar en andere wereldvedetten. Na een kort moment van aarzeling was het in Kassel beklonken. Men ging die rijk betaalde Parijzenaren laten zien dat voetbal eerst een volksfeest is.

Geel en zwart

De Kasselse club Pays de Cassel, zo heet ze officieel,  speelt in de Franse zesde divisie. Het team bestaat uit liefhebbers die overdag een andere job uitoefenen voor de kost. De club groepeert rond het stadje Kassel, nog geen 3.500 inwoners groot, voetballers uit omliggende dorpen. Vorige week zijn ze er  in geslaagd, na een heroïsche strijd, Wasquehal, een club uit tweede divisie, uit te schakelen.

We zijn hier hartje Frans-Vlaanderen en de shirts van de Kasselse club kleuren geel en zwart. De accommodatie om PSG te ontvangen hebben ze niet maar een deal met eerste divisieclub Lens was snel beklonken. Om er een onvergetelijk feest van te maken. Want een Kasselnaar weet wat feesten betekent: het jaarlijkse carnaval is in de regio  wereldberoemd. Tijdens het Kasselse karnaval  zingen ze hier nog elk jaar van ‘Keere weerom, reuze reuze’. Al zijn ze vandaag de dag hun aloude West-Vlaamse taal verleerd.

Voetbal is oorlog

De voorzitter van een plaatselijke historische vereniging, al evenmin een voetbalfan, zei me heel ernstig: ‘Deze voetbalmatch is een revanche voor de verloren slag van de Kerels van Nicolaas Zannekin tegen de Franse koning’. Ik probeer mijn gesprekspartner voorzichtig wijs te maken dat de eerste slag bij Kassel in 1071, gewonnen door Robert de Fries, een beter referentiekader is voor een overwinning. Intussen verzamelen honderden kinderen voor de foto op de naburige  speelplaats van het plaatselijke collège Robert le Frison. Allen met obligate geel-zwarte shirt omringd door Vlaamse leeuwen die wapperen in de wind.

Uitverkocht

Een drukdoende reporter brult vanachter de micro dat de verkoop van toegangstickets een grandioos succes was. Meer dan 40.000 kaartjes werden verkocht. Ook op de grote schermen in de cafés en Vlaamse herbergen rond de markt zie je het leven in geel en zwart.

De plaatselijke Vlaamse Radio Uylenspiegel, gevestigd op de Kasselse markt, was van plan de match life uit te zenden. Ze weten me  te vertellen dat, alleen vanaf  het verzamelpunt op Kasselmarkt, al 61 autobussen naar Lens vertrekken. Niets is aan het toeval overgelaten om deze voetbalgekte te ondersteunen. Zelfs speciale treinen werden door de Franse spoorwegen ingelegd.

De Vlaamse vlag: een bestseller

Wie  drie dagen  voor de wedstrijd geen vlag van de club kon bemachtigen was er aan voor de moeite. Met de vlag van de club bedoel ik: de Vlaamse leeuw. De handelaars die Vlaamse vlaggen verkopen zijn volledig  uitverkocht. Het verhaal was in grote letters in de krant te lezen:  ‘Racines’, een plaatselijke winkel van regionale producten, liet vorige week zijn klanten via Facebook weten, dat ze nog over een stock Vlaamse vlaggen beschikte. Weinige uren later waren alle resterende negentig Vlaamse vlaggen verkocht.

Kleine tot reuzegrote Vlaamse vlaggen: dit was het best verkochte artikel in Kassel vorige week

Kleine tot reuzegrote Vlaamse vlaggen: dit was het best verkochte artikel in Kassel vorige week. Dezelfde handelaar kon, op de valreep, 250 vlaggen over de grens aankopen. In twee dagen tijd zijn ze allemaal de deur uitgegaan. Commentaar van de vriendelijke zaakvoerder: ‘Had ik er nog meer kunnen inkopen, ik had ze allemaal verkocht: ik ga vandaag nog een nieuwe bestelling plaatsen.’

De paradox van de vlag

Interessant om weten: deze handelaar verklaart dat zij,  in normale tijden,  met een stock van ongeveer  250 Vlaamse leeuwenvlaggen de verkoop van een jaar dekt. Ik ben benieuwd te weten hoeveel winkels in  Vlaamse landelijke gemeenten vandaag zulke aantallen Vlaamse vlaggen verkopen.

In Frans-Vlaanderen, waar de Vlaamse identiteit ernstig wordt bedreigd, is de bevlagging van een huis of gebouw de normaalste zaak van de wereld

In Frans-Vlaanderen, waar de Vlaamse identiteit ernstig wordt bedreigd, is de bevlagging van een huis of gebouw de normaalste zaak van de wereld om zich als Vlaming te uiten. De paradox is toch dat in midden Vlaanderen, daar waar de Vlamingen verregaande vormen van zelfbestuur hebben bemachtigd, met een eigen regering en parlement, de vlag als teken van identiteit wordt betwist en bespot.

De kracht van de underdog

Kassel heeft gisteren 20 minuten lang de nul score kunnen houden. De ongelijke strijd eindigde op een droge 0-7  in het voordeel van PSG. Uiteraard ligt de overwinning niet zozeer in het resultaat dan wel in de deelname. Ik herhaal dat ik niets van voetbal weet. Maar ik heb instinctief een voorkeur voor de bekercompetitie omwille van de kracht van de underdog  die er soms van uitstraalt. Alle condities worden dan ingevuld voor een waar volksfeest.

Dat de grotere ploegen wel eens gezichtsverlies kunnen lijden heeft Kassel bewezen door tweedeklasser Wasquehal uit  te schakelen. Nu, de eerste, echte winnaars in Lens zijn de duizenden Vlaamse leeuwenvlaggen die heel Frankrijk heeft gezien en die de Vlaamse aanwezigheid in Frankrijk bevestigen. Ook de VRT liep in Kassel rond en liet  op het nieuws een supporter horen die het had over zijn ‘identité flamande’. Hier mag het blijkbaar want het is supporterspret en David tegen Goliath. Maar het is een grote vergissing te denken dat deze uiting van identiteit alleen maar voetbalfolklore is.

Gepubliceerd

24.01.2023

Kernwoorden
Reacties

Communiqué de presse: ma réponse à Jean-Paul Couché

L’interview de Monsieur Jean-Paul Couché « le flamand occidental revient dans le concert des langues régionales » contient plusieurs affirmations incorrectes, voir désobligeantes, concernant la Flandre française et la Flandre belge.

  1. JPC estime entre 40 et 50.000 le nombre de locuteurs du Vlaamsch en Flandre française. Cette affirmation est gratuite et ces chiffres tronqués. Il n’existe en réalité aucun recensement précis de cette population. Je ferai à mon tour une estimation de simple bon sens en divisant par dix les chiffres avancés par JPC. Dans le meilleur des cas, 4 à 5.000 personnes seulement sont encore concernés. Une grande partie, très âgée et isolée, n’a malheureusement plus la possibilité, faute d’interlocuteurs, de parler le Vlaamsch qui se perd un peu plus tous les jours. On peut prédire que dans les cinq à dix ans le Vlaamsch aura complètement disparu en Flandre Française. Que JPC veuille justifier les 500.000 euros de subsides octroyés ces dernières années par les HdF est une chose. L’honnêteté la plus élémentaire une autre.
  2. JPC nous parle de 350 jeunes apprenant le Vlaamsch dans une douzaine d’établissements. Etonnant, après toutes ces années de travail et moultes subventions aux frais du contribuable, qu’on puisse faire autant de vacarme pour si peu. A titre de comparaison les cours de néerlandais dispensés de l’école primaire à l’université et dans le cadre de différentes initiatives économiques et scolaires privées concernent, selon une évaluation récente de Monsieur Henri Vaassen, plus de 15.000 élèves et étudiants dans plus de cinquante établissements du Nord de la France. Une initiative comme l’association pour l’enseignement bilingue vit d’aumônes pour assurer les cours à plus d’un millier d’élèves. Les intéressés qui souhaitent apprendre le néerlandais, langue de leurs ancêtres et de leurs voisins seraient-ils des citoyens de seconde zone ? Un poète flamand a dit : le bruit ne fait pas de bien et le bien ne fait pas de bruit.
  3. JPC évoque, pour se donner plus d’importance, les Flamands de Belgique dont un 1,5 millions de locuteurs du flamand occidental. Comment comprendre cette annexion par les chiffres de nos amis et voisins de Flandre belge ? JPC envisage-t-il à lui seul de revoir la Constitution fédérale belge en matière linguistique ? La langue officielle de la Flandre belge s’appelle le néerlandais. Le flamand occidental comme les autres variantes régionales du néerlandais sont utilisés oralement dans la vie de tous les jours. Elles font partie du patrimoine culturel et ne sont l’objet d’aucune interdiction. Pour qu’une collaboration s’engage il faudrait d’abord que JPC revienne à la réalité des choses sur le terrain comme en matière linguistique.
  4. Exemple de réalité des choses : la signalétique bilingue. Comment peut-on espérer être pris au sérieux par des linguistes après la démonstration que Zuudpeëne serait la version flamande de Zuytpeene et Eëkelsbeeke de Esquelbecq. Même les personnes qui ne comprennent pas le flamand/ néerlandais réalisent à la vue de ces panneaux que réduire la Flandre verdoyante et fleurie a une farce ridiculise notre cause.
  5. Je note l’évocation de troisième ordre de JPC quant à langue néerlandaise. Bien entendu la relation du flamand occidental au néerlandais passe bien avant sa relation à l’anglais ou à l’allemand. JPC le sait très bien car il a appris le néerlandais dans sa jeunesse. Il suffit de comparer leur vocabulaire pour s’en rendre compte. La langue néerlandaise est au flamand occidental ce que l’allemand est à l’alsacien. Le flamand est une variante régionale du néerlandais et pas une langue à part. C’est la raison pour laquelle, avec le cercle Andries Steven, nous revendiquons le statut de langue régionale et d’intérêt régional pour le néerlandais, en plus du flamand occidental et du picard, comme c’est déjà le cas pour l’allemand et l’alsacien.
  6. Il est plus que temps d’’arrêter les petits jeux et de mutualiser les ressources dans le cadre d’une tentative de sauvegarde de la langue de nos ancêtres sous toutes ces formes. Il y a une place et pour le flamand occidental et pour le néerlandais. La région perd sa vocation d’ouverture au nord-ouest européen si elle refuse l’intégration du néerlandais dans le concert des langues régionales.
  7. Si l’apprentissage du flamand/ néerlandais n’est pas facilité à court terme en Flandre française alors il faudra que la France accepte un jour que la Flandre belge supprime l’enseignement obligatoire du français dans ses écoles secondaires. JPC confond allègrement ‘modèle d’interdiction’ et ‘modèle de tolérance’. Soyons clair : La tolérance c’est quand on apprend la langue de l’autre comme en Flandre belge. Et l’interdiction c’est quand on refuse de donner un statut régional au néerlandais comme dans les Hauts-de France et à l’ANVT.
Gepubliceerd

18.01.2023

Kernwoorden
Reacties

Wie helpt het onderwijs van het Nederlands in Frankrijk?

In gesprek met Henri Vaassen

Henri Vaassen, docent Nederlands in Duinkerke, Frankrijk.

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wie-helpt-het-onderwijs-van-het-nederlands-in-frankrijk/

Henri Vaassen is geboren en getogen in Belgisch Limburg uit een Nederlandse vader en een Vlaamse moeder. Na studies aan de KU Leuven doceerde hij zakelijk Frans aan de KU Nijmegen. Hij verruilde Nederland voor Frans-Vlaanderen. H. Vaassen doceerde er 25 jaar lang zakelijk Nederlands aan de ULCO. Dat is de Université du Littoral Côte d’Opale in Duinkerke. Hij is ook oud-voorzitter van het Huis van het Nederlands in Belle. Geen betere gesprekspartner voor een stand van zaken over het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen.

Men vertelt van alles over het onderwijs van onze taal in Frans-Vlaanderen. Vóór de covid-periode had ik opgevangen dat meer dan 20.000 mensen in de regio Nederlands studeerden. Gaat het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen dan achteruit?

‘Zo’n vijf jaar geleden volgden 20.000 inwoners van de departementen Nord en Pas-de-Calais Nederlands. Dat klopt, inderdaad. Ik tel dan wel scholieren tot studenten en gepensioneerden samen. Spijtig genoeg is dit de laatste jaren met zo’n kwart gedaald. Er waren toen meer dan 75 middelbare scholen, nu slechts een vijftigtal. Niet alleen corona is hier de schuldige. Vooral in rurale streken schijnt de plaatselijke, artificiële variant van het West-Vlaams volk te trekken.’

Kan men ergens Nederlands leren van het lager onderwijs tot, zeg maar, aan de universiteit?

‘Jazeker. In Roosendaal bij Duinkerke is er een school waar men het programma halftijds in het Nederlands onderwijst. Een gelijkaardig systeem bestaat in een lagere school en college in Halewijn en een lyceum in Toerkonje bij Rijsel. Ook voor de universiteit moet je in Robaais zijn. Daar is een volledige masteropleiding Toegepaste Vreemde Talen, waar het Nederlands kan gekozen worden als major, naast het verplichte Engels. In Duinkerke kon dat vroeger ook, maar dit is geleidelijk aan afgebouwd.’

Waar kan men in Frans-Vlaanderen nog Nederlands leren buiten het officiële onderwijs?

‘Tal van avondscholen organiseren cursussen Nederlands. Ik denk aan het Huis van het Nederlands in Belle of het Huis van Europa in Duinkerke. Verscheidene Kamers van Koophandel, zoals in Rijsel, hebben banden met een vormingsinstituut. Dan zijn er nog een aantal privéondernemingen. Daarvoor moet je wel meestal naar een groter stedelijk centrum. Maar verder dan een basisvorming komt het vaak niet.’

Is de link met ouders of grootouders die de Vlaamse streektaal spraken of nog spreken een motivatie om Nederlands te leren?

Wie nu familiale linken heeft met het Franse West-Vlaams, kiest spijtig genoeg dikwijls voor een avondcursus in dit dialect

‘Dat was nog duidelijk merkbaar toen ik dertig jaar geleden aan de Universiteit van Duinkerke begon. Maar het dialect werd nog slechts gesproken door een oudere, uitdovende generatie. Zo kregen we er eigenlijk steeds minder studenten uit die kringen. Dit verklaart gedeeltelijk de opheffing van de afstudeerrichting. Wie nu familiale linken heeft met het Franse West-Vlaams, kiest spijtig genoeg dikwijls voor een avondcursus in dit dialect. Een dialect dat men zelfs in West-Vlaanderen ternauwernood verstaat!’

Grensgezinnen die hun kinderen van jongs af over de Schreve naar West-Vlaamse scholen sturen: is dat een oplossing?

‘Misschien, net zoals Vlaamse kinderen in Frankrijk school laten lopen een positief effect heeft op hun tweetaligheid later. Maar hoeveel mensen kiezen daar werkelijk voor? Het lijkt me een omslachtige, kostelijke en elitaire keuze. En ieder heeft tenslotte recht op degelijk vreemde-taalonderwijs in eigen land.’

Armand Héroguel is sinds dit jaar emeritus als professor Nederlands aan de universiteit van Rijsel. Waarom is hij nog niet vervangen?

‘Blijkt dat er eind vorig academiejaar geen enkele hoogleraar Nederlands meer was in heel Frankrijk! De Nederlandse Taalunie en de Vlaamse Vertegenwoordiging in Parijs doen hun best om het ministerie van Hoger Onderwijs van het absurde van deze situatie te overtuigen. Je moet weten dat Frankrijk sterk piramidaal denkt en werkt. Als er van bovenaf niets wordt bedacht en georganiseerd, kan de basis doen wat ze wil, het komt er niet. Gefluisterd wordt dat de Universiteit Rijsel, die trouwens nog een klassieke opleiding Neerlandistiek heeft, opnieuw een leerstoel zou krijgen.’

Frankrijk vindt het normaal dat de Vlamingen in België op school verplicht Frans leren. Waarom is er geen reciprociteit voor de Frans-Vlamingen in de grensstreek? Is dat niet een teken van vijandigheid en van een superieur gevoel tegenover onze taal en cultuur?

‘Tja, dit geldt natuurlijk ook voor het Verenigd Koninkrijk en het Engels. Twee wereldtalen met een rijke cultuur en geschiedenis. Beter dan van leer te trekken kunnen we bestaande, groeiende samenwerkingsverbanden in de kijker stellen. Patrice Vergriete en François Decoster, de voorzitters van de Rijselse en Sint-Omaarse agglomeratie, zijn zich bewust van de economische voordelen als zoveel mogelijk Frans-Vlamingen drietalig zouden worden.’

Nietzsche schreef: ‘er is geen hoop’

‘Deze twee vooraanstaanden hebben in deze reeds een aantal initiatieven genomen. Ik geloof dat ze hier nog veel verder in zullen gaan.’

Henri, je bent voorzitter van de Vereniging voor Tweetalig Onderwijs in Noord-Frankrijk. Wat is de rol van deze organisatie?

‘Dit verhaal begon zowat tien jaar geleden. Ons was opgevallen dat in de Elzas 25 000 leerlingen en studenten van tweetalig onderwijs (Frans/Duits) genoten.  Wij zochten naar, en kregen de steun van onze Elzassiche collega’s. Samen maakten wij ons sterk dat dit voor het Nederlands in de grensstreek met Vlaanderen ook moest kunnen.’

‘We hebben hiervoor gelobbyd bij de plaatselijke en nationale autoriteiten. We kregen zelfs gehoor bij de Franse Ambassade in Brussel en de voormalige minister van Onderwijs, Hilde Crevits. Maar de Rijselse Academie, alleen bevoegd voor de organisatie van het officiële onderwijs Nederlands in Noord-Frankrijk, stak hier een stokje voor!’

Wie financierde dan deze opleidingen tot vandaag? Zijn deze opleidingen gratis voor de leerlingen?

‘Dit laatste was voor ons het uitgangspunt. Indien ouders overtuigd kunnen worden hun kinderen ook Nederlands te laten leren vanaf het kleuter- of lager onderwijs, dan zouden zij daar niet financieel voor mogen opdraaien. Ik had het zojuist over: wij mogen de sociaal minder bevoordeelde jongeren niet vergeten.’

‘Het is logisch dat Frankrijk de opleiding van zijn eigen jongeren volledig zelf financiert. Maar waar dat niet gebeurt, bijvoorbeeld in de twintig procent katholieke scholen, kregen we de financiële hulp van een aantal Alnederlandse stichtingen. Voornamelijk Noord & Zuid en het Algemeen Nederlands Verbond.’

Kan je meer concreet zijn: hoeveel geld heeft Tweetalig Onderwijs nodig voor hoeveel leerlingen en leraars in Noord-Frankrijk?

‘In onze beste periode kregen meer dan 1.000 leerlingen een ludieke initiatie Nederlands door ons toedoen. Voor de motivatie en efficiëntie gebeurde dit in groepen van maximaal vijftien leerlingen. 1.000 leerlingen in het basisonderwijs, één uur per week: dat kostte al gauw zo’n 20 000 euro per jaar.’

Kreeg je dan geen steun van het Frans onderwijs?

‘Positief is dat dit ter ore kwam van de Algemene Inspectrice van het Basisonderwijs te Rijsel. Een jaar geleden nam ze de beslissing een tweede leerkracht Nederlands aan te werven. Maar ook hier: geen sprake meer van een derde leerkracht om deze evolutie verder te trekken. Terwijl herhalen onze eigen sponsors steeds luider dat hun hulp tijdelijk is en niet structureel. Zij dreigen zich dus totaal terug te trekken!’

Je plant nu initiatieven te nemen richting het volwassenonderwijs. Is er geen steun denkbaar vanuit de West-Vlaamse werkgeversorganisatie op zoek naar personeel?

‘Zeker als je denkt dat de jeugdwerkloosheid in Noord-Frankrijk hoog is. En dat vooral in Zuid-West-Vlaanderen bedrijven niet eens voldoende werkkrachten vinden. Ik zou zelfs meer zeggen: voor heel wat Noord-Franse bedrijven en handelaars geldt hetzelfde. Die weten maar al te goed dat Benelux hun eerste handelspartner is. Vandaar ons voornemen om vanaf nu ook deze groep te bespelen, in de hoop op deze wijze volwassen studenten en geldelijke middelen aan te trekken!’

Wat is de rol van de Taalunie in dit verhaal?

‘De Taalunie doet veel om de plaatselijke leerkrachten Nederlands te ondersteunen met een aanbod van navorming. Dat was ook het geval in de Duitse grensstreek en daar slaagde het project. Hier schreef zich geen enkele leerkracht individueel in. En weer om dezelfde reden: als de baas, het Rijselse Rectoraat, het niet oplegt en de bijkomende kosten niet betaalt, blijft de basis van de piramide rustig verder doen.’

Kan Europa geen duitje in het zakje doen? Kan men deze opleidingen niet helpen dragen in het kader van de grensoverschrijdende afspraken?

‘Er bestaan Erasmusuitwisselingen, de Rijselse Eurometropool. En er zijn Europese mini- en andere projecten lopende. Rechtstreekse subsidie voor het taalonderwijs is blijkbaar een moeilijkere zaak. Om een projectaanvraag ontvankelijk in te dienen, heb je al een specialist in deze materie nodig. Als puntje bij paaltje komt oordeelt een paritaire commissie hierover. Telkens wanneer we dit in het verleden probeerden, lagen schijnbaar bepaalde Franstaligen steeds weer dwars.’

Toch nog een positieve noot ter afsluiting?

‘Zeker. Steeds meer gemeentebesturen aan deze kant van de Schreve begrijpen sinds kort het nut van een initiatie Nederlands in het basisonderwijs. Het idee om vanaf dit kalenderjaar volwassenencursussen in te richten werd trouwens ingegeven door recente vragen vanwege Franse verenigingen of groeperingen. En dit zelfs in een tiental grotere steden die verder van Belgisch Vlaanderen liggen.’

‘Het is te hopen dat er zich werkelijk geïnteresseerden zullen inschrijven. De hamvraag lijkt me, na mijn ervaring met het Huis van het Nederlands in Belle: Noord-Fransen vinden dat dit gratis, of zo goed als, moet kunnen. Ter vergelijking: voor de avondcursussen Frans West-Vlaams heeft het Gewest Hauts de France en zijn voorzitter, Xavier Bertrand, al wel meer dan 400.000 euro subsidie verleend. De cursisten betalen dus voor een volledig jaar een symbolische som, tussen 5 en 20 euro. Maar hoe gaan we dat voor het zakelijk Nederlands waarmaken?’

Is dit een oproep aan alle voornoemde Vlaamse en Nederlandse instanties en bedrijven?

‘Alle financiële hulp is welkom, inderdaad.’

Gepubliceerd

15.01.2023

Kernwoorden
Reacties

Widopedia in een nieuw kleedje

Een nieuwe blog die mijn verouderde webstek vervangt: dat was een van mijn voornemens voor 2023. Zie hier, beste lezer, het resultaat. De conversie is nog niet volledig maar de nieuwe blog is reeds operationeel. De teksten zijn chronologisch gerangschikt. In de marge vind je verschillende sleutels om ze snel terug te vinden: recente berichten, archieven per maand en per jaar, en alfabetisch met de kernwoorden. Je kan uiteraard ook zoeken naar een woord, een naam, een datum, enz.

Onder elk artikel vind je de datum van verschijning. Ik ben benieuwd wat je vindt van mijn artikels: daarom is ook een vakje voorzien om te reageren.

Wie mijn boeken opzoekt vindt onder de foto een knopje dat leidt naar alle publicaties die nog beschikbaar zijn.

De conversie van mijn webstek tot een blog werd deskundig uitgevoerd door Steven Bellens. Dank Steven!

Veel leesplezier,

Wido

Gepubliceerd

08.01.2023

Kernwoorden
Reacties

Vlieg de blauwvoet…

Volgens de deconstructivisten is Hendrik Conscience de grote boosdoener van de Vlaamse geschiedenis. Niemand verwijt Walter Scott fictieve helden als Ivanhoë in het leven heeft geroepen. Maar een Vlaamse romancier als Conscience wordt niet gegund dat hij zich creatief beweegt tussen mythes en geschiedenis. Alhoewel, ik heb me laten wijsmaken dat Conscience vrij goed gedocumenteerd was. Hij had onder meer contacten met Frans-Vlamingen als Edmond de Coussemaker en Lodewijk de Backer en was ooit lid van de Comité Flamand de France.

Neem nu de kreet Vlieg de blauwvoet die Conscience in zijn roman De Kerels van Vlaanderen in het leven roept en die later, dankzij Albrecht Rodenbach, een lied en de roep van een hele Vlaamsgezinde generatie is geworden.

Blijkt nu dat die blauwvoet niet refereert naar een vogel maar naar ene familie Blauwoet of Blauvoet waarvan de eerste historische sporen ons terugbrengen naar de elfde of twaalfde eeuw. De bronnen melden Pervijze, het Veurne-ambacht en het huidige Frans-Vlaanderen als wieg van de familie. Schepenen in het Veurne- ambacht heeten Blau(w)voet, evenals ridders in de omgeving van de Vlaamse graven. Ene Rickaert Blauwvoet sneuvelde in 1328 in Kassel aan de zijde van Zannekin. Een opvallende gewoonte van een familietak die in het huidig Frans-Vlaams grondgebied woonde was dat ze nog heel lang hun kinderen lieten dopen in de Sint-Niklaaskerk te Veurne.

Straffer nog, een wapenschild van de familie Blaeuvoet uit 1651 zou een “vliegend” zwart paard met … blauwe vleugels weergeven. Ik zocht tevergeefs naar een reproductie van het wapenschild van de familie Blauvoet. Is er iemand van mijn lezers die me kan helpen aan het wapenschild van Blauvoet of Blauwvoet? Moeten ons bij de kreet Vlieg de blauwvoet, storm op zee voortaan een mythologisch vliegend paard in de plaats van een jan-van-gent voorstellen? Benieuwd naar jullie reactie.

Bron: https://www.facebook.com/wido.bourel/

Gepubliceerd

22.12.2022

Kernwoorden
Reacties

Kwaakblazen aan de Schelde

De perikelen van de Boerentoren en een toren in Toulouse

Links: het boerentoren ontwerp van Libeskind in Antwerpen, rechts zijn ontwerp voor de Tour Occitanie in Toulouse.

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/kwaakblazen-aan-de-schelde/

Moderne architectuur en Antwerpen, dat is zoals vele zaken in ‘t Stad, een verhaal op zich. Wat staat ons te wachten bij het  renovatieproject van de ‘Boerentoren’? Dat de keuze van Daniël Libeskind als architect niet onmiddellijk peis en vree aankondigt, leert ons de lijdensweg van een ander torenproject van hem in de Occitaanse stad Toulouse.

Antwerpen en moderne architectuur

In de jaren ‘90 hield ik me beroepshalve bezig met uitgaven over architectuur. Wij gaven o.m. een ‘gids voor moderne architectuur in Antwerpen’ uit. Onder deskundige leiding van de auteur kreeg ik de kans om een twintigtal gebouwen, representatief voor de hedendaagse architectuur in de Scheldestad, te bezichtigen. Boeiend, dat wel. Al viel de oogst uiteindelijk vrij mager uit. Ik bezocht ook de konijnenhokken op Linkeroever. Van onze gids kreeg ik het verhaal mee over de architectuurwedstrijd om de Linkeroever in te richten. Dat was in 1933. Een wereldarchitect als Le Corbusier nam deel  aan de wedstrijd. Zijn, en alle andere ontwerpen werden uiteindelijk afgevoerd.

Ik dacht er nog aan toen ik, enkele jaren geleden, de cité radieuse van Le Corbusier in Marseille bezocht. Geen spoor van een ‘stralende stad’ maar een bunkerachtige wooneenheid, gevolg van een even theoretische  als totalitaire benadering op wonen. Ik zag daar een paar  onbemande trendy architectenbureaus en zeldzame kantoren. Verder weinig mensen te bespeuren die er nog echt wilden wonen. Uit ellende had men het gebouw deels vrijgegeven als onderdak voor  migranten. Of Antwerpen meer ‘stralende stad’ was geworden met de uitvoering van de plannen van Le Corbusier valt dus te betwijfelen.

Mijn favoriete stad

In de tijd dat ik vanuit Frans-Vlaanderen naar Antwerpen kwam wonen, was ’t stad, van de Europese steden die ik kende, mijn favoriet. Als ik Antwerpen aan Frans-Vlaamse vrienden liet zien, vestigde ik zo weinig mogelijk de aandacht op die lelijke Linkeroever. Ik vermeed angstvallig nog twee andere plaatsen: de Oudaan, het geklasseerd politiegebouw van Renaat Braem, dat leek op de betonnen kazernes die ik in Oost-Duitsland had gezien, maar dan zonder Vopo’s. En ook de omgeving van … de Boerentoren, meer bepaald de Eiermarkt, een tochtgat van jewelste tussen een ondergrondse garage en een muur van beton. Tot vandaag versnel ik nog steeds als ik er voorbij moet. Mijn gids stelde op een bepaald ogenblik de vraag of wij ons de skyline van Antwerpen konden voorstellen zonder deze twee zogenaamde iconische gebouwen. Ik antwoordde rustig van wel.

Talent van eigen bodem

Niet alleen Le Corbusier, maar ook de Duitser Hermann Josef Stübben, de Vlamingen Huib Hosten, Henry Van de Velde, Léon Stynen, en anderen stuurden ooit ontwerpen voor Linkeroever. Vlamingen dus, waarvan enkelen met roots in Antwerpen, en dat is net iets anders dan een kosmopolitisch architect als Le Corbusier.

Waarom steeds de keuze voor architecten, hoe wereldbekend ook, die gebouwen ergens neerpoten zonder enige affiniteit met de plaats waarvoor ze een ontwerp indienen?

Dat is precies mijn eerste punt met betrekking tot het project van Fernand Huts en Daniël Libeskind voor de Boerentoren. Waarom steeds de keuze voor architecten, hoe wereldbekend ook, die gebouwen ergens neerpoten zonder enige affiniteit met de plaats waarvoor ze een ontwerp indienen? Waarom is het niet mogelijk om er een wedstrijd van te maken en zo een kans te geven aan talent van eigen bodem?  Schat men het niveau van de opleiding architectuur in Vlaanderen en Europa dan zo laag in? Of staat zo’n ‘eigen volk’ gedachte  in de weg van lucratieve, niet traceerbare internationale constructies van financiële aard?

Een toren in Toulouse

De levendige herinnering aan de decennialange klucht van Oosterweel belooft niets goeds voor het project van de Boerentoren. Voor Architect Libeskind, die van conflictueuze projecten zijn handtekening heeft gemaakt, hoort dat er bij. Neem nu zijn project voor een nieuwe toren in de Occitaanse stad Toulouse. Het gaat hier  om een volledige nieuwe toren genaamd Tour Occitanie. Het ding moet komen naast het station, en in de directe omgeving van het geklasseerde Canal du Midi. Men plant een toren van 153 meter hoog, 40 verdiepingen, met 11.000 m2 kantoren, een panoramisch restaurant bovenaan, een Hilton hotel, plus kantoren van de Franse spoorwegen onderaan. Het geheel is voorlopig gebudgetteerd op een slordige 130 miljoen, voornamelijk gefinancierd door Parijse investeerders.

Verzet

Een bouwtoelating werd gegeven in 2019 en het project moest af zijn in 2022. Resultaat: er is nog steeds geen steen gebouwd aan de Tour Occitanie. Protest en juridische procedures draaien voornamelijk rond milieu en sociale bezwaren. De tegenstanders, gegroepeerd in allerlei burgerinitiatieven, verdedigen dat bouwen op zulke hoogte niet de toekomst is van het urbanisme, rekening houdend met de ecologische transitie. Libeskind voorziet in groene beplanting en spiraalvormige tuinen rond het gebouw. Ronduit even utopisch als problematisch voor bewatering, onderhoud en leefbaarheid van planten en bomen op termijn. Er is nog geprocedeerd tegen het feit dat de toren 10.000 omwonenden meer uren in de schaduw zou brengen, en ook wegens het niet passen van zulke toren naast de geklasseerde site van het Canal du midi. De bouwverplichting om een honderdtal sociale woningen in de toren te voorzien werd omzeild door deze woningen elders in de stad te plaatsen.

De burgemeester van Toulouse en de president van de regio ruiken geld en zijn uiteraard voor. Inmiddels hebben de rechtbanken zich uitgesproken over de belangrijkste klachten en mag het project doorgaan. Maar de bouwheren zijn de juridische procedures beu en aarzelen. Er dienen nog lopende juridische pijnpunten met omwonenden te worden opgelost. De financiers willen er niet aan  beginnen zo lang niet alle juridische zaken zijn afgehandeld. Het verhaal duurt nu al een half decennium en nog geen tour Occitanie aan de skyline van Toulouse. Het is de zanger Claude Nougaro die in zijn bekende lied ‘Toulouse’ zong: ‘Vandaag klimmen de buildings hoog’. Afwachten of het morgen in Toulouse nog hoger wordt.

Welke tweede toren voor Antwerpen?

Antwerpen, eerlijk gezegd, is er niet mooier op geworden. Ik denk aan de mislukte, kantoor-achtige omkadering van het Steen. Of aan de geplaveide indigestie van het plein voor het operagebouw, spuuglelijke rode lampen als openbare verlichting, en de vloek van de totaal smakeloze hoogbouw naast dezelfde opera. Moet de Boerentoren zo nodig tot een deconstructivistische kwaakblaas-toren worden veranderd in de schaduw van de kathedraal? Als Fernand Huts werkelijk te veel geld heeft stel ik voor dat hij investeert in de ontbrekende tweede toren van de Onze-Lieve-Vrouw-kathedraal, op het businessmodel van de eeuwige werf van de Sagrada Familia in Barcelona. Hij kan dan 100 jaar lang de uitbating van de eeuwigdurende werf verkrijgen. En de tweede toren benutten voor zijn kunstcollectie. Zijn standbeeld, naast die van kathedraal-ontwerper Pieter Appelmans, wijzend naar de Hutstoren en met een steen op zijn schouder, krijgt hij cadeau van ’t Stad.

Gepubliceerd

20.12.2022

Kernwoorden
Reacties

Waren de Vlaamse primitieven alles behalve Vlaams?

Over Vlaamse mythen en Zuid-Nederlandse geschiedenis

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/waren-de-vlaamse-primitieven-alles-behalve-vlaams/

‘Dat is toch evident’, schrijft historicus Jan Dumolyn. ‘De schilder Jan van Eyck, geboren in Maaseik, was geen Vlaming maar een Luikenaar.’ Dat is ook het geval voor Rogier van der Weyden, uit Doornik afkomstig. ‘En’, voegt de professor van PVDA-signatuur eraan toe, ‘hetzelfde geldt voor een schilder als Rubens, geboren in het Duitse Siegen, die als kind naar Antwerpen, ook al niet in Vlaanderen, verhuisde.’ Maar daarmee gaat hij veel te kort door de bocht. 

‘Wat stoort aan het begrip Vlaamse Primitieven is dat ze “Vlaams” genoemd worden, terwijl ze uit alle gewesten van de Nederlanden kwamen’, vervolgt Jan Dumolyn. Idem voor de Vlaamse polyfonisten. Op het eerste zicht heeft de mediëvist Dumolyn een punt: de begrippen ‘Vlaams’, ‘Vlaming’ en ‘Vlaanderen’ dekken meer dan de historische lading van het aloude graafschap Vlaanderen. Ze worden vandaag gebruikt om het Nederlandstalig gedeelte van de Zuidelijkste Nederlanden te duiden. Schilders en musici uit de 15de en 16de eeuw kwamen van een beetje overal uit de Nederlanden, Romaanse gouwen incluis. Doet het hedendaagse Vlaanderen de Brabanders en de Limburgers – of moet ik zeggen de Loners – onrecht aan?

Een migrant uit Maaseik

Men kan blijven discussiëren over het geslacht van de Engelen. Ben je een migrant als je Van Eyck noemt, als schilder naar Brugge komt, afkomstig bent uit het land van Loon en Diets spreekt? Dezelfde vraag voor Rogier van der Weyden uit Doornik, toen in de Vlaamse invloedssfeer en nog steeds op amper twintig kilometer van de taalgrens. Maaseik en Doornik, is dat hetzelfde als Kaboel en Bagdad? Ten slotte was Rubens helemaal geen Duitse migrant in Antwerpen, maar het kind van een Antwerpse familie gevlucht naar Siegen in Westfalen tijdens de godsdiensttroebelen, die naar het Brabants vaderland was teruggekeerd.

Volgens historici als Dumolyn is dat allemaal de schuld van het opkomende Vlaams nationalisme in de negentiende eeuw. Deze stelling gaat voorbij aan het feit dat de begrippen ‘Vlaming’, ‘Vlaams’ en ‘Vlaanderen’ reeds breder werden opgevat vanaf het ogenblik dat het graafschap Vlaanderen haar invloedssfeer ging uitbreiden. Het fenomeen kan je reeds waarnemen in de elfde eeuw toen ‘Vlaamse’ ridders Willem de Veroveraar een handje ging helpen om Engeland te veroveren. Deze zogenaamde ‘Vlamingen’ kwamen niet alleen uit Vlaanderen, maar ook uit Artesië en het Boonse (de streek van het hedendaagse Bonen, Boulogne-sur-Mer).

Eeuwen later, maakten de politieke toenaderingen tussen Vlaanderen en Brabant, als voorbode van de Bourgondische tijd, dat Vlaanderen een verzamelnaam werd voor meer dan het graafschap in strikte zin. Daarom hadden de Italianen het over de ‘I Fiamminghi’ om naar de Zuid-Nederlandse schilders en de Vlamingen in het algemeen te wijzen, de Spanjaarden over ‘Flandès’ en ‘Flamenco’ om het geheel der Nederlanden aan te duiden en de Fransen over de ‘Franco-Flamands’ om de Zuid-Nederlandse polyfonisten van de Maas tot in Picardië te benoemen.

Vlaanderen versus Holland

Het gebruik van de naam ‘Vlaanderen’ om het Nederlandstalig gedeelte van de Zuidelijke Nederlanden aan te duiden heeft wellicht ook te maken met de scheiding tussen noord en zuid, en het ontstaan van Nederland als natie. Het dubbel gebruik van dezelfde naam heeft wellicht meegespeeld om de Zuidelijke Nederlanden anders te duiden. Men kan zich ook de vraag stellen of het gebruik van de benaming ‘Holland’ voor Nederland niet op dezelfde wijze is ontstaan.

Men mag rustig aanbrengen dat de naam ‘Vlaanderen’ vanuit een historisch standpunt onnauwkeurig gekozen is

Persoonlijk gebruik ik nooit ‘Holland’ als synoniem voor Nederland. En was ik een Brabander of een Limburger, zou ik me uiteraard zo noemen. Men mag rustig aanbrengen dat de naam ‘Vlaanderen’ vanuit een historisch standpunt onnauwkeurig gekozen is. Maar deze vaststelling alleen zal de hedendaagse evolutie niet veranderen.

De Franse perceptie

Het is de roem van het graafschap Vlaanderen in Europa en de wereld, die de perceptie van het buitenland dat naar ons keek, heeft bepaald. Een interessant verhaal is de visie van Frankrijk en van de Franstaligen in het algemeen. Na de annexatie van de stad Kamerijk (Cambrai) en van het aartsbisdom Kamerijk bij Frankrijk in de zeventiende eeuw noemde de nieuwe Franse aartsbisschop Fénelon zijn Kamerijkse onderdanen ‘brave Vlamingen’. Kamerijk behoorde nochtans niet tot het graafschap Vlaanderen.

Een halve eeuw later schreef Voltaire over Brussel: ‘Il n’y a à Bruxelles que des Flamands.’ Ten onrechte dus, maar ik wil hiermee enkel aantonen dat de term ‘Vlaams’ al langer dan de negentiende eeuw in Europa in voeg was om de Zuidelijke Nederlanden aan te duiden. De oorzaak van dat alles heeft de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen – die als nieuwe Frans-Vlaming een Nederlander avant la lettre bleef – mooi samengevat, wanneer hij Vlaanderen bezong als ‘de bloem van Europa, de pronk van alle landen’.

De schuld van Hendrik Conscience

Sinds Geert van Istendael en Marc Reynebeau enkele jaren geleden probeerden het standbeeld van Hendrik Conscience neer te halen, is de auteur van de Leeuw van Vlaanderen de grote boosdoener van politiek-correct Vlaanderen. Deze deconstructivisten verwijten Conscience van alles en nog wat: door de historische onjuistheden in zijn boeken heeft het belang van de slag der Gulden Sporen proporties aangenomen die het niet zou verdienen.

De Vlaamse nationale feestdag dekt niet de hele zuidelijke Nederlanden, want de Vlaamse coalitie op het slagveld in Kortrijk werd versterkt met Romaanssprekende Henegouwers. Tegelijkertijd stonden de Brabanders aan de kant van de Franse vijand, foei. Alleen Pieter de Coninck verdient in Brugge een standbeeld in Brugge, want de enige echte Jan Breydel nam in werkelijkheid geen deel aan de strijd. De Vlaamse graaf kon niet aanwezig zijn in Kortrijk, want hij vertoefde toen in een Franse gevangenis. En ook de leuze ‘schild en vriend’ is nooit gebruikt tijdens de Brugse Metten.

Mythen en geschiedenis

In zijn boeiende biografie over Hendrik Conscience merkt Johan Vanhecke terecht op dat ‘een historische roman geen geschiedkundig essay is’. Hij stelt rustig de vraag: ‘Heeft iemand kritiek op Walter Scott omdat Ivanhoe een verzonnen figuur was?’ Het is toch vreemd dat schrijvers en historici zoveel last ondervinden om mythen te onderscheiden van hun vakgebied. De beroemde dichter, toneelschrijver en filmmaker Jean Cocteau drukt het zo uit: ‘Mijn voorkeur  gaat steeds naar de mythen, meer dan naar de geschiedenis, want de geschiedenis wordt gemaakt uit waarheden die leugens worden, terwijl de mythen worden gemaakt uit leugens die waarheden worden.’

Terwijl de meeste academische historici hun gal uitspuwden tegen de idee alleen al steekt de Gentse historicus Jan Demolyn zijn nek uit en werkt mee aan de Vlaamse kanon. In de leer bij de Italiaanse communistische politiek denker Antonio Gramsci, en als PVDA militant, weet  Dumolyn als geen andere dat om de politieke macht te veroveren  je eerst de culturele macht moet veroveren, en dus aanwezig moet zijn in de debatten rond het samenstellen van de verfoeide canon.

Dit gezegd zijnde, om de Vlaamse canon op te stellen is een serieuze dosis pragmatisme nodig. De deconstructie van de hele geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden kunnen wij missen als kiespijn. Het project van de Vlaamse canon is inmiddels tot een ideologisch en politiek steekspel gedeclasseerd en riskeert een schot in de leegte te worden. Vertrekken van de Vlaamse realiteit als ze is belet niet om een Zuid-Nederlandse visie op na te houden.

Een confederatie met…

Als Frans-Vlaming – en dus als een echte Vlaming – én Heel-Nederlander zie ik op termijn maar één oplossing om de verwarring ‘Vlaanderen = Zuidelijke Nederlanden’ op te lossen: dat betekent dat de Vlaamse emancipatie de motor moet zijn van een toenadering tot Nederland met het oog op een latere confederatie met dat land.

In afwachting kan men al een deel van de Nederlandse canon, tot aan de scheiding tussen noord en zuid maximaal integreren in de Vlaamse. Verder zal een toenadering tot Nederland de dubbelzinnigheid rond het onnauwkeurig gebruik van namen opgeven en mogelijk maken dat onze provincies, en de naam ‘Nederlanden’ wijd en zijd vrij kunnen uitspreken.

Gepubliceerd

08.12.2022

Kernwoorden
Reacties

“Flandre” de Wido Bourel: Des questions qui suscitent la curiosité

Lees dit artikel ook op Les Plats-Payshttps://www.les-plats-pays.com/article/flandre-de-wido-bourel-des-questions-qui-suscitent-la-curiosite

Wido Bourel s’intéresse à la Flandre et à la Flandre française en particulier. Il a déjà publié de nombreux articles et quelques ouvrages sur le sujet. Il récidive avec le livre Flandre: Des questions qui dérangent.

Élargissant la collection «Des questions qui dérangent», publiée chez le Breton Yoran Embranner, Wido Bourel nous délivre son point de vue sur une trentaine de sujets à débats ayant cours en Flandre française. Il s’agit davantage d’un avant-propos, d’une introduction, qui a pour objectif de susciter la curiosité autour des thématiques abordées. Celles-ci sont très diverses, et souvent racoleuses, allant de la politique à la symbolique en Flandre à des sujets de société, en passant par des questions de linguistique et des considérations géographiques. Une bonne partie des questions soulevées trouvent trop aisément leur réponse alors que d’autres, bien plus pertinentes, ne sont qu’injustement survolées. Cet ouvrage s’adresse donc aux curieux de Flandre et d’ailleurs, avides de pistes de réflexion pour parfaire leur compréhension l’esprit de la Flandre actuelle de part et d’autre de la «Schreve1».

Qui pose les questions?

Wido Bourel a l’habitude des questions entourant notre Flandre. Il l’a déjà montré par le passé, ne serait-ce qu’en choisissant de poursuivre ses études à Anvers et Groningen, par fidélité à sa patrie et par attrait pour la langue néerlandaise. Plus récemment, il a publié l’ouvrage bilingue (français et néerlandais) Olla Vogala, revenant en 200 pages sur l’histoire du flamand, entre divers articles notamment parus sur les plats pays, dont un plaidoyer sur l’enseignement du néerlandais standard en France et un texte d’opinion alertant sur les conséquences de la reconnaissance du west-flamand en tant que langue régionale.

Wido Bourel sait donc de quoi il parle, notamment en ce qui concerne les questions de linguistique. C’est aussi un passionné d’Histoire, qui tient en basse estime le travail de l’ANVT2, dont il se fait procureur de manière frontale dans le chapitre consacré à l’usage et l’enseignement du flamand ou du néerlandais en Flandre française, même si son opinion aussi est lisible en filigrane tout au long du livre. Cela permet au moins à Wido Bourel d’être franc et d’exposer un à un ses arguments, quand il ne répond pas directement à ceux de l’ANVT et ses supporteurs.

De quelles questions parle-t-on?

Le livre présente un large panel de questions, auxquelles l’auteur répond de façon plus ou moins personnelle. Il déroule ses questions dans un ordre thématique, commençant par la géographie. Les questions sont alors orientées de manière à laisser l’auteur présenter sa définition de la Flandre française, entre la Lys et l’Aa, se limitant en fait au Westhoek français. Les réponses aux questions historiques ne donnent pas de sensation de satiété, puisqu’on a l’impression que l’auteur s’efforce de contenir son propos dans une langue la plus synthétique et la plus pédagogique possible. Cela force à contrer sa faim par une lecture complémentaire. Bien qu’il y ait un risque de perdre en rigueur en survolant ainsi les sujets3, c’est en cela que le livre est une parfaite introduction aux problématiques qui traversent la Flandre française: il nous oblige à compléter sa lecture par d’autres, à aller de l’avant. Il est une belle porte d’entrée vers les questions relatives à la Flandre, et donne envie de creuser les sujets.

le livre est une parfaite introduction aux problématiques qui traversent la Flandre française: il nous oblige à compléter sa lecture par d’autres, à aller de l’avant

Les chapitres portant sur l’identité et la langue sont bien plus personnels pour Wido Bourel, eut égard au fait qu’il s’agit de ses sujets de prédilection. Le Caëstrois n’a pas hésité à (re)prendre les armes contre le controversé film Bienvenue chez les Ch’tis, au point où on se sentirait presque coupable de ressentir de la sympathie pour les Français (du Nord ou d’ailleurs) qui apprécient le film au premier degré. Les réponses qu’il apporte aux questions identitaires visent davantage à guider et inciter à la réflexion, par rapport aux 350 ans qui séparent la Flandre devenue française de la Flandre devenue belge.

La Flandre est-elle toujours une, bien qu’elle soit politiquement triple? La Flandre française est-elle devenue trop différente de la Flandre belge? Autant de questions qui trouvent des éléments de réponse dans ces quelques pages. Les pages consacrées aux questions identitaires sont indéniablement les plus profondes du livre, et elles auraient amplement mérité d’être allongées. Elles parleront particulièrement aux Flamands de France qui, comme moi, tentent de faire sens de l’héritage germanique légué par leurs parents et leurs ascendants avant eux, dans un monde devenu roman.

Enfin, les questions de société et de politique, et tout particulièrement les toutes dernières questions du livre, sont l’occasion pour Wido Bourel d’affirmer ses positions politiques concernant la Flandre française, mais aussi et surtout à propos de la Flandre belge. Il y aborde les questions de l’indépendance et de l’unité de la Flandre et de sa nation (ou ses nations, si l’on considère que la Flandre française est devenue trop française).

Qui ces questions dérangent-elles?

Tout au long du livre, Wido Bourel s’est montré provocateur, voire railleur (surtout quand il écrit à propos du film Bienvenue chez les Ch’tis). Ces railleries ont pour cible non pas la classe politique française, ni même des personnes identifiables, mais l’esprit français centralisateur lui-même. Tout le livre n’est qu’un serment politique en faveur d’une Flandre injustement assimilée, tout comme ont pu l’être (et le sont toujours) d’autres régions réputées françaises (Corse, Bretagne, Savoie, Alsace… qui ont par ailleurs toutes eu droit à leur entrée dans la collection «Des questions qui dérangent»), et il ne faut pas attendre de lire les dernières pages, les plus politisées, pour s’en rendre compte.

Wido Bourel, Flandre des questions qui dérangent, Yoran Embanner éditeur, 2022.

Notes:
1Du nom donné à la frontière franco-belge le long du Westhoek.
2Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele ou Institut de la langue régionale flamande en français. L’ANVT promeut entre autres l’apprentissage du dialecte plutôt que du néerlandais standard en Flandre française.
3Perte en rigueur notamment considérant le peu de sources bibliographiques pour appuyer le propos sur l’abbé J.-M. Gantois lorsque Wido Bourel revient sur la parution en 2022 de L’abbé Gantois. L’histoire par Éric Vanneufville.

Gepubliceerd

23.11.2022

Kernwoorden
Reacties

Céline in Frans-Vlaanderen

Een omstreden schrijver met een geniale pen

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/celine-in-frans-vlaanderen/

In Frankrijk was het  de literaire ontdekking van het jaar 2021. Er doken meer dan 6.000 handgeschreven pagina’s van de controversiële auteur en enfant terrible Louis Ferdinand Céline op, deels, tot dan ongepubliceerde manuscripten. Guerre, het eerste boek uit die kubieke meter hoge berg paperassen en nota’s, verscheen in mei jl. De verkoop loopt als een trein, goed voor 150.000 verkochte exemplaren. Opvallend toch voor een verbrande en uitgesproken antisemitische en collaborerende auteur.  Een goudmijn voor uitgever Gallimard die onlangs  een tweede titel, Londres uitgaf. En er zullen nog publicaties volgen. Guerre is een, deels, autobiografische roman die zich in de Westhoek,  aan het front, in de buurt van Ieper afspeelt, vervolgens in een noodziekenhuis in Frans-Vlaanderen.

Gestolen door de weerstand

De manuscripten van Céline gingen verloren in 1944. Hij moest toen in allerijl vluchten voor de repressie. Céline en echtgenote verdwenen richting Duitsland, vervolgens naar Denemarken. ‘Ik liet mijn manuscripten boven op een kast staan’, vertelde hij later. Naar alle waarschijnlijkheid werden ze door de weerstanders die zijn appartement plunderden, gevonden en meegenomen. Weerstanders die zich gedroegen als ordinaire dieven in de euforie van de overwinning. Een van hen zou zelfs in het appartement van Céline gaan wonen. Tachtig jaar later, en veertig jaar na zijn dood, doken deze verloren gewaande manuscripten terug op. Afstammelingen van de betrokken weerstander wachtten tot de dood van de echtgenote van Céline om ze vrij te geven.

De echte oorlogsfeiten

Achter de roman Guerre schuilt het levensverhaal van de auteur bij de aanvang van wereldoorlog I. In 1912 engageerde de achttienjarige Louis-Ferdinand Destombes, de echte naam van Céline, zich in het Franse leger. Hij  promoveerde tot brigadier, vervolgens tot wachtmeester. In het begin van wereldoorlog I werd hij bevorderd tot onderofficier.  In de eerste weken van de oorlog geraakte hij met zijn eenheid betrokken bij de zware gevechten rond Ieper. Tijdens een gevaarlijke missie in de buurt van Poelkapelle werd hij door kogels en door de slag van een sabel  zwaar gewond aan de rechterarm.

Hij werd verschillende keren geopereerd, herstelde, maar zou zijn arm nooit meer volledig kunnen gebruiken. De oorlog was voor hem voorbij

Céline kreeg het Franse militaire ereteken en het oorlogskruis met zilveren ster. Niet dat  hij hiermee opschepte want het was zijn ding niet. Het hoorde bij de tragikomedie. Hij werd verschillende keren geopereerd, herstelde, maar zou zijn arm nooit meer volledig kunnen gebruiken. De oorlog was voor hem voorbij. Hij werd voor 75 % invalide verklaard en nam vervolgens dienst bij het Franse Consulaat in Londen.

De fictie

Dit zijn de ware oorlogsfeiten die de achtergrond van Guerre vormen.  Het boekje van 130 pagina’s, werd wellicht  in 1932 geschreven, toen al in de unieke, gesproken taal die van Céline een vernieuwer van de Franse literatuur maakt. Je moet van hem geen apologie van de oorlog verwachten, geen heldendom en ook geen heldendaden. Volgens Céline kon er niets goeds komen uit zoveel  menselijke gruwel en lafheid. Hij noemde de oorlog een vuiligheid, een slachting. Jaren later schreef hij nog:

‘Voor een arme drol in deze wereld bestaan er twee manieren om te creperen: of in de totale onverschilligheid van uw medemensen in vredestijd, of, eens de oorlog gekomen, in de moordende passie van dezelfde dwazen.’

Hazebroek

Eerst werd Céline achter het front, naar Duinkerke, gevoerd. Door de ernst van zijn blessures werd  hij vervolgens naar het Frans-Vlaamse  stadje Hazebroek overgebracht. In het boek heet de stad Peurdu-sur la-Lys. Merkwaardig want Hazebroek ligt helemaal niet aan de Leie. Het noodhospitaal nummer 6 waar hij verbleef, heette ook niet ‘Le virginal secours’ zoals in de fantasie van de auteur, maar  College Saint Jacques. Deze befaamde school bestaat nog steeds. Tijdens de eerste wereldoorlog deed ze dienst als noodpost van het Rode Kruis.

Oorlogszuchtig

Opvallend: ik lees in de geschiedenis van de school dat deze plaats reeds in 1912 door het Franse leger als noodhospitaal was voorzien. Want Frankrijk voorzag al jaren minutieus haar revanche voor de verloren oorlog van 1870-1871, tegen Duitsland. Men zou kost wat kost Elzas-Lotharingen terug bij Frankrijk krijgen, al moest heel Europa hiervoor bloeden. In het College Saint-Jacques, net als in alle Franse scholen van toen, werden de leerlingen voorbereid op de oorlog tegen de Duitse erfvijand. Ze leerden de eerste oefeningen en in de pas lopen op de speelplaats van de school. De lessen geschiedenis dienden om het één en ondeelbare vaderland op te hemelen.

De slaapzaal waar Céline lag bestaat vandaag nog, goed herkenbaar op de vergeelde postkaarten van toen en de foto’s van nu. Het  doet tegenwoordig dienst als bibliotheek en archief van het college. Celine  noemde de ruimte waar hij met 25 andere patiënten lag, ‘Saint Gonzef’, soldatentaal voor een zaal genoemd naar een of ander heiligenbeeld.

Céline zou een maand in Hazebroek verblijven. Eens terug op de been verkende hij de stad. In zijn boek vertelt hij over een mastodont van een stadhuis in empirestijl, compleet ongepast op de markt van een Vlaamse stad als Hazebroek. Het onding verving het oud stadhuis in elegante Vlaamse renaissance stijl dat in het midden van de markt stond, maar in 1801 door een brand  werd verwoest. Céline beschrijft de maandagse markt, de rijke Vlaamse  burgerhuizen en de cafés die soldaten regelmatig bezochtten. Veel is sinds die tijd rond de grote markt van Hazebroek niet veranderd. Hazebroek, beslist een bezoek waard, ook  om in de sfeer van het boek te komen.

Verpleegsters

Céline werd er even verliefd op een verpleegster. In het boek heet ze juffrouw Lespinasse, in het echte leven Alice David, een deftige dame van veertig jaar, dochter van de directeur van de lokale krant l’Indicateur des Flandres. Weekblad dat nog steeds bestaat. En hier schakelt Céline in zijn roman over naar wilde, seksuele soldatenfantasieën met verpleegsters die de patiënten goed verzorgen, en zelfs meer dan dat.

Grof en geniaal

Zelf  erken ik in Céline een groot schrijver. Al  ben ik geen fan van zijn grove taal en het onverteerbaar, rabiaat antisemitisme van zijn latere boeken. Ik erken wel de geniale pennentrek om de kleinheid van het menselijk bestaan te beschrijven. De romans van Céline beklijven door hun aanklacht tegen de zelfgenoegzaamheid, de arrogantie en de straffeloosheid van de machthebbers, of ze nu democraten, dictators of generaals zijn. Onlangs is het vervolg op Guerre verschenen, nu wel een kanjer van meer dan 500 pagina’s, met als titel Londres, de stad waar Céline terechtkwam na zijn gedwongen verblijf in Hazebroek.

Gepubliceerd

20.11.2022

Kernwoorden
Reacties