Het valt zwaar toe te geven – al hebben de Frans-Vlamingen er 350 jaar tegen gevochten – maar de Franse jakobijnen hebben hun natte droom waargemaakt. De Frans-Belgische staatsgrens valt samen met de taalgrens. Efficiënt. Onverbiddelijk. Maar Frankrijk moet daarom nog niet rekenen op een warm applaus.
De paar duizend bejaarde Frans-Vlamingen die het Vlaamsch nog als moedertaal spreken, zullen daar niets meer aan veranderen. Al blijft het uiteraard een uitstekend initiatief om maximaal alles op te nemen voor het te laat is; mijn vader, zaliger overleden in 1995, zei het ooit in alle sereniteit: binnenkort spreken alleen de doden op het kerkhof nog Vlaamsch met elkaar.
Ik herinner me nog wat mijn pasklaar antwoord was wanneer mijn vader dat zei: ons West-Vlaams gaat niet verdwijnen, want het zal nog worden gesproken… In West-Vlaanderen. Als ik het Vlaamsch van Kaaster wil horen en spreken, zal ik dan maar in Abele of in Westouter gaan luisteren. De mensen van Steenvoorde, Houtkerke en Winnezele kunnen naar Watou gaan, en de mensen van Hondschote naar Leisele, Lo of Veurne. Wie het echt wil leren, kan regelmatig een babbel over de schreve slaan. Ik ben het levend bewijs dat het werkt.
Wat de verfranste toestand zeker niet zal keren, is de uitvinding van het gesubsidieerd Haut-de-France-volapük dat Flamand occidental is gedoopt. Een verarmde taalconstructie van en voor zelfverklaarde academici die zelfs onze ouders niet zouden herkennen. Heilig zijn de armen van geest die niet willen toegeven dat ze de geschreven vorm van het Nederlands uit vervlogen eeuwen recycleren. Een kleinzielige benadering. Met grote ernst. En nog grotere subsidies.
Toch blijven ze ons het verhaal van het halfvolle tegenover het halflege glas serveren. In ware Trump-stijl schrijven ze over ‘meer’, terwijl iedereen weet dat het ‘minder’ is. Over ‘meer mensen dan men denkt die de taal nog spreken’. Meer dan minder, inderdaad. Maar is dat veel? Hoeveel? En wie is die vage, ongrijpbare ‘men’?
Ik lees ook hoe ‘goed’ die weinigen nog spreken. En als het niet klinkt zoals het hoort, dan ligt dat vanzelfsprekend aan de anderen: aan de straffen en de repressie van vroeger. Altijd een bruikbaar alibi. Waarom moet dat? Zelf leerde ik onze taal tegen wil en dank. En hoe strenger het verbod, hoe groter de motivatie om te volharden en te slagen.
Wanneer die ‘Belgen’ in Frans-Vlaanderen nooit een woord Vlaamsch horen, wordt prompt ‘die ene’ opgevoerd. Die ene die zogezegd een hele conversatie met een Frans-Vlaming heeft kunnen voeren. Of het ligt aan dezelfden in een ander kleedje: aan die ‘domoren van Belgen’. En ik die dacht dat het Vlamingen waren! Ik lees ook: de mensen zijn bang. Ze durven niet te klapp’n met vervelende toeristen die er toch niets van kennen. Zo luidt de uitleg. Steeds opnieuw.
Beste Vlaamse vrienden uit België: jullie moeten niet de slachtofferrol overnemen. Het zou zinvoller zijn vast te stellen dat wie het Vlaamsch niet meer spreekt, het niet heeft geleerd of de kans of de mogelijkheid niet heeft gehad om het te leren. Punt.
Nu duikt er nog een oude taalkaart uit de negentiende eeuw op in een nieuwe poging om de actuele taalgrens te tekenen. De objectieve kijker beseft echter meteen dat het perspectief, hoe goed bedoeld ook, vervalst is. Die kaarten tonen gemeenten die toen eentalig Vlaamsch waren. Volledig. Dezelfde criteria vandaag gebruiken en projecteren op zo’n kaart toont eenvoudigweg dat heel Frans-Vlaanderen inmiddels is verfranst.
Wie de paar tientallen mensen per gemeente die vandaag nog Vlaamsch spreken wil tonen, heeft een nieuwe projectie nodig. Zonder suggestieve achtergronden. Geobjectiveerd. Met een taaltelling. Of met een bepaald percentage van nog levende mensen. Bijvoorbeeld: boven de 75 jaar, geboren in een van die toen Vlaamssprekende gemeenten.
Zo’n telling is mogelijk. Maar een sociologische enquête is een vak. Voor specialisten. Ik heb die oefening ooit gemaakt in Kaaster, mijn dorp, toen ik hielp bij de volkstelling van 1974. Huis per huis. De helft van het dorp. Naast de officiële vragen noteerde ik het aantal Vlaamssprekende volwassenen, geboren vóór 1950, op basis van de verklaringen van de inwoners. Omdat ik de meesten bij naam kende – zo ging dat toen – kreeg ik overal een antwoord.
Een werk van weken. Van maanden zelfs. De resultaten heb ik nooit gepubliceerd. Ze behoorden niet tot de officiële vragen van de volkstelling. En die volkstelling mocht niet in gevaar komen. Maar ik had wel een antwoord op mijn eigen vraag…
Ik eindig waar ik begon. Met het glas. Half vol of half leeg? Die vraag geeft al lang geen juist beeld meer. Het glas is niet half. Het is bijna leeg. Er is maar één partij die baat heeft bij een ander verhaal. Dat is de lobby van het Vlaamsch zelf. Zij moeten hun Hogefranse subsidies verantwoorden. Dat helpt.
Zo telt men vandaag ook de doden die Vlaams spraken mee. Tot de laatste der Mohicanen. Dat verandert vanzelfsprekend het perspectief op het terrein. Want wanneer het Vlaamse dialect in Frans-Vlaanderen niet langer wordt gesproken, verdwijnt het laatste houvast. En dan kan men beter de prioriteit verleggen. Naar het Nederlands. Als historische standaardtaal, als geschreven taal. En als taal van de buren.
Helemaal vol is onze eis: de Hauts-de-France moeten ook het Nederlands erkennen als streektaal, naast het Frans-Vlaamsch en het Picardisch, net zoals in de Elzas met het Duits en het Elzassisch.
Frans-Vlaanderen is geen openluchtmuseum maar een levende gemeenschap die leeft, werkt en vooruit wil. Ook met de taal moeten de Frans-Vlamingen de juiste keuzen maken en naar de toekomst kijken.
C’est difficile à admettre – les Flamands de France ont lutté pendant 350 ans – mais les jacobins français ont réalisé leur rêve séculaire. La frontière franco-belge coïncide désormais avec la frontière linguistique. Efficace. Impitoyable. Même si l’État français ne doit pas compter sur nos applaudissements.
Les quelques milliers de Flamands de France âgés, qui parlent encore le Vlaamsch comme langue maternelle, n’y changeront rien. Bien entendu, enregistrer le maximum de locuteurs avant qu’il ne soit trop tard reste une excellente initiative. Mon père, décédé en 1995, disait déjà avec sérénité : bientôt, seuls les morts au cimetière parleront le Vlaamsch entre eux.
Je me souviens encore de ma réponse toute prête lorsque mon père disait cela : notre Vlaamsch ne disparaîtra pas, car il sera encore parlé… en Flandre occidentale. Si je veux entendre et parler le Vlaamsch de Kaaster, j’irai me promener à Abele ou à Westoutre. Les habitants de Steenvoorde, Houtkerke et Winnezele pourront faire la même chose à Watou, et ceux de Hondschote à Leisele, Lo ou Veurne. Qui veut vraiment apprendre pourra chaque semaine aller causer outre schreve. Je peux témoigner personnellement que cela fonctionne.
Ce qui ne changera certainement pas la francisation ambiante, c’est l’invention du volapük haut-de-français subventionné, baptisé Flamand occidental. Une construction linguistique appauvrie « faite maison » pour les initiés, dans une langue que même nos parents ne reconnaîtraient pas. Une construction mise en place et défendue par des académiciens autoproclamés qui refusent d’admettre qu’ils recyclent la forme écrite du néerlandais d’antan. Une approche irréaliste avec, à la clé, des subventions en guise de médaille du mérite.
Pourtant, certains continuent à nous servir l’histoire du verre à moitié plein contre le verre à moitié vide. Un classique. Avec les tours de passe-passe dialectiques bien connus. Dans une dialectique digne de Trump , ils nous parlent toujours de “plus”, alors que tout le monde sait que c’est “moins”. Je lis également : “plus de gens que l’on croit qui parlent encore la langue”. Plus que moins, en effet. Mais est-ce beaucoup ? Et combien ? Et qui est ce “on” indéfini autant qu’insaisissable ?
Je lis encore à quel point ces rares locuteurs parlent “bien”. Et si ce n’est pas comme il faut, c’est bien sûr à cause des autres : des punitions et de la répression d’autrefois. Les excuses sont faites pour s’en servir. Pourquoi donc ? Pour ma part, j’ai appris la langue en passant outre toutes ces excuses. Et plus l’interdiction était stricte, plus la motivation à persévérer et à réussir était grande.
Je poursuis ma lecture : si ces “Belges” n’entendent pas un mot de Vlaamsch en Flandre française, on leur oppose immédiatement ‘cette personne anonyme’ qui a soi-disant eu toute une conversation en Vlaamsch avec un Flamand de France. Sinon c’est encore la faute à ces ‘idiots de Belges’. Et moi qui croyais que c’étaient des Flamands ! Je lis encore : les gens ont peur. Ils n’osent pas parler avec des touristes agaçants qui n’y connaissent rien.
Chers amis Flamands de Belgique : il est tout à fait inutile de jouer aux victimes à notre place. J’aimerais plutôt lire la réalité des choses : si les Flamands de France ne parlent plus le Vlaamsch, c’est qu’ils ne l’ont pas appris ou qu’ils n’ont pas eu la chance de l’apprendre, faute d’enseignement. Point à la ligne.
On peut aussi utiliser une vieille carte linguistique du XIXᵉ siècle et tenter de tracer une frontière linguistique actuelle. L’observateur objectif constate immédiatement que la perspective, même bien intentionnée, est faussée. Cette carte montre des communes qui autrefois parlaient le Vlaamsch et étaient pour la plupart unilingues. Projeter les mêmes critères actuels sur une telle carte montre simplement que toute la Flandre française est francisée.
Qui veut montrer les quelques dizaines de personnes par commune qui parlent encore le Vlaamsch doit utiliser une autre, nouvelle projection. Sans arrière-plan suggestif. Sur base d’un recensement linguistique. Ou en prenant un certain pourcentage de personnes encore vivantes. Par exemple : les plus de 75 ans, nés dans une des communes de langue flamande.
Ce recensement est possible. Mais une enquête sociologique est un travail de spécialistes. J’ai moi-même réalisé cet exercice à Caestre, mon village, lorsque j’ai participé au recensement de 1974. La moitié du village, maison par maison. En plus des questions du formulaire, j’ai noté le nombre d’adultes nés avant 1950 et parlant le Vlaamsch, selon le déclaratif des habitants. Comme je connaissais la plupart d’entre eux par leur prénom – ainsi se passait la vie au village – j’ai obtenu une réponse partout.
Un travail qui a pris des semaines, et même des mois. Je n’ai jamais publié les résultats car ils ne faisaient pas partie des questions officielles du recensement. Et celui-ci ne pouvait pas être remis en cause par ma démarche. Mais j’avais bien ma réponse…
Je termine là où j’ai commencé. Avec le verre. À moitié plein ou à moitié vide ? Cette perspective ne donne plus depuis longtemps une image correcte de la situation linguistique. Le verre n’est pas à moitié plein. Il est presque vide. Il n’y a qu’un seul parti qui bénéficie de cette version tronquée de l’histoire. C’est le lobby du Vlaamsch lui-même car il faut bien justifier des subventions haut-de-françaises.
Aujourd’hui, ces messieurs comptabilisent aussi les morts qui parlaient Vlaamsch. Jusqu’au dernier des Mohicans. Cela fausse évidemment la perspective sur le terrain. Car lorsque le dialecte flamand n’est plus parlé en Flandre française, le dernier point d’ancrage disparaît. Alors il vaut mieux donner la priorité au néerlandais. Comme langue standard historique, comme langue écrite, et comme langue des voisins et de l’avenir.
Entièrement plein est notre panier de revendications : les Hauts-de-France doivent également reconnaître le néerlandais comme langue régionale, aux côtés du Vlaamsch et du picard, comme c’est le cas en Alsace avec l’allemand et l’alsacien.
La Flandre dite française n’est pas un musée de plein air. C’est d’abord une communauté vivante qui veut vivre, travailler et aller de l’avant. Cela vaut également pour faire les justes choix en matière linguistique, choix qui ne peuvent être que ceux de l’avenir.
12.02.2026
(en français ci-dessous)
De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Benno Barnard is een taalvirtuoos. Voor hij naar Sussex verhuisde woonde hij ook jaren in Vlaanderen, in de buurt van de taalgrens; Hij spreekt met kennis van zaken over onze gemeenschappelijke taal. Een visie die Vlamingen en Frans-Vlamingen inderdaad best in het oog houden.
Benno Barnard schrijft:
“Nederlands is een huis met vele kamers. Er is niks tegen Vlaamse of Surinaamse woorden en uitdrukkingen die onze gemeenschappelijke taal verrijken, integendeel. Van het sensuele goesting (‘een broek vol’) tot het zinnenprikkelende ‘kuisvrouw’; van het theatrale ‘triestige plant’ tot het bonkige ‘en stoemelings’, dat een geniale improvisatiecultuur onthult – het behoort allemaal tot de weelde van het Nederlands. Maar het is natuurlijk wel nuttig als die taal, met meer dan twintig miljoen sprekers, en mede in Europees verband, inderdaad gemeenschappelijk blijft. Aan nog een Afrikaans hebben we weinig.
U hoeft niet van Hollanders te houden; u mag hun tongval onmelodieus vinden en hun humor als niet-grappig ervaren — ook al zou het heilzaam voor uw taalgevoel en uw algemene ontwikkeling zijn als u de Statenbijbel, de brieven van Gerard Reve en de verhalen van Heer Bommel las. Geheel zoals u verkiest.
Maar u doet er goed aan ons gezamenlijke belang in het oog te houden.”
________________________________________
Le poète, écrivain et traducteur néerlandais Benno Barnard est un virtuose de la langue néerlandaise. Avant de s’installer dans le Sussex, il a également vécu de nombreuses années en Flandre, à proximité de la frontière linguistique. Il parle donc de notre langue commune en connaissance de cause. Une réflexion que les Flamands et les Flamands de France feraient bien de garder à l’esprit.
Benno Barnard écrit :
« Le néerlandais est une maison à plusieurs étages. Il n’y a évidemment rien contre les expressions et mots flamands ou surinamais qui enrichissent notre langue commune, bien au contraire. Du sensuel ‘goesting’ (« plein le pantalon ») à la ‘kuisvrouw’ très suggestive ; et du théâtral ’triestige plant’ au pesant ‘en stoemelings’, voilà qui révèle une culture géniale de l’improvisation — tout cela représentant la richesse du néerlandais.
Mais il est tout de même utile que cette langue, parlée par plus de vingt millions de personnes dans un cadre européen, reste effectivement commune. Une variante supplémentaire ne s’impose pas vraiment : nous avons déjà l’afrikaans.
Vous n’êtes pas obligé d’aimer les Hollandais ; vous pouvez trouver leur accent détestable et leur humour de mauvais goût. Encore serait-il salutaire pour votre maitrise de la langue et aussi, pour votre culture générale, de lire la Bible des États, les lettres de Gerard Reve ou les histoires de Heer Bommel. Sans obligation aucune, cela va de soi.
Mais vous feriez bien de garder à l’esprit notre intérêt commun. »
22.01.2026
(texte en français ci-dessous)

In de krant Le Monde van 19 april jl. schetst zijn correspondent voor Benelux, Jean- Pierre Stroobants,. het verhaal van Simon, een jonge Bretoen die internationaal recht in het Engels wilde studeren aan de prestigieuze Universiteit Leiden. De correspondent is verbaasd dat de lessen in het Engels plaats moeten maken voor lessen in het Nederlands en noemt het Nederlands “een zeer vreemde taal.” Dit artikel deed me terugdenken aan een interessant gesprek dat ik in 2019 voerde met Annette M. B. de Groot, emeritus hoogleraar experimentele taalpsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Voor haar afscheidscollege koos ze de opvallende titel: ‘Nederlands moet’*.
Momenteel zijn er maar liefst 5.000 Franse studenten ingeschreven aan Nederlandse hogescholen en universiteiten. Je zou denken dat deze studenten hun verblijf in Nederland gebruiken om de taal van het land te leren. Voor een Vlaming lijkt dat vanzelfsprekend, maar voor een Fransman is het een heel ander verhaal. Student Simon deelt zijn teleurstelling: “Men heeft me vriendelijk, maar beslist, gevraagd om na te denken. In de toekomst moeten we rekening houden met minder cursussen in het Engels en meer in het Nederlands.” De correspondent van Le Monde voegt er sarcastisch aan toe dat Simon “een beetje bang is om een ‘zeer’ vreemde taal te leren.” Hij suggereert dat Simon misschien zal afzien van zijn studie door het beperkte aanbod van Engelse cursussen in Nederland.
Stel je voor: je wilt in Nederland studeren, maar je hebt geen interesse in de taal van het land. Dan blijf je toch gewoon thuis! Of studeer in Engeland. Deze ‘zeer’ vreemde taal, zoals het Nederlands hier denigrerend wordt genoemd, wordt gesproken door 25 miljoen Europeanen in Nederland en Vlaanderen. Dit plaatst het Nederlands zelfs binnen de top tien van de meest gesproken talen in Europa.
Van deze feiten lijkt de correspondent van Le Monde zich niet bewust. Hoe zou het ook, want de Franse overheid geeft het slechte voorbeeld. Zij negeert deze taal al decennialang in het onderwijs, ondanks dat het nog steeds als streektaal in het Noorden van Frankrijk wordt gesproken.
De correspondent van Le Monde kan het niet laten om de Nederlandse maatregelen om opleidingen terug naar het Nederlands te brengen te schetsen als maatregelen van de rechtse coalitie in Nederland. Blijkbaar zijn vergelijkbare maatregelen in Frankrijk goed, maar in Nederland slecht omdat ze door een ‘populistische’ regering komen. Logisch, toch?
Los van deze discussie is het verheugend dat de Nederlandse regering eindelijk de rampzalige situatie van de eigen taal aan de universiteiten aanpakt. Het Engels aan de universiteit was een lucratief businessmodel voor instellingen die buitenlandse studenten aantrokken. In het afgelopen decennium is het aantal Nederlandstalige opleidingen met twee derde verminderd. De Universiteit van Amsterdam (UA) ging zelfs zo ver om alle opleidingen in het Nederlands stop te zetten. Het resultaat? Alleen al aan de UA volgen 40.000 studenten een master in het Engels.
Deze situatie kon niet blijven voortduren. De afgelopen jaren klonken er uit het onderwijs regelmatig gezaghebbende stemmen die deze belachelijke situatie aanklaagden, en terecht. Ik vond het passend om de titel van het afscheidscollege van één van die voorname stemmen, prof. Emeritus Annette M. B. de Groot, te gebruiken voor mijn stuk.
Wido Bourel.
*Nederlands moet. Over meertaligheid en de verengelsing van het universitaire onderwijs. Afscheidscollege van Annette M. B. de Groot. 27 september 2017.
———————–
Dans le journal Le Monde du 19 avril dernier, son correspondant pour le Benelux, Jean-Pierre Stroobants,. raconte l’histoire de Simon, un jeune Breton qui souhaitait étudier le droit international en anglais à l’Université de Leiden, prestigieuse institution néerlandaise. Le correspondant s’étonne que les cours en anglais doivent laisser la place aux cours dans la langue du pays, et qualifie la langue néerlandaise de « langue très étrangère ». Cet article m’a également remis en mémoire une conversation intéressante que j’ai eu en 2019 avec Annette M. B. de Groot, professeur émérite de psychologie expérimentale du langage à l’Université d’Amsterdam. Pour son cours d’adieu, elle avait choisi le titre très remarqué : « Le néerlandais : un impératif* ».
Actuellement, pas moins de 5.000 étudiants français sont inscrits dans des établissements d’enseignement supérieur néerlandais.
On pourrait penser que ces étudiants profitent de leur séjour aux Pays-Bas pour apprendre la langue du pays. Pour un Flamand, cela semble évident, mais pour un Français, c’est une toute autre histoire. L’étudiant Simon raconte sa triste histoire : « om m’a gentiment, mais fermement, conseillé de réfléchir. Parce qu’à l’avenir les cours en anglais seront moins nombreux et le néerlandais plus répandu, parait-il. » Le correspondant du Monde ajoute de manière sarcastique que Simon « est effrayé à l’idée d’apprendre une langue ’très’ étrangère. » Il suggère que Simon pourrait même renoncer à ses études en raison de l’offre limitée de cours en anglais aux Pays-Bas.
Imaginez : vous souhaitez faire vos études aux Pays-Bas, mais vous n’avez aucun intérêt pour apprendre la langue du pays. Dans ce cas, restez chez vous ! Ou inscrivez-vous dans une université anglaise. Cette langue ’très’ étrangère, comme le néerlandais est qualifié ici, est parlée par 25 millions d’Européens aux Pays-Bas et en Flandre. Cela place le néerlandais parmi les dix langues les plus parlées en Europe. Il semble que le correspondant du Monde ne soit pas du tout conscient de cette réalité. Comment pourrait-il en être autrement dans un pays ou les autorités donne le mauvais exemple ; Elles ignorent le néerlandais depuis toujours dans l’éducation, bien que cette langue soit encore parlée comme langue régionale dans le nord de la France.
Le correspondant du Monde ne peut s’empêcher de dépeindre les mesures néerlandaises visant à plus de formations dans la langue du pays comme des actions de la coalition de droite aux Pays-Bas. Des mesures similaires en France sont qualifiées de souhaitables, mais aux Pays-Bas, elles sont mauvaises parce qu’elles proviennent d’un gouvernement « populiste ». Logique, non ?
Au-delà de cette discussion, il est réjouissant que le gouvernement néerlandais s’attaque enfin à la situation problématique des formations en langue néerlandaise dans les universités du pays. L’anglais à l’université est un modèle économique lucratif pour les établissements attirant des étudiants étrangers. Au cours de la dernière décennie, le nombre de programmes en néerlandais a diminué de deux tiers. L’Université d’Amsterdam (UA) a même suspendue tous les programmes en néerlandais. Résultat, rien qu’à l’UA, 40 000 étudiants suivent un master en anglais.
Tout ceci ne pouvait durer. Au cours des dernières années, des voix autorisées dans l’éducation ont régulièrement dénoncé cette situation ridicule, et ce à juste titre. J’ai trouvé approprié de reprendre le titre du cours d’adieu de l’une de ces voix éminentes, la prof. émérite Annette M. B. de Groot, pour mon article.
Wido Bourel
*Le néerlandais: un impératif. Sur le multilinguisme et l’anglicisation de l’enseignement universitaire. Cours d’adieu d’Annette M. B. de Groot, 27 septembre 2017. Texte en néerlandais.
Gepubliceerd: in de Nieuwsbrief van de Andries Stevenkring (2 -2025) 27 06 2025
27.06.2025

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wie-helpt-het-onderwijs-van-het-nederlands-in-frankrijk/
Henri Vaassen is geboren en getogen in Belgisch Limburg uit een Nederlandse vader en een Vlaamse moeder. Na studies aan de KU Leuven doceerde hij zakelijk Frans aan de KU Nijmegen. Hij verruilde Nederland voor Frans-Vlaanderen. H. Vaassen doceerde er 25 jaar lang zakelijk Nederlands aan de ULCO. Dat is de Université du Littoral Côte d’Opale in Duinkerke. Hij is ook oud-voorzitter van het Huis van het Nederlands in Belle. Geen betere gesprekspartner voor een stand van zaken over het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen.
Men vertelt van alles over het onderwijs van onze taal in Frans-Vlaanderen. Vóór de covid-periode had ik opgevangen dat meer dan 20.000 mensen in de regio Nederlands studeerden. Gaat het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen dan achteruit?
‘Zo’n vijf jaar geleden volgden 20.000 inwoners van de departementen Nord en Pas-de-Calais Nederlands. Dat klopt, inderdaad. Ik tel dan wel scholieren tot studenten en gepensioneerden samen. Spijtig genoeg is dit de laatste jaren met zo’n kwart gedaald. Er waren toen meer dan 75 middelbare scholen, nu slechts een vijftigtal. Niet alleen corona is hier de schuldige. Vooral in rurale streken schijnt de plaatselijke, artificiële variant van het West-Vlaams volk te trekken.’
Kan men ergens Nederlands leren van het lager onderwijs tot, zeg maar, aan de universiteit?
‘Jazeker. In Roosendaal bij Duinkerke is er een school waar men het programma halftijds in het Nederlands onderwijst. Een gelijkaardig systeem bestaat in een lagere school en college in Halewijn en een lyceum in Toerkonje bij Rijsel. Ook voor de universiteit moet je in Robaais zijn. Daar is een volledige masteropleiding Toegepaste Vreemde Talen, waar het Nederlands kan gekozen worden als major, naast het verplichte Engels. In Duinkerke kon dat vroeger ook, maar dit is geleidelijk aan afgebouwd.’
Waar kan men in Frans-Vlaanderen nog Nederlands leren buiten het officiële onderwijs?
‘Tal van avondscholen organiseren cursussen Nederlands. Ik denk aan het Huis van het Nederlands in Belle of het Huis van Europa in Duinkerke. Verscheidene Kamers van Koophandel, zoals in Rijsel, hebben banden met een vormingsinstituut. Dan zijn er nog een aantal privéondernemingen. Daarvoor moet je wel meestal naar een groter stedelijk centrum. Maar verder dan een basisvorming komt het vaak niet.’
Is de link met ouders of grootouders die de Vlaamse streektaal spraken of nog spreken een motivatie om Nederlands te leren?
Wie nu familiale linken heeft met het Franse West-Vlaams, kiest spijtig genoeg dikwijls voor een avondcursus in dit dialect
‘Dat was nog duidelijk merkbaar toen ik dertig jaar geleden aan de Universiteit van Duinkerke begon. Maar het dialect werd nog slechts gesproken door een oudere, uitdovende generatie. Zo kregen we er eigenlijk steeds minder studenten uit die kringen. Dit verklaart gedeeltelijk de opheffing van de afstudeerrichting. Wie nu familiale linken heeft met het Franse West-Vlaams, kiest spijtig genoeg dikwijls voor een avondcursus in dit dialect. Een dialect dat men zelfs in West-Vlaanderen ternauwernood verstaat!’
Grensgezinnen die hun kinderen van jongs af over de Schreve naar West-Vlaamse scholen sturen: is dat een oplossing?
‘Misschien, net zoals Vlaamse kinderen in Frankrijk school laten lopen een positief effect heeft op hun tweetaligheid later. Maar hoeveel mensen kiezen daar werkelijk voor? Het lijkt me een omslachtige, kostelijke en elitaire keuze. En ieder heeft tenslotte recht op degelijk vreemde-taalonderwijs in eigen land.’
Armand Héroguel is sinds dit jaar emeritus als professor Nederlands aan de universiteit van Rijsel. Waarom is hij nog niet vervangen?
‘Blijkt dat er eind vorig academiejaar geen enkele hoogleraar Nederlands meer was in heel Frankrijk! De Nederlandse Taalunie en de Vlaamse Vertegenwoordiging in Parijs doen hun best om het ministerie van Hoger Onderwijs van het absurde van deze situatie te overtuigen. Je moet weten dat Frankrijk sterk piramidaal denkt en werkt. Als er van bovenaf niets wordt bedacht en georganiseerd, kan de basis doen wat ze wil, het komt er niet. Gefluisterd wordt dat de Universiteit Rijsel, die trouwens nog een klassieke opleiding Neerlandistiek heeft, opnieuw een leerstoel zou krijgen.’
Frankrijk vindt het normaal dat de Vlamingen in België op school verplicht Frans leren. Waarom is er geen reciprociteit voor de Frans-Vlamingen in de grensstreek? Is dat niet een teken van vijandigheid en van een superieur gevoel tegenover onze taal en cultuur?
‘Tja, dit geldt natuurlijk ook voor het Verenigd Koninkrijk en het Engels. Twee wereldtalen met een rijke cultuur en geschiedenis. Beter dan van leer te trekken kunnen we bestaande, groeiende samenwerkingsverbanden in de kijker stellen. Patrice Vergriete en François Decoster, de voorzitters van de Rijselse en Sint-Omaarse agglomeratie, zijn zich bewust van de economische voordelen als zoveel mogelijk Frans-Vlamingen drietalig zouden worden.’
Nietzsche schreef: ‘er is geen hoop’
‘Deze twee vooraanstaanden hebben in deze reeds een aantal initiatieven genomen. Ik geloof dat ze hier nog veel verder in zullen gaan.’
Henri, je bent voorzitter van de Vereniging voor Tweetalig Onderwijs in Noord-Frankrijk. Wat is de rol van deze organisatie?
‘Dit verhaal begon zowat tien jaar geleden. Ons was opgevallen dat in de Elzas 25 000 leerlingen en studenten van tweetalig onderwijs (Frans/Duits) genoten. Wij zochten naar, en kregen de steun van onze Elzassiche collega’s. Samen maakten wij ons sterk dat dit voor het Nederlands in de grensstreek met Vlaanderen ook moest kunnen.’
‘We hebben hiervoor gelobbyd bij de plaatselijke en nationale autoriteiten. We kregen zelfs gehoor bij de Franse Ambassade in Brussel en de voormalige minister van Onderwijs, Hilde Crevits. Maar de Rijselse Academie, alleen bevoegd voor de organisatie van het officiële onderwijs Nederlands in Noord-Frankrijk, stak hier een stokje voor!’
Wie financierde dan deze opleidingen tot vandaag? Zijn deze opleidingen gratis voor de leerlingen?
‘Dit laatste was voor ons het uitgangspunt. Indien ouders overtuigd kunnen worden hun kinderen ook Nederlands te laten leren vanaf het kleuter- of lager onderwijs, dan zouden zij daar niet financieel voor mogen opdraaien. Ik had het zojuist over: wij mogen de sociaal minder bevoordeelde jongeren niet vergeten.’
‘Het is logisch dat Frankrijk de opleiding van zijn eigen jongeren volledig zelf financiert. Maar waar dat niet gebeurt, bijvoorbeeld in de twintig procent katholieke scholen, kregen we de financiële hulp van een aantal Alnederlandse stichtingen. Voornamelijk Noord & Zuid en het Algemeen Nederlands Verbond.’
Kan je meer concreet zijn: hoeveel geld heeft Tweetalig Onderwijs nodig voor hoeveel leerlingen en leraars in Noord-Frankrijk?
‘In onze beste periode kregen meer dan 1.000 leerlingen een ludieke initiatie Nederlands door ons toedoen. Voor de motivatie en efficiëntie gebeurde dit in groepen van maximaal vijftien leerlingen. 1.000 leerlingen in het basisonderwijs, één uur per week: dat kostte al gauw zo’n 20 000 euro per jaar.’
Kreeg je dan geen steun van het Frans onderwijs?
‘Positief is dat dit ter ore kwam van de Algemene Inspectrice van het Basisonderwijs te Rijsel. Een jaar geleden nam ze de beslissing een tweede leerkracht Nederlands aan te werven. Maar ook hier: geen sprake meer van een derde leerkracht om deze evolutie verder te trekken. Terwijl herhalen onze eigen sponsors steeds luider dat hun hulp tijdelijk is en niet structureel. Zij dreigen zich dus totaal terug te trekken!’
Je plant nu initiatieven te nemen richting het volwassenonderwijs. Is er geen steun denkbaar vanuit de West-Vlaamse werkgeversorganisatie op zoek naar personeel?
‘Zeker als je denkt dat de jeugdwerkloosheid in Noord-Frankrijk hoog is. En dat vooral in Zuid-West-Vlaanderen bedrijven niet eens voldoende werkkrachten vinden. Ik zou zelfs meer zeggen: voor heel wat Noord-Franse bedrijven en handelaars geldt hetzelfde. Die weten maar al te goed dat Benelux hun eerste handelspartner is. Vandaar ons voornemen om vanaf nu ook deze groep te bespelen, in de hoop op deze wijze volwassen studenten en geldelijke middelen aan te trekken!’
Wat is de rol van de Taalunie in dit verhaal?
‘De Taalunie doet veel om de plaatselijke leerkrachten Nederlands te ondersteunen met een aanbod van navorming. Dat was ook het geval in de Duitse grensstreek en daar slaagde het project. Hier schreef zich geen enkele leerkracht individueel in. En weer om dezelfde reden: als de baas, het Rijselse Rectoraat, het niet oplegt en de bijkomende kosten niet betaalt, blijft de basis van de piramide rustig verder doen.’
Kan Europa geen duitje in het zakje doen? Kan men deze opleidingen niet helpen dragen in het kader van de grensoverschrijdende afspraken?
‘Er bestaan Erasmusuitwisselingen, de Rijselse Eurometropool. En er zijn Europese mini- en andere projecten lopende. Rechtstreekse subsidie voor het taalonderwijs is blijkbaar een moeilijkere zaak. Om een projectaanvraag ontvankelijk in te dienen, heb je al een specialist in deze materie nodig. Als puntje bij paaltje komt oordeelt een paritaire commissie hierover. Telkens wanneer we dit in het verleden probeerden, lagen schijnbaar bepaalde Franstaligen steeds weer dwars.’
Toch nog een positieve noot ter afsluiting?
‘Zeker. Steeds meer gemeentebesturen aan deze kant van de Schreve begrijpen sinds kort het nut van een initiatie Nederlands in het basisonderwijs. Het idee om vanaf dit kalenderjaar volwassenencursussen in te richten werd trouwens ingegeven door recente vragen vanwege Franse verenigingen of groeperingen. En dit zelfs in een tiental grotere steden die verder van Belgisch Vlaanderen liggen.’
‘Het is te hopen dat er zich werkelijk geïnteresseerden zullen inschrijven. De hamvraag lijkt me, na mijn ervaring met het Huis van het Nederlands in Belle: Noord-Fransen vinden dat dit gratis, of zo goed als, moet kunnen. Ter vergelijking: voor de avondcursussen Frans West-Vlaams heeft het Gewest Hauts de France en zijn voorzitter, Xavier Bertrand, al wel meer dan 400.000 euro subsidie verleend. De cursisten betalen dus voor een volledig jaar een symbolische som, tussen 5 en 20 euro. Maar hoe gaan we dat voor het zakelijk Nederlands waarmaken?’
Is dit een oproep aan alle voornoemde Vlaamse en Nederlandse instanties en bedrijven?
‘Alle financiële hulp is welkom, inderdaad.’
15.01.2023

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wat-willen-de-vlamingen-met-hun-taal
In Frans-Vlaanderen loopt de campagne voor de regionale verkiezingen op volle toeren. Enkele Vlaamse verenigingen hebben zich tot de kandidaten gericht met de vraag om stellingname in verband met het West-Vlaams en het Nederlands als regionale talen in Noord-Frankrijk. De kennis van de taal speelt ook een rol voor mogelijke tewerkstelling, voornamelijk in West-Vlaanderen.
Veel kandidaten zijn niet uit de Franse Westhoek afkomstig. Ze weten dus niets over onze taal, laat staan over het verband tussen het West-Vlaams dialect gesproken in de streek, en het Nederlands. In Frankrijk is de spraakverwarring over talen vrij algemeen. Probeer maar eens aan een modale Fransman uit te leggen dat Oostenrijk geen Oostenrijks spreekt maar Duits, of varianten daarvan.
Stel over België dezelfde vraag aan een wat oudere Frans-Vlaming en hij zal u antwoorden: ‘de Belgiekenaars spreken Belgisch’. Hiermee wordt ‘niet-Frans’ bedoeld en dus Nederlands. Helemaal verloren moeite is het trachten uit te leggen dat het Nederlands van nu het standaard continuüm is van het Vlaamsch van hun ouders.
Een vereniging, de Akademie voor nuuze Vlaamsche Taele (ANVT), lobbyt als geen ander, met het oog op de erkenning van het West-Vlaams als regionale taal. Ze poneert dat de regio het West-Vlaams dialect moet kiezen als regionale taal, niet het Nederlands. Met deze Jantje Contrarie-houding infiltreert ze het culturele leven, de regionale politiek, en ook het onderwijs.
de negentiende eeuwse strijd om het West-Vlaams particularisme
En ze gaat nog verder: volgens deze vereniging is het West-Vlaams dé taal om een job te vinden over de schreve. Ze verklaart op de volle steun van …West-Vlaamse werkgevers en instellingen te kunnen rekenen. Krijgt de negentiende eeuwse strijd om het West-Vlaams particularisme een nieuw leven met nieuwe toepassingen over de schreve?
Laat me duidelijk zijn: ik heb niets tegen het West-Vlaams, en evenmin tegen om ‘t even welke streektaal van het Nederlands. Bij ons thuis spraken ze nog het Vlaamsch van Frans-Vlaanderen. Zelf ging ik ooit in de leer bij de taalkundige Cyriel Moeyaert. Hij overtuigde me van de onschatbare filologische waarde van de dialecten voor de studie van oorsprong en geschiedenis van onze taal.
Maar Moeyaert leerde me tegelijk het belang van een verzorgde standaardtaal en was een voornaam promotor van het Algemeen Nederlands in West-Vlaanderen. Vraag het maar aan Geert Bourgeois en generatiegenoten!
De vereniging AVNT argumenteert dat, volgens West-Vlaamse bedrijfsleiders, bijna uitsluitend dialect wordt gesproken in de West-Vlaamse bedrijven. Ik begrijp dat sommige werkgevers last ondervinden om te rekruteren, maar toch.
Een degelijke kennis van de standaardtaal is onmisbaar om werkelijk te kunnen functioneren
Mag ik deze werkgevers enkele vragen stellen: in welke taal hebben jullie gestudeerd? Welke taal is de officiële communicatietaal in jullie bedrijf, voor de signalisatie, de IT, de schriftelijke correspondentie, en andere sociale documenten? Is dat het West-Vlaams misschien? In Frans-Vlaanderen probeert men enkele duizenden mensen Nederlands te doen leren om hun toekomst veilig te stellen. Wij trachten hen duidelijk te maken dat in Germaanssprekende landen het dialect de taal is van de familie, de vrienden, het voetbal en de lol op café. Toegegeven, ook op de werkvloer en in de cafetaria. Maar een taal wordt niet alleen gesproken maar ook geschreven en gelezen. Een degelijke kennis van de standaardtaal is onmisbaar om werkelijk te kunnen functioneren en op te klimmen in de bedrijven.
Sommige West-Vlamingen gebruiken als argument dat zij de provincie zijn waar het dialect het meest wordt gesproken. Specialisten zullen dat misschien bevestigen. Alhoewel, vanuit mijn persoonlijke ervaring, stel ik geen fundamenteel verschil vast tussen bijvoorbeeld de provincies West-Vlaanderen, Antwerpen of Limburg. De meeste Antwerpenaars zijn eveneens trots op hun taal en spreken veelvuldig Antwerps, aldaar een wereldtaal genoemd. En vanuit mijn 25 jaar lange carrière als ondernemer in Limburg herinner ik me nog dat tijdens woelige discussies, het persoonlijk voornaamwoord ‘ich’ voor ‘ik’ steeds de voorhand nam.
Toen ik Nederlands leerde kwam ik logischerwijze eerst in contact met de taal van West-Vlaanderen. Ik maakte er kennis en sprak met mensen van alle slag maar ook wel eens met bekende West-Vlamingen zoals André Demedts, Cyriel Moeyaert, Luc Verbeke, Jozef Deleu. Ze toonden respect voor de dialecten maar, om het met de gevleugelde woorden van Jozef Deleu te zeggen, hun vaderland was de Nederlandse taal.
Vervolgens, via een omweg langs Groningen, landde ik in Antwerpen. Het is nooit in mij opgekomen om algemeen beschaafd Antwaarps te studeren. Ik deed gewoon, sprak Nederlands, en de taal van de Sinjoren leerde ik al doende.
Vlaanderen heeft ooit moeten vechten tegen de verfransing. Dat werd een strijd van lange adem, tegen de politieke, economische en culturele machthebbers van dit land. Men is vergeten dat de argumenten tegen de vernederlandsing waren dat de Vlamingen geen taal spraken maar een zootje dialecten. Bekende namen als de historicus Henri Pirenne of kardinaal Mercier, hoofd van de Belgische kerk, konden lang volhouden dat de taal van de Vlamingen als wetenschapstaal ‘ontoereikend’ was.
Ik stel me wel eens de vraag: wat willen de Vlamingen met hun taal? Eerst vochten ze om er één standaardtaal van te maken en om een taalgrens tot stand te brengen. Tegenwoordig wordt in sommige scholen los omgesprongen met de standaardtaal en betoogt onze jeugd met Engelstalige slogans. Terwijl Kristien Hemmerechts beaamt dat taalregels en creativiteit niet samengaan.
Binnenkort leren alleen nog nieuwkomers fatsoenlijk Nederlands, spreken de Vlamingen verkavelingsvlaams onder elkaar en studeren in het Engels aan de universiteit. En aan de kust zal enkel de Vlaamse horeca nog toestemming krijgen om etnische profilering toe te passen om te weten wanneer ze Nederlands moeten spreken.
Jaak Peeters op zijn blog Doorstroming trekt eveneens aan de alarmbel en terecht:
de kans wordt reëel dat het Nederlands wordt gemarginaliseerd
‘Er blijft van onze zelfbeschikking niets meer over (…) In die nieuwe toestand zal het behoorlijk lastig worden om onze culturele en taalkundige eigenheid te bewaren. Wie het niet gelooft moet maar eens op de markt lopen in Vilvoorde of Dilbeek – het mag nu weer. Er zal geen taalgrens meer bestaan en de kans wordt reëel dat het Nederlands wordt gemarginaliseerd, hetgeen de bazen van de EU vermoedelijk geen moer kan schelen.’
18.06.2021