Op 15 februari 1815 besloot het Weens Congres dat de Nederlanden, zowel het noordelijke als het zuidelijke deel, opnieuw zouden worden verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden, onder de heerschappij van koning Willem I. Deze hereniging volgde op een periode van tumultueuze veranderingen in Europa, waarin de Napoleontische oorlogen een grote invloed hadden gehad op de politieke en territoriale verhoudingen in de regio. Het was een tijd waarin de ideeën van nationale identiteit en soevereiniteit steeds belangrijker werden. De hereniging was een strategische zet om stabiliteit en eenheid te creëren na jaren van conflict en onrust.
De nieuwe staat, het Koninkrijk der Nederlanden, omvatte niet alleen wat nu Nederland is, maar ook het huidige België en Luxemburg. Het vormde een historisch verantwoorde, maar complexe entiteit, met verschillende talen, culturen en tradities die naast elkaar bestonden. Buurland Frankrijk speelde een grote rol in de schaduw om deze zet tegen te werken en ongedaan te maken. Dit leidde tot spanningen tussen de twee regio’s, die zich in 1830 zouden vertalen in een, voor België, heilloze scheiding.
Luxemburg kreeg een aparte status binnen het nieuwe koninkrijk. Het hertogdom werd niet rechtstreeks vanuit het koninkrijk Nederland geregeerd, wat een unieke situatie creëerde. Willem I, die tevens de koning was van Nederland, werd de eerste groothertog van Luxemburg. Deze dubbele rol illustreert de complexe politieke structuren van die tijd. Luxemburg zou echter later zijn eigen weg gaan.
Ondanks de kortstondige vereniging legde de hereniging van de Nederlanden de basis voor toekomstige samenwerking in de regio. Het nut van economische samenwerking en culturele eenheid werd steeds meer erkend. Ook militaire en politionele samenwerking biedt meer dan ooit perspectieven. De erfenis van de periode 1815-1830 is nog steeds voelbaar in de hedendaagse verhoudingen tussen de Benelux landen en biedt een toekomstgericht referentiekader om uit de huidige politieke impasse in België te geraken.
15.02.2025
(Mijn antwoord op een artikel van Luk Sermeus in ’t Pallieterke van 27 05 2015)

Je moet geen royalist, en ook geen Groot- of heel Nederlander zijn om, samen met vriend Staf De Lie te beamen dat Willem I eerherstel verdient.
Daartegenover moet Luk Sermeus Antwerpse oogkleppen dragen om Willem I ongeveer alles te verwijten, tot het graven van het kanaal Gent-Terneuzen toe. Terwijl Frankrijk, nochtans de hoofdrolspeler in de strijd tegen het jonge Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en het ontstaan van België, niet eens in zijn tekst wordt vernoemd.
Dat de Europese adel Frans sprak, dat Willem I een Waalse adellijke dame als vriendin had, dat hij een universiteit én in Gent én in Luik oprichtte, en dan?
In Europa trouwde de adel met elkaar en sprak meerdere talen. Willem I was, voor iemand die jarenlang buiten het Nederlands taalgebied in ballingschap had geleefd, het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden nochtans gunstig gezind. Zijn geliefde was niet de slet die Sermeus schetst maar een dame uit de Zuidelijke Nederlanden (waartoe de Waalse provincies volwaardig behoorden na de Franse bezetting) die de koning waardig en tot op zijn sterfbed met liefde verzorgde.
Als Frans-Vlaming wil ik graag nog iets kwijt over de ‘Waalse Kerk’ waarbij Willem I zich had aangesloten. Dhr. Sermeus weet blijkbaar de oorsprong van deWaalse Kerk niet te plaatsen. De ‘Walen’ hier bedoeld waren in eerste instantie geen Walen uit het huidige Wallonië maar protestantse vluchtelingen uit de streek rond Rijsel, Valencijn en Artesië. Vandaag is dat Frans grondgebied maar toen behoorden deze streken volwaardig tot de Nederlanden.
Men weet dat veel Calvinistische predikanten uit deze Romaanse gebieden het Nederlands machtig waren en in de twee talen spraken. Hun moedertaal was trouwens niet het Frans maar een van de Romaanse dialecten die in (nu Franse) Henegouwen, Artesië en Picardië werd gesproken. Frans was voor deze Romaanse streektalen wat het Nederlands was voor de Vlaamse en Brabantse dialecten van toen. Een schrijftaal dus. Maar de taalgrens passeerde toen nog ten zuiden van de Leie. In gemeenten als Halewijn, Busbeke, Zuid-Wervik, Komen, Ronk e.a. was het Nederlands toen nog de moedertaal.
Tot de ‘Waalse kerk’ behoorden grote geuzennamen uit het zuiden die vochten voor de vrijheid van de Nederlanden. Loiseleur de Villiers, Taffin, Lobelius, Clusius enz. waren bevoorrechte raadgevers, resp. persoonlijke artsen van Willem van Oranje. Ook Marie van Riebeeck, geboren de la Quellerie , moeder van alle Afrikaners en vrouw van de stichter van Kaapstad, was een voornaam lid van de Waalse kerk. Van haar is geweten dat ze Nederlands sprak zoals haar vader en grootvader, bekende predikanten, afkomstig uit het nu Frans-Vlaamse Armentiers en de Leievallei.
Men kon toen Frans of een andere Romaanse taal spreken en strijden voor de Nederlanden. Ook vandaag de dag komt men in Frans-Vlaanderen mensen tegen die trouw zijn aan de Nederlandse Gedachte. Door historische of politieke gebeurtenissen is voor deze mensen de taal, spijtig genoeg, niet meer gans het volk. En dan?
Deze tekst verscheen als lezersbrief in het Pallieterke van 03 juni 2015
01.06.2015