
Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/neem-de-trein-naar-lille-en-ontdek-rijsel
Een vriend vertelde me een bezoek aan Lille te willen brengen. Hij voegde er aan toe: ‘Ik neem de trein naar Lille’. Ik: ‘Hoezo, er is geen station in Lille’. Hij bedoelde Rijsel in Frans-Vlaanderen. En ik verstond Lille, een gemeente in de niet meer zo stille Kempen, waar ik woon.
U raadt het beste lezer : ik wil het even hebben over de hopeloze kakofonie waarmee Vlamingen en Nederlanders omgaan met Nederlandstalige plaatsnamen in mijn geboortestreek en elders. Een actueel onderwerp in Frans-Vlaanderen, weet je wel.
Lille, dat is in het Nederlands de Frans-Vlaamse hoofdstad Rijsel. Altijd zo geweest. En als je graag een woordje Frans spreekt: zeg dan niet Lille, maar Lille en Flandre. Want dat is de enige officiële naam van deze stad met een Vlaams hart.
Noodlijdend Lille komt in Nederlandse handen
In Het Laatste Nieuws lees ik ook recent: ‘Noodlijdend Lille komt in Nederlandse handen’. Ik hoop dat de Nederlanders niet alleen de Rijselse voetbalclub redden, maar ook de naam Rijsel gebruiken in hun communicatie.
Het Nieuwsblad titelt vervolgens: ‘Chaos in Calais door nakende brexit’. Vlaamse media berichtten ons overvloedig in vlekkig Nederlands over de ‘jungle van Calais’. En ik schrok van het nieuws dat ‘vluchtelingen uit het Noord-Franse Calais de oversteek van het… Nauw van Kales’ waagden. De Pas-de-Calais tussen Kales en Dover, weet je wel.
Van Kales naar Londen: exoniemen noemt men buitenlandse plaatsnamen met een specifieke Nederlandse naam: bijvoorbeeld Londen, Parijs of Berlijn. Op infoborden in de luchthaven van Zaventem stel je vast dat ze niet meer worden gebruikt. ‘Internationale afspraken’, heet zo’n excuus.
Plaatsnamen die ooit behoorden tot de Nederlanden hebben een specifieke Nederlandstalige naam: Duinkerke, thuishaven van vrijbuiter Jan Bart, Armentiers, zoals in het Engels soldatenliedje. Of plaatsnamen met een bijzondere historische betekenis: Atrecht, denk aan de vrede van Atrecht; Valencijn, denk aan het beleg van Valencijn; Kamerijk, eeuwenlang een invloedrijk bisdom tot aan de poorten van Antwerpen; of Dowaai, gewezen universiteitsstad.
Je zou denken dat ook voor deze historische steden dezelfde regels gelden als pakweg plaatsnamen aan de taalgrens of in Wallonië
Als onze media de Nederlandstalige namen van historische Vlaamse en Artesische steden en gemeenten niet meer gebruiken, wie dan wel? Je zou denken dat ook voor deze historische steden dezelfde regels gelden als pakweg plaatsnamen aan de taalgrens of in Wallonië. In Vlaanderen komt — voorlopig althans — niemand tot de dwaze gedachte om te spreken over Mouscron voor Moeskroen, Comines voor Komen, Liège voor Luik, enz. Waarom dan Arras, Calais en Lille?
Over dit onderwerp heb ik in het voorbije decennium mijn licht opgestoken bij de Taalunie, en de taaladviseurs van De Standaard en de VRT.
De Taalunie bezit een lijst van Frans-Vlaamse plaatsnamen. Ik stuurde toen op haar vraag mijn opmerkingen en suggesties. Deze werden even vriendelijk als prompt weerlegd door naamloze deskundigen. En zo bleven bepaalde Frans-Vlaamse gemeenten, zoals Malo-les-Bains en Bray-Dunes, eentalig Frans, tenminste volgens de lijst van de Taalunie. Waarom weet niemand.
Ludo Parmentier van de krant De Standaard pakte het op dezelfde wijze aan. Ook deze krant was toen in het bezit van een lijst van plaatsnamen in Frans-Vlaanderen. Hij stuurde ze me eenvoudig op met de vraag om ze te verbeteren. Dit deed ik ook en sindsdien van De Standaard geen nieuws.
Taaladviseur Ruud Hendrickx wist me in zijn antwoord de taalregels van de VRT te verduidelijken: ‘In principe gebruikt de VRT de Nederlandstalige naam bij grotere plaatsen die geregeld genoemd worden en bij Franstalige gemeenten met taalfaciliteiten voor Nederlandstaligen. We zeggen: Aarlen, Bastenaken, Bergen, Doornik, Hoei, Luik, Nijvel, Waver; Edingen, Komen-Waasten, Moeskroen, Vloesberg. (…) Bij minder bekende taalgrensgemeenten gebruiken we de Franse naam. Voorbeelden: Genappe (niet Genepiën), Grez-Doiceau (niet Graven), Lessines (niet Lessen), Lincent (niet Lijsem).’
Zo weet u, beste sportliefhebber, hoe ‘Parijs-Roubaix’ aan zo een halfslachtige naam komt
Voor zogenaamde ‘buitenlandse plaatsnamen’ wordt een vergelijkbaar principe aangenomen, vervolgt Hendrickx. ‘We zeggen dus Parijs (niet Paris) en Duinkerke (niet Dunkerque), maar wel Boulogne (en niet Bonen/Beunen), Calais (niet Kales) en Roubaix (niet Robeke/Robaais)’. Zo weet u, beste sportliefhebber, hoe ‘Parijs-Roubaix’ aan zo een halfslachtige naam komt.
Over namen die ‘minder bekend zijn’ of ‘minder genoemd’ worden: dat is dan weer even subjectief als onnauwkeurig. Ik doe een poging: is Calais/Kales de afgelopen tijd met de vluchtelingen, de tunnel en de brexit minder genoemd? Is Arras/Atrecht niet voldoende bekend van de geschiedenisboeken? Als dat geen belletje doet rinkelen, denk dan aan de losplaats voor de duiven op zondag.
En waarom toeristische folders Saint-Omer melden voor de door en door Vlaamse stad Sint-Omaars? Je staat dan in de Sint-Omaarsstraat of op de Rijselseweg van een West-Vlaamse gemeente, met een folder in de hand, op weg naar… Saint-Omer of Lille. Il faut le faire, dames en heren van de toeristische sector.
Er is nog een andere reden waarom dit onderwerp actueel blijft. In Frankrijk, stel je voor, komt er een nieuwe wet waardoor tweetalige bewegwijzering een feit wordt. Bretoense, Corsicaanse, Elzassische, Frans-Vlaamse gemeenten, noem maar op, krijgen officiële tweetalige borden. In de Franse Westhoek is men er nu al mee begonnen. Een twintigtal gemeenten keurden de tweetalige signalisatie goed. En zo is Bailleul nu officieel ook Belle; Cassel, Kassel; en Sercus, Zerkel.
Zullen wij binnenkort meemaken dat de Frans-Vlamingen zeggen en schrijven ‘Je vais à Belle’ en de Vlamingen aan deze kant van de schreve : Ik ga naar Bailleul?
Nu ben ik benieuwd wat onze taaladviseurs en cartografen in Vlaanderen en Nederland hiermee gaan doen. Zullen wij binnenkort meemaken dat de Frans-Vlamingen zeggen en schrijven ‘Je vais à Belle’ en de Vlamingen aan deze kant van de schreve : Ik ga naar Bailleul?
Welke excuses zal men nog verzinnen om geen voorrang te geven aan de Nederlandstalige namen in Frans-Vlaanderen, nu ze in Frankrijk een officieel karakter krijgen? En uiteraard horen historische namen en exoniemen bij dit dossier.
Mag ik als Frans-Vlaming de Taalunie, de Nederlandse en Vlaamse Regeringen uitnodigen werk te maken van deze problematiek? De Frans-Vlaamse Andries Stevenkring gaat binnenkort de lijst van alle Nederlandstalige plaatsnamen in Frans-Vlaanderen en daarbuiten actualiseren en verspreiden. Zal ik ook een folder sturen naar onze officiële instanties?
28.12.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/franse-senaat-geeft-groen-licht-voor-de-regionale
Jakobijns Frankrijk deed er ooit alles aan om zijn regionale talen en dialecten te doen verdwijnen. Nu het voor deze talen 5 na 12 is komt er een wetsvoorstel dat ze als immaterieel patrimonium beschermt. Op 10 december werd het in eerste lezing door de Senaat aangenomen. Aan de oorsprong van dit initiatief, een Bretoense volksvertegenwoordiger, Paul Molac, die aanleunt bij de Union Démocratique Bretonne.
De weg naar dit wetsvoorstel was lang. De tegenstand kwam steeds uit vele hoeken. Zoals Jean-Luc Mélenchon, leider van La France Insoumise, die zich in 2010 tegen een voorstel verzette om de regionale talen in de Grondwet op te nemen. Hij vreesde dat het ‘een etnische inhoud aan Frankrijk zou geven’. Je hebt jakobijnen van alle slag. Mélenchon vertegenwoordigt, als ex-trotskist, ex-communist, ex-socialist, de totalitaire lijn. Enige constante in zijn leven: zijn vurige bewondering voor Robespierre, vader van het Revolutionaire Schrikbewind.
Voorafgaand aan de debatten in de Senaat bracht Monique de Marco, groene verkozene uit de Gironde, en verslaggeefster voor dit wetvoorstel, interessant cijfermateriaal aan.
Momenteel telt men een twintigtal regionale talen in Frankrijk zelf, en meer dan 50 in de overzeese gebieden. Voor een goed begrip: niet inbegrepen zijn ‘migratietalen’ uit de laatste decennia. Dit maakt van Frankrijk ‘het Europees land met de grootste diversiteit inzake talen’, aldus de Marco. Tenminste in theorie. In werkelijkheid is de toestand van verschillende regionale talen echter zorgwekkend te noemen.
De realiteit in Bretagne, Elzas, Corsica, enz. leert ons dat de cijfers overal fors dalen, behalve in de overzeese gebieden.
De Marco schat in ‘dat 4,9 miljoen mensen vandaag in Frankrijk een regionale taal spreken’. Een nogal optimistische benadering naar mijn mening. De realiteit in Bretagne, Elzas, Corsica, enz. leert ons dat de cijfers overal fors dalen, behalve in de overzeese gebieden.

In de Franse Senaat werd ook over het Vlaamsch in Frans-Vlaanderen gesproken. In twintig jaar tijd zou het aantal sprekers van 90.000 naar amper 45.000 zijn gedaald, aldus het rapport. Vertegenwoordigen deze cijfers mensen die het nog kunnen spreken? Telt de passieve kennis van de streektaal hier ook mee? Niemand weet het.
De mensen die de Senatoren deze cijfers doorgaven, behoren tot de Academie voor Nuuze Vlaemsche Taele (AVNT). Deze vereniging wil het West-Vlaams als regionale taal bevorderen. Het Nederlands beschouwt ze als een ‘vreemde’ taal, en een concurrent voor de streektaal. En ze voegt er nog aan toe dat het West-Vlaams het voordeel heeft te kunnen rekenen op de ‘buren’ van over de schreve. Ook dat klopt niet: niet het West-Vlaams maar het Nederlands kan rekenen op Vlaamse steun.
Tijdens het debat kwam ook Jean-Pierre Decool, een Frans-Vlaamse senator, bekend voor zijn inzet voor het Frans-Vlaams, aan het woord. Over het Frans-Vlaams en het Nederlands in Frans-Vlaanderen verklaarde hij: ‘Het Nederlands, officiële taal van België en Nederland, wordt dikwijls ingezet tegen het Frans-Vlaams, terwijl er geen antagonisme is tussen beiden: het Vlaams is een dialect van het Nederlands’.
Jean-Pierre Decool tekende tot nu toe enkel voor de promotie van het Frans-Vlaams als regionale taal. Nu hij de link maakt tussen het Nederlands en een van zijn dialecten is te hopen dat hij voortaan beiden als een geheel gaat verdedigen.
moet het de bedoeling zijn het Nederlands en het Frans-Vlaams samen te laten erkennen als regionale taal
Als men alleen het Frans-Vlaams als regionale taal in het onderwijs erkent wordt het een concurrent van het Nederlands voor de al zo schaarse lesuren. Wat is dan de oplossing? Zoals met het Elzassisch en het Duits in de Elzas, moet het de bedoeling zijn het Nederlands en het Frans-Vlaams samen te laten erkennen als regionale taal. Er gaan meer en meer stemmen op om de dwalingen van de ‘Vlaamsche’ lobby in Frans-Vlaanderen een halt toe te roepen.
Bij de eerste indiening van het wetsvoorstel over de regionale talen haalde de Assemblée Nationale er verschillende gevoelige punten uit. De Franse Senaat heeft merkwaardig genoeg enkele van deze punten terug in het voorstel opgenomen. Het gaat onder meer om het onderwijs van de regionale taal volgens model en methode ontwikkeld in Corsica sinds 20 jaar; de financieringswijze van de scholen die in een andere taal dan het Frans onderwijzen (zgn. ‘écoles immersives’ ) zoals de Bretoense Diwan scholen; en ook de wettelijke erkenning van de tweetalige naamborden van de gemeenten. De Franse volksvertegenwoordiging zal zich dus opnieuw over deze toevoegingen moeten buigen om de wet definitief te valideren.
Voor wie te snel victorie kraait: we bevinden ons in het land van Abbé Grégoire die de talen en dialecten op het Frans grondgebied ooit heeft verboden. Ook de nieuwe wetgeving moet rekening houden met de uitspraken van de Grondwettelijke Raad ter zake. De bandbreedte is beperkt: het onderwijs van een regionale taal kan nooit worden verplicht, noch voor leerlingen noch voor leerkrachten. In de publieke scholen is onderwijzen in een andere taal dan het Frans verboden tenzij men de toelating krijgt van de bevoegde onderwijsinstanties.
Weinig Fransen weten het, maar de ambtenaren van de burgerlijke stand kunnen, als iemand er om vraagt, documenten zoals trouwboeken of geboorteakten in een regionale taal uitreiken, naast het Frans. Dat is tenminste de theorie, want in de praktijk moet je uiteraard iemand vinden die de taal machtig is om zo een document op te stellen.
De Bretoenen kwamen met het idee om zo’n document in het Bretoens op te stellen.
Door Corona en de lockdown is men in Frankrijk overgegaan tot het massaal uitreiken van toelatingen om zich te mogen verplaatsen. De Bretoenen kwamen met het idee om zo’n document in het Bretoens op te stellen. Het blijft perfect legaal zolang de tekst én in het Frans én in het Bretoens te lezen is.
Blijkbaar kende dit Bretoens initiatief veel succes. Occitanië, de Elzas en Frans Baskenland volgden onmiddellijk. Zo bestaan er nu tweetalige toelatingen om zich te verplaatsen in een tiental departementen. Ze spelen graag met die uiterlijke schijn om hun kwijnende identiteit als Corsicaan, Bask of Normandiër te uiten.
Maar of vlaggen, formulieren en wegwijzers zullen voldoen om een regionale taal echt te redden is een andere zaak. De strijd voor een kwaliteitsvol onderwijs van de regionale talen lijkt me een moeilijkere, maar betere weg.
17.12.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/flandria-rhei/
Het Flandria Rhei project is een mooi Europees interregioproject tussen West- en Frans-Vlaanderen. Doel is de verbetering van het milieu en de levenskwaliteit in deze grensoverschrijdende regio. Een onderdeel van het project, Mageteaux genoemd, voorziet in een beter waterbeheer om de frequente overstromingen in het gebied in de toekomst beter te reguleren. De gemeenschappelijke geschiedenis van de streek speelt een voorname rol in het debat.
Er was een tijd dat de Vlaamse kust liep van Brugge naar Diksmuide, Sint-Winoksbergen en zo verder naar Waten en Sint-Omaars. Toen de Vikingen met hun drakars onze streken onveilig maakten, hoefden ze niet van boord om diep in het huidig binnenland binnen te dringen.
Als West-Vlamingen het hebben over ‘Bachten de Kupe’ gaat het over de twee ‘kupen’ van de Moeren
Toen de streek geleidelijk aan droog werd en omgetoverd tot rijke poldergrond bleef nog, tussen Sint-Winoksbergen en Veurne, een enorm watergebied over: de Moeren, 1945 ha groot, dat tot 2,5 meter onder de zeespiegel ligt. Als West-Vlamingen het hebben over ‘Bachten de Kupe’ gaat het over de twee ‘kupen’ van de Moeren: een grote en een kleine Moere, vandaag de dag een polderlandschap voor 2/3 op Frans grondgebied, en voor 1/3 in West-Vlaanderen gesitueerd.
Het toenmalig watergebied van de moeren was zeer ongezond. De enorme wateroppervlakte was een bron van epidemieën die de omliggende gemeenten regelmatig teisterden. Maar de reden om ze droog te leggen was ook van economische aard: bijkomende vruchtbare poldergrond was meer dan welkom.
Het is Wenzel Cobergher (1557-1634), een Antwerpenaar, die de drooglegging van de Moeren verwezenlijkte. Een huzarenstuk uitgevoerd in amper zes jaar tijd. Hiervoor liet hij een dijk bouwen, alsook een ringsloot graven, tien voet diep. 23 molens pompten het water van het meer over naar de ringsloot. Deze gracht kreeg een verbinding met een kanaal dat, via Duinkerke, de zee bereikt.
Het netwerk van watergangen en wateringen, afvoersloten en kanalen was met elkaar verbonden.
Belangrijke opmerking voor het vervolg van ons verhaal: toen Cobergher het gebied drooglegde was de streek nog niet in Franse handen. De drooglegging van de Moeren gebeurde onder het bestuur van de Spaanse Nederlanden. De gevolgen voor het waterbeheer van de hele regio waren niet te overzien. Het netwerk van watergangen en wateringen, afvoersloten en kanalen was met elkaar verbonden. Zolang Frans-Vlaanderen en Duinkerke nog niet door Frankrijk werden geannexeerd was het geheel onderhevig aan een veilig en coherent beheer onder één commando.
Naast de drooglegging van de Moeren spelen in de 17de eeuw nog andere historische feiten een grote rol in het uitvouwen van grootse waterwerken. In 1638 wordt het kanaal Veurne-Duinkerke gegraven. Een sluitstuk in de toenmalige grote infrastructuurwerken om Antwerpen en Duinkerke via de binnenwateren een uitweg te bieden.
Dit alles ontstond in een periode dat de Nederlanders, in hun strijd tegen Spanje, de Scheldemonding, maar ook andere havens als Duinkerke blokkeerden. In Antwerpen werd de blokkade omzeild via de Schelde tot in Gent. Vervolgens ontstond een netwerk van kanalen naar Brugge, Plassendale, Oostende, Nieuwpoort, Veurne, Duinkerke.
Duinkerke viel heel even in Engelse handen. Om uiteindelijk door Engeland aan Frankrijk te worden verkocht in 1662. Enkele jaren later, in 1668, veroverden de troepen van Lodewijk XIV het gebied met en rond de Moeren. Er waren voortaan afspraken nodig tussen beide landen, die niet noodzakelijk dezelfde belangen en visie hadden, over het te voeren beleid. Eén zaak zou evenwel bepalend blijven: water stopt niet aan de grens!
De materie ligt zeer gevoelig en vraagt om sluitende afspraken
Veel moest er niet gebeuren om de Moeren volledig terug onder water te zetten. Dit gebeurde trouwens in de praktijk tijdens de twee laatste wereldoorlogen. In de nabijheid heb je ook het dal van de IJzer, in de winter onderhevig aan overstromingen aan beide kanten van de schreve. Als er te veel water spoelt over de velden en weiden hoor je de Frans-Vlaamse boer wel eens zeggen: ‘de Belgen hebben de kraan opengezet’. De materie ligt zeer gevoelig en vraagt om sluitende afspraken nu het overtollige water elke winter meer en meer overlast veroorzaakt.
De voorziene stijging van het zeeniveau door de klimaatopwarming maakt dat het huidige systeem van waterevacuatie onvoldoende oplossingen biedt voor de toekomst. Nu al, in perioden van hogere waterstanden, bereikt de bestaande infrastructuur voor lozing van overtollig water in de zee haar grenzen.
Er bestond een traditie van meer dan honderd jaar inzake waterbeheer van het grensoverschrijdend gebied. In 1891 werd een heuse conventie getekend die alle afspraken vastlegde. Van het onderhoud van kanalen en sluizen tot zelfs de richting van de evacuatie van het water naar zee. Nu de buffercapaciteit om water op te vangen op haar limieten botst was deze Conventie aan herziening toe.
Op korte termijn dienen werkzaamheden uitgevoerd om het overtollige water sneller naar zee te loodsen. Het project-Magetaux voorziet in het bouwen van twee nieuwe kunstwerken om overstromingen te beperken. De werkzaamheden zijn reeds in uitvoering voor oplevering in 2021. In Frans-Vlaanderen bestaat het uit een schuifconstructie op de site van de ‘Vier sluizen’ in Duinkerke voor een betere afvoer van water via een plaatselijk kanaal.
Aan West-Vlaamse kant is men begonnen met het bouwen van een noodpompgemaal.
Aan West-Vlaamse kant is men begonnen met het bouwen van een noodpompgemaal. Dat heeft een capaciteit van 3 kubieke meter per seconde, op de Speievaart, ter hoogte van Veurne. Bij te hoge waterstanden moet dit pompgemaal water overpompen in het kanaal Nieuwpoort-Duinkerke.
Het Mageteaux-project vertegenwoordigt een investeringsplaatje van 2,4 miljoen euro waarvan 55 % Europese subsidie in het kader van Interreg V. Het omvat nog een tweede wettelijk en juridisch luik. De overeenkomst van 1891 dient te worden aangepast en de nieuwe afspraken in een wettelijk kader gegoten. Het voorziet ook een grensoverschrijdende overeenkomst die de werking van de nieuwe kunstwerken regelt.
Magetaux is maar een deel van het Flandria Rhei project met een totaalinvestering van 16,5 miljoen euro voor Frans- en West-Vlaanderen samen. Naast het waterbeheer en de bescherming tegen overstromingen worden nog volgende projecten voorzien:
Flandria Rhei is niet alleen een project rond waterbeheer. Het gaat ook over duurzame oplossingen, ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit in de sociodemografische context van een grensstreek die steeds evolueert en uit elkaar groeit. Een grensoverschrijdende aanpak als Flandria Rhei geeft Frans-Vlaanderen een betere aansluiting tot zijn historisch hinterland. Een applaus waard.
07.12.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/tante-post-mist-de-trein-van-de-21ste-eeuw/
Tante Post heeft haar klanten eens te meer op een niet zo subtiele wijze laten weten dat ze de eindejaarsdrukte niet aankan. Klanten moeten vooral niet rekenen op een deftige afhandeling van de pakjes die ze de post toevertrouwen. De regering houdt nog steeds de winkels dicht. De houding van de Post als semi-overheidsbedrijf is dan ook een dolk in de rug van de handelaars die proberen te overleven. Bij onze Nederlandse buren daarentegen blijven de winkels open én draaien de pakjesdiensten op volle toeren.
Bpost is duur en weet jaarlijks de tarieven te verhogen. Maar op een betere service moet je dus niet rekenen. Dit land is amper een zakdoek groot. 238 km van Menen tot Hazendonk en 296 km van De Panne tot Bastenaken. Toch kan een brief hier niet in 24u worden besteld. Ook niet in 48u trouwens. En voor een pakje hoor je dezer dagen bij de gelukkigen als je het binnen een week ontvangt. De dramatisch dalende trend van het briefverkeer van jaarlijks -10% houdt al jaren aan. Het deed in 2019 de omzet van Bpost dalen met -0,3%. Vooral de nettowinst smolt spectaculair met -40% om te landen op 173 miljoen.
De lockdown doet het verzenden van producten, en dus het pakjesverkeer, gigantisch toenemen. De groei bedraagt tot +25%. In sommige maanden zelfs met pieken van +50%. Een unieke kans dus voor Bpost om de dalende cijfers goed te maken. En om het marktaandeel in het pakjesverkeer, van levensbelang voor haar toekomst, uit te breiden. De concurrentie — privébedrijven als TNT, Post NL, Federal Express enz. — hoor je niet zeuren of klagen. En je komt ze elke dag in je straat tegen. Ook deze bedrijven kennen dezer dagen een enorme drukte. Maar ze hebben zich voorbereid. Ondertussen communiceert de Belgische post laconiek dat ze 5% van het pakjesverkeer niet aankan. Wel te verstaan: de prijs voor de klant blijft gelijk, maar hij mag zelf het werk doen en zijn pakje zelf afhalen.
Ze zien immers elke verandering als een bedreiging voor hun verworven rechten
Ik twijfel er niet aan dat sommige diensten, en ook vele medewerkers van Bpost, competent en professioneel bezig zijn. Maar wat baat het als elke poging om meer werk aan te trekken botst op de vakbonden? Die weigeren uit hun comfortzone te komen. Deze vakbonden voeren er nog steeds het woord. Net zoals in de hoogdagen van het publieke bedrijf. En het Belgische establishment beaamt. Die vakbonden stellen zich zogezegd progressief op. Maar in de realiteit zijn ze tot de meest verkrampte krachten in dit land verworden. Ze zien immers elke verandering als een bedreiging voor hun verworven rechten.
Mijn leven lang was ik actief in de verkoop op afstand. Ik heb voor diverse klanten en bedrijven jaarlijks miljoenen stuks met de post verstuurd. Als gewezen grote klant van Bpost beschouw ik me, willens nillens, als een observator van het reilen en zeilen van dit overheidsbedrijf. In de jaren 80 van vorige eeuw maakte ik mee dat tonnen dure mailings niet werden afgeleverd. Ze werden daarentegen systematisch in een of andere waterloop gedumpt.
Je liep gevaar dat je poststukken zouden worden gebruikt om een vuurtje te stoken
In de jaren 90 herinner ik me nog dat in sommige postsorteercentra de vakbonden bepaalden welke grote klanten eerst zouden worden behandeld en welke moesten wachten. In Brussel werd me aangeraden nooit grote partijen bij de post te deponeren als er een staking in de lucht hing. Je liep gevaar dat je poststukken zouden worden gebruikt om een vuurtje te stoken. Een warme traditie van de stakingspiketten, niet alleen tijdens de koude winterdagen.
In het begin van deze eeuw had je dan de klucht van de nieuwe rondes voor de postbodes door middel van georoutes. Nog voor de nieuwe postrondes werden uitgetekend was er al onrust bij de postbonden. Met stakingen in elk uitreikingskantoor dat overstapte naar het nieuwe systeem. De vraag is: wat is er veranderd na al die jaren?
In de laatste twintig jaar is een reuzebusiness ontstaan met de verkoop online en op afstand. Online én logistieke wereldspelers klopten aan onze deuren om zich in dit land, de draaischijf van Europa, te vestigen. Wij kunnen er rustig van uitgaan dat wij meer dan 50% van deze bedrijven aan onze neus voorbij lieten gaan. Je komt ze nu tegen in de industrieparken van Eindhoven, Venlo en elders juist over de Nederlandse grens. Als Fernand Huts ooit zijn memoires schrijft zal hij boekdelen kunnen vullen over de houding van de vakbonden inzake nacht- en ploegenwerk. En ook over het feit dat 19de-eeuwse arbeidsvoorwaarden rond havenarbeid niet geschikt zijn voor logistieke activiteiten in de onlinesector in de 21ste eeuw.
In haar beleidsnota van 18 november schrijft Mevr. Petra De Sutter, vice-eerste minister en minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven: ‘Ambtenaar zijn betekent zich inzetten voor de samenleving’. Ontroerend. Terwijl de regering sommige handelsactiviteiten met betwistbare maatregelen verbiedt zou je denken dat een semi-overheidsbedrijf als Tante Post deze dagen op de afspraak is om de getroffen handelaars te helpen. Met een optimale dienstverlening, en met de glimlach, in plaats van te zeuren.
De minister gaat in gesprek met Bpost. Maar ze toont alvast begrip voor de onkunde om een deftige dienstverlening te verzekeren. Prioriteit van haar beleid is niet zozeer de inzet van de ambtenaar ‘voor de samenleving’. Het gaat haar, voor wie goed leest, wél om positieve discriminatie van diverse bevolkingsgroepen. Een contradictio in terminis met als toekomst nieuwe groene vormen van discriminatie.
Op mijn beurt pleit ik voor een VLpost en het opdoeken van een overheidsbedrijf als Bpost
Vlaanderen heeft in de laatste twintig jaar tientallen grote spelers aan haar neus zien voorbijgaan in de logistiek van de onlineverkoop. Hiermee ook duizenden arbeidsplaatsen en vele miljarden opbrengst. Het spel gaat nog steeds verder. Ook met semi-overheidsbedrijven als B-post. Onlangs werd in de pers voor de Vlaamse spoorwegen gepleit. Op mijn beurt pleit ik voor een VLpost en het opdoeken van een overheidsbedrijf als Bpost dat door Belgische politici en vakbonden al te lang als hun speeltuin gebruikt werd.
26.11.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/vlaamse-slaven-in-arabische-kerkers
Al van de Trinitariërs gehoord? Zelf moest ik tot voor kort het antwoord schuldig blijven. Tot een vriend mijn aandacht vestigde op een lijst Vlaamse christenslaven uit 1670. Deze slaven werden door een Frans-Vlaamse afdeling van de orde van de Trinitariërs in Algiers vrijgekocht. De Trinitariërs gaven zich tot levenstaak christenen vrij te kopen die tot slavernij waren gebracht.
Het traditionele beeld van de slavenhandel schetst een verhaal van Afrikaanse slaven richting Amerika. Maar dat is een zeer eenzijdig en totaal onvolledig verhaal.
Vanaf de 16de eeuw ontwikkelde de moslimpiraterij en de christenslavenhandel zich sneller op en rond de Middellandse Zee. Deels uit religieuze wraak voor de verdrijving van de Moorse bezetters uit Spanje, de Reconquista. Maar evenzeer wegens de lucratieve handel die de christenslaven opleverde. De val van Granada als laatste Spaanse moslimbastion dateert van 1492.
Het gevangennemen van christenen voor losgeld maakt van de Osmaanse piraterij een jihad die zich voornamelijk op zee afspeelde. Schepen werden gekaapt. In de kuststreken werden razzia’s gehouden. De jihadisten van tegenwoordig hebben dus niets uitgevonden. Wij Europeanen hebben geen notie meer van hoe onze voorouders veelvuldig in aanraking kwamen met dit barbaars geweld. En dit leren wij ook niet meer in onze geschiedenisboeken.
Vanaf de 15de eeuw werden Algerijnse kapers door de Turken aangetrokken als versterking van de Osmaanse vloot.
‘Piraten waren regelmatig actief aan de monding van de Theems’
De meeste christenslaven werden tussen de 17de en de 18de eeuw slachtoffers van Turkse zeerovers. Deze waagden zich tot in de Noordzee voor hun strooptochten. Piraten waren regelmatig actief aan de monding van de Theems. En in 1627 werden vierhonderd mensen in IJsland gevangengenomen. In Vlaanderen is het geval bekend van het schip Keyserinne Elisabeth van de Oostendse Compagnie dat in het Kanaal werd overvallen. Dat was in 1724. Alle overlevende Vlaamse bemanningsleden werden meegenomen naar Algiers om daar als slaaf te worden verkocht. Gevangenen werden voornamelijk naar Algerije gebracht, maar ook naar Marokko, Tunesië en Egypte.
Om een idee te geven van de omvang van de christenslavernij: men spreekt van meer dan één miljoen Europese slachtoffers van de moslimpiraterij. Dit alleen voor de steden Algiers, Tunis en Tripoli. De slaven werden overal in de Maghreb als dwangarbeiders ingezet, de vrouwen tot prostitutie gedwongen als concubines van de schatrijke sultans. Het is bekend dat sultan Moulai Ismail uit Marokko op z’n eentje meer dan 25 000 Europese slaven gevangenhield.
Een beroemde slaaf was Miguel de Cervantès (1547-1616), de auteur van Don Quichot de la Mancha. Tijdens een expeditie tegen de stad Tunis in september 1575 werd zijn schip door moslimzeerovers overvallen. Hij werd in Algiers als slaaf verkocht en zat er vijf lange jaren vast in verschrikkelijke omstandigheden.
Ook de grote Nederlandse zeeheld, Maarten Tromp (1598-1653), de latere luitenant-admiraal van de Nederlandse marine, maakte kennis met de kerkers van de slavernij. In 1609 werd hij gevangengenomen door de Engelse zeerover Peter Easton. Niet enkel Arabische zeepiraten, maar ook Europeanen, dikwijls renegaten die zich soms tot de islam hadden bekeerd om vrij te komen, waren zeer bedreven in de slavenhandel.
Miguel de Cervantès werd in 1580 vrijgekocht nadat de orde van de Trinitariërs, samen met zijn ouders, losgeld hadden betaald.
Maar wie waren die Trinitariërs? Men tast nog in het duister over de precieze bedoelingen van de stichters van de orde in een tijd dat moslimpiraterij nog niet verspreid was. Alhoewel: het verband met de kruistochten is snel gemaakt.
‘De Trinitariërs hadden maar één bestaansreden: het vrijkopen van christenen die omwille van hun geloof gevangen waren genomen’
Zeker is dat de Orde der Trinitariërs in Italië in 1198 werd opgericht door twee priesters Johannes de Matha en Felix Valois. Ze verspreidden zich eerst rond de Middellandse Zee met kloosters in Spanje, Italië, en Zuid-Frankrijk. De Trinitariërs hadden maar één bestaansreden: het vrijkopen van christenen die omwille van hun geloof gevangen waren genomen.
De Trinitaniërs leefden in armoede. Ze werden ook ezelbroeders genoemd omdat ze enkel de ezel als rijdier gebruikten. Op vele schilderijen zijn ze herkenbaar aan hun witte pij met op de borst het symbool van de orde: een rood-blauw kruis.
De bescherming van de Heilige Drievuldigheid maakte dat het cijfer drie bepalend was voor hun activiteiten. Zo besteedden ze een derde van hun inkomsten aan het vrijkopen van christenslaven.
Behalve in het zuiden kwamen de Trinitariërs in de rest van Frankrijk minder voor. Opvallend is dat in het noorden van Frankrijk hun kloosters voornamelijk in die gebieden lagen die historisch tot de Nederlanden behoorden. De Vlaamse kloosters, voornamelijk in de 13de eeuw gesticht, waren geconcentreerd in het huidige Frans-Vlaanderen: in Dowaai, Hondschote, Convorde bij Stegers en in Morbeke bij Hazebroek.
‘een namenlijst van Vlaamse slaven, gekocht in Algiers in augustus 1670’
In de rest van Vlaanderen waren er op meerdere plaatsen wel broederschappen van leken, zoals in de Gentse Sint-Jacobskerk. Het is uit de archieven van deze kerk dat Guy van Rysseghem, een Oost-Vlaming die regelmatig in Frans-Vlaanderen gidst, me een merkwaardig document bezorgde: een namenlijst van Vlaamse slaven, gekocht in Algiers in augustus 1670. Een vondst van de archivaris van de kerk, historicus Marc Beyaert, tevens auteur van een lijvige gids over de geschiedenis van de Sint-Jacobskerk *.
Deze lijst van vrijgekochte slaven vermeldt dat deze mensen in vrijheid werden gesteld door de tussenkomst van het Trinitariërsconvent van Hondschote in Frans-Vlaanderen.
De lijst is heel gedetailleerd met namen van de slaven, geboortedatum, aantal jaren in slavernij en plaats van gevangenschap. Op enkele uitzonderingen na blijken alle vrijgekochte slaven afkomstig uit het huidige Frans-Vlaanderen en uit West-Vlaanderen. ‘Slaeven vande Nederlanden’ meldt het document. Meestal gaat het om mensen tussen 20 en 50 jaar die gedurende 1,5 tot 6 jaren in slavernij leefden. Ik lees verder dat de Trinitariërs van Hondschote deze arme mensen hebben ‘ghekocht binnen de stadt Algiers in Barbarijen’.
In Hondschote zelf zijn de Trinitaniërs al sinds de Franse Revolutie verdwenen. Enkel op de voorgevel van het stadhuis herinnert een schild van de orde, herkenbaar aan het rood-blauwe kruis, aan hun aanwezigheid. Het stadje heeft ook nog een rue des Trinitaires, de straat waar het convent was gevestigd.
‘Maar er zijn nog Trinitariërs actief in de wereld. In Syrië en Irak hielpen ze om gevangenen van IS vrij te krijgen’
De slavernij van toen is verdwenen sinds Frankrijk in 1840 Algerije koloniseerde. Maar er zijn nog Trinitariërs actief in de wereld. In Syrië en Irak hielpen ze om gevangenen van IS vrij te krijgen, en ook bij het vrijkopen van kindsoldaten in Zuid-Soedan, Congo en Oeganda. De geschiedenis herhaalt zich, maar wij leren er zo weinig uit…
*Marc Beyaert, Rondleiding in de Gentse Sint-Jacobskerk, uitgegeven in eigen beheer. Info: marc.beyaert@gmail.com
16.11.2020
Bedankt voor dit slavenverhaal en de orde van de Trinitariërs een stukje uit onze geschiedenis dat ik tot vandaag nergens ben tegengekomen. Het werpt wel een genuanceerde beeld over de slavenhandel die uitsluitend door Westerlingen zouden gepleegd zijn .En waarvoor wij volgens bepaalde Afrikaanse landen door het stof moeten kruipen.
geachte
wordt het niet hoogtijd dat meerdere van deze verhalen zouden gepubliceerd worden en de realiteit onder ogen gezien wordt,onze leopold 2 zal zeker geen lieverdje geweest zijn, maar in die tijd nam deblokkeren man de negerkes vr normaal
maar ls diezelfde negeren 100 jaar later na onafhankelijkheid geholpen worden door blanke la´dbouwingineurs en deze na 4, 5 jaar terugkeren voor te zien wat hun vruchten heeft opgebracht, vindenzeenkel een afgebroken loods en eenkapotte tractor op t´veld terug
echt zielig da verloren kontinent

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/was-charles-de-gaulle-een-frans-vlaming
Vijftig jaar na zijn overlijden waakt de schaduw van Charles de Gaulle nog steeds over politiek Frankrijk. Bij leven, 1,96 meter groot en het gewicht van de Franse grandeur op zijn schouders, boetseerde hij continu aan zijn standbeeld voor de geschiedenis. De Gaulle, in Rijsel geboren, zag zichzelf als een man van het Noorden. Maar hoe belangrijk was zijn afkomst voor hem?
In 1958 was de Gaulle terug van weggeweest in de Franse politiek. In het tijdschrift Panorama schreef de beroemde taalkundige Dr. P. C. Paardekooper toen uitbundig over de afkomst van Charles de Gaulle: ‘Een echte Vlaming, een echte Nederlander, zij het dan een Frans-Vlaming’. Hij voegde er aan toe: ‘De naam de Gaulle is een verbastering van het oer-Nederlandse Van de Walle (…).’
‘De naam de Gaulle is mogelijk afgeleid van de Wal (wal = versterking).’
Maar klopt dit? De naam de Gaulle is mogelijk afgeleid van de Wal (wal = versterking). Een mogelijke voorouder van de generaal, Richard de Gaulle (13e eeuw), schreef afwisselend zijn naam ‘de Gaulle’ als ‘de Waulle’ of ‘Dewaulle’. Noemenswaard is dat Dr. Frans Debrabandere, in zijn Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk, aan de naam ‘Gaul’, o.m. de betekenis geeft van ‘groot, lomp, plomp mens’. What’s in a name?
De banden van de Gaulle met Rijsel kwamen voornamelijk van moederskant. De Maillots waren gegoede industriëlen, sinds generaties in Rijsel en Duinkerke verankerd.
Het museum de Gaulle in Rijsel, gevestigd in de Rue Princesse, waar Charles de Gaulle geboren is, was de woonst van zijn grootouders langs moederskant. Hier was hij kind aan huis. De braderij, de kermissen, de lekkere wafels van banketbakkerij Meert, en de feesten van het jaar zoals Sinterklaas beleefde de Gaulle in een authentieke Vlaamse traditie. In zijn Mémoires vertelt hij over de schoolvakanties in Rijsel, en in de villa St. Patrick in Wimereux, aan de Frans-Vlaamse kust.
Mevr. de Gaulle, met haar meisjesnaam Yvonne Vendroux, was eveneens uit de Franse Nederlanden afkomstig. Tante Yvonne, zo werd ze in de wandelgangen van het Elysée genoemd, werd in Kales geboren, als een telg van de familie Vendroux, eigenaar van de koekjesfabriek met dezelfde naam. Dit deed de Gaulle ooit lachend zeggen: ‘Ik ben met de Vendroux-koekjes getrouwd’.
‘Hij hield van mediterende wandelingen langsheen de ruwe landschappen van Blankenesse (Cap Blanc-Nez) en Grijzenesse (Cap Griz-Nez).’
Tijdens zijn presidentschap vluchtte de Gaulle weleens uit de Parijse hoofdstad richting de Frans-Vlaamse kust om rust te zoeken in Wissant en omgeving. Hij hield van mediterende wandelingen langsheen de ruwe landschappen van Blankenesse (Cap Blanc-Nez) en Grijzenesse (Cap Griz-Nez).
Bij het begin van zijn militaire carrière kwam onderluitenant de Gaulle opnieuw in de Franse Nederlanden terecht. Hij werd aan de vooravond van Wereldoorlog I gekazerneerd bij het 33ste infanterieregiment in Atrecht. Aan het hoofd van het regiment stond een zekere kolonel Pétain. Philippe Pétain, jawel, de latere maarschalk, ook een man uit het Noorden, geboren in Cauchy-à-la-Tour in Artesië.
Pétain had de intellectuele capaciteiten van deze jonge officier snel door en nam hem onder zijn hoede. De bewondering van Charles de Gaulle voor Philippe Pétain bleek zo groot dat hij zijn zoon, geboren in 1921, naar hem vernoemde. Dezelfde Philippe de Gaulle die later over zijn vader getuigde: ‘Het Noorden is voor hem niet alleen zijn geboorteplaats, maar ook synoniem van ethiek, opvoeding en levenswijze. Een zekere reserve om gevoelens uit te drukken, zichtbare koelheid, bescheidenheid, en de behoefte om geen ophef te maken typeren hem.’
De zwanengang van de Gaulle kwam met de opstand van mei 1968, vervolgens met het referendum over de regionalisering dat hij verloor. Eigengereid kondigde hij dit referendum aan in februari 1969, in het Bretoense Quimper. Hij citeerde mysterieuze verzen in het Bretoens :
‘Va c’horf zo dalc’het, med daved hoc’h nij va spered, Vel al labous, a denn askel, Nij da gaout e vreudeur a bell.’ (‘Mijn lichaam wringt maar mijn geest vliegt naar u zoals een vogel vliegt naar zijn verre broeders’).
‘Zwaar verlamd en levenslang aan zijn Parijse woning gekluisterd, werd oom Charles verliefd op de Bretoense cultuur.’
Verzen geschreven door zijn oom en naamgenoot Charles de Gaulle (1837-1880), van opleiding een historicus en taalkundige. Zwaar verlamd en levenslang aan zijn Parijse woning gekluisterd, werd oom Charles verliefd op de Bretoense cultuur. Hij slaagde erin Bretoens en Gaelisch te studeren. Hij beheerste weldra het Bretoens zo goed dat hij deze taal als omgangstaal gebruikte. Onder de naam Barz Bro C’hall schreef hij gedichten in het Bretoens, stichtte hij het tijdschrift Fei ha Breiz en trad hij op als secretaris van Breuriez Breiz, een vereniging van Bretoense dichters. Oom Charles werd ook de initiatiefnemer van petities ten gunste van de streektalen in Frankrijk en van een ‘Oproep tot de Kelten’ die van hem een voorvechter van de Bretoense beweging maakte.
Op 28 april 1969, na de nederlaag van het referendum, trekt de Gaulle zich definitief terug als president van Frankrijk. Een maand later ‘verdwijnt’ hij voor een merkwaardige reis naar Ierland. Was dat ook onder invloed van Oom Charles, de Keltische bard? Hierover verklaart hij: ‘Het was mijn instinct dat me naar Ierland bracht’. Op zoek naar zijn wortels, want een overgrootmoeder van hem heette Mac Cartan.
‘De Gaulle had grote bewondering voor de legendarische Ierse vrijheidsstrijder Daniel O’ Connell’
De Mac Cartans, heren van Kinelarty in het zuiden van het graafschap Down, vandaag in Ulster, bouwden een stevige reputatie op als bestrijders van de Engelse bezetter. In de zeventiende eeuw vluchtten ze uit Ierland en kwamen in Frankrijk terecht. De Gaulle had grote bewondering voor de legendarische Ierse vrijheidsstrijder Daniel O’ Connell (1775-1847), bijgenaamd The Liberator, waarover zijn grootmoeder een biografie schreef.
Dit verklaart wellicht zijn bijna mythische conceptie van het Frans nationaal gevoel, zijn afkeer voor het Verenigd Koninkrijk, het ‘perfide Albion’, en de koppige, rebelse kant van de Einzelgänger die de Gaulle in de internationale politiek altijd bleef.
Tijdens zijn bezoek aan Ierland bracht Charles de Gaulle een toost uit: ‘Ik hef het glas ter ere van Ierland… van heel Ierland.’ De laatste drie woorden werden vergeten of… geschrapt uit de persverslagen.
Charles de Gaulle, ‘grootste Fransman aller tijden’, met Vlaamse en Keltische wortels, overleed anderhalf jaar later, op 9 november 1970.
09.11.2020

Pour répondre à un des nombreux courriels reçus concernant la charte bilingue de l’Institut Régional de la Langue Flamande/ Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele (ANVT), je voudrai d’abord faire remarquer que la Flandre dite française peut très bien « être authentique » sans utiliser une orthographe archaïque. Vlaanderen n’est pas moins du flamand/néerlandais que Vlaenderen ! Les Flamands de France veulent renouer avec leur plus lointain passé sans être d’hier, et en ayant la volonté de vivre, de décider et de travailler dans la Flandre du XXIème siècle.
Nos correspondants m’interrogent sur le cas de la commune de Herzeele, flamandisée en Herzel.
Le toponyme Herzeele ne pose pas de problème particulier: il se compose de deux éléments qui dans toutes les langues germaniques ont les mêmes racines et les mêmes significations :
Les sources mentionnent Hersela(1085). La cartographie est cohérente malgré sa diversité orthographique: une carte de Théodore de Bry (1528-1598), visionnaire mentionne Herzele … au 16ième siècle ; celle de West-DietsVlaanderen dessinée par Willem Blaeu (1635) note Hersele; et Johan Blaeu Heersele sur la carte de l’évêché de Ypres (1662).
Si la signalétique bilingue n’est pas une obsession jusque dans l’absurde, on pouvait très bien laisser Herzeele comme version historique parvenue jusqu’à nos jours. Comment flamandiser un nom aussi flamand ??? Fallait-il à tout prix gaspiller l’argent du contribuable ? Mais, si nous jouons le jeu, c’est bien entendu Herzele, qui combine l’histoire à l’orthographe du XXIème siècle, qui s’impose.
Comment alors expliquer le choix de Herzel ? On me dit qu’il a été influencé par le nom d’une politicienne du cru à qui on a voulu faire plaisir. Faut-il pleurer, faut-il en rire ? J’écrivais dans mon article sur Kaaster/Caestre que la signalétique bilingue de l’ANVT tournait à la farce : Herzel en est la parfaite illustration.
La préconisation du cercle Andries Steven: c’est bien Herzele et non Herzel qu’il fallait choisir. L’ANVT, qui fait joujou avec la toponymie flamande en remerciements de services rendus par la politique, doit être responsabilisée pour ses actes. Je propose qu’elle remplace gracieusement la nouvelle signalétique marquée Herzel pour la remplacer par HERZELE. Ceci ne posera pas de problèmes puisque l’ANVT touche des subsides conséquents de ces mêmes politiciens.
Wido Bourel
Vice-président du Cercle Andries Steven Kring
Auteur du livre Olla Vogala, histoire de langue des Flamands, en France et ailleurs paru aux éditions Yoran Embanner.
26.10.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-spagaat-van-een-franse-premier/
Voor de tweede keer in zes jaar tijd heeft Frankrijk een Catalaanse premier. De eerste in de rij, Manuel Valls, nam roemloos ontslag in 2016 en koos wat later voor een comfortabel rijkeluisleven in Barcelona. Sinds juli van dit jaar is het de beurt aan een andere Catalaan: Jean Castex. Achter deze technocraat schuilt een man met een hart voor de Catalaanse cultuur. Maar hoe ver draagt dit in het centrum van de macht?
Er is al heel wat geschreven over het accent van de nieuwe premier van Frankrijk dat zijn afkomst verraadt. Jean Castex is in Vic-Fezensac in Gascogne geboren. Zijn ouders waren onderwijzers. Zijn grootvader langs vaderskant werd ook senator voor het departement Gers en burgemeester van Vic-Fezensac. De familie Castex is sinds generaties geworteld in de Armagnac, bij ons voornamelijk bekend door de sterke drank met dezelfde naam, maar in de geschiedenis een heus graafschap in de Gascogne met als wapenschild een rode leeuw die een beetje aan onze Vlaamse Leeuw doet denken.
In Prades wordt verteld dat hij de Catalaanse cultuur een warm hart toedraagt.
De relatie met zijn toekomstige echtgenote bracht Jean Castex naar de Pyreneën, en meer bepaald naar het stadje Prades (Catalaans: Prada de Conflent) waar hij later burgemeester werd. Door zijn echtgenote Sandra leerde hij vlot Catalaans. In Prades wordt verteld dat hij de Catalaanse cultuur een warm hart toedraagt. Hij steunde een vereniging die castells bouwt, dat zijn de typische Catalaanse menselijke piramides, en andere volkse tradities.
Onder zijn burgemeesterschap financierde Prades ook een bressola, dat is een school waar uitsluitend in het Catalaans wordt onderwezen. Voor een goed begrip: we bevinden ons hier in het Frans gedeelte van Catalonië. Jean Castex zorgde er als burgemeester ook voor dat de inwoners van Prades de Zuid-Catalaanse TV konden ontvangen. Al een halve eeuw wordt jaarlijks in het stadje een Catalaanse zomeruniversiteit georganiseerd. De tussenkomsten gebeuren uitsluitend in het Catalaans en Jean Castex heeft meermaals de zomeruniversiteit in het Catalaans geopend.
In de gespannen sfeer langs Catalaans-Spaanse kant kom je snel tot de vraag hoe iemand als Castex, Franse politicus van sociaal-gaullistische signatuur, die de taal en cultuur van Catalonië een warm hart toedraagt, zich verhoudt tot de politieke situatie in Zuid-Catalonië.
Maar er kan geen twijfel bestaan over zijn oppositie tegen het onafhankelijkheidsstreven van Catalonië.
Yves Delcor, die Castex vervangt als burgemeester van Prades, werd er bij geroepen om het officieel antwoord te formuleren: ‘Jean Castex is een liefhebber van de Catalaanse cultuur. Maar er kan geen twijfel bestaan over zijn oppositie tegen het onafhankelijkheidsstreven van Catalonië.’ En Delcor voegt er aan toe: ‘Hij heeft geen enkele petitie getekend in verband met de politieke situatie in het Spaanse gedeelte van Catalonië.’
Maar de werkelijkheid is anders dan deze, mede door de diensten van de premier gekuiste versie. In 2017, daags na het Catalaans referendum, keurde de groepering van gemeenten Conflent Canigo, onder het voorzitterschap van Jean Castex, unaniem een motie goed die, ‘het Spaanse politiegeweld tegen Catalaanse kiezers’ veroordeelde. Castex, samen met alle burgemeesters, vond de situatie ‘onwaardig in een democratie’. Vervolgens drukten ze ‘hun solidariteit uit met het Catalaanse volk en hun verkozenen met wie ze samen een geschiedenis, een cultuur en een taal delen’. Op hetzelfde moment haastte president Macron zich om zijn volle steun aan Madrid te betuigen.
Verder zijn nog twee manifesten bekend, daterend uit april 2018 en oktober 2019, opgesteld door alle burgemeesters van het grensdepartement Pyrénées-Orientales, die de vrijlating van de Catalaanse politieke gevangenen vroegen. Castex weigerde toen beide teksten te ondertekenen.
Claude Ferrer, bekend als burgemeester van Prats-de-Mollo-la-Preste en voor zijn Catalaans engagement, heeft het bij het rechte eind als hij verklaart over Castex: ‘Hij houdt van onze cultuur, en voor hem moet de democratie het laatste woord in Zuid-Catalonië krijgen, maar hij blijft boven alles een dienaar van de Franse Republiek’.
Als een typisch product van de Ecole Normale d’administration, wordt hij bovendien als een koele technocraat gepercipieerd
In Parijs wordt Jean Castex niet gezien als een Catalaan, behalve om zijn provinciaalse look en accent aan te klagen. Als een typisch product van de Ecole Normale d’administration, wordt hij bovendien als een koele technocraat gepercipieerd, verkozen omdat hij zijn plaats kent in de schaduw van Macron.
De kans dat zo een figuur gevoelige dossiers bevriest onder druk van de jakobijnse centrale macht is reëel. Hij zal nochtans kleur moeten bekennen in zaken die te maken hebben met de regionale talen in Frankrijk, de plaats en rol van het Engels in het Frans hoger onderwijs. Maar ook als de revolte opnieuw aanwakkert in Zuid-Catalonië…
Het CV van de Franse premier herinnert er ons aan dat hij tussen 2005 en 2008 directeur was van het kabinet van de Franse minister van Volksgezondheid, vervolgens van de minister van Arbeid en tewerkstelling. De toenmalige ‘baas’ van Castex heette Xavier Bertrand, tegenwoordig op een zijspoor als voorzitter van de regio Hauts-de-France, vrij vertaald ‘de Franse Nederlanden’, maar warmlopend als kandidaat voor het gematigde rechtse kamp in concurrentie met Macron, voor de Franse presidentsverkiezingen van 2022.
zo is Xavier Bertrand de onverwachte verdediger van ‘Le Flamand occidental’
Zoals Jean Castex een liefhebber van de Catalaanse taal is, zo is Xavier Bertrand de onverwachte verdediger van ‘Le Flamand occidental’, het West-Vlaams dat hij, samen met het Picardisch, wil doen erkennen als regionale taal. Twee jaar geleden is door zijn tussenkomst door de regio Hauts-de-France een bedrag van 77 500 euro toegekend aan de vereniging ANVT. Deze letters staan voor de Akademie voor Nuuze Vlaemsche taele, die het West-Vlaams promoot als regionale taal in Frankrijk, in plaats van het Nederlands dat ze als ‘vreemde’ taal ervaart.
Bertrand heeft geen enkele band met Frans-Vlaanderen, laat staan met het West-Vlaams, maar past de Europese wetgeving inzake minderheidstalen gewoon toe. Dat Frankrijk deze minderheidstalen grotendeels kapot heeft gemaakt in de twee laatste eeuwen is voor hem een te verwaarlozen detail in de geschiedenis. Nu deze talen ongevaarlijk zijn geworden, oogt het goed op het blazoen van een politicus om zich als verdediger van een streektaal op te werpen. Wie weet moet premier Jean Castex binnenkort het dossier goedkeuren van zijn vriend Xavier Bertrand voor meer West-Vlaamsch en de schole.
26.10.2020

La charte bilingue de l’Institut Régional de la Langue Flamande/ Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele (ANVT) ne fait pas l’unanimité, à en croire les nombreuses réactions à mon article sur Kaester/ Kaaster. Ces lecteurs me demandent mon avis sur les propositions concernant la bonne ville de Bergues pour laquelle l’ANVT suggère le nom de Bergen.
Au temps où le territoire de Bergues avait l’aspect d’une presque île face à la mer, Winoc (640/650 -717), disciple de Bertin qui fonda l’abbaye de Saint-Omer, y établit un premier monastère sur une élévation appelée le Groene Berg ou Groenberg. Comme c’est souvent le cas, le site était certainement l’emplacement d’un culte païen à l’origine. Selon les sources : Gruono(m) Berg en 857. Les comtes de Flandre transformèrent petit à petit la ville en un solide bastion. En 944, une mention latine précise ad castrum quod dicunt Bergam. Bergam, du germanique Berga qui signifie ‘Berg’ (mont, colline,). C’est donc ce Groene Berg, cette ‘colline verte’, qui est à l’origine du nom de la ville. L’aspect militaire de l’endroit est également exprimé par la dénomination Castrum Bergense ou camp (militaire) sur la colline.
La ville qui se développa autour du Groenberg prit pour protecteur Saint Winoc, comme il était coutume au temps de la christianisation, et devint Sint-Winoksbergen. Ce nom figure, avec ou sans la mention ‘sint/saint’, et sous différentes orthographes, sur les cartes de Flandre et des anciens Pays-Bas. La carte de Flandre de 1592 dessinée par Mathias Quad mentionne Winoxbergen, la carte des XVII provinces de Willem Blaeu (1617) Wynoxberge. Un nom un peu long pour nos cartographes qui utilisent également l’abréviation Berghen, Berge ou Bergen. La carte de Flandre de Gerardus Mercator (1540) mentionne Berghen, de même que la très belle carte de l’évêché d’Ypres signée Joan Blaeu Bergen (1662).
Ceci étant dit, le nom exact de Bergues restera Sint-Winoksbergen, en français Bergues-Saint-Winoc, jusqu’à la Révolution française. Preuve en est que les Révolutionnaires rebaptiseront Bergues-Saint-Winoc, Bergues-sur-Colme, ce qui n’aurait pas été nécessaire si le nom courant avait été Bergues/Bergen.
Conclusion: c’est une erreur de conclure qu’un nom abrégé pour de simples raisons pratiques puisse avoir pris la place du nom officiel d’une commune. Sint-Winoksbergen est le seul nom de Bergues connu dans les Pays-Bas historiques. C’est un nom qui situe la fondation de Bergues aux premiers temps de la christianisation de la région. C’est un nom qui rend unique cette belle ville de Flandre. Il évite les amalgames avec les autres Bergen en Europe : Bergen/ Mons dans le Hainaut, Bergen op Zoom aux Pays-Bas, Bergen en Hollande du nord, Bergen en Basse-Saxe, Bergen en Norvège, etc. Confusions et problèmes garantis à notre époque digitale.
La préconisation du Cercle Andries Steven pour le nom flamand de la ville de Bergues est donc Sint-Winoksbergen. Il serait également judicieux que la ville profite de l’occasion, si tel n’était pas encore le cas, pour valider son nom historique en français: Bergues-Saint-Winoc.
Wido Bourel
Vice-président du Cercle Andries Steven Kring
Auteur du livre Olla Vogala, histoire de langue des Flamands, en France et ailleurs paru aux éditions Yoran Embanner.
25.10.2020

Je suis heureux de pouvoir vous parler ici de Caestre pour trois raisons: la première c’est que j’y ai vécu durant les vingt premières années de ma vie; la seconde est que j’y ai lancé le premier cours de néerlandais (qui n’était pas un cours de Flamand occidental comme certains l’affirment aujourd’hui), cours qui fut plus tard pris en main par mes successeurs Messieurs Jean-Paul Couché, aujourd’hui président de l’Institut Régionale de la Langue Flamande, et Jean-Charles Decoopman; la troisième, c’est que j’apprends par les journaux que Caëstre devient Kaester, maintenant que la commune adhère à la charte de la signalétique bilingue Oui au flamand.
Je trouve bizarre que tout ceci se fasse dans l’ombre, sans liens ni échanges avec les gens de Caestre, ni avec des spécialistes en toponymie. Il existe pourtant des spécialistes locaux qui connaissent la toponymie régionale, font des recherches dans les archives, et pourraient être consultés. La langue et la toponymie flamande ne constituent pas un monopole mais appartiennent à tous les Flamands, et celle de Caestre à tous les Castrois. J’ai moi-même travaillé avec le regretté linguiste Cyriel Moeyaert sur les registres paroissiaux de Caestre. Il y a trois ans, j’ai publié les travaux de C. Moeyaert sur la toponymie locale. Mais tout ceci ne semble guère intéresser l’Institut de la Langue Régionale Flamande. Pourtant, ils connaissent ces publications et ils savent comment nous joindre.
Sur quelles sources historiques l’Institut de la Langue Régionale Flamande se base t-il pour faire ses choix? Prenons l’exemple de Flêtre, village voisin de Caestre. Le choix de Vleeter, imposé par l’Institut de la Langue Régionale Flamande, n’est étayé par aucune source connue. Les sources historiques mentionnent Fleterne (1072 et 1075), Vleterne (1284 et 1288). Les cartes du 16ième siècle, comme celle de l’Atlas Major de Joan Blaeu datant de 1665, mentionnent tout simplement Vleteren. La même orthographe donc que celle des communes de Oost-Vleteren et West-Vleteren en Flandre occidentale. Il ne faut pas être membre d’une société savante pour le savoir : il suffit d’aller déguster une bière trappiste à West-Vleteren pour savoir comment s’écrit Vleteren en Flamand occidental comme en néerlandais.
Même chose pour le village de Méteren quelques kilomètres plus loin : il n’y avait rien d’autre à faire que d’enlever l’accent aigu du premier ‘e’. Méteren s’écrit donc Meteren et non pas Meeter en flamand/néerlandais. Meteren qui viendrait du celte ‘matrona’, est mentionné Meternes dans une source de 1158. Ensuite il y a unanimité pour l’orthographe Meteren sur toutes les cartes de Flandre et des Pays-Bas historiques depuis le 15e siècle. Dans ces deux cas, la tradition orale ne peut l’emporter sur cinq siècles d’histoire. Il fallait donc choisir Meteren et Vleteren. La prononciation dialectale de ces deux noms ne modifie en rien leur écriture.
Je pourrais continuer et vous faire les mêmes commentaires sur les traductions de Herzeele, Sainte-Marie-Cappel, et j’en passe. Pourtant, la toponymie est une science sérieuse. Avec les choix de l’Institut de la Langue Régionale Flamande, la signalétique bilingue de notre Flandre tourne trop souvent à la farce.
J’ai conservé Caëstre, le village de ma jeunesse, pour la fin.
Si l’Institut fait le choix de noms historiques pour la signalétique bilingue, il se doit d’utiliser les noms retrouvés dans les archives, sur les cartes, etc. Pour Caestre on a théoriquement le choix de toute une série de noms attestés historiquement. Je vous en donne une liste qui n’est pas exhaustive: Castris (1174), Castre (1188), Caestere (1328), et Caester sur la célèbre carte de Mercator (1540). C’est donc Caester qui aurait pu être choisi sur base des sources existantes.
Si l’Institut donne priorité à la linguistique plus qu’à l’histoire, alors il se devait de faire le choix de Kaaster et non pas de Kaester. ‘Kaaster’ pour éviter une orthographe archaïque et faire le lien entre le flamand occidental et sa version moderne qui est le néerlandais.
Conclusion: Le choix de Kaester est révélateur car il montre le manque de rigueur scientifique dans les choix des tenants de la charte ‘Oui au flamand’. Kaester, ce n’est pas une orthographe attestée par les sources et, linguistiquement, c’est l’orthographe archaïque de Kaaster en flamand/néerlandais d’aujourd’hui.
Mon village s’appelle KAASTER!
Wido Bourel
Vice-président du Cercle Andries Steven Kring
Auteur du livre Olla Vogala, histoire de la langue des Flamands, en France et ailleurs paru aux édtions Yoran Embanner
23.10.2020

Marten Heida, jarenlang actief in de Vereniging / Stichting Zannekin en in het ANV, is op 30 mei van ons heengegaan. Een jaar geleden vierden wij nog zijn 90e verjaardag, samen met zijn familie en vrienden uit Nederland en Vlaanderen. Heit, als trotse Friese stamvader, overschouwde rustig het gebeuren en zei dat het goed was geweest.
Marten Heida werd op 6 februari 1929 als boerenzoon geboren in het Friese Echten. Thuis was de moedertaal Fries. Maar op school en in de kerk weerklonk de tale Kanaäns. Zo noemde men het Nederlands in gereformeerde gezinnen. Hierdoor verstond hij perfect het spanningsveld tussen de Frans-Vlaamse streektaal en het Nederlands, na drie eeuwen scheiding.
Tussen de schaarse boeken van zijn grootouders ontdekte Marten De Leeuw van Vlaanderen. Het lezen van Hendrik Conscience maakte hem nieuwsgierig naar Vlaanderen en zijn geschiedenis. Zijn moeder vertelde hem vaak over de geschiedenis van de Reformatie en over de opstand van de geuzen in de Westhoek. “Toen waren er in Frans-Vlaanderen meer gereformeerden dan in Nederland”, merkte Marten fijntjes op.
Door zijn benoeming als onderwijzer woonde Marten achtereenvolgens in Groningen, Friesland, Drenthe. In 1961 kwam hij in het Zeeuws-Vlaamse Zaamslag terecht als hoofd van de gereformeerde lagere school. Later verhuisde hij nog eens naar het Gelderse Veenendaal.
Zaamslag was voor Marten een uitstekende uitvalsbasis om Frans-Vlaanderen te ontdekken. Hij leerde er Frans-Vlamingen kennen en ook de mensen rond het Komitee voor Frans-Vlaanderen: André Demedts, Luc Verbeke, Jozef Deleu.
Over zijn eerste bezoeken aan Frans-Vlaanderen maakte hij twee diareportages met bijbehorende aantekeningen. Ooit gaf hij me die documentatie cadeau met de woorden: “Mijn omgeving toont hier geen interesse voor. Ze zijn voor jou, doe er iets mee.”
Het lijfblad van de gereformeerden was begin jaren zestig het Gereformeerd Gezindsblad, het latere Nederlands Dagblad. Hoofdredacteur en Tweede Kamerlid Piet Jongeling was een van de weinige Nederlandse politici met belangstelling voor de Franse Nederlanden. 25 jaar lang nam Marten het op zich om in deze krant o.m. over Frans-Vlaanderen te publiceren. Zijn eerste artikel, over de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen, verscheen in februari 1968.
De vlotte pen en diplomatische gaven van Marten werden ook in het verenigingsleven opgemerkt. In het Algemeen-Nederlands Verbond vervulde hij van 1979 t.m 1985 de functie van algemeen secretaris en hij was van 1979 t/m 1994 redacteur van Neerlandia.
Bij de stichting Zannekin werd hij bestuurslid, en van 1989 tot 2003 voorzitter. In die periode legde Zannekin zich niet alleen op de Franse Nederlanden toe, maar ook op de Duitse grensgebieden, Luxemburg en het Walenland.
Marten stond mee aan de wieg van het jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. De originele kijk van Marten Heida op de Nederlanden blijft levend en inspirerend in de 42 jaargang van dit jaarboek.
Lees dit artikel ook in Neerlandia, op blz. 15 https://drive.google.com/file/d/1N20BWT9pRhg31aSdyq5Wgw9AZx3bMUBQ/view
13.10.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/noordpene-een-vlaamse-herinneringsplek-in-frankrijk/
In deze reeks over controversiële monumenten, brengt Wido Bourel u, na Bretagne, naar Frans-Vlaanderen.
Aan de voet van de Kasselberg, op de grens tussen Noordpene en het zusterdorpje Zuidpene, tref je een obelisk. Hij herinnert aan de Slag aan de Pene van 10 april 1677. Deze slag, ook slag bij Kassel genoemd, bleek beslissend voor de annexatie van Frans-Vlaanderen bij Frankrijk. Makkelijke wandelwegen leiden je door het landschap waar de strijd werd geleverd, met een mooi zicht op de Kasselberg. Een traditie: jaarlijks, in april, wordt de slag herdacht met een Zwijgende Voettocht door het slagveld.
De bescheiden obelisk werd in 1865 ingewijd. Een grote persoonlijkheid van toen, E. H. Dehaene, had in niet mis te verstane woorden protest aangetekend: ‘Is het aan ons om onze nederlaag te vieren? Moeten we onze voorouders vergeten? En deze, zouden zij geen reden hebben om verbaasd te zijn als ze ons zagen dansen op hun botten en hun schaamte bezingen’ Het werd dus meer als een herdenkings- dan als een overwinningsmonument bedoeld in de aanloop naar de 200-ste verjaardag van de slag.
Aanleiding tot de slag waren de Franse militaire voorbereidingen om de stad Sint-Omaars in te nemen. De stad werd sterk verdedigd door een Spaans-Nederlands garnizoen van 2.000 infanteriesoldaten, bijgestaan door een omvangrijke stedelijke militie. De omliggende moerassen rond Sint-Omaars alsook slechte weersomstandigheden deden de Franse aanvaller aanvankelijk twijfelen om de stad meteen aan te vallen.
Om de verdedigers van de stad te ontzetten, marcheerde een Nederlands coalitieleger, 40 bataljons en 20.000 infanteriesoldaten sterk, richting Sint-Omaars. Dit leger was samengesteld uit troepen uit de Spaanse Nederlanden en de Republiek der Verenigde Nederlanden, onder leiding van Willem III, Prins van Oranje.
Een foute inschatting
De Nederlanders schatten de aanwezige Franse troepen van Lodewijk XIV op 14.000 manschappen. Terwijl zij in werkelijkheid met 25.000 waren, 16.000 infanteristen en 9.000 ruiters. Een foute inschatting dus.
De twee kampen bestreden elkaar aan de Penebeek, op 15 km van Sint-Omaars. De slag was hevig en kon op bepaalde momenten alle kanten uit. Uiteindelijk verloor de Nederlandse coalitie de strijd, vooral door gebrek aan kennis van het terrein. Aan beide zijden vielen samen 4.200 doden en 7.000 gewonden. De verliezen waren het grootst aan de zijde van de Nederlandse coalitie.
Voor de plaatselijke bevolking betekenden deze gebeurtenissen een ware rampspoed. Vernielingen en ellende waren het lot van alle gemeenten tussen Noordpene en Sint-Omaars. In een document uit die tijd leest men dat het voor de inwoners ‘niet meer te beschrijven is wat ze verloren, aangezien ze gewoon alle bezittingen kwijt zijn. De meeste inwoners zijn gevlucht en wie bleef is overleden of ziek.’
Na de strijd trokken de Franse troepen naar het belegerde Sint-Omaars om er de aanvallers bij te staan. Op 20 april, tien dagen na de Slag aan de Pene, gaf het garnizoen van Sint-Omaars zich over. Het had tevergeefs op versterking van Willem van Oranje gewacht. Een eervolle aftocht werd hen gegund en alle manschappen verlieten ordentelijk de stad.
klaar om te schieten
De inwoners van Sint-Omaars waren berucht voor hun anti-Franse houding. Elk jaar, aan de vooravond van Sint-Andries (30 november), vierden zij de herovering van de stad op de Fransen in 1488. Telkens werden acht kanonsalvo’s afgevuurd in de richting van de vijand. In 1677 werd deze traditie meteen afgeschaft door de Franse bezetter. Het wantrouwen was blijkbaar zo groot dat de Fransen drie kanonnen voor het stadhuis plaatsten, klaar om te schieten. Deze kanonnen bleven ter plekke tot kort voor de Franse revolutie.
De gevolgen van deze nederlaag werden bezegeld tijdens de vredesgesprekken tussen de Fransen en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in Nijmegen. Ze vonden plaats tussen augustus 1678 en oktober 1679. Toen werd onder meer vastgelegd welke gebieden wij aan Frankrijk verloren. Een omvangrijke lijst. In alfabetische volgorde: Ariën-aan-de-Leie, Belle, Kamerijk, Ieper, Kassel, Menen, Poperinge, Sint-Omaars, Veurne, Waasten en Wervik. En bovendien de Henegouwse steden: Bavay, Bouchin, Condé, Maubeuge, St Ghislain.
Na de Vrede van Rijswijk in 1697 en die van Utrecht in 1713, zal Lodewijk XIV uiteindelijk een toontje lager moeten zingen. Alhoewel de Franse arrogantie bleef, samengevat met de woorden van de Franse onderhandelaar Melchior de Polignac, aan het adres van de Nederlanders: ‘Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous’. (We gaan onderhandelen over jullie, bij jullie, zonder jullie). De Vrede van Rijswijk ontnam Lodewijk zijn bloedige veroveringen sinds 1678. Met de Vrede van Utrecht moesten de Fransen Vlaams gebied teruggeven. Na 35 jaar kwamen de steden, Poperinge, Lo, Roeselare, Komen, Waasten, Wervik en Menen opnieuw bij de Zuidelijke Nederlanden. De overige Vlaamse gebieden blijven tot vandaag Franse grondgebied.
Wie meer wil weten over de Slag aan de Pene moet beslist het museum van de slag
een machtsspel tussen zusters en broers
in Noordpene bezoeken. Enkele dagen geleden opende daar een nieuwe tentoonstelling in een Versailles-aandoend decorum. Die kadert de Slag aan de Pene binnen de toenmalige Europese context. Op grote, genealogische borden lees men — in de twee talen – wie met wie verwant was. Het valt op dat de geschiedenis van de machtigen der aarde van toen ook een Europese familiegeschiedenis was. Nog meer valt het op dat deze oorlogen een machtsspel tussen zusters en broers, schoonzusters en zwagers, neven en nichten waren, ten koste van het volk.
Men kan er een maquette van de slag bewonderen en het boek kopen over de context, feiten en gevolgen. Een rondleiding in de eigen taal kan (op afspraak in deze coronatijden). Gids Philippe Ducourant ontvangt u graag in het Nederlands. Verantwoordelijke Jocelyne Willencourt gidst zelfs in het Frans-Vlaams van de streek. Op het aanpalende oude kerkhof zijn twee merkwaardige Frans-Vlamingen begraven: de Vlaamse volksverteller Jan-Baptist van Grevelynghe (1767-1842), bijgenaamd Tisje-Tasje, een emblematische figuur van het Vlaamse volksleven. Ook de voorman, schrijver en filoloog Lodewijk de Baecker (1814-1896) ligt er begraven. Op zijn graf lees je het opschrift: Trouw aan de Nederlandse Gedachte.
29.09.2020
Heel interessant opnieuw nog eens deze pijnlijke geschiedenis te kunnen opfrissen, door dit duidelijke artikel.
Dankjewel. Brugge 9 Juli 2025

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/op-de-schouders-van-een-reus/
‘Zoveel mooie herinneringen. Cyriel Moeyaert was een reus die ontzettend veel gegeven heeft’. Dat was de eerste, spontane reactie van gewezen minister-president Geert Bourgeois, oud-leerling en vriend van Cyriel Moeyaert, bij het nieuws van diens overlijden. In mei jongstleden vierde Cyriel Moeyaert nog kranig zijn 100ste verjaardag en ontving hij, meer dan verdiend, de Orde van de Vlaamse Leeuw. In veel opzichten was hij een reus voor Vlaanderen: een taalliefhebber, priester, uitstekende leraar en een wandelende encyclopedie. Een klein portret.
Ik herinner me nog alsof het gisteren was: mijn eerste ontmoeting met Cyriel Moeyaert. Ik leerde toen Nederlands op een vrije cursus in Steenvoorde. Op een dag verscheen eerwaarde heer Moeyaert, een voor zijn tijd en in mijn ogen moderne pastoor. Hij kwam er op bezoek met een kleine delegatie van het Komitee voor Frans-Vlaanderen, vereniging die deze opleiding Nederlands mogelijk maakte. Een kleine, kwieke, vriendelijke, radicaal Vlaamsgezinde man. Vol lof voor onze schamele pogingen om twee woorden Nederlands uit te spreken. Het klikte meteen tussen ons. Want Cyriel bezat het talent en het geduld van de goede pedagoog: altijd aanmoedigend, nooit bestraffend en steeds met nieuwe inzichten.
Cyriel woonde toen in Ieper. Als Frans-Vlaming was je er onmiddellijk vriend aan huis. Ik mocht er rustig en vrij mijn gang gaan tussen de vele boeken, documenten en fotomateriaal. Een waar documentatiecentrum voor Frans-Vlamingen op zoek naar hun wortels en hun taal. Cyriel wist de gevonden informatie steeds met parate kennis samen te bespreken en waar nodig aan te vullen of te verbeteren. Ik ging steevast naar huis met een karrenvracht aan boeken en een berg fotokopieën, zijn specialiteit. En Cyriel was er als de kippen bij om een week later kritische vragen te stellen over wat ik had geleerd: wat heb je deze week gelezen en wat heb je onthouden?
Liefst van al begaf hij zich te velde tussen de mensen
De vele boeken betekenden nog niet dat Cyriel een kamergeleerde was. Hij hield zich niet alleen bezig met opzoekingen in archieven en bibliotheken. Liefst van al begaf hij zich te velde tussen de mensen: daar was hij gelukkig. Steeds op zoek, naar een mens, een boek, een oud document, een opschrift, een uitdrukking, een woord… die het verschil maakten. En dat ‘de duivel in de details zit’ heb ik van Cyriel Moeyaert geleerd. Sporen van een Vlaams en Nederlands verleden in de Nederlanden in Frankrijk. De lijst van stukken uit ons cultuurpatrimonium die hij wist terug te vinden en van de ondergang te redden is eindeloos.
Met en in Frans-Vlaanderen kwam zijn eruditie inzake de Nederlandse taal tot een hoogtepunt. Als pedagoog was hij in West-Vlaanderen de militant voor het algemeen Nederlands en de eerste ABN kernen. Met zijn vriend Dr. Piet C. Paardekooper schreef hij een ABN spraakkunst. Een spraakkunst die een bestseller werd, met een twaalftal herdrukken. Stel je voor.
Met deze taalkundigheid ging Cyriel in mijn geboortestreek steeds de boer op, noteerde bij elk bezoek woorden en uitdrukkingen, publiceerde erover, ging als het moest in de clinch met de redactie van de dikke Van Dale om een oud Nederlands woord opnieuw in de actualiteit te brengen. Ik herinner me zo een namiddag in Kaaster, waar ik toen woonde, samen op woordenoogst bij mijn Frans-Vlaams sprekende familie en dorpsgenoten.
Hij voerde ook gretig mee actie om oude Vlaamse toponiemen te doen herleven
Cyriel kon als geen ander iemand zijn verhaal laten vertellen in de taal van de streek en er nieuwe taalkundige vondsten uit distilleren. De oogst van toen ken ik nog uit mijn hoofd: stouthals, een middeleeuws woord voor waaghals; minnewuf voor vroedvrouw; egetatse, een oud-Germaans woord voor hagedis. Deze woorden en nog veel andere verzamelde hij later in zijn onvolprezen Woordenboek van het Frans-Vlaams en bijlagen, zijn opus magnum. Hij voerde ook gretig mee actie om oude Vlaamse toponiemen te doen herleven en Nederlandstalige borden in Frans-Vlaanderen te plaatsen. Wie vandaag Frans-Vlaanderen bezoekt, kan er niet naast kijken: overal hangen zwart-gele naamborden op huizen en gebouwen.
Nog opgeleid in de geest van Rodenbach aan het Klein Seminarie van Roeselare behoorde Cyriel Moeyaert tot de bijna verdwenen generatie vurig Vlaamsgezinde priester-leraars, trouw aan de Nederlandse Gedachte.
Als priester en taalkundige heeft Cyriel Moeyaert een lang, goedgevuld en gelukkig leven gehad. Hij was een voorbeeld van belangeloze inzet en toewijding. Een bezige bij, steeds in de weer en met aandacht voor vele kleine dingen. Niets was hem te veel om Frans-Vlaanderen met raad en daad te helpen. Kranig — en ook wel eens koppig — als hij was stond hij zo lang het kon op zijn zelfstandigheid in zijn huis in Sint-Jan-ter- Biezen. Tot in zijn laatste dagen bleef hij geestelijk alert en actief met studeren, lezen en schrijven.
Voor een gezond leven is het belangrijk dat je veel plannen hebt
Op de vraag van Kerknet wat zijn recept was om oud te worden antwoordde hij: ‘Eigenlijk heb ik geen echt recept, maar ik ben altijd met veel bezig geweest. Ik heb ook altijd veel gelezen. Voor een gezond leven is het belangrijk dat je veel plannen hebt, anders wordt je leven passief’.
Geert Bourgeois noemt Cyriel Moeyaert terecht een reus die veel gaf aan de gemeenschap. Een oude, middeleeuwse wijsheid houdt ons voor op de schouders van zo een reus te klimmen om verder te kunnen zien dan anderen.
28.09.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-frans-vlaamse-stem-met-gezag/
De Frans-Vlaming Damien Top is als tenor een bekende naam in muzikaal Frankrijk. Naast zanger is hij actief als dirigent, musicoloog en componist met een hart voor hedendaagse klassieke muziek. Top is ook organisator van culturele evenementen en voorzitter van een resem verenigingen.
Van de Andries Stevenkring, de jongste in de reeks, is hij de voorzitter. De Andries Stevenkring heeft als doel de Nederlandse taal en cultuur in Frans-Vlaanderen te bevorderen. Een stem met gezag om het eens te hebben over de actualiteit van de Nederlandse taal in Frans-Vlaanderen. Wido Bourel sprak met hem.
Hoe is uw interesse voor de Nederlandse taal en cultuur gegroeid?
Top: ‘Ik ben cultureel in een Vlaams milieu geboren en getogen. Maar mijn bewuste verankering met de noordelijke culturen kreeg vorm rond mijn dertigste. Het begon met mijn belangstelling voor genealogie en geschiedenis. Vervolgens met mijn passie voor de Frans-Vlaamse componist Albert Roussel uit Torkonje (Tourcoing). Via deze weg groeide mijn interesse voor de Vlaamse en noordelijke componisten, schilders en kunstenaars.’
En thuis?
‘Mijn grootvader leerde pas Frans in de scholen van de Franse Republiek. De thuistaal van mijn vader was het West-Vlaams. Hij leerde ook Nederlands in Kassel in de jaren 1980 op de vrije cursussen georganiseerd door het Komitee voor Frans-Vlaanderen. Thuis was er dus zeker interesse voor de Nederlandse taal.’
Bij de aanvang van dit schooljaar spreekt men over de sluiting van vijf opleidingen West-Vlaams in de Frans-Vlaamse scholen.
‘200 leerlingen in het lager en secundair onderwijs kregen één uur les West-Vlaams per week. De docent, Frederic Devos, ging op het eind van vorig schooljaar met pensioen. Een opvolger werd niet benoemd.
Volgens de verdedigers van het West-Vlaams bestond er geen interesse vanwege de overheid.
Volgens de onderwijsinstanties waren er geen kandidaten. Volgens de verdedigers van het West-Vlaams bestond er geen interesse vanwege de overheid. Hoe dan ook: voorlopig geen initiatie West-Vlaams meer in Buysscheure, Noordpeene, Ochtezeele, Wormhout en Volckerinckhove.’
U zei West-Vlaams. Geen Nederlands dus?
‘Lessen West-Vlaams inderdaad, gegeven buiten het referentiekader van het Nederlands. En dat is jammer. Ik zag onlangs een interview met ouders van deze leerlingen. Vol goede bedoelingen, dat wel. Maar ze bleken niet eens op de hoogte van de banden tussen het West-Vlaams en het Nederlands. Of dit bewust wordt verzwegen tijdens die opleidingen? Ik heb zo mijn idee.
Als troost begroet ik evenwel de opening van een ludieke opleiding Nederlands in Wormhout voor de leeftijd van 8 tot 11 jaar. Hier gaat het om een opleiding Nederlands.’
Men spreekt veel over het West-Vlaams, weinig over het Nederlands.
‘De zwanenzang van het West-Vlaams kan sentimenteel op meer weerklank rekenen. Begrijpelijk. Maar het perspectief wordt hierdoor serieus vervalst.
Ze zijn nochtans met meer dan 20 000, de leerlingen en studenten die Nederlands leren. Vergelijk eens met de opleidingen West-Vlaams: geen duizend leerlingen. Een overgrote maar discrete meerderheid kiest dus voor het Nederlands. Er verschijnt wel eens nieuws over de Nederlandse opleidingen in de pers. Maar dit weegt niet op tegen de luidruchtige aanhangers van het West-Vlaams.
Men spreekt veel over tweetalige scholen vanaf de kleuterklas. Waar staat men in Frans-Vlaanderen?
‘De efficiëntie van deze methode is pedagogisch bewezen. En ook succesvol in de Elzas en in Baskenland. Uiteraard moet je niet rekenen op het Frans onderwijs om dit in Frans-Vlaanderen te helpen implementeren.
één tweetalig experiment in 2019
Wel is men met één tweetalig experiment in 2019 in de Alain Savary kleuterschool van Rosendael gestart. Ik heb geen zicht op de resultaten tot nu toe maar dit geeft toch een beetje hoop.’
Ik las in de Vlaamse kranten dat 647 Franse leerlingen les volgen in Vlaanderen waarvan 131 in de Westhoek. Er is toch een behoefte?
‘De groei is opvallend. Bedenk dat het hier gaat om individuele initiatieven van ouders, tegen de stroom in, en zonder de hulp van wie dan ook. Ze willen te allen prijze hun kinderen Nederlands laten leren. Al moeten sommigen hiervoor dagelijks vele kilometers rijden. In De Kleine Prins, de lagere school van het grensdorp Abele, heeft één leerling op drie de Franse nationaliteit. Frans-Vlaamse ouders worden meer en meer bewust van het feit dat hun kinderen de standaardtaal moeten leren.’
Hoe zit dat nu met die kleine oorlog tussen het West-Vlaams en het Nederlands?
‘Deze guerrilla is even kunstmatig als politiek van aard. Het is een aberratie te doen geloven dat het West-Vlaams een andere taal is dan – en geen verwantschap heeft met – het Nederlands. Maar dit gebeurt wel. Sommigen gaan zo ver dat ze wetenschappelijk werk naar hun hand zetten om hun gelijk te halen. Het zegt veel over de bedoelingen van de “daders”. Hun publiek weet meestal niet beter, en wordt misleid.’
Cultuurtaal en dialect zelfde strijd?
‘Het is een aberratie het Nederlands als “vreemd” te beschouwen wegens een van zijn dialecten. Zoals het nonsens is te verklaren dat het Nederlands nooit de schrijftaal van Frans-Vlaanderen is geweest. Ook een dialect heeft de standaardtaal nodig om zich te herbronnen. Vooral als het zo geïsoleerd is geraakt zoals in Frans-Vlaanderen.
Het onderwijs van het Nederlands is de toekomst
Het West-Vlaams in Frans-Vlaanderen is op sterven na dood. Het onderwijs van het Nederlands is de toekomst en de streektaal moet en kan aandacht krijgen binnen deze opleidingen. Vandaar het credo bij de Andries Stevenkring : tussen het Nederlands en zijn dialecten valt er geen oorlog te voeren maar samen te werken…’
De superregio Hauts-de-France steunt het West-Vlaams, het Noordendepartement steunt het Nederlands. Kafka in Frans-Vlaanderen?
‘Inderdaad, dat is de tragikomedie die zich momenteel afspeelt. Het wordt dringend tijd dat deskundigen de voorzitter van de regio Hauts-de-France, Xavier Bertrand, vertellen hoe de vork echt in de steel zit. De man sponsort het West-Vlaams en het Picardisch, om politieke doeleinden, in het kader van de wetgeving op de regionale talen. Hij spreekt uiteraard geen woord West-Vlaams, is ook niet uit Frans-Vlaanderen afkomstig. Er is een dringende behoefte aan een ronde tafel tussen de regio Hauts-de-France en Vlaamse en Nederlandse universitairen en taalkundigen.’
In de Elzas wordt alle hoop gesteld op tweetalige onderwijsexperimenten. Is dat ook de toekomst voor Frans-Vlaanderen?
‘Op 2 oktober organiseert de Frans-Vlaamse vereniging Zannekin in Rexpoede een ronde tafel over tweetalig onderwijs met getuigenissen van leerlingen en ouders die hun kinderen in West-Vlaanderen naar school sturen. Gasten van de avond zijn inderdaad twee Elzassers, Jean Peter en Pascale Lux. Ze zullen spreken over hun ervaringen met de tweetalige ABCM school van Hagenau.
een taalbad Nederlands nemen over de schreve
Tweetalig onderwijs is een droom. In afwachting kunnen jonge Frans-Vlamingen een taalbad Nederlands nemen over de schreve. Daarom is het wenselijk dat onderwijsmensen uit West-Vlaanderen, alsook een vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties deze bijeenkomst in Rexpoede bijwonen.’
Ik hoor wel eens zeggen: ‘Een beetje Vlaamsch leren voldoet om te werken over de grens en het Nederlands is er van geen nut’.
‘Het is inderdaad een van de vele dwaasheden die men verspreidt. Soms wordt dit ook gevoed door het West-Vlaamse bedrijfsleven zelf dat tot alles bereid is om aan personeel te komen. Ik begrijp hun noden wel, maar verstandig is het niet.
De West-Vlaamse bedrijven en werkagentschappen weten beter: dat ze er dan ook naar handelen. Het is hun plicht de Frans-Vlamingen te vertellen dat het beter is Nederlands te studeren. Met het dialect zoals het nu wordt aangeleerd ben je, eens voorbij Ieper en Veurne, al niet meer verstaanbaar. Deze bedrijven zouden als eersten tweetalige Frans-Vlamingen kunnen gebruiken.’
20.09.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/het-geheim-militair-akkoord-tussen-belgie-en-frankrijk-van-1920/
100 jaar geleden, op 7 september 1920, ondertekenden België en Frankrijk een geheim militair akkoord. Het akkoord hield in dat België Frankrijk militair zou ondersteunen in geval van een defensief conflict met Duitsland. De sfeer van geheimzinnigheid maakte het politiek zeer controversieel. Zelfs de koning zou niet op de hoogte zijn geweest van de ware toedracht. De Vlaamse Beweging van toen was een hevige tegenstander van dit akkoord. Het verzet hiertegen kreeg de naam ‘los van Frankrijk actie’ en zou de Belgische politiek jarenlang bezighouden.
Na Wereldoorlog I nam Frankrijk het voortouw om eeuwige vijand Duitsland te wurgen met het Verdrag van Versailles. De Franse militairen, maarschalk Foch voorop, stelden de annexatie van het Rijnland en het Saarland bij Frankrijk voor. De Franse politiek, belichaamd door Raymond Poincaré, kon zich ook terugvinden in een zogenaamd ‘milder’ voorstel: het oprichten van een onafhankelijke Rijnlandse bufferstaat, officieel onder controle van de Volkenbond, maar in de hoofden van de Franse jakobijnen, als vazal van Frankrijk.
“De Britten, hierin gesteund door de Amerikanen, waren het daar niet mee eens.”
Welk plan ook, de Rijn als natuurlijke grens, eeuwige droom van de Franse koningen, bleef de ware motor van de Franse ambities. De Britten, hierin gesteund door de Amerikanen, waren het daar niet mee eens. Ze stonden een niet provocerende, uitdovende bezetting voor, met een duur van 15 jaar. Uiteindelijk werd deze laatste oplossing, ondanks vele Franse tegensputteringen, officieel weerhouden.
Een andere betwistbare Franse interpretatie van het verdrag van Versailles vormde de controle op de Luxemburgische Wilhelmsbahn, het spoorwegnet van het Groothertogdom Luxemburg. Frankrijk wou kost wat kost het Luxemburgse spoorwegnet onder zijn toezicht krijgen. Deze verbinding tussen Lotharingen en Duitsland werd door de Fransen als van strategisch belang voorgesteld.
De toenemende Franse druk was groot maar België voelde er niets voor om dit te accepteren. Er was stilaan sprake van een Franse omsingelingsbeweging rond België. Het idee van een nieuwe Rijnlandse staat kon deze omsingeling alleen maar erger maken. Dit kon de onafhankelijkheid van het land in gevaar brengen. Frankrijk was wel een bevriende natie voor de francofonen en andere fransdollen in dit land. Maar de regering was toch op haar hoede en trachtte elk Frans voorstel af te remmen. Ze moest rekening houden met de toenemende druk van de Vlaamse publieke opinie.
Met zijn neutraal statuut was België in de naoorlogse onderhandelingen slecht geplaatst om zijn belangen te verdedigen. Brussel wou daarom van zijn neutraliteitspositie af en zocht steun. Omgekeerd drong Frankrijk aan op het fiat van België om de controle op de Luxemburgse spoorwegen mogelijk te maken.
Maar de weigerachtigheid van de Britten om de Franse plannen in het bezette Rijnland te steunen maakte dat Frankrijk plots bereid was alle eisen inzake Luxemburg te laten varen in ruil voor een militair akkoord met België. Na allerlei geheimgehouden diplomatische bochten slaagde de liberale minister van buitenlandse zaken Paul Hymans erin op 7 september 1920 een akkoord rond te krijgen voor militaire samenwerking in ruil voor het begraven van de controle op de Luxemburgse spoorwegen.
“Het akkoord werd enkel gesteund door de liberale partij, een handvol socialistische wallinganten en het Comité de Politique Nationale (CPN)”
In eigen land werd dit slecht onthaald. Het akkoord werd enkel gesteund door de liberale partij, een handvol socialistische wallinganten en het Comité de Politique Nationale (CPN), een radicale drukkingsgroep rond Pierre Nothomb. Het gesloten akkoord was zogezegd defensief, in geval van een Duitse agressie. Maar het Franse revanchisme had andere plannen voor ogen. Het wou het industrieel hart van Duitsland in een ijzeren militaire handgreep houden en voor eigen economische doeleinden exploiteren.
De Vlaamse beweging met zijn vele Vlaamse oud-strijdersverenigingen, zag in dit geheim militair akkoord een groot gevaar. De Franse invloed in België zouden nog groter worden. Er was stilaan sprake van België als een Frans protectoraat. Het verzet tegen deze politiek leidde tot een hevige strijd die de Vlaamse beweging meer dan een decennium zou bezighouden: de Los van Frankrijk actie. Het maakte de mooie journalistieke dagen van opkomende figuren als Ward Hermans. Hij slaagde er toen in, aldus zijn biograaf Guido Provoost, om het Vlaamse vraagstuk te internationaliseren door een juiste voorlichting over de Vlaamse zaak in het buitenland.
Het geheim militair akkoord tussen België en Frankrijk vond onmiddellijke toepassing in het sturen van meer Belgische bezettingstroepen in Duitsland, als versterking van de Franse bezettingsmacht.
“Veel soldaten, gedwongen om het leger te verlaten, organiseerden zich in Freikorpsen”
In Duitsland zelf heerste chaos en een revolutionaire sfeer. Terwijl de Reichswehr, normaal 350.000 man sterk, van de geallieerden moest afbouwen tot 100.000 manschappen. Veel soldaten, gedwongen om het leger te verlaten, organiseerden zich in Freikorpsen. Ze werden overal ingezet om de rode opstanden te bestrijden.
Op 13 maart 1920 bezette het Freikorps Ehrhart met 8.000 manschappen de regeringswijk in Berlijn. Deze poging tot staatsgreep, in de geschiedenisboeken bekend als Kapp-Putsch, mislukte mede door een algemene staking die miljoenen arbeiders mobiliseerde. Deze staking werd prompt gevolgd door een gewelddadige communistische opstand. De situatie liep uit de hand. Rode arbeiders namen de macht over in grote steden als Dortmund en Essen. Om de orde te herstellen werd de Reichswehr ingezet, ondanks de verbodsbepalingen van de geallieerden die van het Ruhrgebied een gedemilitariseerde zone hadden gemaakt.
Dit waren voor Frankrijk ideale gelegenheden om militair nog verder in te grijpen. Ook andere incidenten, zoals het niet tijdig betalen van herstelbetalingen, de niet levering van materialen enz. waren aanleidingen om de militaire bezetting nog te verstrengen. Telkens weer moest België soldaten mee inzetten en werd zo in het revanchistisch Frans politiek spel meegesleurd.
‘Los van Frankrijk’
De agressieve politiek van Frankrijk zou milderen na de overwinning van de Franse linkse partijen in 1924. Het was het begin van een voorzichtige Frans-Duitse toenadering; het einde van de bezetting van de Ruhr kwam in 1925. De terugtrekking uit het Rijnland volgde in 1929 en 1930. Tussen 1935 en 1937 voerde de Vlaamse vereniging van Oud-strijders (VOS) een luidruchtige ‘Los van Frankrijk’ die op de steun van de hele Vlaamse Beweging kon rekenen. Uiteindelijk zou België in 1936 opnieuw neutraal worden.
07.09.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/cultuur-in-haar-onderbroek/
‘Wenn ich das Wort Kultur höre, entsichere ich meine Browning’. Als ik het woord cultuur hoor trek ik min pistool. Dit citaat meestal, maar foutief, toegewezen aan Josef Goebbels, komt in werkelijkheid uit het theaterstuk Schlageter van de nationaalsocialistische theaterschrijver Hanns Johst. Daar dacht ik even aan bij het lezen van het stuk van Johan Sanctorum: ‘De Vlaamse cultuursector: al zes maanden dicht en nog geen seconde gemist.’
Bij de eerste pogingen tot doorstart van de cultuursector konden wij, dankzij de VRT, acteur Jonas van Thielen bewonderen, declamererend uit de Leeuw van Vlaanderen in zijn slecht opgetrokken onderbroek. Lamme Goedzak in de rol van Jan Breydel. Het belachelijk maken van de Vlaamse geschiedenis en het ontleden voor dummies van de zgn. Vlaamse mythes is een verplicht nummer in bepaalde Vlaamse politiek correcte milieus.
Niet de Walen en niet de Brusselaars: deze zelfkastijding is Vlaams, de nieuwe Franskiljons zeg maar. Ik voorspel dat men binnenkort zal eisen dat de Vlaamse leeuw, zoals de Pieten van de Sint, niet meer zwart mag zijn wegens foute kleur en fout gedrag duizend jaar geleden.
De cultuursector, dat zijn eerst en vooral talloze amateurs en vrijwilligers
Zijn die militante cultuurgoeroes representatief voor de 80.000 mensen in de sector? De cultuursector, dat zijn eerst en vooral talloze amateurs en vrijwilligers, jong en oud, die samen zingen, samen muziek maken, samen dansen, samen optreden. Het is ook het rijke Vlaamse verenigingsleven, de podiumkunsten, de technieken, het materiaal, de horeca, enz., enz. Ik heb ze wel gemist, beste Johan, en ik geloof niet dat zoveel inzet en talent moet boeten of opdraaien voor een decadente elite.
De cultuursector, dat zijn ook vele professionelen die hard werken om er te staan. Onze dochter is beroepsmusicus in een Nederlands symfonisch orkest. Ik ben dus een bevoorrechte observator van het reilen en zeilen in zo’n groot orkest. De plaatsen zijn er schaars, de competitie hoog en de lonen voor het voetvolk bescheiden.
Kan iemand me vertellen in welke sectoren men tekens op topniveau moet optreden voor lonen die niet eens die van het onderwijzend personeel halen? En hoe zo een orkest met meer dan 100 muzikanten en personeelsleden kan overleven zonder subsidies? Beroepsmuzikanten willen zo snel mogelijk gewoon muziek maken. Ze willen hun job uitoefenen en het publiek blij maken. Wat baat het de subsidies stop te zetten om hen dan uit te betalen om niets te doen in de vorm van een werkloosheidsuitkering?
Ik versta dat de anti-Vlaamse houding van zelfverklaarde cultuurpausen mensen soms vijandig maakt tegenover de cultuursector. Al is dit geen troost: het is niet alleen een Vlaamse ziekte. De globalistische pandemie heerst wereldwijd en heeft een grote mond.
projecten ondersteunen die wel dragend zijn voor de uitstraling van onze Vlaamse en Nederlandse cultuur
De vraag is wel waarom de Vlaamse beleidsmakers zo weinig doen om de situatie te wijzigen. Vlaanderen kan zijn cultuurpolitiek nu zelf bepalen, de subsidiepolitiek bijsturen en projecten ondersteunen die wel dragend zijn voor de uitstraling van onze Vlaamse en Nederlandse cultuur, hier en in de wereld. Hiervoor is een visie nodig op drie of vijf jaar en een correcte herverdeling van de subsidies, niet op basis van rancunes maar van beleid.
Het begint trouwens al met het onderwijs: waar blijft eigenlijk die Vlaams canon, wie houdt zich hier mee bezig, welke budgetten en welke agenda? Mogen wij dat na maanden beleid wel eens weten? Niet de roepende en betogende culturo’s van deze wereld zullen bepalen dat er een canon alsook meer uren moeten komen voor geschiedenis in het onderwijs. Maar wel een Vlaamse regering die zonder complexen en zonder vrees haar verantwoordelijkheid neemt.
Vlamingen zouden moeten weten dat voorafgaand aan meer politieke macht, de cultuur en de taalstrijd bepalend zijn geweest voor de emancipatie van het Vlaamse volk. Moet ik verwijzen naar Jan-Frans Willems en andere vaders van de Vlaamse beweging? Zonder hen geen Vlaamse ontvoogding en geen Vlaams zelfbestuur.
meer ballen nodig
De Italiaanse communist Antonio Gramsci (1891-1937 ) heeft heel zinvolle dingen geschreven over de verovering van de culturele macht voorafgaand aan de politieke macht. Vlaanderen moet Gramsci dringend lezen en de cultuurstrijd met het linkse, ultraliberale globalisme aangaan. Hiervoor zijn niet zozeer meer subsidies dan wel meer ballen nodig.
De culturele sector volgde in de laatste 50 jaar in Vlaanderen, en overal trouwens, de modes van de dag. Voor de centen kleurde hij ooit een beetje geel-zwart toen Vlaanderen nog de moed had op Brussel te marcheren, sloeg bloedrood naar links door een zonneslag op de barricaden van ’68, ging vervolgens anders gaan leven en kleurde eerst donker- vervolgens calvogroen, kwam dan tot meer Belgisch-conforme, driekleurige inzichten bij de uitdeling van adellijke titels en subsidies van de Boudewijnstichting, ontdekte de diepe goudmijnen van het Europese ultraliberalisme, om uiteindelijk als roetpiet dienst te nemen in de salons van Big Brother.
Maar, Big Brother of niet, de muziek van Ludwig van Beethoven blijft bestaan. En zijn 250ste verjaardag wil ik dit jaar nog vieren. Heeft u als muziekliefhebber onze Ludwig van Vlaamsen bloede na zes maanden nog niet gemist, beste Johan Sanctorum? Zullen wij nog dit jaar broederlijk samen naar de Eroïca gaan luisteren?
01.09.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/occitanie-vecht-voor-het-behoud-van-taal-en-cultuur/
Wat omvat Occitanië precies? En wie spreekt vandaag nog Occitaans? Een gesprek met een verdediger van het Occitaans en culturele diversiteit in Frankrijk.
Martial Peyrouny, kan u zich voor de lezers van Doorbraak voorstellen?
‘Ik ben 53 jaar oud, en Périgourdin van geboorte. Een Périgourdin, dat is een inwoner van het oude graafschap Périgord, met hoofdstad Périgueux. Ik woon in het departement Dordogne in de regio Nouvelle-Aquitaine. Mijn grootouders waren boeren. Beroepshalve ben ik leraar Occitaans in het secundair onderwijs.’
Vanwaar uw belangstelling voor Occitanië en voor het Occitaans?
‘Al zeer jong werd ik aangetrokken door de taal die in mijn familie gesproken werd. Mijn belangstelling voor de Occitaanse beweging is aangewakkerd door onze huisarts, ook bekend als de schrijver Jean Ganhaire. Ik werd me snel bewust van het onrecht dat onze taal werd aangedaan.’
Beslaat de nieuwe superregio Occitanië het volledig gebied van Occitanië? Hoe groot is Occitanië geografisch?
‘Occitanië is vier maal groter dan de oppervlakte van de nieuwe administratieve superregio. Occitanië omvat drie bergketens (het Centraal Massief, de Alpen, de Pyreneeën), een oceaan (de Atlantische oceaan), een zee (de Middellandse zee), en ook twee grote stromen, de Rhône en de Garonne.’
Dat is dan ongeveer de helft van het Franse grondgebied?
‘Inderdaad: Occitanië loopt van Bordeaux tot Nice en de Italiaanse Aosta valleien enerzijds, en van de Auvergne tot de Pyreneeën, met inbegrip van het gebied van het Arandal in Spanje.’
U situeert het gebied van Occitanië ten zuiden van de aloude taalgrens tussen Oc en Oïl? Is Occitanië louter een taalkundig concept?
‘In de Franse kunstmatige superregio Occitanië mis ik inderdaad de Gascogne, de Roussillon, de Limousin, de Auvergne, de Provence. Deze definitie omvat niet alleen de taalkundige, maar ook de historische en culturele erfenis en realiteit.
De mensen herkennen zich meer in kleine entiteiten zoals de Béarn, de Provence, de Gascogne, enz.
Het is een feit dat het Occitaans een gebied dekt dat de oppervlakte van een grotere Europese staat zou kunnen omvatten. Ik geef toe dat dit gebied maar één keer in de geschiedenis een eenheid is geweest, namelijk in de tijd van de Wisigoten in de vierde eeuw. De mensen herkennen zich meer in kleine entiteiten zoals de Béarn, de Provence, de Gascogne, enz. Maar ze weten dat hun taal bestaat en ze zijn trots dat ze nog leeft op het platteland. Daartegenover kennen ze weinig van hun verleden omdat de Franse school onze geschiedenis heeft platgewalst.’
Wat zijn uw activiteiten en verantwoordelijkheden in de Occitaanse culturele actie?
‘Ik ben leraar Occitaans, en was als eerste in het bezit van een officieel diploma erkend door het Frans onderwijs. Ik heb gedurende 15 jaar een Occitaans festival voor muziek en cultuur georganiseerd.
Twintig jaar lang heb ik ook, samen met de zanger Joan Pau Verdier, kortgeleden overleden, het enige culturele programma in het Occitaans op de openbare omroep gepresenteerd.’
Publiceert u ook ?
‘Naast mijn activiteiten voor de openbare omroep heb ik deelgenomen aan de redactie van een schoolboek Occitaans. Ik heb ook Trobadors uitgegeven, een boek over de beschaving en de literatuur van de troubadours, eveneens met medewerking van Joan Pau Verdier voor het muzikaal gedeelte(cd), en van Luc Aussibal voor de boekverluchtingen.’
Hoeveel mensen spreken nog Occitaans?
‘Het is moeilijk hierop een cijfer te plakken. Men spreekt tegenwoordig van ongeveer 300 000 mensen die het Occitaans actief gebruiken. Je moet dat vergelijken met de acht miljoen Occitaanssprekenden een halve eeuw geleden. Er is sprake van een duizelingwekkende val sinds de jaren 70. Het aantal leerlingen dat de taal op school leert kan de natuurlijke overlevering van generatie op generatie volstrekt niet compenseren.’
Wat met het onderwijs van de Occitaanse taal?
‘Momenteel telt men 70 000 jongeren die een opleiding Occitaans volgen, van de kleuterklas tot en met het lager onderwijs. 10% van deze leerlingen zit in een tweetalige modus. Met de recente nieuwe richtingen middelbaar onderwijs in Frankrijk lopen wij het risico dat het aantal leerlingen dat de afstudeerrichting Occitaans kiest sterk gaat dalen. We moeten waakzaam blijven, want dit zal later ook het universitair niveau negatief beïnvloeden.’
Welke zijn de meest dynamische verenigingen in Occitanië ?
‘De twee grote historische verenigingen waar alles om draait zijn nog zeer actief: de ‘Felibrige’ en het ’Institut d’estudis Occitans’. Rond deze twee culturele burchten zijn honderden verenigingen werkzaam.
Nieuw is het professionalisme van het culturele leven dat zich als een web spant over heel Occitanië.
Nieuw is het professionalisme van het culturele leven dat zich als een web spant over heel Occitanië. Het biedt onder meer allerlei vormen van muzikale expressie. Sinds kort bestaat er ook een ‘Office Publique de la Langue Occitane’, een soort van interface tussen de Franse staat, de regio’s en de departementen.
Wat de openbare omroep betreft is er weinig nieuws. Men heeft nu een ‘OC Télé’ in het leven geroepen: een interregionale webtelevisie die eentalig in het Occitaans uitzendt. De programma’s zijn gevarieerd en van goede kwaliteit. Er is ook voor ondertiteling gezorgd, en dat helpt…’
Wat is uw kijk op de toekomst van Occitanië?
‘Veel zal afhangen van het dynamisme van de lokale spelers. Ze moeten op de volle steun kunnen rekenen van de economische en sociale partners om hun activiteiten te financieren. De oprichting van de superregio Occitanië vier jaar geleden heeft grote ophef veroorzaakt en de situatie volledig gewijzigd. Vele militanten laten nu de visie van de Occitaanse gedachte achterwege om zich voor de kleinere entiteiten en lokale projecten te engageren. Ik denk dat dit een inschattingsfout is maar het is wel een realiteit.’
Hoe ziet u Occitanië binnen Europa nu en morgen?
‘De aanhangers van Occitanië zijn meestal pro-Europees. Ze zien in Europa een mogelijke steun tegen de taalrepressie gevoerd door de Franse staat en hopen op een Europese culturele verbondenheid die de nationale staten overstijgt. Maar het aanwakkeren van het staatsnationalisme in vele Europese landen kan ons in moeilijkheden brengen en onze rechtmatige eisen bestrijden als een uiting van separatisme.’
De Occitaanse beweging gaat voor meer culturele macht?
‘Elke culturele identiteit heeft zijn originaliteit en een eigen weg om af te leggen. De Occitaanse beweging vecht voor taal en cultuur, meer dan voor territoriale eisen. Dit heeft misschien met de geschiedenis te maken maar vooral met de taal die één en tegelijk veelzijdig is.’
30.08.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-elzas-moet-onafhankelijk-worden/
In een vorig artikel sprak ik met Joseph Schmittbiel over taal en cultuur in de Elzas. Ons gesprek gaat verder over politiek en Europa.
Bent u actief binnen de Elzasissche Beweging?
‘Ik ben geen lid van een partij als u dat bedoelt. Maar ik sympathiseer met de autonomistische partij Unser Land. Het irriteert me mateloos dat vele Elzassers bang zijn om openlijk te zeggen wat ze denken. Zoiets als: “In de grond ga ik akkoord met u maar ik ga niet in het openbaar zeggen dat ik een autonomist ben. Ik zwijg liever dan mijn voordelen te verliezen”. Daarom heb ik ook in 2013 mijn eigen blog opgericht hewwemi.net.’
Wat betekent hewwemi?
‘In het Elzassisch wil dat zeggen “hou me niet tegen” (om mijn mening te zeggen). Ik ben er mee gestart toen de Franse regering de superregio Grand Est oprichtte. Een bureaucratische beslissing genomen in Parijs om de Elzas definitief te doen verdwijnen. Er volgde heel wat protest, helaas niet genoeg om ze tegen te houden. Aan mijn blog hou ik wel heel wat nieuwe contacten over. Het valt me op dat het idee van een onafhankelijke Elzas niet dood is.’
Hoe sterk is een partij als Unser land?
‘De doodzonde van de Elzassische beweging vandaag is haar verdeeldheid. Parijs heeft gewoon alles in handen: de prefecten, de verkiezingen. Echte oppositie voeren wordt onmogelijk gemaakt.
Een partij als Unser land komt, door het meerderheidsstelsel, niet aan verkozenen. Gevolg: er is geen budget, geen secretariaat, geen organisatie. De zuivere Elzassische politieke strijd werkt met vrijwilligers en met stoten, als een gelegenheid zich voordoet. Hierdoor mist hij kansen om te scoren. Een voorbeeld: We hebben de opstand van de Gele Hesjes compleet aan ons voorbij laten gaan. Hun politieke vertegenwoordigers worden als paria’s aanzien door de traditionele media en graag in extreemrechtse hoek geduwd.
Veel van mijn vrienden dansen zo naar de pijpen van de traditionele partijen
De culturele verenigingen die van overheidssubsidies leven zijn per definitie niet solidair met de politieke beweging. De traditionele politici moeten maar de indruk geven dat ze “iets” uitdelen. Twee centen en wat kruimels voor de Elzassiche taal of cultuur en ze krijgen een stem en een nieuw mandaat. Veel van mijn vrienden dansen zo naar de pijpen van de traditionele partijen, het is een vicieuze cirkel, tot groot jolijt van Parijs. Er is veel goede wil in de beweging maar nog meer machteloosheid.’
Wat zijn de voornaamste eisen van de Elzassische beweging?
‘Om het simpel te houden: de culturele beweging wil de taal redden; de politieke beweging wil meer autonomie en verklaart, terecht, dat autonomie het enige middel is om de taal te redden.
Het meest recente protest van grote omvang was de strijd, vanaf 2014, tegen de oprichting van de superregio Grand Est. Die Grand Est is een fusie van de Elzas en Lotharingen met de regio Champagne-Ardenne. Dit werd op een zomerse avond beslist in Parijs door een veertigtal volksvertegenwoordigers, de meesten socialisten, tegen het advies in van de plaatselijke mandatarissen. Sommige van deze mandatarissen hebben nadien snel kazak gedraaid, zoals Jean Rottner, de burgemeester van Mühlhausen. In oktober 2014 verzamelde hij 50.000 handtekeningen, waaronder de mijne, tegen de superregio. Kort daarop liet Rottner zich benoemen tot voorzitter van de regio Grand Est. Maar de Elzassers mogen niet zeggen dat hij een verrader is, vindt hij.’
De naam Elzas verdwijnt toch niet helemaal?
‘In een poging het protest in te dijken hebben de Parijse technocraten een zgn. Collectivité européenne d’Alsace bedacht, binnen de Grand Est natuurlijk. Dat onding zal in 2021 in het leven worden geroepen. Het geeft de valse indruk dat de naam Elzas verder leeft. Het woord “Europees” in combinatie met “Elzas” is sluw gekozen. Het moet de Elzassers doen geloven dat deze lege doos belangrijk is.
De toekomst van de Elzas hangt van de Elzassers af.
De toekomst van de Elzas hangt van de Elzassers af. Als ze kruipen zullen ze als volk verdwijnen. Ze kunnen misschien overleven als ze het woord durven nemen, als ze op straat vreedzaam protesteren en als ze samen werken en anders stemmen.’
Hoe is de relatie met de machtige buur Duitsland ?
‘De Duitsers zijn heel voorzichtig en gelijk hebben ze. Parijs is een belangrijke handelspartner. Er kan voor Duitsland geen sprake van zijn om de Elzassische beweging te steunen. Voor hen is de Elzas een Franse regio, punt.
Zelfs het Goethe Instituut in Straatsburg is maar een administratief bijhuis van dat van Nancy, stel je voor. Er is ook geen wil om samen de Germaanse cultuur te doen herleven in de Elzas. Gelukkig kom je nog verenigingen tegen met gemeenschappelijke projecten over de grens heen. Maar voor hoelang nog? Er zijn ook vele Duitse bedrijven in de Elzas gevestigd, maar er is geen gemeenschappelijk economisch project voor beide kanten van de Rijn.
Alleen het Parijse project is glashelder. De Elzassers moeten allen eentalige Franstaligen worden, en liefst werken aan de promotie van het Frans over de Rijn. Het is de reden waarom ik nooit of te nimmer zal deelnemen aan de promotie van het Frans in Duitsland, dat daar, nota bene, historisch gezien, niets verloren heeft. Daarom: het is aan de Elzassers om hun lot in eigen handen te nemen. Dit is de enige duurzame oplossing, zonder inmenging van wie dan ook, want dat helpt niet.’
Is Straatsburg nog een concurrent voor Brussel als hoofdstad van Europa?
‘Ik geef u mijn persoonlijke mening, maar die is niet representatief voor de Elzas. De maandelijkse verhuis van Brussel naar Straatsburg is belachelijk en de kosten ervan zijn een echte schande. Oorspronkelijk legde Parijs al zijn gewicht in de schaal om dit mogelijk te maken, met de volle steun van Duitsland trouwens. Maar Frankrijk gunde het uiteindelijk een provinciestadje als Straatsburg niet. Zo een boerengat kon toch niet de hoofdstad worden van een veel groter territorium dan Frankrijk? Wat een verschrikking! Ondenkbaar !
Het valt bijna niet op dat de bouw van de TGV Parijs-Straatsburg ellenlange jaren heeft geduurd.
Mijn theorie is dat Parijs niet wou dat Straatsburg het zou halen. Het valt bijna niet op dat de bouw van de TGV Parijs-Straatsburg ellenlange jaren heeft geduurd. Voor de Parijse heren had Brussel de voorkeur. Brussel was reeds een hoofdstad – dus geen concurrent – en op kortere afstand dan het Siberië aan de Rijn.
Hoe dan ook, de waarheid is: deze prachtige Germaanse stad, waar ooit de eerste Duitse Bijbel werd uitgegeven, verdient de titel van ‘Straßburg, Hauptstadt Europas’ niet, nu ze zich koppig, eentalig francofiel positioneert.’
Hoe staat u tegenover Europa?
‘Historisch gezien werd Europa aanzien als het Eldorado voor de regionalisten en de autonomisten in de Elzas. Europa zou een einde stellen aan al die oorlogen en eindeloze grensbewegingen. Het zou op termijn het einde van Duitsland, het einde van Frankrijk betekenen en het begin van een groot, vreedzaam broederschap, het Europa van de regio’s. Ik heb er zelf ooit in geloofd, en ik weet dat vele Elzassers er nog steeds in geloven.
Ik spreek enkel voor mezelf. De moeilijkheden van Europa zijn het gevolg van een totaal gebrek aan democratie. De Europese gedachte leek prachtig, maar de ontgoochelingen die volgden smaken bitter. Het Europees Parlement is een klucht. De Europese Unie blijkt in handen van een kleine kliek niet-verkozenen die niet ten dienste van de burger staat.’
Is het Europees project ontspoord?
‘Herinner u de beloftes van de EU: minder werkloosheid, muntstabiliteit… Kijk naar de evolutie van de prijzen! Sommige mensen antwoorden dan: Zonder Europa zou het nog erger zijn. Maar klopt dat? Kijk naar de landen zonder Euro en zonder EU zoals IJsland en Zwitserland. Hun situatie is toch niet slechter dan de onze?
Europa is een wankelende, ondemocratische constructie, die haar beloftes niet waarmaakt.
Mijn conclusie is: Europa is een wankelende, ondemocratische constructie, die haar beloftes niet waarmaakt. Erger nog, ze leidt ons naar een dictatuur, want de Europese meesters zullen geen andere keuze meer hebben om het verpauperde volk in het gareel te houden.’
‘Wat wil u aan de lezers van Doorbraak nog kwijt om te besluiten?
‘Ik heb nooit geloofd in de mondialisering. De mens heeft nood aan een territorium waar hij zich thuis en nuttig voelt: de familie, de wijk, het dorp. Zwitserland is als politiek systeem voor mij het te volgen voorbeeld. Men zegt soms dat de Elzas te klein is om alleen te staan. Maar wat dan met Luxemburg, Slovenië of IJsland (dat zelfs niet in de EU zit)? Een “groot” land is niet noodzakelijk synoniem van hoge levenskwaliteit.
Ooit was ik voor de autonomie van de Elzas. Maar, met de creatie van de kunstmatige regio Grand Est, heb ik begrepen dat, zolang de Elzas Frans blijft, er geen oplossing mogelijk is. Die superregio heeft van mij een aanhanger van de Elzassische onafhankelijkheid gemaakt. En er is geen weg terug.’
21.08.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-elzas-tussen-hamer-en-aambeeld/
Joseph Schmittbiel is een theatermaker uit de Elzas. Hij is actief als schrijver en vertaler voor het theater. De ideale persoon om een stand van zaken op te maken over taal, cultuur en politiek in de Elzas. Wido Bourel sprak met hem.
Joseph Schmittbiel (54) is geboren en getogen in Neudorf, een wijk in het zuiden van Straatsburg. Hij komt uit een katholiek praktiserend milieu. Vader was een ambachtsman. Schmittbiel is vertaler van opleiding, gediplomeerd aan het Instituut voor vertalers en tolken van Straatsburg waar hij nu ook les geeft.
Van waar die interesse voor de Elzassische beweging?
‘De Elzas heeft me altijd geboeid. Mijn ouders spraken Elzassisch zoals de meerderheid van de volwassenen in mijn jeugd. Frans was de taal op school, op televisie en in de media.’
‘Mijn vader bezat een bibliotheek met boeken over de Elzas. Ik las veel over de geschiedenis en de politieke situatie van mijn land. Die lectuur heeft van mij echter geen politicus gemaakt, want mijn grote passie werd het theater.’
Ik tracht hedendaags theater in het Elzassisch te brengen.
‘Ik had het geluk van theater mijn beroep te kunnen maken. Ik heb ook mijn eigen theatergezelschap opgericht, het Birschtefawriktheater (1994-2006), en veel voor het theater geschreven en vertaald. Ik tracht hedendaags theater in het Elzassisch te brengen.’
Naast uw werk voor theater heeft u ook enkele boeken uitgegeven?
‘In 2016 heb ik Nos années françaises, een roman van de dichteres Marie Hart in het Frans vertaald. De oorspronkelijke editie, in 1921 in het Elzassich geschreven, werd onmiddellijk door de Franse autoriteiten verboden. Het boek geeft een ontnuchterende kijk op de machtsovername van de Franse autoriteiten in de Elzas na 1918.’
‘In 2018 heb ik ook een boekje uitgegeven dat goed werd onthaald: Alsace des questions qui dérangent. Zoals de titel het suggereert gaat het om niet politiek correcte vragen over de Elzassiche problematiek in een kort bestek.’
‘Onlangs heb ik ook de vertaling voltooid van een boeiende, maar onafgewerkte en onuitgegeven tekst Heimat zwischen Hammer und Amboß, van de Elzassische katholieke volksvertegenwoordiger Marcel Sturmel (1900-1972). De Elzas zit tussen hamer en aambeeld, inderdaad. Sturmel was een groot figuur van het Elzassich autonomisme, volksvertegenwoordiger voor Altkirch tussen 1928 en 1944. De Fransen hebben van de epuratie geprofiteerd om hem monddood te maken.’
‘Ik heb al die jaren, de Franse culturele politiek kunnen waarnemen. Frankrijk doet alsof het de streektalen promoot. In werkelijkheid laat het ze langzaam sterven met medewerking van de lokale politici. De francofonie kan rekenen op gigantische budgetten, wij op de kruimels.’
een tragikomedie, een geweldige schets van de Elzas tijdens de oorlogsjaren 1939-1945
‘Een voorbeeld: de cabaretier Germain Muller, overleden in 1994, was als toneelschrijver en acteur een van onze grote persoonlijkheden. Vandaag is hij vergeten. Hij schreef een fantastisch theaterstuk dat ik in het Frans vertaalde : ‘Enfin… redde m’n nimm devun (Enfin… we spreken er niet meer over). Het is een tragikomedie, een geweldige schets van de Elzas tijdens de oorlogsjaren 1939-1945.’
‘In een normaal land zou dit werk als klassieker op het programma van de studerende jeugd staan. Maar het Frans onderwijs toont geen interesse.’
Spreekt de jeugd nog Duits en Elzassisch?
‘Mijn kinderen zijn 16 en 18 jaar oud en spreken perfect Elzassich. Maar op school kwamen ze niet één klasgenoot tegen die een conversatie in het Elzassich met hen kan voeren. De situatie is minder rampzalig op het platteland. Maar het is in de grote stad dat je de tendensen van de toekomst waarneemt. Veel Elzassers die de streektaal kenden lieten na met hun kinderen Elzassich te spreken. Ze waren bang dat ze slecht Frans zouden spreken en, hierdoor, hun toekomst hypothekeren.’
‘Een belachelijke redenering, maar het Franse ministerie van onderwijs heeft er voor gezorgd dat dit verhaal decennialang werd verspreid. En de meeste Elzassers zijn dat gaan geloven….’
Honderd jaar geleden sprak 96% van de Elzassers nog Duits of Elzassisch. Wat is de situatie tegenwoordig?
‘Volgens beschikbare cijfers zouden 600.000 Elzassers, op een totaal van 2 miljoen, nog Elzassisch spreken. Als men in enquêtes vraagt of ze nog Elzassisch spreken neigen de mensen ertoe om “ja” te antwoorden. Straffer nog, ze verklaren dat ze het nog elke dag spreken. Dit moet je wel met een korreltje zout nemen. Wat ik vaststel is dat hun taal heel arm is geworden. Ze gaan snel over tot het Frans om zich uit te drukken. Ze beschikken over te weinig woordenschat om vlot te kunnen spreken.’
Hoe is het zo snel zo ver kunnen komen?
‘De kinderen van de generaties “natuurlijke” sprekers die in de laatste vijftig jaar overleden zijn spreken de taal niet meer. Het werkt zo: de eerste generatie spreekt en verstaat de taal van de ouderen; de tweede generatie verstaat nog Elzassisch maar spreekt het niet meer; de derde generatie spreekt het niet meer, verstaat het ook niet en gebruikt enkel nog de taal van de kolonisator.’
Frankrijk is over heel de wereld dé vijand van de diversiteit
‘Laten we duidelijk zijn: het Duits en Elzassisch zitten in slechte papieren in de Elzas. Parijs heeft alles in handen: de subsidies, de jobs en de schoolprogramma’s. Bovendien maken sommige verenigingen pro-Duitse taal ruzie met andere die pro-Elzassische streektaal zijn, en omgekeerd. Mijn mening is: beiden zijn nodig en het Zwitsers model toont dat het werkt. Het Hoogduits versterkt enorm de beheersing van het dialect. Frankrijk is over heel de wereld dé vijand van de diversiteit, een genadeloze predator voor culturen die het als minderwaardig beschouwt.’
En wat met het onderwijs?
‘10 % van de leerlingen in de Elzas gaat naar paritair tweetalige klassen Frans-Duits. Dat gebeurt voornamelijk bij de ABCM school die uitstekend werk verricht. In het officieel Frans onderwijs is het een ander verhaal. Het niveau van de tweetalige klassen is overgewaardeerd. Frankrijk zal nooit competent zijn om een andere taal dan het Frans te onderwijzen.’
Is het dialect door Frankrijk ‘misbruikt’ om het Duits af te remmen?
‘Het Franse principe is altijd geweest: geen open oorlog tegen het Elzassisch dialect. Maar wel, zo veel mogelijk, het Elzassisch loskoppelen van het Duits. Men tolereert bijvoorbeeld het amateurtoneel in het Elzassisch. Maar beroepsgezelschappen uit Duitsland worden zelden uitgenodigd om in de Elzas te komen spelen.’
De gelegenheid om het Duits uit te schakelen deed zich voor na de Tweede Wereldoorlog.
‘Het Duits, dat was voor Parijs het probleem. De gelegenheid om het Duits uit te schakelen deed zich voor na de Tweede Wereldoorlog. Vervelend voor Frankrijk was wel dat de Elzassers massaal keken naar de Duitse en Zwitserse televisiekanalen. Maar dat is nu, met internet, achterhaald.’
‘Tot in de jaren 1990 hadden wij, na een lange strijd, een tweetalige paritaire status voor het Elzassisch bekomen. Maar het Duits werd als een vreemde taal benaderd: twee uren les per week vanaf de leeftijd van 11 jaar. Als ik kijk naar mijn generatie stel ik vast dat vele vrienden, na acht jaar Duitse les, niet in staat waren in München een glas bier te bestellen!’
Het Duits als taal van het nationaalsocialisme?
‘De Fransen profiteerden van de epuratie om de regionalistische en autonomistische oppositie te doen zwijgen. Plots waren dat allemaal nazi’s. De Franse propaganda heeft decennia lang verteld dat de autonomistische beweging de oorzaak was van alle ongelukken. Tot vandaag zijn er bij ons mensen die denken dat de kleuren van onze Rot un Wiss vlag een andere versie is van de nazivlag. Terwijl de nazi’s juist deze vlag hadden verboden. Meer dan waar ook heeft Parijs in de Elzas de boodschap “Duits = nazi” verspreid. Vele Elzassers zijn dat gaan geloven en willen niets meer horen van een autonomistische politiek.’
Is er op taalgebied nog licht in de duisternis?
‘Wat mij betreft geloof ik in het nieuw idee van het immersieonderwijs. Dit houdt in dat eentalig Duits onderwijs aanvangt vanaf de kleuterschool. Er zijn al twee kleuterscholen die momenteel immersieonderwijs organiseren.’
‘Ik steun dit initiatief , maar de resultaten moeten we nog afwachten. Zo niet is de ABCM school de belangrijkste pilaar voor tweetaligheid. Spijtig genoeg bereikt deze school nog niet het hele grondgebied.’
In een volgend artikel spreken wij verder met Joseph Schmittbiel over de politiek in de Elzas.
20.08.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/brand-in-koad-keo-symbool-van-bretonse-beweging/
Scrignac in Bretagne. Een jaar geleden, op 5 juli 2019, verwoestte een zware brand de kapel van Koad Keo. Een fait-divers zou je denken, ware het niet dat deze kapel, met het graf van de Bretonse leider priester Jean-Marie Perrot ernaast, als plaats van herinnering geldt voor de Bretonse beweging.
Daags na de brand lag het woord ‘brandstichting’ op vele Bretonse nationalistische lippen. Men zou voor minder argwanend zijn na de vele kerkbranden in Frankrijk. Maar volgens de officiële instanties ging het om een ongeluk als gevolg van werkzaamheden. Je zou er voor minder aan twijfelen als je weet dat het graf van Perrot en de kapel meermaals met graffiti werden besmeurd in de laatste jaren. In 2018 werd het Keltisch kruis dat het graf siert zelfs neergehaald.
De geschiedenis van deze kapel is op zich al bijzonder. Het oorspronkelijk gebouw dateerde uit 937. Toen Perrot Scrignac als parochie toegewezen kreeg, besloot hij om ze te laten restaureren. Hij deed hiervoor beroep op James Boillé, architect en vooraanstaand nationalist, die de kapel in neo-Bretonse stijl herbouwde. In 1937, duizend jaar na haar oprichting, werd de kapel door Jean-Marie Perrot plechtig ingehuldigd. Sinds 1997 is het gebouw beschermd als voorbeeld van moderne Bretonse architectuur.

Jean-Marie Perrot (1877-1943), Yann-Vari Perrot voor zijn Bretonse makkers, is in Vlaanderen vooral bekend door zijn contacten met de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois. Geboren in een landbouwersgezin leerde Perrot Bretons bij een oom die hem ook vertelde over de Keltische sagen.
toonaangevend voor de bevordering van de Bretonse taal en cultuur
In 1905, richt hij de katholieke nationalistische vereniging Bleun-Brug op. Bleun-Brug staat voor ‘heidebloem’, een symbool voor Bretonse standvastigheid. Het doel van Bleun-Brug is de oude Bretonse tradities, de taal en literatuur te handhaven en te hernieuwen. De Bleun Brug’ers brengen toneel in de moedertaal, traditionele muziek en dans, en promoten het onderwijs van de Bretonse taal. De vereniging geeft vanaf 1911 een tijdschrift uit Feiz ha Breiz. Onder leiding van Perrot wordt dit blad snel toonaangevend voor de bevordering van de Bretonse taal en cultuur. Het bereikt een oplage van 10.000 exemplaren voor de Eerste Wereldoorlog.
Mede door deze inzet groeit Yann-Vari Perrot uit tot de geestelijke leider van een hele beweging. Ondanks tegenwerking van zijn bisschop vaart Perrot een nationalistische koers. Zowat iedereen die naam heeft in het Bretons nationalisme komt wel eens op bezoek in Scrignac. Leidende figuren als Olier Mordrel, Job de Roincé, Camille le Mercier d’Erm enzovoort zijn vriend aan huis en raadplegen hem in belangrijke zaken.
Het Bretons nationalisme radicaliseert in die jaren en in de Tweede Oorlog spant de Bretonse boog nog meer. Een deel van de Bretonse beweging ruikt zijn kans om te revolteren tegen Parijs en leunt hiervoor op Duitse steun. Deze bijzondere vorm van Bretonse collaboratie krijgt niet alleen het Frans verzet, maar ook de Franse collaboratie van onder meer het Vichyrégime van maarschalk Pétain, tegen zich. En nazi-Duitsland heeft met Frankrijk andere plannen dan er het separatisme aan te wakkeren.
In deze sfeer stijgt de spanning elke dag een beetje meer. Yann-Vari Perrot wordt als geestelijke leider geliefd door de Bretonse nationalisten. Maar in een streek waar socialisten en communisten de meeste stemmen halen groeit de tegenstand tegen hem. Al bij zijn aanstelling in Scrignac in 1930 werd hij geconfronteerd met allerlei kleine pesterijen. In het begin van de Tweede Wereldoorlog wordt hij vals beschuldigd van desertie uit het Franse leger. Hij zou van de Duitsers geld ontvangen hebben voor zijn tijdschrift. De bezetter zou de pastorij zogezegd dagelijks platlopen. Een priesterambt in Scrignac was niet bepaald een geschenk van het bisdom. De gemeente was berucht als ‘het hart van het rode gebergte’. Vanaf 1941 lees je wel meer anticommunistische artikels in zijn tijdschrift Feiz ha Breiz.
Jean-Marie Perrot is voor alles een Bretons idealist
Maar Jean-Marie Perrot is voor alles een Bretons idealist. Zijn Duitse contacten dateren al van voor de bezetting, onder meer met Gerhard von Tevenar, een specialist van de minderheden, eminent kenner van de Keltische geschiedenis en cultuur.
De beboste streek rond Scrignac, in het Arrée-gebergte, leent zich als ideaal schuiloord voor het verzet. Op zondag 12 december 1943, wordt Perrot op een verlaten weg neergeschoten door een communistische verzetsman. Het revolverschot heeft hem dodelijk aan het hoofd getroffen. Yann-Vari Perrot overlijdt nog dezelfde dag aan zijn verwondingen.
De moord op Yann-Vari Perrot loopt als een schokgolf door de rangen van het Bretons nationalisme. De begrafenis op 15 december lokt veel volk. Al wie telt in het Bretonse nationalisme is aanwezig. Hij wordt begraven naast zijn geliefde kapel van Koad Keo. Niemand van de aanwezigen twijfelt over de ware motieven van deze executie. Het is omdat Perrot een centrale- en verbindende rol speelde binnen het Bretonse nationalisme dat hij moest sterven.
Wat volgt is een minder fraaie bladzijde van de geschiedenis van de Bretonse Beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een maand voor de moord op Perrot wordt een kleine groep van 60 collaborerende Bretonse nationalisten samengesteld die informatie moet verzamelen en represailles organiseren als antwoord op de vele aanslagen van het verzet in de streek. De groep heet Bezen Kadoudal en is een initiatief van de zeer radicale, collaborerende nationalist Célestin Lainé. De Duitsers noemen de formatie Bretonische Waffenverband der SS en dit zegt waar het om gaat: Bretoenen in Duitse rangen inschakelen om het plaatselijk verzet makkelijker binnen te dringen en te breken.
vreselijke repressie met folteringen, gevangennemingen en executies
Célestin Lainé heeft beslist om de moord op Perrot te wreken. Hij verandert onmiddellijk de naam van zijn Bezen Kadoudal in Bezen Perrot. De groep komt snel in actie en beantwoordt aanslagen van het verzet en de moorden op Bretonse nationalisten door een vreselijke repressie met folteringen, gevangennemingen en executies. Het kwaad is geschied en de naam van Perrot wordt post mortem in diskrediet gebracht.
Een jaar na de brand in Scrignac is de kapel van Koad Keo nog altijd een ruïne. Maar er is hoop. In september belooft men met de restauratie te starten van deze betwiste, maar vooral, bijzondere plaats van herinnering voor het Bretons nationalisme.
12.08.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/yoran-delcourt-bretagne-vlaanderen/
Yoran Delcourt is een Bretonse nationalist. In 2003 stichtte hij zijn eigen uitgeverij, Yoran embanner. Niemand beter dan Yoran kan ons vertellen wat leeft in de Bretonse beweging in de laatste vijftig jaar.
Yoran kan je je even voorstellen aan de lezers van Doorbraak?
Yoran Delcourt; ‘Ik ben 68 jaar oud. Ik kom uit een traditioneel katholieke familie die ook wortels heeft in Artesië en Frans-Vlaanderen. Mijn ouders waren boekhandelaars in de stad Saint-Nazaire, in het zuiden van Bretagne.’
Hoe ben je in contact gekomen met de Bretonse beweging?
‘Ik was lid van een scoutsbeweging. In 1969, het jaar van de regionale hervormingen in Frankrijk, organiseerde onze scoutsgroep een kamp in de buurt van Quimper.
vlaggen halfstok gehangen uit protest
In Quimper wordt elk jaar het festival de Cornouaille gehouden met een optocht van de Bagadoùs, de Bretonse pipe bands, en de dansers van de Keltische kringen. De Bagadoùs hadden dat jaar hun vlaggen halfstok gehangen uit protest. Ze deelden pamfletten uit en droegen een reuzespandoek met de slogan dat het departement Loire-Atlantique bij Bretagne hoorde. Ik kwam onder de indruk van dit protest en dat was de start van mijn Bretons engagement.
Je moet weten: Bretagne telt vijf departementen. Maar Parijs besliste dat het departement Loire-Atlantique, één vijfde van het Bretons gebied en met de historische hoofdstad Nantes, niet bij Bretagne zou komen.’
Ben je thuis in het Bretons opgevoed?
‘Mijn moedertaal is Frans. Maar ik heb heel veel gelezen over de Bretonse taal, cultuur en geschiedenis. Vervolgens leerde ik Bretons. Ik spreek het niet zo vlot. Maar ik kan een gesprek voeren en een interview beantwoorden in het Bretons.’
Waar staat Bretagne met het onderwijs van het Bretons? Hoeveel mensen spreken nog Bretons in Bretagne?
‘De “Diwanscholen” zijn opgericht in 1977. Ze bieden uitsluitend onderwijs in het Bretons, tot de wiskundeles toe, en dit van de kleuterschool tot en met de humaniora. Door het succes van Diwan hebben publieke en katholieke scholen op hun beurt tweetalige klassen ingericht. Maar het onderwijs in het Bretons is er niet zo kwalitatief als bij Diwan.
Samen vertegenwoordigt dit alles 19.000 leerlingen, amper 3% van de schoolgaande jeugd, te vergelijken met 40% in Noord-Baskenland. Voor Bretagne is dit veel te weinig. Voeg er nog aan toe dat Parijs, met man en macht, stokken in de wielen steekt om nieuwe scholen te openen. Desondanks stijgt de vraag, alsook het aantal leerlingen. Je moet rekenen dat nog 225.000 mensen Bretons kunnen spreken. Ik tel hierbij de oudere generatie die het spreekt maar het niet kan lezen of schrijven.’
In welke groepen heb je actie gevoerd?
‘In mijn jeugd heb ik in vele bewegingen gemiliteerd, onder meer in Jeune Bretagne toen ik 19 jaar was, en later, bij de Parti Républicain Breton (SPV). Dat heeft me een hoop moeilijkheden berokkend: inbeslagname van bezittingen, voorarrest, voorlopige hechtenis, arrestatie enzovoorts.
Wij bekogelden het huis van de gewezen eerste minister en burgemeester van Nantes, Jean-Marc Ayrault
De laatste maal was in 2014, met de ‘Rode Mutsen’. Wij bekogelden het huis van de gewezen eerste minister en burgemeester van Nantes, Jean-Marc Ayrault, met eieren, bloem en melk. Deze vriend van François Hollande speelde de hoofdrol bij het houden van het departement Loire-Atlantique buiten de regio Bretagne.’
Kan je ons meer vertellen over de beweging van de Rode Mutsen?
‘Zelf was ik zeer geëngageerd bij de Rode Mutsen. Het begon als een protest tegen een milieuheffing voor vrachtwagens die de Bretonse producten duurder zou maken, en groeide verder uit tot een algemene Bretonse opstand. Parijs moest uiteindelijk buigen en de ecotaks opgeven!
Momenteel is deze beweging slapende maar alle netwerken worden in stand gehouden. Ze wachten alleen op een nieuwe vonk.’
Bestaat er een verband tussen de Rode Mutsen en de protestbeweging van de Gele Hesjes?
‘Een aantal Rode Mutsen is betrokken bij de beweging van de Gele Hesjes. Alleen, de Gele Hesjes voeren actie over heel Frankrijk, en niet specifiek in Bretagne. Er zijn wel samenkomsten van Bretons gezinde Gele Hesjes in alle vijf de Bretonse departementen.’
Je bent geboren na de Tweede Wereldoorlog. Hoe situeer je je generatie tegenover het Bretonse nationalisme van nu?
‘Er zijn geen clandestiene en gewelddadige acties meer zoals het leggen van bommen. Maar ik heb wel het gevoel dat de Bretonse eisen vandaag sterker worden gedragen. Het probleem is dat wij in Bretagne niet één maar meer Bretonse politieke partijen hebben, van extreem links tot extreem rechts zeg maar. Deze partijen werken niet samen, ook niet bij verkiezingen. Ik reken op de huidige generatie om zich meer pragmatisch en minder dogmatisch op te stellen.’
Je bent ook een geëngageerde Bretonse uitgever. Je hebt je eigen uitgeverij opgericht.
‘Het avontuur met Yoran Embanner begon in 2003. Ik kon steunen op een ervaring van meer dan 25 jaar bij Coop Breizh, gespecialiseerd in boeken en muziek. Ik ben als uitgever begonnen met een miniwoordenboek Frans-Bretons. Onze slogan was toen: zelfs in het Bretons kan men spieken tijdens de examens!
Daarna verschenen ook woordenboeken Frans-Corsicaans, Bretons-Engels, Bretons-Duits, etcetera.
Het was een groot succes. Er werden 15.000 exemplaren verkocht in amper zes maanden. Daarna verschenen ook woordenboeken Frans-Corsicaans, Bretons-Engels, Bretons-Duits, etcetera. Bretons-Nederlands werd samengesteld door de Vlaming Jan Deloof.
Mijn aandacht gaat vooral naar talen die weinig worden gesproken: Catalaans, Albanees, Gaelisch Schots, Iers, Koerdisch, Maltees,… De grote uitgevers tonen hiervoor geen interesse.’
Welke boeken geef je nog uit?
‘Vandaag telt het fonds meer dan 200 titels. Als Bretonse nationalist en internationalist gaat mijn belangstelling uit naar volkeren die geen geluk kenden in de geschiedenis. Met andere woorden: volkeren zonder staat. Ik ben geboeid door de geschiedenis, de mythen en legenden, de taalkunde, de ecologie,…
Ik heb een geschiedenis van Bretagne uitgegeven vanuit een Bretons perspectief. Later volgden een geschiedenis van de Elzas, Armenië, Corsica, Schotland, Koerdistan, Occitanië, Oekraïne, Vlaanderen, en zelfs van Wallonië. De geschiedenissen van Koerdistan en Oekraïne zijn van de hand van de Vlaming Luc Pauwels.’
Je geeft ook politieke boeken uit?
‘Uiteraard volg ik de Emsav, de Bretonse beweging, op de voet met uitgaven over haar geschiedenis en actualiteit. Ik geef ook vele titels uit over de Elzas, die streeft naar een nieuwe autonome status binnen de Franse staat.’
Hoe dynamisch is de Bretonse beweging van vandaag?
‘Alles wat echt vernieuwend en dynamisch is in Bretagne komt van Bretoenen die min of meer geëngageerd zijn in het Bretons nationalisme. Op economisch gebied heb je de labels zoals ‘produit en Bretagne’; op taalgebied de spectaculaire, geweldloze acties voor de bevordering van de tweetaligheid in het openbare leven, zoals de acties van de activistische beweging Aï’ta. Verder heb je nog de creativiteit van kunstenaars, muzikanten, milieuactivisten,…
nieuws over Bretagne in drie talen: het Bretons, het Frans en het Engels
Ook de pers neemt nieuwe initiatieven. Ik denk aan sites zoals Breizh info, of NHU ABP . NHU ABP staat voor ‘Ni Hou-Unan‘ (‘Wij Zelf’), dat is het persagentschap Agence Bretagne Presse. Het brengt nieuws over Bretagne in drie talen: het Bretons, het Frans en het Engels.’
Wat zijn de voornaamste eisen van het Bretonse nationalisme?
‘Er heerst in Bretagne overeenstemming rond drie voorname eisen: de hereniging van Bretagne, het officieel maken van de Bretonse taal naast de Franse en het verwerven van echte politieke macht voor de Regionale Raad van Bretagne.
Wij kunnen steunen op onze verkozenen. Autonomistische verkozenen op het niveau van de gemeenten, de departementen, de regio; en zelfs één in de Nationale Vergadering. Wij scoren beter en beter, maar, om verder te komen, is er meer nodig om het Parijse slot te ontgrendelen.’
Tenslotte: hoe zie je als Bretoen het Europees project?
‘Ik dacht oprecht dat de Europese opbouw voorgoed op gang was gebracht. Het zou makkelijker zijn Europa te doen bewegen dan een land als Frankrijk. Maar toen kwam de Catalaanse kwestie. Ze deed me beseffen dat de Europese Unie de gevangene van de natiestaten is. Ze respecteert de rechten van de volkeren niet. En ook niet de basisprincipes van de democratie: stemrecht, recht op vrije meningsuiting, persvrijheid. Verkozenen van het volk zijn momenteel in de Spaanse gevangenissen opgesloten, maar niemand beweegt.
Het schandaal is des te groter omdat verschillende lidstaten van de EU ontstaan zijn als separatistische staten. Dat is het geval voor bijna alle Oost-Europese landen, maar ook voor Ierland, Finland, Kroatië, enzovoorts.
Over de EU heb ik nu mijn twijfels. Maar je kan de loop van de geschiedenis niet stoppen. De natiestaten bewijzen elke dag hun nutteloosheid. Ik blijf geloven dat de 21ste eeuw de eeuw van het ontwaken van de volkeren wordt. Bretagne en Vlaanderen voeren dezelfde strijd!’
05.08.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-frisse-wind-in-de-franse-nederlanden/
Alain Walenne, 72 jaar, woont in Santes bij Rijsel. In 1970, was hij medeoprichter van de studentenkring Etudiants Fédéralistes Lillois. De vereniging gaf een tweewekelijkse nieuwsbrief uit, Le Courrier Lillois, met nieuws over de Franse Nederlanden en de Europese volkeren. Hoe een handvol studenten een frisse wind kon brengen in de Franse Nederlanden? We vragen het aan Alain Walenne, 50 jaar later.
Je bent geen Vlaming maar een Henegouwer. Hoe kwam je aan je belangstelling voor de Vlaamse zaak en de Nederlandse gedachte in Frankrijk?
Alain Walenne: ‘Ik ben in Maubeuge geboren: ik ben dus een ‘Franse’ Henegouwer. De Walenne’s zijn al eeuwen aanwezig in Henegouwen en het dal van de Samber, aan beide kanten van de Schreve. Langs moederskant heb ik ook banden met Normandië en Piëmont. Tijdens mijn collegetijd in Maubeuge kreeg ik belangstelling voor de geschiedenis, de tradities en het dialect van mijn geboortestreek.
Daar kwam ik in contact met Vlamingen en met de Nederlandse gedachte.
Vervolgens studeerde ik geschiedenis en aardrijkskunde aan de Universiteit Rijsel. Daar kwam ik in contact met Vlamingen en met de Nederlandse gedachte.‘
In 1970 richtten jullie een kring van Federalistische studenten in Rijsel op. Hoe is deze kring ontstaan?
‘In Rijsel werd ik bevriend met een streekgenoot, François-Xavier Dillmann, die later naam maakte als specialist in Noordse mythologie en Scandinavische literatuur. Hij studeerde er toen letteren en middeleeuwse geschiedenis. Het was Dillmann die het initiatief nam om een studentenbeweging op te richten die tegelijk regionalistisch en Europees gericht was.’
Wie was er nog bij betrokken?
‘Naast Dillmann en mezelf, Gérard Landry, student financiële wetenschappen en later zakenman, uitgever en publicist; Georges de Verrewaere, student en vervolgens leraar Nederlands, in Vlaanderen bekend als spreker en als gids; Eric Vanneufville, student geschiedenis die zou doctoreren over de Saksisch-Friese ruimte, schrijver van vele boeken over de geschiedenis van onze regio. Dat waren de voornaamste medewerkers.’
Hadden jullie contacten met de traditionele Vlaamse Beweging in Frankrijk?
‘Vrij snel werd de brug gemaakt met de geestelijke erfgenamen van Priester Gantois die in 1968 was overleden: Dr. Jan Klaas van de Section Fédéraliste des Pays-Bas français, uitgever van het tijdschrift La Nouvelle Flandre; Jaak Fermaut, leraar Nederlands, medewerker aan de publicaties Ons Erfdeel en Septentrion; en met Michel Galloy die de Vlaamse Vrienden in Frankrijk vertegenwoordigde. Via deze mensen kwamen wij ook in contact met het netwerk rond het Komitee voor Frans-Vlaanderen, onder leiding van Luc Verbeke.’
Jullie gaven de nieuwsbrief Le Courrier Lillois uit met Eric Sanders en Marc Wattiez als hoofdredacteur. Die namen heb je nog niet genoemd?
‘De Courrier was een bescheiden veertiendaagse nieuwsbrief die op een paar honderd exemplaren werd gedrukt, als ik me goed herinner. Maar het werd vlot gelezen en doorgegeven in studentenkringen.
Na drie jaar, in september 1973, stopte de verschijning van de Courrier Lillois
Eric Sanders was de schuilnaam van François-Xavier Dillmann, de eerste hoofdredacteur. Gérard Landry volgde hem een jaar later op. Dan kwam mijn beurt: ik tekende met Marc Watttiez. Na drie jaar, in september 1973, stopte de verschijning van de Courrier Lillois door mijn vertrek naar Parijs als gevolg van mijn studies.’
Ik was 15-16 jaar toen ik de Le Courrier Lillois ontdekte. Ik kan getuigen dat het een nieuw perspectief gaf aan mijn denken van toen.
‘De algemene filosofie was het Europees federalisme, niet in de zin van de huidige Eurocratische klucht, maar meer volgens het werkbaar model van echte federale staten als Zwitserland en Duitsland.’
Wat waren jullie concrete doelstellingen?
‘Onze voornaamste doelen formuleerden we zo:
Met de Courrier heb ik de boeken van Paul Sérant, Guy Héraud en Jan Fouéré ontdekt.
‘In Frankrijk waren dat toen de grote namen rond het idee van het Europa van de Volkeren. De titels van hun boeken waren al een project op zich: ‘L’Europe aux 100 drapeaux’ van de Bretoen Yann Fouéré ; Guy Héraud met ‘Les principes du fédéralisme et la construction européennne’. Je had ook op Franse schaal auteurs als Hervé L’avenir met ‘l’Europe et les régions’ en Paul Sérant met ‘La France des minorités’.
De meeste van deze schrijvers hebben wij ook in Rijsel als sprekers uitgenodigd. Wij organiseerden allerlei conferenties en debatavonden, meestal in de gebouwen van de faculteit Rechten of in het Maison de l’Europe. Wij konden hiervoor rekenen op de steun van de Europese Beweging die er haar zetel had.’
Op een bepaald moment werd de stap naar de politiek aangekondigd. Waarom is dit toen niet doorgegaan?
‘In 1973 koesterden wij even het idee om een stap in de politiek te wagen. Het werd tijd om de beweging uit te breiden, onze inspanningen te bundelen, en een ruimer politiek kader te geven aan ons regionalistisch en Europees streven. Maar het studentenmilieu was te onstabiel om zulk een project te dragen.’
Later zal men verschillende Federalistische studenten terugvinden rond allerlei nieuwe initiatieven en verenigingen.
‘Al in 1971 steunden wij de oprichting van de Michiel de Swaenkring. De eerste secretaris van de kring, Bernard de Leersnyder, en verschillende andere leden waren ook lid van de Federalistische studenten. Jan Pol Sepieter en jezelf, beiden lezers van het eerste uur, hebben dan de vereniging Hekkerschreeuwen opgericht. Félix Boutu die de dynamische voorzitter werd van de vereniging Yzerhouck, studeerde zoals ik aardrijkskunde en schreef enkele artikelen voor de Courrier Lillois. André Lévèque, een Picardiër die ook aan onze nieuwsbrief meewerkte, werd een bekende verdediger van de Picardische streektaal. En zelf heb ik nog, samen met François-Xavier Dillmann, het Institut Culturel Nordique opgericht.
Blijkbaar is schrijven op jonge leeftijd een uitstekende leerschool voor later.
Enkele leden van onze studentenkring maakten ook naam als schrijver: F.X. Dillmann die o.m. voor zijn voortreffelijke vertaling van de Edda werd bekroond. En ook G. Landry, G. de Verrewaere, E. Vanneufville, J.-P. Sepieter. Blijkbaar is schrijven op jonge leeftijd een uitstekende leerschool voor later.
Wat was het Institut Culturel Nordique?
‘We hebben dit instituut in 1976 opgericht. Het doel was om de culturele rijkdommen van de Franse Nederlanden en de landen rond de Noord- en de Oostzee beter te leren kennen en te promoten. Wij organiseerden conferenties, tentoonstellingen, alsook culturele uitstappen naar deze landen.’
De stap naar de politiek werd dan toch gemaakt met de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement in juni 1979?
‘De Bretonse schrijver Jean-Edern Hallier had een lijst Régions-Europe ingediend met als doel een stem te geven aan de verschillende regionalistische bewegingen in Frankrijk. Met enkele oudgedienden van de Courrier Lillois, en de hulp van de Frans-Vlaamse activist Régis De Mol, hebben wij namens de Franse Nederlanden aan deze verkiezingen deelgenomen. Veel heeft het uiteindelijk niet opgeleverd, maar het was wel een boeiend avontuur samen met de Bretoenen, Basken, Elzassers, Occitanen, enz.’
Je hebt in de jaren 80 opnieuw een nieuwsbrief uitgegeven: Le Courrier des Pays-Bas français?
‘Inderdaad, nog een initiatief rond enkele oude getrouwen van de Courrier Lillois, onder leiding van Gérard Landry en mezelf. Deze maandelijkse nieuwsbrief hebben wij van 1983 tot 1991 uitgegeven.
Onze streek is cultureel ziek, als in haar ziel getroffen.
Landry schreef toen in het eerste nummer: “Onze streek is cultureel ziek, als in haar ziel getroffen. Ook Europa twijfelt over zijn toekomst, lamgeslagen door het verlies van zijn historische, culturele en morele waarden”‘.
Hebben het handvol studenten van toen daar iets aan kunnen veranderen?
‘Ik antwoord met het beeld van de zandkorrel die het raderwerk van het Franse centralisme en jakobinisme verstoort. Ondanks beperkte middelen hebben wij verschillende nieuwe initiatieven mee op gang gebracht. Ieder zette zijn beste beentje voor. Ik durf zeggen dat onze Federalistische studenten een frisse wind over de Nederlanden in Frankrijk lieten waaien en onze droom verder zetten. Wie niet waagt…’
23.07.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/oorlogsheld-of-oorlogsmisdadiger/
In mijn geboortestreek Frans-Vlaanderen zijn vele waardevolle kunstwerken, gebouwen en archieven door de Beeldenstormers verwoest. Misschien daarom heb ik het niet met het bekladden of vernietigen van standbeelden en monumenten. Alhoewel er soms verzachtende omstandigheden zijn, zoals het verhaal van de obelisk van Turckheim…
Korte afstand reizen worden ons dezer dagen aanbevolen. De Elzas is zo’n bestemming waar het leuk vertoeven is. Maar achter idyllische dorpen langs de panoramische wijnroutes schuilen ook de open wonden van een beladen geschiedenis. Zo een controversiële plaats van herinnering is het stadje Turckheim, op zeven kilometer van Colmar.
Turckheim is het stadje waar de slag die haar naam draagt op 5 januari 1675 werd uitgevochten. De Franse troepen van Lodewijk XIV, onder leiding van legermaarschalk Turenne (1611-1675), vochten tegen een coalitieleger geleid door Frederik Willem I van Brandenburg en de Rooms-Duitse Keizer Leopold I. De slag behoort tot de veldtocht van het Franse Koninkrijk tegen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, en de Franse veroveringsoorlogen in de Elzas, de Palts en het Saarland.
Het leger van Turenne verwoestte het stadje Turckheim totaal.
Volgens de Franse geschiedenisboeken maakte het strategische vermogen van Turenne het verschil. Maar bijna alle Franse historici verzwijgen wat na de slag volgde: Het leger van Turenne verwoestte het stadje Turckheim totaal. De meeste inwoners konden niet vluchten. Ze werden genadeloos afgeslacht, vrouwen en jonge meisjes verkracht, gemarteld en vermoord. Zelfs kinderen en baby’s werden niet gespaard. De beestachtige uitspattingen duurden twee weken lang.
De legers van Lodewijk XIV maakten van zulke terreur bewust gebruik om elk verzet te breken. Ze verwoestten in die periode honderden dorpen en steden op beide oevers van de Rijn.
Turenne, met zijn volledige naam Henri de la Tour d’Auvergne, burggraaf van Turenne, droeg de titels van hertog van Bouillon en prins van Sedan, de Lotharingse stad waar hij was geboren. Turenne kreeg een protestantse opvoeding en sprak drie talen: Frans, Nederlands en Duits. Zijn moeder, Elisabeth van Nassau, getrouwd met de hertog van Bouillon, was een dochter van Willem de Zwijger. Turenne’s grootvader was dus niemand minder dan Willem van Oranje. Dat verklaart waarom hij eerst als militair in de Staatse legers diende.
Dit belette Turenne niet later in dienst te treden van Lodewijk XIV. En om de strijd aan te gaan tegen verwanten in de Nederlanden, en elders. Hij bekeert zich ook tot het katholicisme, en zal zonder scrupules een vooraanstaand protestants gebied als de Palts verwoesten.
In Turckheim staat sinds 1932 een obelisk ter ere van Turenne, de overwinnaar van de slag bij Turckheim.
Een groep royalisten, samen met patriottische verenigingen van rechtse signatuur, financierden het monument. Daarom is de obelisk met een grote Franse lelie gekroond. De inhuldiging had plaats op 18 september 1932 op initiatief van de stafchef van het Franse leger, generaal Weygand (1867-1965).
om de gevreesde protestactie van de plaatselijke bevolking en van de autonomistische beweging in de kiem te smoren
Voor de inhuldiging waren naast vele Franse militairen, 500 Zwitserse staatsburgers uit Bazel met een speciale trein opgetrommeld. Wellicht om de gevreesde protestactie van de plaatselijke bevolking en van de autonomistische beweging in de kiem te smoren.
Maxime Weygand gold als antidreyfusard, royalist, aanhanger van Maurras en diens Action Française. Bij de slag om Frankrijk in 1940 bekleedde hij de functie van opperbevelhebber van het Franse leger. Een beetje later volgde hij niettemin Maarschalk Pétain die hij bewonderde. Tijdens het Vichy-régime werd hij benoemd tot minister van landsverdediging, later speciaal gezant in Afrika.
Weygand had met België een wel zeer bijzondere band: hij was uit onbekende ouders in Brussel geboren. Algemeen wordt aangenomen dat hij een zoon was van Charlotte, keizerin van Mexico (1849-1927), dochter van koning Leopold I, uit een relatie met de Belgische generaal Alfred van der Smissen.
Slechts op zijn 21ste werd voor Maxime Weygand een erkenning op maat gearrangeerd. Hij ging voortaan door het leven als de natuurlijke zoon van een dienstbode van zijn voogd die de familienaam Weygand droeg.
De Duitsers, die niet vergeten waren dat Turenne de hele Rijnvlakte verwoest had, vonden dat zijn standbeeld niet op zijn plaats was in de Elzas. Bij de Duitse bezetting in 1940 was een van de eerste symbolische daden het opblazen van het Turennemonument in Turckheim. Ook het Turennedenkmal in Sasbach (Baden-Württemberg), waar Turenne enkele maanden na de slag van Turckheim de dood vond, moest er aan geloven.
in 1918 hadden ze de ruiterstandbeelden van de Duitse keizer Wilhelm I in Metz en Straatsburg neergehaald
De Fransen, al waren ze bijzonder slecht geplaatst om te protesteren, riepen moord en brand. Bij de annexatie van de Elzas en Lotharingen bij Frankrijk in 1918 hadden ze de ruiterstandbeelden van de Duitse keizer Wilhelm I in Metz en Straatsburg neergehaald, samen met vele Duitse oorlogsgedenktekens van de oorlog van 1870-71…
Na de Tweede Wereldoorlog werd de obelisk in Turckheim opnieuw gebouwd. De inhuldiging had in 1958 plaats, obligate militaire parade, mis, vuurwerk en volksbal inbegrepen. En uiteraard werd weer met geen woord gesproken over het uitmoorden van de hele stad.
Deze hardnekkigheid vanwege de Franse autoriteiten om de waarheid te ontkennen ervaart de Elzassische beweging als een zoveelste belediging. Enkele zeldzame radicalen gingen in december 1980 tot de actie over en dynamiteerden het monument. Het commando, genaamd Die Schwarzen Wölfe, bestond uit drie Elzassers die reeds enkele gelijkaardige acties op hun actief hadden. Ze werden later gearresteerd, en veroordeeld tot gevangenisstraffen en tot de kosten om de schade te herstellen.
Het gevolg van deze gewelddadige actie was dat de hele bevolking tot inkeer kwam en zich vragen begon te stellen. Heeft de Elzas recht op haar geschiedenis? Is Turenne een Franse oorlogsheld of een gemene oorlogsmisdadiger?
Een andere vorm van protest is de jaarlijkse bijeenkomst van vertegenwoordigers van de Elzassische beweging aan het Turennemonument. Na de speeches volgt telkens de neerlegging van een krans ter nagedachtenis van de burgerslachtoffers van Turckheim. De laatste keer dat ik het Turennemonument zag was het opnieuw beklad met de leuze Elzas frei… Meer vrijheid, nodig om de échte helden van Turckheim waardig te gedenken.
16.07.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-franse-ziekte/
Charles De Gaulle had zich wellicht een meer glorieuze fin de carrière voorgesteld dan zijn lange nek te breken op de decentralisatie in Frankrijk. Van hem is de uitspraak ‘Hoe kan men ooit een land regeren dat 246 soorten kazen kent!’. De Gaulle stierf intussen 50 jaar geleden, amper een jaar na zijn nederlaag in het referendum van 1969. De Fransen zijn inmiddels enkele regionale hervormingen verder, maar de kazen blijven op de maag liggen. Laatste nieuwe kaas: de superregio’s.
Alle macht aan Parijs is een oud Frans zeer. Al in de tijd van koning Lodewijk XV klaagde zijn minister van buitenlandse zaken Markies D’Argenson (1696-1757), in zijn mémoires: ‘Frankrijk was vroeger een mooie vrouw; maar sinds kort lijkt het op een spin: een dikke kop en lange, magere armen. Alle voedsel en vetstoffen gaan naar Parijs, ten koste van de provincies die armoe lijden en uitgeput zijn’.
‘Parijs wordt omgedoopt tot hoofdstad van het revolutionaire denken’
De Franse Revolutie zou dit nog scherper stellen. Parijs wordt omgedoopt tot hoofdstad van het revolutionaire denken, zelfverklaarde ‘mooiste stad van de wereld’, en ‘vaderland van kunst en wetenschappen’. Bescheidenheid siert.
’Er bestaat in Frankrijk maar één departement, dat van de Seine en maar één stad, Parijs!’ stelde ook de socialistische politicus Louis Blanc (1811-1882) die dit in de 19de eeuw als een ‘dodelijke situatie’ ervaart.
Een kwart van de Franse werkgelegenheid situeert zich in de regio Parijs. De lonen kunnen er oplopen tot het dubbele van het Franse gemiddelde. In 1968 vindt een onderzoek plaats naar de woonplaats van oud-afgestudeerden van de Franse elitescholen: Polytechnique, Ecole Normale d’Administration en Ecole Normale Supérieure. Hieruit blijkt dat de overgrote meerderheid van deze hoger gediplomeerden, die de ware macht in Frankrijk vertegenwoordigen, op enkele hectaren bijeen gepakt, in Parijs wonen.
Deze situatie is vijftig jaar later zo goed als ongewijzigd. Men schat dat meer dan 40% van de vrije beroepen, managementfuncties en onderzoekers in Parijs werken en wonen. De leegloop van de breinen uit het platteland naar de hoofdstad blijft de grote zwakte van Frankrijk. Als de Franse milieubeweging, winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen, oplossingen voorstelt voor de overvolle hoofdstad moet het niet enkel gaan over minder auto’s en meer fietsen. Een échte decentralisatiepolitiek, met minder mensen die door Parijs worden opgezogen, heeft een grotere impact op de pollutie in de Franse hoofdstad. Alain Peyrefitte (1925-1999), minister onder de Gaulle en Pompidou, beschreef deze situatie ooit in een bestseller met de veelzeggende titel Le mal français, de Franse ziekte. ‘De Parijse macht is machtig en broos, broos omdat ze machtig is’ aldus Peyrefitte.
In 1790 gaan de Parijse Revolutionairen over tot de oprichting van 83 Franse departementen. Voorstellen om het land administratief te reorganiseren waren reeds tijdens het koningschap opgedoken. Maar de revolutionairen bedenken met de departementen een waar totalitair plan. Alle historische benamingen, alle sporen en herinneringen aan oude grenzen moeten verdwijnen.
Door namen als Bretagne, Normandië, Elzas, Vlaanderen enz. weg te vegen willen de revolutionairen wat ze noemen ‘gewoonten en barbaarse instellingen die veertien eeuwen hadden bestaan en daardoor gefossiliseerd waren’ uitroeien.
‘De duivelse redenering is: zonder ‘Bretagne’ weldra geen Bretoenen meer.’
Voortaan worden enkel nog geografische kenmerken gebruikt: bergen en rivieren, in combinatie met zeeën en oceanen (Loire Atlantique, Alpes-Maritimes, enz.). De duivelse redenering is: zonder ‘Bretagne’ weldra geen Bretoenen meer. De afstammelingen van een inwoner uit het ‘Manche’ departement zullen snel vergeten dat hun voorouders Normandiërs waren.
Ook windstreken als ‘le Nord’ komen van pas om de Frans-Vlamingen te doen vergeten dat ze ooit tot het zuiden van de Nederlanden behoorden. Vandaag de dag noemen de meeste Frans-Vlamingen zich zonder verpinken ‘Nordisten’. Ze weten niet beter want, samen met de naam van hun moederland, is ook hun verleden uit de Franse geschiedenisboeken gewist.
Een geluk bij een ongeluk: de namen van de departementen volgden een enge cartesiaanse logica. Hierdoor kan je van een inwoner van het departement Meurthe-et-Moselle geen ‘Meurthetmosellien’, en evenmin van de inwoners van Marseille en Aix-en-Provence ‘Bouchesdurhôniens’, maken.
Hoe dan ook: het kwaad was geschied met de verdwijning van de oude historische benamingen. De historische provincies veranderden in ‘La France profonde’, waar boerenpummels met hun hopeloze folklore en foute gewoonten achterbleven.
Ook de namen van 3000 Franse gemeenten ontsnapten niet aan de totalitaire semantiek van de Franse revolutionairen. Gemeenten waarvan de naam refereert naar religie of bijgeloof, feodaliteit en het koningschap moesten er aan geloven. Fanatieke revolutionairen vinden dat hun woonplaats het voorbeeld moet geven: zo heet de stad Lyon voortaan ‘Commune-Affranchie’, en Marseille ‘Ville-sans-Nom’. Dat blijft gelukkig niet duren.
‘Gelukkig verdwenen deze dwaze benamingen vrij snel na het einde van de revolutiejaren.’
Nog enkele voorbeelden uit de Franse Nederlanden: Duinkerke/Dunkerque heet voortaan ‘Dune-Libre’ ; Grevelingen/Gravelines ‘Port-d’Aa’ ; Sint-Omaars/Saint-Omer ‘Morin-la-Montagne’ ; Bonen/Boulogne-sur-Mer ‘Port-de-l’Union’ en Le Cateau Cambrésis ‘Fraternité-sur-Selle’. Gelukkig verdwenen deze dwaze benamingen vrij snel na het einde van de revolutiejaren.
In de decennia na het verdwijnen van de Gaulle deden de achtereenvolgende regeringen nieuwe pogingen om een andere status voor de regio’s te bedenken. Met wisselend succes. De laatste aanpassing dateert van 2016. Superregio’s werden in het leven geroepen bovenop de departementen.

De superregio’s – Wikimedia Commons/Mightymights
Zonder de overzeese gebieden gaat het om 13 superregio’s die elk verschillende departementen groeperen. De nieuwe formule is al even kunstmatig als de voorgaande. Sommige superregio’s als Bretagne, Occitanië of Normandië kregen hun historische namen, wat niet betekent dat ze hun historische grenzen terugkregen.
Frans-Vlaanderen behoort voortaan tot de Hauts de France. Deze benaming, overgenomen van een club Noord-Franse naturisten, bevestigt de slechte reputatie die men de Fransen toeschrijft inzake aardrijkskunde. Als voornaamste ‘hoogte’ heb je aldaar de Kasselberg, 176 meter hoog. Jacques Brel zong Le plat pays qui est le mien, maar de Franse overheid heeft dat liedje geografisch nooit kunnen situeren. Je moet maar eens, zoals de Vlamingen in Frankrijk, geboren zijn in een streek die al 200 jaar niet meer Vlaanderen mag heten, vervolgens als ‘Nordist’, of is het als Cht’i, en nu weer als Hauts-de-franciens, door het leven gaan. Terwijl de Vlaamse Leeuw blijft wapperen op vele huisgevels.
De grootste commotie over de superregio’s kwam nog van de Elzassers. Niet minder dan 68% van de inwoners van de Elzas verzette zich tegen het verdwijnen van de naam Elzas. De streek is tegen de wil van de bevolking opgeslorpt, samen met Lotharingen en Champagne-Ardenne, in een superregio, totaal inspiratieloos ‘Grand Est’ genoemd. Het luid protest leidde tot een omslachtige toegeving van Parijs. Beslist werd, na veel wikken en wegen, tot de samensmelting van de departementen Haut-Rhin en Bas-Rhin tot een ‘collectivité européenne’ die op de valreep Elzas mag heten. In 2021 is de naam Elzas dus terug van weggeweest, wat een mooie overwinning betekent voor de autonomistische beweging aldaar. Maar, willen of niet, het blijft wel geïntegreerd binnen de ‘Grand Est’.
Men zou in Frankrijk voor minder aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis lijden. Hoe Bretoenen, Elzassers, Vlamingen, enz. deze ‘Franse ziekte’ overleven leest u in mijn volgende bijdragen.
06.07.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-andere-kijk-op-frankrijk/
Sommige Vlamingen geloven dat ‘leven als god in Frankrijk’ betekent dat de Franse taal een duizendjarige goddelijke status bezit over het volledig Frans grondgebied. Molière (1622-1673), de beroemde toneelschrijver, was een andere mening toegedaan toen hij, reizend door het Frankrijk van Lodewijk XIV, onthutst noteert: ‘ik kan het Frans in deze streek niet verstaan en niemand verstaat dat van mij’.
Het Frans als eenheidstaal van Frankrijk behoort tot het rijk der fabelen ontstaan met de Franse Revolutie. Aan de basis van dit verhaal ligt de Franse revolutionaire priester Henri Grégoire, beter bekend als Abbé Grégoire (1750-1831).
‘de noodzaak om de streektalen uit te roeien en om het gebruik van de Franse taal te universaliseren’
Grégoire, Lotharinger van afkomst, komt rond 1790 tot de vaststelling dat meer dan de helft van de Fransen geen Frans spreken. In 1794 publiceert hij een heus rapport ‘over de noodzaak om de streektalen uit te roeien en om het gebruik van de Franse taal te universaliseren’. Let op het werkwoord ‘uitroeien’.
Grégoire is een revolutionair buitenbeentje. Zijn priesterambt belet hem niet zich als een vurige aanhanger van de Revolutie te ontplooien. Hij geldt als de eerste gezworen priester in Frankrijk. Naar aanleiding van de 200ste verjaardag van de Franse Revolutie, in 1989, laat François Mitterrand zijn asse bijzetten in het Franse Panthéon.
Het onderzoek van Abbé Grégoire over de toestand van de talen in Frankrijk is minutieus voorbereid. Hiervoor doet hij beroep op notabelen over het hele land die met de Revolutie sympathiseren. Grégoire wil weten welke talen en dialecten, waar en door wie, worden gesproken, en of ze zich lenen tot intellectuele arbeid.
Het resultaat van dit onderzoek is ontluisterend. Van de 34 miljoen Fransen in de tijd van de Franse Revolutie spreekt amper drie miljoen min of meer correct Frans. Zes miljoen Fransen zijn Fransonkundig. Nog eens zes miljoen kunnen in meer of mindere mate de Franse taal verstaan. Eén Franse staatsburger op drie kent dus helemaal geen Frans of heeft uitsluitend een passieve kennis van de taal.
Het gaat in de eerste plaats om Basken, Catalanen, Occitaniërs, Bretoenen, Vlamingen, Elzassers en Lotharingers die een andere taal spreken. Maar niet alleen. In de 18de en 19de eeuw, in sommige regio’s, is ook het Frans een samenraapsel van tientallen dialecten.
In 1794 volgt het revolutionair verdict. De jacobijnen verbieden alle talen en dialecten gesproken op het grondgebied. De taal van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid klinkt voortaan Frans. Andere talen en dialecten dienen te worden uitgeroeid als laatste uitdrukking van de feodaliteit, en vijand van de opkomende moderniteit.
Dezelfde doctrine wordt ook, samen met de Franse Revolutie, gewapenderhand naar het buitenland geëxporteerd. De weigering om Nederlands te spreken, en de Vlaamshatende houding van linkse, vrijzinnige Franstaligen in dit land vinden hier hun historische wortels en betekenis.
Napoleon, als zoon van de Revolutie, zal de verfransing van zijn administratie verder over heel Europa ontplooien. Als kersverse Franse staatsburger is hij nochtans de perfecte illustratie. Frankrijk veroverde Corsica pas in 1796. Als Corsicaan geboren spreekt Napoleon geen Frans. Hij brabbelt later, aldus tijdgenoten, een geradbraakt Frans met een opvallend Corsicaans-Italiaans accent. Tot groot jolijt van zijn makkers in de kazerne die hem de bijnaam Napoillioné geven.
‘De mensen verstaan vaak het dialect niet van een naburige gemeente.’
75 jaar na de val van Napoleon, rond 1890, is de situatie amper gewijzigd. Frans hoor je spreken in een gebied grofweg tussen het departement van het Noorden en het Centraal Massief, en van de Champagnestreek tot in de Anjou, aan de grens met Bretagne. Dat Franssprekend kerngebied omvat evenwel 12 departementen die slechts dialect spreken. De mensen verstaan vaak het dialect niet van een naburige gemeente.
Buiten dat kerngebied kent een elite in de steden het Frans min of meer gekend. Sommige regio’s zijn voor 90% tot zelfs 100% niet Franssprekend: de Westhoek van Frans-Vlaanderen en enclaves in Vlaams Artezië, de Elzas, het Westen van Bretagne. Dit geldt ook voor 17 departementen in het zuiden: van Frans-Baskenland en Catalonië, tot Occitanië, de Provence en Corsica.
Voeg hier nog de negen departementen aan toe waarvan de helft van de gemeenten niet-Franssprekend zijn, en nog eens 21 andere met enkele niet-Franssprekende gemeenten.
De conclusie blijft verbazen: aan de vooravond van de 20ste eeuw spreekt men in amper 26 Franse departementen Frans. In de overige departementen, de grote meerderheid dus, wordt alleen of deels een andere taal of een dialect gesproken.*
Al is de aanzet brutaal gegeven met de Franse Revolutie, de verfransing kan je niet zo maar decreteren met uitsluitend nieuwe wetten en dictaten. De beginnende schoolplicht en de verplichte militaire dienst zullen een beetje aan deze situatie wijzigen, maar niet diepgaand.
De grote omwenteling komt uit een andere hoek. Het zijn de verplaatsingen op grotere afstanden, mogelijk gemaakt door de trein als nieuw vervoermiddel, die voortaan het verschil maken. Geleidelijk wordt het mogelijk heel Frankrijk snel te doorkruisen.
‘Dit laat het Franse staatsapparaat toe om ambtenaren die de Franse taal beheersen in te zetten als verfransingsmachine’
Dit laat het Franse staatsapparaat toe om ambtenaren die de Franse taal beheersen in te zetten als verfransingsmachine op het hele grondgebied. Prefecten, rechters, militairen, rijkwacht politie, douaniers, maar ook en vooral onderwijzers, leraars en professoren, enz. worden benoemd en ingezet in andere, liefst verre regio’s buiten hun streek van herkomst.
Voor wie denkt dat deze praktijken tot het verleden behoren, geef ik een recent voorbeeld uit 2008. Het gaat om de kluchtfilm van bedenkelijk niveau Bienvenue chez les Ch’tis, Frankrijks grootste kaskraker in de laatste 15 jaar. Het hoofdpersonage, een postbeambte werkzaam in de Provence, krijgt in plaats van een gewenste benoeming aan de Côte d’Azur een tuchtsanctie. Hij wordt gestraft met een overplaatsing naar de ‘mistige, regenachtige, koude’ Frans-Vlaamse stad Bergues ofwel Sint-Winoksbergen. De harde werkelijkheid haalt hier de fictie in.
Over de taaltoestand in Frankrijk trekt Olier Mordrel, de bekende Bretoense voorman, de juiste conclusie: ‘De taalgebieden in Frankrijk bleven in feite relatief stabiel sinds de 10de eeuw. Het is pas in de 20ste eeuw dat, voor de eerste keer in de geschiedenis, de volkstalen werden bedreigd.’
In een volgende bijdrage bespreek ik de administratieve indeling van Frankrijk met de provincies, departementen, regio’s. Een ander wapen om het geheugen van de volkeren in Frankrijk uit te wissen.
*Deze cijfers komen uit Graham Robb, De ontdekking van Frankrijk, Olympus. 2008.
03.07.2020

Lees het artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/wie-is-verantwoordelijk-voor-de-eerste-wereldoorlog/
‘De tijd van de grote debatten over de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog is voorbij,’ schreef de Duitse historicus Oliver Janz in 2013. Niets is minder waar, antwoordt Luc Vanacker, germanist en historicus gespecialiseerd in de Eerste Wereldoorlog. In het boekje Over die oorlog dat onopgemerkt voorbijging tussen het luidruchtig klaroengeschal van de vele publicaties over het eind van de Eerste Wereldoorlog, stelt Vanacker de stoute vraag: is Duitsland alleen verantwoordelijk voor, en schuldig aan Wereldoorlog I?
Luc Vanacker vertelt ons over wat hij noemt het ‘puzzelstukje dat in de meeste ontstaansgeschiedenissen van de Eerste Wereldoorlog ontbreekt’. In januari 1914 vergaderen leden van Jong-Bosnië, Mlada Bosna in het Servisch, in de Occitaanse stad Toulouse. De aanslag op de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins Frans Ferdinand werd dus in Zuid-Frankrijk besproken en voorbereid. ‘Dan al werd de naam Princip naar voor geschoven,’ voegt Vanacker er nog aan toe.
‘doel was alle Serven onder één land te verenigen’
Gavrilo Princip (1894-1918), die de aanslag zou plegen, was lid van de geheime Bosnisch-Servische nationalistische beweging de Zwarte Hand (Servisch: Crna Ruka). Deze samenzwerende groepering, in Toulouse aangeduid om de klus te klaren, was in Servië gekend als ‘zij die Frans spreken’. Haar doel was alle Serven onder één land te verenigen. Zes maanden voor de aanslag in Sarajevo op 28 juni 1914 was de zaak al grondig voorbereid. De Russen zouden voor Belgische wapens zorgen.
Ook de gekozen datum was geen toeval. Op 28 juni vieren de Serviërs een belangrijke feestdag, Vidovdan. Dat is de feestdag van Sveti Vit, een orthodoxe heilige die liever de marteldood stierf dan aan zijn geloof te verzaken.
De nauwe banden tussen Servië en Frankrijk dateren uit de 19de eeuw. Duizenden Franse studenten studeerden voor Wereldoorlog I in Belgrado. ‘Sinds 1911 bestond er een Franse Office central des nationalités dat via de vrijmetselaarsloges contact hield met de radicalen in Servië,’ aldus Luc Vanacker. ‘Servië was het meest francofiele land ter wereld,’ bevestigt de Servische historicus en diplomaat D.T. Batakovic. 75 jaar later, tijdens de Bosnische oorlog in 1992-1995, zullen sommige Fransen nog nadrukkelijk de Servische kant kiezen.
‘Het enige land dat op executie had aangedrongen, was… Frankrijk’
Na de aanslag wilde men af van de laatste getuigen van de Zwarte Hand. In 1917 werd een proces in Thessaloniki gevoerd tegen hun leider, Dragutin T. Dimitrijevic, bijgenaamd Apis. In ruil voor de vrijspraak moest hij de volle verantwoordelijkheid van de aanslag op zich te nemen. Hij deed dat, maar werd alsnog geëxecuteerd. Het enige land dat op executie had aangedrongen, was… Frankrijk. ‘Hebben wij hier te maken met een opdrachtgever die zijn belangrijke uitvoerders het zwijgen wil opleggen,’ vraagt Vanacker.
Luc Vanacker vervolgt: ‘Wie kon het beter weten dan de Serviërs die na de oorlog Poincaré als de aanstichter van de oorlog bestempelden?’ Raymond Poincaré (1860-1934), was de president van de Franse Republiek ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Hij was geboren te Bar-le-Duc in Lotharingen. Samen met de Elzas was Lotharingen door de Duitsers op Frankrijk teruggenomen na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. De haat tegen Duitsland voor het verlies van Elzas en Lotharingen en de revanchegedachte zou Poincaré heel zijn politieke leven kenmerken. Een anekdote die veel zegt over de gevoelens van de man: de hond van Poincaré heette ‘Bismarck’.
Nu Elzas en Lotharingen de beschaving hadden moeten achterlaten voor de barbarij was de hele Franse politiek tussen 1871 en 1918 er op gericht om de herinnering aan het verloren gebied levendig te houden. In alle scholen hing een kaart van Frankrijk, met een blinde vlek voor Elzas-Lotharingen. Alle Franse leerlingen leerden het liedje:
Vous n’aurez pas l’Alsace et la Lorraine,
Et malgré vous nous resterons Français.
Het revanchisme en de herovering van Elzas-Lotharingen was voor elke jonge Fransman een schoolvak op zich. Elke morgen deed de Franse schoolgaande jeugd schietoefeningen op de speelplaats.
Om Elzas-Lotharingen terug te nemen met eigen kracht was Frankrijk te zwak. Poincaré werkte daarom ijverig aan de alliantie met Rusland, traditionele bondgenoot van de Serviërs. Groot-Brittannië, de andere bondgenoot, geloofde in 1914 nog in een defensieve houding van Frankrijk. Enkele decennia later klonk David Lloyd Georges, de Britse premier van toen, helemaal anders. Volgens hem subsidieerde Poincaré de bewapening van Polen en Tsjechoslowakije, moedigde de opstand aan in het Saarland en bestreed elke poging tot versoepeling van de maatregelen tegen Duitsland. Luc Vanacker citeert Lloyd Georges in 1938: ‘Hij (Poincaré) is de ware schepper van het moderne Duitsland met zijn groeiende bewapening en als dit op een nieuw conflict zou uitlopen, dan zal de ramp te wijten zijn aan Poincaré’.
‘leugens en desinformatie van de zomer 1914’
Artikel 231 van het verdrag van Versailles stelt Duitsland alleen verantwoordelijk en dus schuldig voor alle schade wegens het op gang brengen van de oorlog. We weten vandaag de dag dat dit flagrant onjuist is. In een boek dat in 2003 verscheen* heeft de Franse historicus en verzetsstrijder Léon Schirmann het over ‘de leugens en desinformatie van de zomer 1914‘. Niet Oostenrijk-Hongarije, bondgenoot van Duitsland nam het initiatief van de oorlog. Maar wel Rusland, opgehitst door de Franse regering en door een bezoek van Poincaré die Duitsland op twee fronten wilde aanvallen. Luc Vanacker stelt terecht dat het voor Frankrijk in juli 1914 niet meer ging ‘om “defensief patriottisme”, maar om “offensief nationalisme”‘.
De revanchistische politiek van Frankrijk zal heel Europa definitief destabiliseren. Duitsland wordt als grootmacht vernederd, Oostenrijk-Hongarije verdwijnt van de kaart als draaischijf van Europa, en het Ottomaanse rijk wordt ontmanteld. Deze periode ziet ook de overwinning van het communisme, de opkomst van het nazisme, en van Amerika als grootmacht.
De conclusie laat Luc Vanacker aan de non-conformistische Franse schrijver Alfred Fabre Luce (1899-1983): ‘Duitsland en Oostenrijk-Hongarije hebben daden gesteld die de oorlog mogelijk maakten, de Triple Entente heeft die gesteld die hen zeker maakten’. Dat is dan zeer diplomatisch uitgedrukt. Het boek Over die oorlog van Luc Vanacker toont aan dat een ontbrekend stuk van de puzzel Frankrijk heet.
*Léon Schirmann/ Eté 1914: Mensonges et désinformation. Comment on « vend » une guerre/ Italiques, 2003
28.06.2020
En voor de tweede wereldoorlog hetzelfde liedje !

Dr. Jozef Weyns, die ooit het levensverhaal van een eeuweling uit zijn geboortedorp optekende, schreef: “Wie honderd jaren deze wereld heeft kunnen bekijken, vergaarde een berg van herinneringen die merkwaardig zijn. Naar zulk een mens is met gretigheid te luisteren.” Zeker als het iemand is met een sprankelende geest als … Cyriel Moeyaert, die zijn honderdste verjaardag vierde op 23 mei jl.
Uit en boerengeslacht in het West-Vlaamse Langemark geboren, vond Cyriel Moeyaert snel zijn weg. De briljante student, een fynhoofd zegt men in mijn geboortestreek, zou priester worden. Uit zijn interesse voor de Vlaamse ontvoogdingstrijd groeide ook zijn passie voor de Nederlandse taal. Als leraar Nederlands, later diocesaan inspecteur en animator van zogenoemde ABN-kernen. Samen met o.m. prof. dr. Piet Paardekooper schreef hij de bekende Beknopte ABN-spraakkunst.

Zijn eerste kennismaking met Frans-Vlaanderen dateert uit 1961. Mensen ontmoeten, het patrimonium ontdekken, de oude streektaal bestuderen. Het werd een revelatie, vervolgens een levenslange passie. Zestig jaar lang vergaarde Cyriel zo een ware encyclopedische kennis inzake Frans-Vlaanderen.
Ik vroeg hem wat het meest veranderd is in Frans-Vlaanderen in al die jaren:
De taal natuurlijk. Toen kon je nog in bijna alle Frans-Vlaamse gemeenten komen zonder een woord Frans te spreken.
Vandaag maakt zijn vriend Mark Ingelaere beeld- en klankopnames van de laatste sprekers van de streektaal. De honderdjarige noemt de situatie een linguïcide. Maar hij blijft optimistisch. Er zijn nog kleine kernen Vlaamssprekende mensen, die trachten de streektaal door te geven aan de volgende generaties. En het Nederlands wordt meer dan ooit op alle onderwijsniveaus gedoceerd…
Moeyaert verrichtte ontzettend veel veldwerk op zoek naar mensen die de streektaal nog vlot beheersten. Hij noteerde een schat aan woorden die hij later in zijn Frans-Vlaamse woordenboek bijeenbracht.
Hoe een vurige bepleiter van het AN als hij zich kon interesseren voor een bedreigd dialect?
De Frans-Vlaamse streektaal is een schatkamer van het Nederlands. Ze bewaart allerlei middeleeuwse Nederlandse woorden die in het hedendaags Nederlands niet meer bestaan.
Zijn leven lang bezocht hij vele archieven op zoek naar oude Nederlandse teksten en toponiemen, die hij in vele artikelen ontleedde. Een bron van inspiratie voor Euvo, een vereniging rond Karel Appelmans, die al meer dan duizenden Nederlandstalige naamborden op huizen, straten en monumenten in Frans-Vlaanderen heeft aangebracht. Een initiatief dat Moeyaert een warm hart toedraagt.
Naast zijn werk als taalkundige heeft Cyriel Moeyaert een rijke documentatie verzameld: boeken, documenten en foto’s. Ook stukken over zaken die vandaag verdwenen zijn. Wij zijn hem en Frans-Vlaanderen verplicht deze bijzondere verzameling te bewaren voor het nageslacht.
Lees dit artikel ook in het tijdschrift Neerlandia (02/2020), pagina 21
16.06.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/nicolas-bourgeois-een-frans-vlaamse-voorman-om-niet-te-vergeten/
Nicolas Bourgeois (1896-1982) was tijdens zijn leven een Frans-Vlaams voorman en een intellectueel van formaat. Als auteur was hij een niet aflatend criticus van het jakobinisme, dat in Frankrijk (en in België) zo veel schade heeft berokkend.Wido Bourel, eveneens Frans-Vlaming – al woont hij al decennia in de Kempen, schreef een boeiend boek over hem dat steunt op talrijke gedachtewisselingen van de auteur met Nicolas Bourgeois. Daardoor krijgt dit werk een ongewoon levendig karakter.
Hoe kwam je in contact met Nicolas Bourgeois, een man die meer dan een halve eeuw ouder was dan jij?
‘Nicolas Bourgeois was inderdaad al een oude man toen ik hem leerde kennen. Dat moet ergens in 1972 geweest zijn. 76 jaar was hij toen, ik amper 17. Hij had mijn grootvader kunnen zijn en zo voelde ik me, bij hem – als een kleinzoon. Ik heb gewoon bij hem aangebeld en hij ontving me meteen. De gewezen Frans-Vlaamse voorman ontfermde zich graag over onze generatie. Wij waren zijn geestelijke zonen, zei hij, en niets was hem te veel om ons te helpen. Ik nam bij elk van de vele gesprekken die volgden ijverig nota. Die aantekeningen en de correspondentie die we jarenlang voerden, zijn de basis van mijn boek.’
Voorman van de Vlaamse Beweging in Frankrijk, noem je hem terecht. Hoe komt het dat hij aan deze kans van de grens weinig bekend is gebleven?
Via de taal ontdekte hij zijn Vlaamse wortels
‘Hij was een bescheiden man die altijd de schaduw verkoos boven de schijnwerpers. Hij heeft ook een dubbelleven geleid, het ene in de Parijse hogere kringen, het andere in Frans-Vlaanderen. Geboren in Rijsel, verhuisde hij op jonge leeftijd naar Parijs, waar zijn vader dirigent was van het beroemde muziekkorps van de “Garde Républicaine”. Nicolas leerde Nederlands – stel je voor! – als officier bij de Franse zeemacht. Via de taal ontdekte hij zijn Vlaamse wortels. Bourgeois was een leven lang actief voor en in de Vlaamse Beweging in Frankrijk. Tijdens het interbellum was hij onder meer secretaris van de Franse Regionalistische Beweging. Hij behoorde tot de leiding van het Vlaams Verbond van Frankrijk, net als zijn vriend priester Jean-Marie Gantois. Tot op het eind evan zijn leven was Nicolas Bourgeois de veel gevraagde raadsman van de jonge regionalisten in Frankrijk.’
En wat was het ‘andere leven’ van Nicolas Bourgeois in Parijs?
‘Dat begon met studies aan Parijse elitescholen, de Lycée Louis le Grand en daarna aan de École Normale Supérieure, promotie 1916. Hij werd doctor in de politieke en economische wetenschappen met een proefschrift over “Proudhon, le fédéralisme et la paix”, bekroond door de Carnegie-stichting. Daarna werd hij nog doctor in de geschiedenis en doctor in de rechten.’
‘Van 1919 tot 1941 is hij, beroepshalve, “diensthoofd van de voorzitter van de gemeenteraad van Parijs”. In die hoedanigheid schrijft hij de meeste toespraken en teksten van de Parijse gekozenen tijdens het interbellum. Nicolas Bourgeois was een veelzijdig intellectueel en een bekroonde schrijver, een rasechte verteller, maar ook topjurist en briljant historicus. Na Parijs keerde hij terug naar Frans-Vlaanderen. Hij werd er advocaat en weldra stafhouder van de balie van Duinkerke.’
Wat is je bijgebleven? Wat moeten wij van hem onthouden?
‘Afgezien van de vele persoonlijke herinneringen, drie dingen. Ten eerste zijn humoristische, maar bikkelharde kritiek van het centralistische, jakobijnse Frankrijk en van de imperialistische neigingen van de francofonie: “De francofonie wordt alleen door haarzelf bedreigd. Dat ze zich verzorgt en alles zal beter gaan. Ook in Europa”…
Bourgeois was een bevoorrechte getuige van de bloedigste eeuw uit onze Europese geschiedenis
Het jakobinisme noemde hij “het evangelie van de vijf republieken die elkaar opvolgden aan de oevers van de Seine”. De gedachte dat een staat bepaalt wie en wat het volk is, zijn taal en cultuur, was voor hem een ondraaglijke gedachte en – objectief – de bron van onnoemelijk leed in Europa. Vergeet het tijdskader niet, Bourgeois was een bevoorrechte getuige van de bloedigste eeuw uit onze Europese geschiedenis.
België is een “goed” voorbeeld van het verder woekeren van het jakobinisme. Als je een Georges-Louis Bouchez hoort, dan weet je het wel. Na Frankrijk is het jakobijnse gif natuurlijk in Spanje het sterkst beleidsbepalend. De Catalanen ondervinden dat dagelijks.’
Wat is daarop volgens Nicolas Bourgeois het positieve antwoord?
een overtuigde voorstander van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, de anti-jakobijnse gedachte bij uitstek
‘Dat is mijn tweede punt. Nicolas Bourgeois was een overtuigde voorstander van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, de anti-jakobijnse gedachte bij uitstek. Dat zelfbeschikkingsrecht moest ook aan de kwantitatief kleine volkeren worden gegund. Maar om te vermijden dat Europa een krabbenmand zou worden, is er een tegengewicht nodig. Dat was voor hem het federalisme, in casu een federaal Europa. Kleine volkeren zouden anders in de kortste keren weer hapklare brokken worden voor grote, jakobijns geïnspireerde staten. Hij was op dat vlak een voorbeeldig leerling van Alexandre Marc (Frans-Russisch schrijver en filosoof, gangmaker van het federalistische denken – red.) en Denis de Rougemont (Zwitserde denker die ijverde voor een federale orde in Europa – red.). ‘
En ten derde?
‘Combineren is mogelijk en noodzakelijk! Als je een officiële functie bekleedt, in het staatsapparaat, de universiteit, het gerecht e.d., dan kan dat een probleem zijn om uit te komen voor je eigen gedachte. Maar het mag nooit, stelde Nicolas Bourgeois, een excuus zijn om niet mee te werken aan de emancipatie van je eigen volk. Hij had een gloeiende hekel aan de mensen, meestal intellectuelen, die die hem discreet toevertrouwden dat ze met hem “sympathiseerden”, maar “dat ze “gezien hun functie” verder niets konden doen.’
‘Hijzelf was, zowel in zijn Parijse periode, als daarna toen hij stafhouder was in Duinkerke een toonvoorbeeld hoe je je op sluwe en intelligent manier kon engageren. Voor zijn avontuurlijke belevenissen daarbij, moet je mijn boek lezen.’
10.06.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/het-verdriet-van-hongarije/
Trianon is de naam van een gehucht dat zich bevond in de nabijheid van de tuinen van het kasteel van Versailles. Koning Lodewijk XIV liet het opruimen om er een lustpaviljoen te bouwen, le Grand Trianon, Groot Trianon.
In dit Groot Trianon werd 100 jaar geleden, op 4 juni 1920, het verdrag van Trianon gesloten tussen de overwinnaars van Wereldoorlog I en Hongarije. Met één pennentrek verloor Hongarije 71,5 % van zijn territorium en 13 van zijn 21 miljoen inwoners.
De verdragen, bedwongen door de overwinnaars van Wereldoorlog 1, schoven voor de eerste keer de notie ‘schuld’ naar voren. De verliezende partijen, Duitsland en de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije dienden te worden veroordeeld.
Het verdrag van Trianon kwam na het verdrag van Versailles van 28 juni 1919. Een ander verdrag, dat van Saint-Germain-en-Laye, bezegelde de ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk op 10 september dat jaar. De tekst verscheen in het Frans, het Engels, het Italiaans en het Russisch, maar niet in het Duits. Het geeft een idee van de opperste arrogantie van de overwinnaars.
Hongarije verloor twee derde van zijn grondgebied
Het verdrag van Trianon destabiliseerde verder de hele regio: Hongarije verloor twee derde van zijn grondgebied. Dat gebiedsverlies kwam ruwweg overeen met vandaag Slovakije, het gebied van het Oekraïense Transkarpatië, het Roemeense Transsylvanië, het Servische Vojvodina, een deel van Slovenië, Kroatië, en het Oostenrijkse Burgenland.
Charles-Maurice, hertog de Talleyrand, had zijn tijdgenoten reeds gewaarschuwd: ‘Blijf af van het Oostenrijkse Keizerrijk, want het is de vesting van Europa’. Maar deze Franse diplomaat leefde in de 18de eeuw en was in 1920 al lang vergeten.
Voor een keer kwam het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren er aan te pas. Thomas Woodrow Wilson, de president van de Verenigde Staten, legde reeds in januari 1918, in zijn bekende Veertien Punten, de nadruk op het recht op de autonome ontwikkeling van de volkeren in de Dubbelmonarchie en de Balkanstaten. Dat klonk veelbelovend. Maar hierachter schuilde een ander plan. De echte bedoeling was het definitief breken van het grootste machtsblok in Centraal-Europa, de entente Duitsland-Oostenrijk-Hongarije.
Alle partijen in de regio waren al een tijdje bezig om, op papier, nieuwe grenzen in hun voordeel te bedenken. Valse informatie hierover verspreiden was een nationale sport geworden. David Lloyd George, de Britse premier in de periode van het verdrag van Trianon, gaf later onverbloemd toe: ‘Alle documentatie van onze geallieerden tijdens de vredesgesprekken was leugenachtig. De beslissing over Hongarije viel op basis van valse informatie.’
Maar elke vorm van democratische toetsing werd van de tafel geveegd.
De Hongaren hadden nog voorgesteld om een volksraadpleging te organiseren in de gebieden die ze afstaan. Maar elke vorm van democratische toetsing werd van de tafel geveegd. De Hongaarse delegatie, van haar vrijheid beroofd tijdens haar verblijf in Versailles, kreeg de verdeling van het land gewoon als een dictaat voorgelezen.
De gevolgen voor Hongarije waren niet te overzien:
Roemenië kreeg Zevenburgen (Transsylvanië) alsook de Oostelijke helft van het Banaat. Het omvat een gebied van meer dan 103.000 km2 waar, tot vandaag, het grootste aantal etnische Hongaren buiten Hongarije woont.
De nieuwe staat Tsjecho-Slowakije bemachtigde Opper-Hongarije. Dat is het grootste deel van Slowakije, met onder meer Bratislava, een gebied van 61.633 km2. De Hongaarse minderheid is voornamelijk langs de Donau en de grens gevestigd.
Een andere nieuwe staat, opgericht in 1918, het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen annexeerde de streek van Vojvodina. Dat is de westelijke helft van het Banaat, alsook Kroatië maar zonder Dalmatië, in totaal 63.092 km2 met een toegang tot de zee.
Ook Polen kreeg 520 km² Hongaars grondgebied, en Italië de Kroatische stad Rijeka/Fiume (23 km².) Deze werd bezet na een militaire actie geleid door de Italiaanse irredentistische schrijver Gabriele d’Annunzio. Na Wereldoorlog II ging de stad terug naar Kroatië. Tenslotte ging het Duitstalige Burgenland, op de stad Sopron (Ödenburg) na, naar Oostenrijk dat hier niet om gevraagd had.
Alles samengeteld kromp Hongarije ineens van 325.411 km2 tot 93.028 km2.
In totaal kwamen 3,3 miljoen Hongaarse staatsburgers, dat is 30 % van de bevolking van toen, onder vreemde heerschappij terecht. Voeg er nog aan toe dat deze nieuwe situatie aan de basis lag van talloze wandaden, wraakacties en moorden in de betrokken gebieden. Honderdduizenden mensen vluchtten voor het geweld.
Hongarije moest plots verder functioneren met het verlies van vijf van zijn tien grootste steden, 43% van zijn landbouwgronden, 58% van zijn spoorwegnet, en 83% van zijn grondstoffen. Bovenop kreeg Hongarije een boete van jaarlijks van 10 miljoen goudkronen en moest het de helft van de oorlogsschade op zich nemen. Het Hongaarse leger, tenslotte, mocht maximaal nog 35.000 soldaten tellen.
De nieuwe situatie als gevolg van het verdrag van Trianon heeft tot vandaag het lot van Hongarije bepaald. In het interbellum was de voornaamste politieke eis van Hongarije de restitutie van het grondgebied. Het lukte Hongarije nog deels de pijn te verzachten door, in 1939, geweldloos een deel van Tsjecho-Slowakije met een aanzienlijke Hongaarse minderheid, terug te krijgen.
in de betrokken gebieden werden opnieuw wreedheden gepleegd tegen de minderheden.
In 1940 werd het noorden van Zevenburgen van Roemenië teruggenomen. Voor het bondgenootschap hiervoor met Duitsland zal Hongarije opnieuw een zware prijs betalen. Met het verdrag van Parijs in 1947 dwingen de geallieerden af dat de grenzen opnieuw volgens het verdrag van Trianon lopen. De gevolgen kan men zich voorstellen: in de betrokken gebieden werden opnieuw wreedheden gepleegd tegen de minderheden.
100 jaar later kunnen we stellen dat het Verdrag van Trianon heeft bijgedragen tot de verdere destabilisering van Midden-Europa. De gevolgen voor de hele regio, en voor Hongarije in het bijzonder, zijn tot vandaag niet te overzien. Ook voor president Viktor Orban blijft Trianon het verdriet van Hongarije. 4 juni is in Hongarije inmiddels tot ‘Dag van Nationale Cohesie’ uitgeroepen.
Ik beaam de woorden van de Nederlandse filosoof en publicist Paul Cliteur in De Dagelijkse Standaard van 22 mei: ‘Misschien is het überhaupt een goed idee een toontje lager te zingen ten aanzien van Hongarije’.
03.06.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-herontdekking-van-de-heimat/
Nu mensen in coronatijden de geneugten van het thuisleven herontdekken, van een babbeltje met de buren, en van een wandeling in de velden, maken de globalisten zich ongerust. Ik kwam zo een wereldburger tegen, bij ons in het dorp, en liet het woord heimat vallen. De reactie kwam meteen, agressief en venijnig: de heimat, dat is iets achterlijks, stoffigs, ouderwets, gevaarlijk. Kortom, de heimat is verdacht.
Ook marketinggoeroe Fons Van Dyck waarschuwt ons op zijn site voor wat hij noemt de ‘illusie van de Heimat’. Het begrip heimat staat volgens hem voor ‘een drijfveer die mensen fysieke, culturele en mentale grenzen, en zelfs muren, doet optrekken als een ultieme verdedigingslinie tegen een onzichtbare vijand. Het zal een gevaarlijke illusie, met grote gevolgen, blijken te zijn.’
Er loopt een rode draad tussen het coronavirus en de Britten die de EU verlaten, de verkiezing van Trump, en de groei van de ‘eigen volk eerst’-gedachte.
Van Dyck observeert de symptomen van het terugplooien op de heimat al voor de coronacrisis. Marketingwatchers zijn nu eenmaal visionairen. Hij geeft voorbeelden: Groot-Brittannië met de brexit, de Verenigde Staten met ‘Make America great again’. En ook, u raadt het al, de opmars van radicaal-rechts. Er loopt een rode draad tussen het coronavirus en de Britten die de EU verlaten, de verkiezing van Trump, en de groei van de ‘eigen volk eerst’-gedachte. Is er dan toch sprake van kwaad opzet met dat coronavirus?
‘Heimat’ is een Duitse term die zich niet zo maar laat vertalen. Wellicht daarom is hij al een beetje verdacht. In Duitsland werd voor de eerste keer een minister van Heimat benoemd, Horst Seehofer, van de Beierse CSU. Seehofer moest op eieren lopen toen hij de vraag kreeg: ruikt het woord heimat niet naar het Derde Rijk?
Het is de Duits-Joodse filosoof Ernst Bloch (1885-1977) die, met zijn boek Das Prinzip Hoffnung (1959) het naoorlogse startschot gaf voor het opnieuw gebruiken van het concept heimat. De cryptische slotzin van zijn boek luid: ‘Zo ontstaat in de wereld iets dat iedereen in zijn kindertijd zag blinken en waar niemand was: heimat’.
Heimat is recenter de titel van een grafic novel van de Duits-Amerikaanse Nora Krug, Heimat. Terug naar het land van herkomst. Het boek een sprekende ondertitel: terug naar het land van herkomst. ‘Na twaalf jaar Amerika voel ze zich Duitser dan ooit tevoren’, schrijft ze. Krug herontdekte haar heimat tijdens de confronterende zoektocht naar haar familiegeschiedenis, worstelend met de werkelijkheid van het leven tijdens het Derde Rijk. Maar, op zoek naar haar heimat, komt ze toch tot de existentiële vraag: ‘Hoe kun je begrijpen wie je bent als je niet weet waar je vandaan komt?’
Mijn Van Dale geeft als definitie: ‘heimat, land waar men geboren en getogen is’. En een lemma verder, bij heimatgevoel: ‘gevoel van verbondenheid met de streek waar men geboren en getogen is’. Verbondenheid met de geboortestreek of land. Je moet ergens beginnen.
Het Frans woordenboek Le Petit Robert kent het begrip heimat helemaal niet. Maar wel het woord heimatlos met als betekenis, en ik citeer: ‘wie zijn oorspronkelijke identiteit heeft verloren en geen nieuwe identiteit heeft verworven’. Heimat is ongedefinieerd tenzij in verhouding tot de identiteit, of tot het niet kunnen vaststellen van een identiteit. Wat de Fransen voor het begrip heimat wel gebruiken: petite patrie? patrie charnelle? De Franse heimat is vleselijk en op mensenmaat…
De Duitsers van de Brockhaus Encyclopedie weten waarover ze spreken: Heimat is ‘een concept van een denkbeeldige of werkelijk bestaande landstreek of plaats die een sterk gevoel van vertrouwdheid oproept (…). In het dagelijks gebruik verwijst heimat ook naar de plaats, en in bredere zin de landstreek, waar iemand is geboren en waar hij zijn vroegste socialisatie ondergaat, waardoor een groot deel van zijn identiteit, karakter, mentaliteit, mening en wereldbeeld wordt gevormd’.
Dit is dan de poëtische vertaling van het heimatgevoel: ergens een bank, een boom, een straat, de plaats van onze dromen
De eerste en laatste keer dat Monaco het Eurosongfestival won was in 1971, toen nog elk land in zijn eigen taal zong. De Franse zangeres Severine won met de meezinger : ‘On a tous un banc, un arbre, ou une rue où on a laissé nos rêves’. Dit is dan de poëtische vertaling van het heimatgevoel: ergens een bank, een boom, een straat, de plaats van onze dromen die jeugdherinneringen met een vleugje nostalgie oproept.
Auteur en journalist Dirk Kurbjuweit stelt ons in het weekblad Der Spiegel (nr. 15/2012) gerust: het mag ook minder romantisch zijn. Heimat kan ook het beeld zijn van ‘een hoogoven, een fabrieksschoorsteen, een kamer, een smartphone, een patriottisch gevoel, een chatroom, een mens’.
Wij kennen allen een bank, een boom of een plaats die ons aan thuis herinneren. En er is niets mis mee om op deze bank even tot rust te komen. Heimatgevoel heeft te maken met onthaasting, samenhang, veiligheid en erkenning. De kleine gemeenschap beschermt en is geloofwaardig.
De heimatgedachte houdt in dat onze dorpen terug leefbaar worden. Met een bakker, een slager, een groenteboer, een geneesheer, een gemeenschapscentrum en een boekhandel. En klanten die voor basisbehoeften niet zomaar naar de supermarkt hoeven te rijden.
De heimat is maximaal zelfbedruipend, maar zonder te vervallen in protectionisme. Willen wij niet meer afhankelijk zijn van China voor mondmaskers, en van Frankrijk voor elektriciteit, dan moeten wij de maakindustrie en de energie terug naar de heimat brengen.
In dit land met zijn vele ministers ontbreekt nochtans een post: een Vlaamse ministerie van heimat. Er is alvast een waardevolle kandidaat in de persoon van Rik Torfs, die ooit voor deze post solliciteerde. Rik verdient dit ministersambt omdat hij schreef: ‘Een open samenleving staat open voor de heimat. En wie zijn heimat koestert, beseft dat ook anderen er een hebben of verlangen’. Ik heb dit citaat naar marketinggoeroe Fons Van Dyck opgestuurd. Het antwoord laat op zich wachten.
01.06.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/cyriel-moeyaert-honderd-jaar/
Vandaag werd bekendgemaakt dat E.H. Cyriel Moeyaert dit jaar de Orde van de Vlaamse Leeuw krijgt. Morgen wordt hij 100. Een reden voor een portret.
‘Iets weten, en er ook van overtuigd zijn, dat moet men goed van elkaar onderscheiden’, schrijft Ernst Jünger ergens. Als Cyriel Moeyaert over Frans-Vlaanderen vertelt, hang je aan zijn lippen zoals vroeger aan die van je favoriete leraar geschiedenis. Dat komt niet alleen door zijn parate kennis, maar vooral, door de intieme instemming met zijn overtuiging.
Moeyaert is een van de laatste vertegenwoordigers van een generatie Heel-Nederlandse Vlaamsgezinden die, na de Tweede Wereldoorlog, Frans-Vlaanderen met raad en daad steunden. Cyriel Moeyaert houdt kranig stand en viert op 23 mei zijn honderdste verjaardag.
Cyriel Moeyaert is geboren op 23 mei 1920 en groeide op in het West-Vlaamse Langemark, juist na Wereldoorlog I.
Moeyaert: ‘Na de oorlog kochten mijn ouders in Langemark een boerderij, 60 gemeten en drie paarden groot. Ik ben de jongste van tien kinderen, drie meisjes en zeven jongens. In het dorp kreeg onze straat de bijnaam Moeyaertstraat.’
Stel je voor: de Westhoek was toen een grote bouwwerf. Alles moest worden heropgebouwd. Het werk was gigantisch, maar met de mensen kwam ook de hoop terug: ‘Ik heb er een gelukkige en zorgeloze jeugd beleefd. Het leven van een boerenzoon op het ritme van de seizoenen. Weet je, ik heb nog met de paarden gewerkt’
Zijn ouders vertelden familieverhalen uit de tijd van de Nederlanden van Willem I. Maar Vlaamsgezind werd Moeyaert uit eigen inzichten, nog voor zijn collegetijd. Zijn oudere broer, Honoré, lid van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS), gaf hem de nodige inspiratie. En ook enkele Vlaamsgezinde leraren. Moeyaert daarover: ‘Het AKVS was toen al over zijn hoogtepunt heen. Maar ik sympathiseerde en las De Blauwvoet en De Vlaamsche vlagge. Zelf werd ik lid van de KSA, de Katholieke Studentenaktie
Hij is een van de laatste getuigen van de generaties die, in de geest van Rodenbach, in het Kleinseminarie in Roeselare onderwijs hebben gevolgd.
Moeyaert: ‘Ik heb nog de Psalm van Rodenbach, en Groeningeveld van Gezelle op school voorgedragen. Maar dat was op de lagere school. In die jaren groeide ook mijn belangstelling voor de Nederlandse taal, dankzij schitterende leraars.’
In 1933 begon hij aan zijn Grieks-Latijnse humaniora aan het Kleinseminarie in Roeselare. Hij wou priester worden. Na twee jaar filosofie in Roeselare, volgden vier jaar theologie in Brugge. Op 8 april 1945 werd hij er tot priester gewijd.
Cyriel Moeyaert begon zijn loopbaan als priester-leraar. Geert Bourgeois, een oud-leerling van hem, had het op de Nederlandse zender Radio 1 over de beste leraar Nederlands ooit: eigenlijk was elke les van die man een les Nederlands. Hij hamerde telkens opnieuw op het correct gebruik van het Nederlands, hij corrigeerde ons en leerde ons heel veel.

Moeyaert: ‘Dat zijn vleiende woorden, wel een beetje overdreven. Geert was een begaafde leerling. Hij kreeg van mij Latijn, Grieks, godsdienst en Nederlands. In mijn beginnende loopbaan doceerde ik vele vakken, weet je. Ik begon als leraar en eindigde als diocesaan inspecteur. Maar Nederlands bleef, door mijn carrière heen, mijn vak.’
In de eerste jaren van zijn loopbaan gaf Moeyaert les in Izegem. Hij nam er het initiatief om ABN-kernen op te richten. ‘Als ABN-promotor verzamelden we leerlingen die ijverden voor een correcte omgangstaal. Wij organiseerden ABN-weken, ABN-welsprekendheidstornooien, enz. Het was een leuke tijd.
In die periode leerde hij de Nederlandse taalkundige Dr. P. C. Paardekooper (1920-2013) kennen. Ze waren leeftijdsgenoten en Dr. Paardekoper droeg de Vlaamse zaak een warm hart toe. Door zelfstudie bekwaamde Moeyaert zich in het nieuwe ontledingssysteem van Paardekooper. Samen gaven ze in 1963 de Beknopte ABN-spraakkunst uit. Het boek werd een bestseller met elf edities.
Het is dezelfde Paardekooper die Moeyaert bij schrijver André Demedts introduceerde. Zo kwam hij in contact met het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV).
In de zomervakantie van 1961 verkende Cyriel Moeyaert Frans-Vlaanderen uitgebreid met de fiets en per brommer: ‘Het was een ware ontdekking. Mijn vrees dat de streek verfranst was bleek ongegrond. In elke gemeente kon ik in het West-Vlaams terecht.’
Vergeet niet dat de Frans-Vlaamse streektaal een schatkamer van het Nederlands is. Ze bewaart middeleeuwse woorden die in het hedendaags Nederlands niet meer bestaan.
Hoe kon een vurig verdediger van het Algemeen Nederlands als hij zich interesseren voor een dialect, wil ik nog weten: ‘Vergeet niet dat de Frans-Vlaamse streektaal een schatkamer van het Nederlands is. Ze bewaart middeleeuwse woorden die in het hedendaags Nederlands niet meer bestaan.
In de traditie van Guido Gezelle, De Bo en Willem Pee houdt Cyriel van het veldwerk: ‘Ik ben bij de mensen zelf op zoek gegaan naar specifieke woorden en uitdrukkingen. De oogst verzamelde ik in mijn Woordenboek van het Frans-Vlaams.’*
Decennia lang deed Moeyaert veel opzoekingswerk om oude Nederlandstalige teksten terug te vinden en te ontleden. Heel wat documenten werden hem toevertrouwd door Frans-Vlamingen die hun eigen taal niet meer konden lezen. Zijn talrijke studies zijn o.m. te vinden in het jaarboek de Franse Nederlanden.
Tijdens zijn vele tochten heeft Moeyaert duizenden foto’s genomen en vele oude documenten gefotokopieerd. Een verzameling die zeker niet verloren mag gaan.
Ik vraag Cyriel Moeyaert wat het meest veranderd is in Frans-Vlaanderen in al die jaren: ‘De taal natuurlijk. In de jaren 60 kon je nog in bijna alle Frans-Vlaamse gemeenten komen zonder een woord Frans te spreken. Er is in Frans-Vlaanderen en echte linguicide bezig.’
Een bezige bij, zo kan je Cyriel Moeyaert het best typeren. Hij bekleedde bestuursmandaten bij de Vereniging Algemeen Nederlands en het Algemeen Nederlands Congres. Maar opvallend is zijn vijftien jaar lange voorzitterschap van het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV), van 1983 tot 1998.
Moeyaert: ‘Het KFV speelde na de Tweede Wereldoorlog, een leidende rol inzake Frans-Vlaanderen. Ere wie ere toekomt: het is vooral de verdienste van zijn algemeen secretaris, Luc Verbeke (1924-2013).’
De jongere generaties mogen Frans-Vlaanderen niet opgeven, voegt hij er nog aan toe, het werk dient verder gezet.
Zijn mobiliteit is nu beperkt, maar Cyriel Moeyaert gaf tot voor kort het voorbeeld. Vorig jaar hielp hij nog de mis voordragen op de IJzerwake. In december vierde hij zijn 75ste priesterjubileum. En onlangs trakteerde hij ons nog met een typische Moeyaertpublicatie: Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen*. Wij van Doorbraak heffen het glas op de honderdjarige!
*Wido Bourel,Cyriel Moeyaert. In de taaltuin van mijn vaderen, uitgeverij ID, 2015
*Cyriel Moeyaert, Woordenboek van het Frans-Vlaams, Davidsfonds, 2005 en Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen, in eigen beheer, 2019.
22.05.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/waarom-onze-grenzen-niet-zomaar-open-gaan/
De grensbewoners in Frans-Vlaanderen en West-Vlaanderen worden in de steek gelaten en zijn het stilaan beu. Dat geldt ook voor de mensen in de grensstreek met Nederland, zoals onlangs bleek uit de teruggefloten beslissing van de Limburgse provinciegouverneur. Wanneer kunnen zij hun familie, ouders, kinderen terugzien die aan weerskanten van de grens wonen? De pers interesseert enkel de opening van landsgrenzen met het oog op vakantie. Maar wie familie heeft aan de overkant is geen toerist en wordt gewoon vergeten.
Marc van Ranst verwittigde ons in de eerste dagen van de pandemie: België zou dezelfde lockdownagenda krijgen als Frankrijk. Hij herhaalde het bijna dagelijks: ‘De Walen kijken alleen naar de Franse TV’. En dus is de keuze snel gemaakt en wordt de agenda in Parijs bepaald. Zo weten wij wie voor dit land beslist.
Het gaat eigenlijk van kwaad naar erger: Michel heeft zijn Europese carrière aan de Franse president Macron te danken. Hij gedraagt zich als zijn gehoorzame secretaris aan het hoofd van de EU. En zo is het ook met premier Wilmès gegaan. Ze dankt haar blitzcarrière enkel aan de stoelendans met Michel. Macron vindt haar heel bekwaam, hoe zou dat komen? Michel en Wilmès kunnen hun rol van tweederangs waterdragers van de ultraliberale Franse politiek moeilijk verbergen.
Bart de Wever wil, begrijpelijk, dat Vlaanderen economisch zijn treincoupé aan de Duitse trein hangt.
Vlaanderen wordt tegen wil en dank in de tang genomen en meegezogen in het Franse kamp. Bart de Wever wil, begrijpelijk, dat Vlaanderen economisch zijn treincoupé aan de Duitse trein hangt. Los van de financiële situatie, vrees ik dat wij deze trein gaan missen als ik zie hoe dit land, elke dag een beetje meer richting Frankrijk glijdt.
Maar het gaat niet enkel over de Franstaligen. Het valt bijna niet op hoe dikwijls de VRT-journalisten het over lockdown situaties in Frankrijk hebben, bezoek aan illegale vluchtelingenkampen in Kales incluis. Dat laatste valt blijkbaar ook onder het begrip ‘essentiële verplaatsing’. Maar de grensbewoners die snakken naar een beetje bewegingsvrijheid en dagelijks kilometers moeten omrijden om een brood te kopen i.p.v. in de winkel op 100 meter voorbij de grens, is geen onderwerp.
Ik telde vorige week hoe vaak de VRT-nieuwsdienst telkens opnieuw zijn inspiratie in Frankrijk zoekt. Als je vergelijkt met Nederland en Duitsland is dat in een verhouding van één tot drie reportages. Frankrijk als gidsland van België en van de Openbare Omroep?
De inwoners van de Westhoek aan beide kanten noemen de grens ‘de schreve’. Een kromme, kunstmatige stippellijn op een kaart zeg maar. Maar deze dagen gaat het er helemaal anders aan toe en weegt de grens plots heel zwaar.
Niet essentiële verplaatsingen worden beboet, begrijpelijk in tijden van pandemie. Maar wie een overtreding begaat wordt niet in het land van de inbreuk beboet. Hij wordt naar de politiecontrole van het ander land verwezen. De Vlaamse politie beboet dus voor een inbreuk op Frans grondgebied en omgekeerd. Terwijl de brave burger zich er bij neerlegt en betaalt, blijft de vraag hoe legaal dit allemaal is.
Je riskeert ook een astronomische geldboete als je voorbij de grens wandelt naar de winkel aan de overkant van de straat. Men terroriseert hiermee de gewone mens die even buiten komt om proviand in te slaan.
Tot in de kleinste veldwegen werden de doorgangen versperd met containers en betonnen blokken. Alsof de plaatselijke boeren op hun tractors en de schaarse fietsers staatsvijand nummer 1 zijn geworden. Het is niet waar dat mensen zich zo maar voor de lol over de grens bewegen als de meeste winkels gesloten zijn.
Hebben deze zwaargewapende elitekorpsen niets anders te doen dan de stoere jongen spelen in Bachten de Kupe?
Aan de Franse kant heeft men Rambo ingeschakeld om het virus te bestrijden. Al enkele dagen patrouilleren Franse militairen van de antiterrorisme-eenheid Vigipirate aan de grens. Stel je voor: antiterrorisme-acties tussen de grensdorpjes Watou en Winnezele waar zelfs in normale tijd geen kat de grens oversteekt. Waarom zijn deze oorlogstaferelen nodig terwijl de plaatselijke inwoners in hun kot blijven? Hebben deze zwaargewapende elitekorpsen niets anders te doen dan de stoere jongen spelen in Bachten de Kupe? Of wil men Jan Modaal nog meer afschrikken met maatregelen een politiestaat waardig?
Net als in het dorpje Abele aan de schreve kent men aan de Vlaams Nederlandse grens, in Baarle-Hertog en Baarle-Nassau, dezelfde situatie met de hoofdstraat van de gemeente als staatsgrens. Waarom zulke zottigheden nooit gecorrigeerd werden in de loop der eeuwen? Tijdens conflicten en oorlogen leidde deze ‘folklore’ nochtans tot grenzen van prikkeldraden. Met doden en gewonden zoals tijdens Wereldoorlog I. De inwoners hebben geleerd hiermee te leven, hoor je wel eens zeggen. Ze hebben geen andere keuze, maar zulke situaties zijn in coronatijden onleefbaar.
op het moment dat Europa grandioos afwezig blijft
Verbazend is het dat Vlaanderen en Nederland er niet in slagen tijdig initiatieven te nemen in het kader van Benelux om de binnengrenzen sneller te openen. Onbegrijpelijk ook dat de landen van Benelux, op het moment dat Europa grandioos afwezig blijft, niet willen een en dezelfde politiek te voeren inzake economische maatregelen, gezamenlijke sluiting en opening van bedrijven en horeca. Ook minimale solidariteit zou een voorbeeld stellen: elkaar helpen en ondersteunen voor de medische en intensieve zorgen, enz.
Wat was het verschil geweest, hadden wij in Benelux de Nederlandse aanpak toegepast in plaats van de Franse? Men hoeft de statistieken maar te lezen: niet meer zieken; niet meer doden. Maar wel meer bedrijven en winkels die actief bleven, met veel minder economische schade tot gevolg. En, ook meegenomen: minder fake coronanieuws in de pers.
Blijft nog de vraag van één miljoen: waarom werkt de Benelux-aanpak niet meer? Nederland en Vlaanderen zouden er alleen maar voordelen van ondervinden. Het Groothertogdom ook, mits België meedoet. Maar België blijft in deze tragische tijden afwezig omdat Wilmès en Michel de Franse trein richting Parijs hebben genomen. Liever dit bijna failliete land aan Frankrijk verkopen dan afspraken maken met de erfgenamen van Willem I.
19.05.2020
In zijn cyclus over Pasen* stelt de Franse folklorist van Nederlandse oorsprong Arnold van Gennep (1873-1957) vast dat, met Pasen, in Frankrijk, alleen in het Noorden de gewijde twijgen van de busseboom of buxus veelvuldig worden gebruikt. In andere streken in Frankrijk, schrijft hij nog, wordt hiervoor niet de buxus maar de hulst of de laurier, en, in zuiderse landen, ook wel eens de olijfboom benut.
De buxus deelt Vlaanderen en Nederland met Engeland, Schotland, Wallonië en ook West- en Zuid-Duitsland. Binnen dat gebied moet dit boompje ooit inheems zijn geweest.
Buxus, hulst, laurier: het zijn allemaal wintergroene bomen waarvan de twijgen voor onze voorouders stonden als zinnebeeld van levenskracht. Frans van Immerseel* schrijft ook: “het bukshout is tevens zinnebeeld van de hoop. Het ‘semper virens’ blijft altijd groen in winter en zomer en betekent het eeuwig blijvend geloof van een volk”.
(lees verder onder de foto)
De christelijke traditie rond Pasen is allesomvattend. Men zou bijna over het hoofd zien dat ook heel wat oude voorchristelijke lenterituelen en tradities nog verweven zijn met het Paasfeest. Pasen staat in het teken van het ontwaken van de natuur, de overwinning van het licht op de duisternis en van de zomer op de winter. Oostermaand, de in onbruik geraakte aloude naam voor de maand april in onze streken, is een oude voorchristelijke benaming voor deze periode van het jaar: Ostern in het Duits, en Easter in het Engels.
De palmboom van de Christenen en de Joden is echter de echte palmboom of dadelpalm (phoenix dactylifera), boom die veel voorkomt in de Bijbelse landen. Niet te verwarren met ons palmboompje, de buxus of busseboom (buxus sempervirens). De buxus was in de Griekse oudheid gewijd aan Pluto, de god van de onderwereld ; aan Venus, de godin van de liefde ; en aan de Moedergodin Cybele.
Cybele was het symbool van vruchtbaarheid, de kracht in de aarde of in het graan. Als Oermoeder van alle prehistorische godheden draagt ze een sleutel die de poorten van de aarde opent met alle rijkdommen die iedere lente laat ontspruiten. Cybele was de godin van de natuur en van de vegetatie, van de heropstanding van de lente na de dood van de winter.
In Toscane, lang geleden, vervaardigde men fluitjes uit buxushout, speciaal voor religieuze rituelen. Het hout van de buxus is bijzonder vast en duurzaam. Het trotseert zelfs het vuur, wist Plinius de Oudere al in het begin van onze tijdrekening. Het wordt nog steeds gebruikt voor het maken van allerlei muziekinstrumenten als blokfluiten, barokhobo’s en traverso’s. Er werden ook kleine voorwerpen mee vervaardigd, dikwijls met een religieuze of symbolische inslag, zoals gebedsnoten, zetletters, rozenkransen, kruisbeelden, weefspoelen, schaakstukken, enz.
Ook voor de Galliërs was de buxus een magische plant die een belangrijke plaats innam in godsdienstige rituelen. In landen met dominante Germaanse cultuur verwijzen heel wat gewoonten en tradities eveneens naar een oudere verering voor deze boom in de opkomende lente. De gewijde twijgen van de bussenboom verwijzen naar aloude heidense sporen, net als het halen van paaswater, het rapen en eten van paaseieren, het ontsteken van lentevuren zoals het Borellefeest in Dranouter. Vroeger bakte men ook paasbrood en allerlei vormen van koeken en gebak. Bijna overal in de oude Nederlanden werden palmpasens in vele vormen in elkaar geknutseld. Guido Gezelle noemt de palmpaas voor West- en Frans-Vlaanderen “een palmsteert, een lange krulswijs ontspeeld, met bosseboom (busseboom ) en blommen gepint, die op Palme-Zondag meegedaan wordt naar de kerk om aldaar gewijd te worden”.
De twijgen van de bussenboom werden, na wijding in de kerk, benut voor allerlei vormen van bescherming en bijgeloof. Bij ons thuis, en ook bij mijn grootouders, hing overal in elke kamer buxus achter het kruisbeeld. Elk jaar met Pasen werd het vernieuwd.
In de tuin, op de akkers en op elk stuk grond werden buxustwijgen in de grond gestoken. Het was niet de bedoeling, aldus grootvader, dat die twijgen wortel zouden schieten. Ze moesten elk jaar worden vervangen en de nog levende twijgjes van het jaar voordien, uitgetrokken.
Bij mijn grootouders kon je er niet naast kijken: een twijg van de bussenboom hing ook boven de voor – achterdeur van het huis, achter de klok, en ook op zolder. Ik vermoed dat er ook een heel reserve aan gewijde palmtakjes in huis werden bewaard. Want bij zwaar onweer ging grootmoeder wel eens aan in de open voordeur staan, gewapend met een hele bos bussenboomtwijgen in de hand die ze voordien lichtjes had laten aanbranden, schuddend richting de boze hemel en luidop biddend dat men gespaard zou blijven van dunder en van blesmer. En het hielp …
Volgens grootvader moest zo een bussemboomtakje op elke uithoek van de akker. En niet op één uithoek zoals sommigen dat deden. Opvallend was dat grootvader niet rond de akker liep om dit te doen. Hij volgde de lijnen van een X of van een Andrieskruis, diagonaal dus. Waarom moest dat zo? ‘Het was azo’, antwoordde hij, en ik moest verder geen moeilijke vragen stellen. Hij wist niet waarom, maar zo had zijn vader het hem ooit voorgedaan en deze wijsheid was wet.
Je moest er nog vroeg voor opstaan ook want het steken van die twijgen aan de uithoek van de akker moest nuchter gebeuren. Grootvader leerde me ook de neerslag van de dauw in de palm van de hand laten lopen en dan opdrinken. Enkel water van de dauw mocht op een nuchtere maag zei hij.
Pasen, was thuis uiteraard de tijd voor grote schoonmaak. En de kinderen kregen dan de lang beloofde nieuwe kleren.
Op goede vrijdag en ook de dag voordien, op witte donderdag liepen in Kaaster, ons dorp, de misdienaars van huis tot huis en van boerderij tot boerderij om eieren te vragen. Ze draaiden hevig met hun luidruchtige houten ratels. Iemand vertelde me ooit dat ze wellicht ook van buxushout waren gemaakt. Volgens A.P. van Gilst “een uitgesproken vruchtbaarheidsgebruik dat nog in weinig plaatsen bekendheid geniet”*. Als de deur van een huis openging was het om de misdienaars eieren, geen chocolade- maar echte eieren, mee te geven. Ik ben er niet meer zeker van, maar ik denk dat deze eieren later aan de armere gezinnen werden uitgedeeld. Mijn moeder vertelde ons dat de houten ratels ‘het geluid van de klokken, die naar Rome waren gevlogen’ vervingen…
Deze oeroude formules van bijgeloof heb ik nog van mijn ouders en grootouders gehoord:
Brood, gebakken op goede vrijdag, kan niet slecht worden. Een stukje brood werd bewaard om bij ziekte toe te dienen.
Water gewijd op goede vrijdag geneest alle ziektes en werd gebruikt om stervenden te zegenen.
Het drinken van dauwwater op een nuchtere maag heeft een zuiverend, geneeskrachtig effect.
Men moet assen van het vuur aangestoken op goede vrijdag bewaren. Ze beschermen het huis.
Een wichelroede moet men op goede vrijdag snijden.
Een kind geboren op goede vrijdag brengt geluk.
Een kind geboren op goede vrijdag heeft de bijzondere gave mensen te genezen.
Een bussenboomtwijgje op zolder beschermt het huis tegen een blikseminslag. Hangt het boven de deur van het huis dan blijven de boze geesten buiten.
En ook deze weervoorspellingen:
Een natte Goede Week laat de aarde niet in de steek.
De wind die blaast op Palmzondag zal het hele jaar de heersende wind zijn.
In Kaaster heb je ook langs de oude Heerweg een gehucht die de Bussenboom noemt. Het was ook de naam van een plaatselijke aloude herberg. Een bussenboom was vroeger in zowat alle Frans-Vlaamse tuinen aanwezig en beschermde mensen, dieren en planten van onheil. Soms prachtige oude exemplaren deskundig gesnoeid door de tuinman des huizes. Het is niet toevallig dat, sinds de buxusmot zo veel bussenbomen heeft vernield, de wereld stilaan naar de wuppe is.
*Arnold van Gennep, Le folklore de la Flandre et du Hainaut français, 1936.
*A.P. van Gilst, Het Paasfeest in geschiedenis en volksgebruiken, Enschede, 1992.
* Marcel De Cleene en Marie-Claire Lejeune, Compendium van de rituele planten in Europa, 1999.
12.04.2020

In Steenvoorde, in de Poperingestraat, naast huisnummer 14, leidt een onopvallende smalle gang naar enkele kleine huizen achter de huizenrij . Weinige mensen weten dat dit de toegang was tot het vroegere pestkwartier van het stadje…
Op de kaart van Steenvoorde in de Flandria Illustrata van Sanderus kan je het pestkwartier duidelijk waarnemen. Een weg leidt naar een groep afgezonderde huizen, door de tekenaar pesthuysen genaamd. Men telt er elf huizen in u-vorm, opvallend los van elkaar gepositioneerd. In het midden zie je enkele kruisen en de melding pestkerkhoff. De Flandria Ilustrata van Sanderus verscheen in 1641 en dit betekent dat de pest voor onze voorouders nog een realiteit was in de 17de eeuw.
De pesthuizen van toen zijn verdwenen. Maar je kan nog steeds langs deze akelige plaats van herinnering passeren. In mijn jeugd kon je nog voor een van de huidige woningen een steen zien. Hij was met een jaargang gemerkt. Dat jaar, dat ik toen niet noteerde, herinnert wellicht aan het jaar van de bouw van deze pesthuizen en aan de sombere periode van de pest in Steenvoorde. Wie gaat eens kijken of de steen met de jaarmelding er nog ligt?
01.04.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/vlaamse-onafhankelijkheid-willen-kunnen-en-verlangen/
De pasmunt voor de huidige politieke impasse is, eens te meer, de minorisering van de Vlaamse meerderheid. Dat doet me als Frans-Vlaming — en dus als observator — nadenken over de Vlaamse onafhankelijkheid en haar gevolgen.
Als drijfveer voor Vlaamse onafhankelijkheid zie ik momenteel het niet meer functioneren van de Belgische instellingen. Ik mis in Vlaanderen de wil tot natievorming van een meerderheid van het Vlaamse volk. Is de verrotting van het Belgische systeem voldoende om een onafhankelijkheidsscenario tot een succesvol einde te brengen? Is dit een strategie? Ik betwijfel het, en de Vlamingen ontsnappen niet aan drie prangende vragen die ze eerst positief moeten beantwoorden. Willen we het? Kunnen we het? Verlangen we het?
In vergelijking met Vlaanderen vormt Wallonië veel minder een eenheid. Waarom zou de provincie Luxemburg bij het arme Wallonië blijven? De keuze voor het welgestelde Groothertogdom Luxemburg, waarmee het historische banden kan inroepen, is ongetwijfeld een waardevolle mogelijkheid.
Zelfde vraag voor de Oostkantons die in dezelfde richting kunnen denken en/of kunnen teruggaan naar de situatie van vóór 1918 en kiezen voor Duitsland. Blijft dan een romp-Wallonië over dat op termijn onleefbaar is zonder Brussel.
De vanzelfsprekende buitenlandse bondgenoot voor Wallonië is Frankrijk. Als Frans-Vlaming waarschuw ik voor de gevolgen van het verschuiven van de Franse grenzen tot aan het Zoniënwoud. In geval van een fusie van Wallonië met Frankrijk wordt dit nochtans de realiteit. Frankrijk dat voortaan aan de poorten van Brussel begint, met of zonder corridor.
een alternatief met als naam… Nieuw België
Niets nieuw onder de zon: het is voor Vlaanderen van levensbelang om Brussel, hoofdstad van Europa en zetel van grote internationale instellingen, niet — nooit — los te laten. Al spreekt men daar morgen enkel nog Arabisch of Kikongo. Evenmin kan de combinatie WalloBrux door de Vlaamse beugel want het leidt tot een alternatief met als naam… Nieuw België.
Als twee partners, drager van een gemeenschappelijke naam, uit elkaar gaan, stelt zich de vraag: wat met die naam? Het antwoord luidt: de meerderheid van dit land mag de fout niet maken de naam België cadeau te geven aan de tegenpartij. Vlaanderen moet de naam en het ‘merk’ Belgium, België, Belgien, Belgique claimen. De afspraak moet zijn dat deze naam in geen geval nog mag worden gebruikt door de nieuwe entiteiten.
Stel je even voor: een romp-Wallonië gaat verder als nieuwe staat, drager van de naam België of Nieuw België. De Vlaamse diplomatie en onze bedrijven zouden op wereldschaal jaren moeten zwoegen om de schade goed te maken. Terwijl de lachende nieuwe staat met de Belgische pluimen gaat lopen.
Met het Verenigd Koninkrijk in brexitmodus kunnen wij, in Europees verband, op de Britten niet meer rekenen om de Fransen van antwoord te dienen. Met Duitsland blijft het een open vraag hoe soeverein dit land zich zal gedragen als het op een conflictueuze situatie met Frankrijk aankomt. Verder belooft de Europese houding rond de Catalaanse zaak en politieke gevangenen, alsook het koud en warm blazen voor Schotland, niets goeds.
Gelukkig is er nog Nederland met wie Vlaanderen pragmatische afspraken kan maken voor de toekomst. Ik zou dus, samen met de Vlaamse onafhankelijkheid, het confederalisme voorbereiden. Ik bedoel hiermee het confederalisme tussen de nieuwe Vlaamse staat en Nederland. Maar ook voor dit scenario blijven mijn drie vragen overeind. Willen we het? Kunnen we het? Verlangen we het?
15.03.2020

Symboles et traditions
Klik hier voor de Nederlandstalige tekst
Un peu partout dans les anciens Pays-Bas et en Europe on retrouve très tôt des traces de la mesure du temps et des symboles qui s’y rapportent. Le soleil jouait alors un rôle central. Mais il était pour nos lointains ancêtres plus facile de mesurer le temps en observant les phases de la lune. C’est pourquoi ils comptaient les nuits et non pas les jours.
Aux temps les plus anciens, l’année ne comptait que deux saisons, l’été et l’hiver. C’est l’origine de nombreux symboles qui représentent la division de l’année en deux périodes. Cercles et losanges en brique et ancres en fer forgé qui ornent les pignons et les murs des maisons et de leurs dépendances. Si presque plus personne n’en connait aujourd’hui leur véritable signification c’est que ces symboles remontent à la nuit des temps.
Certains signes que l’on retrouve dans l’architecture locale mais aussi sur les monuments funéraires, représentent la position du soleil tout au long du jour et de l’année. La symbolique des quatre saisons qui nous est plus familière est également présente.
La mesure du temps inventarise l’ensemble des signes protecteurs sur les maisons de Flandre. Les nombreuses illustrations sont de la main de l’auteur.

L’histoire de la langue des Flamands en France et ailleurs
Klik hier voor de Nederlandstalige tekst
Cette histoire bilingue (français-néerlandais) de la langue des Flamands remonte aux origines du flamand occidental tel qu’il est encore parlé en Flandre française. Le flamand et sa langue culturelle le néerlandais sont issus en ligne directe du francique, langue germanique des fondateurs du royaume des Francs et qui fut parlé jusqu’aux portes de Paris. En point de repère, à cette époque, la génèse de ce qui allait devenir la langue française ne faisait que s’amorcer.
Aujourd’hui le flamand occidental n’est plus guère parlé que par quelques milliers de Flamands de France. Sa disparition sur le territoire français est imminente. L’auteur retrace l’histoire de ce linguicide, conséquence de siècles de centralisation jacobine et de nivellement culturel. Refusant cette perte d’identité il plaide en faveur de la promotion du néerlandais, langue culturelle du dialecte flamand occidental parlée par près de 25 millions d’Européens.
Ce livre s’adresse à tous les Flamands de France qui s’intéressent à la langue qui fut parlée par leurs parents. Il intéressera également tous les germanistes, ainsi que celles et ceux qui se passionnent pour les langues et les cultures minoritaires de l’Hexagone.

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/de-eer-van-frans-vlaanderen/
Een nieuw boek over de leider van de Vlaamse beweging in Frankrijk, Jean-Marie Gantois, noopt tot een gesprek over biografie én gebiografeerde. Frans-Vlaming Wido Bourel laat zijn licht schijnen over de nieuwe biografie.
Jean-Marie Gantois, dat is toch dezelfde als l’abbé Gantois?
‘Jazeker, hij werd priester gewijd in 1931 en studeerde letteren en wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit van Rijsel. Hij was toen al voor de Franse autoriteiten, de kerkelijke en de politieke, geen onbeschreven blad. In 1924, op zijn 20ste, trok hij al de aandacht als medestichter en eerste voorzitter van het Vlaamsch Verbond van Frankrijk (VVF), waarvan hij de bezieler bleef tot in 1944. Hij was ook van 1929 tot 1944 hoofdredacteur van zowel De Torrewachter als van Le Lion de Flandre. Deze twee bladen en het VVF waren de motor van de Vlaamse beweging in Frans-Vlaanderen. Met Gantois aan het stuur.’
Wat brengt ons het boek van Eric Vanneufville? Wie is die auteur?
‘Eric Vanneufville (°1950) is een zeer verdienstelijke Frans-Vlaamse historicus met een twintigtal werken op zijn naam die allemaal betrekking hebben op Vlaanderen en het Nederlands. Zijn bekendste is Histoire de Flandre. Le point de vue flamand, uit 2016, dat al aan zijn derde uitgave toe is.[1] Ik bewonder het historische werk van Eric Vanneufville, maar in alle vriendschap moet ik toegeven dat zijn benadering van Gantois niet helemaal de mijne is.’
Had Gantois een oorlogsverleden?
In het VVF vond men zowel Frans-Vlamingen die in het verzet stonden en andere die collaboreerden met de Duitsers
‘Uiteraard, aangezien hij in 1904 geboren is… Of hij heeft gecollaboreerd, bedoel je? In 1940, bij begin van de Tweede Wereldoorlog, werd het VVF door de Franse overheid verboden, gewoon omdat het ‘verdacht’ was. Gantois legde zich daar niet bij neer en bracht in 1941, tijdens de bezetting, het VVF weer op gang. Gantois beperkte deze activiteiten in Frans-Vlaanderen tot het culturele domein. Werven voor het Oostfront, zoals andere Vlaamse priesters werd aangewreven, was er bij Gantois nooit bij. In het VVF vond men zowel Frans-Vlamingen die in het verzet stonden en andere die collaboreerden met de Duitsers. Daarover mis ik bij Vanneufville nuances en aanvullende informatie.’
Werd Gantois na de oorlog veroordeeld?
tot vijf jaar cel veroordeeld, niet wegens collaboratie, maar wegens… separatisme
‘Hij werd aangehouden samen met andere leidende figuren van het VVF. Na een onwaarschijnlijk leugenachtige en hysterische perscampagne tegen Gantois eiste de aanklager op zijn proces niet minder dan de doodstraf. Uiteindelijk werd hij tot vijf jaar cel veroordeeld, niet wegens collaboratie, maar wegens… separatisme. Al in 1948 kwam hij weer vrij en in 1952 kreeg Gantois zelfs amnestie.
Hierover had Vanneufville nieuwe elementen kunnen aanbrengen. Bijvoorbeeld over de interventies van Gantois bij de Duitse autoriteiten om Frans-Vlamingen te redden van vervolging of deportatie, over de tegenstand die Gantois ondervond van Duitse officieren en over andere Duitse gezagdragers die hem tegemoetkomend behandelden en banden bleken te hebben met de verzetsbeweging in Duitsland zelf. Iedereen die een beetje te goeder trouw was, wist dat Gantois geen nazi was. Dat onderstreept ook Vanneufville.’
Nu was Gantois geen gewone ‘taalstrijder’, maar een overtuigde Heel-Nederlander, niet?
‘Zeer zeker. Dat wordt verwoord door zijn vroeger zeer bekende versregels:
Ik ben geen Frans-Vlaming.
Ik ben geen Zuid-Vlaming.
Ik ben geen Groot-Nederlander.
Ik ben Nederlander.’
Hoe stond de kerkelijke overheid tegenover Gantois en zijn Vlaamse activiteiten?
‘Daarover had Vanneufville duidelijker mogen zijn. Op vele plaatsen, tot in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging toe, leest men dat Gantois in 1940 uit zijn ambt werd ontzet. Dat is gewoon onwaar! In samenspraak met de aartsbisschop van Rijsel, de latere kardinaal Achille Liénart (1884-1973), nam Gantois in 1940 officieel ‘verlof’ uit zijn functie van vicaris. Liénart, zelf ook een Frans-Vlaming, was een sociaalvoelend man, bijgenaamd de rode kardinaal, die het op menselijk vlak goed kon vinden met Gantois, volgens hem ‘een goede priester’. Op diens proces liet hij zelfs een brief voorlezen, waarin hij een ethische evaluatie van Gantois presenteerde en de onwaarheden verspreid door de pers formeel tegensprak. Zo werd Gantois daarna nog studentenpastoor in Rijsel.’
Was Gantois daarna nog actief in de Vlaamse Beweging?
Zelfs in Nederland besloot men alle bezwaren tegen Gantois te laten varen
‘Zeer zeker. Hij stichtte de Vlaamse Vrienden in Frankrijk (met het bekende acroniem VVF…) in 1958 en leidde ook het tijdschrift Notre Flandre. Zelfs in Nederland besloot men alle bezwaren tegen Gantois te laten varen. Vergeet niet dat Gantois in 1925 al lid was van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) als vertegenwoordiger van Frans-Vlaanderen. In 1962 werd hem het lidmaatschap aangeboden van de eerbiedwaardige Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden, opgericht anno 1766.
Jean-Marie Gantois zou niet lang meer leven. Op 28 mei 1968, tijdens de woelige dagen van mei ‘68, vond men zijn ontzielde lichaam in de rivier de Aa, in zijn geboortedorp Waten. Zijn overlijden is nooit opgehelderd.’
Wat is je conclusie over het boek van Eric Vanneufville?
een onvermoeibare strijder tegen het Franse jakobinisme
‘Laat me eerst nog zegen dat het lange slotkapittel van dit boek veel goedmaakt. Het is geschreven door de uitgever van het werk, Yoran, die trots tekent als ‘uitgever en Bretoens nationalist’. Hij stelt Gantois correct voor als een onvermoeibare strijder tegen het Franse jakobinisme, een oorlogszuchtig staatsnationalisme waaronder heel Europa heeft geleden.
Eric Vanneufville heeft zeker de verdienste opnieuw een aantal stukken van het boeiende, Vlaamse leven van Gantois te voorschijn te hebben gehaald. De definitieve biografie van Jean-Marie Gantois moet echter nog worden geschreven. De eer van Frans-Vlaanderen moet worden gered.’
_____
[1] Eric Vanneufville, Histoire de Flandre. Le point de vue flamand, Yoran Embanner, F-29170 Fouesnant. Derde uitgave, 2016, 432 blz., € 12,-
15.02.2020

Lees dit artikel ook op De Lage Landen: https://www.de-lage-landen.com/article/nicolas-bourgeois-en-wido-bourel-in-het-olmkasteel-in-hazebroek
Nicolas Bourgeois was tijdens het interbellum en de oorlogsjaren één van de belangrijkste figuren uit het Frans-Vlaamse regionalisme. Wido Bourel had in zijn jeugd verschillende gesprekken met hem en schreef die nu neer in een nieuwe boek.
Wido Bourel maakte zich vroeger al verdienstelijk met meerdere publicaties over Frans-Vlaanderen. Zijn nieuwste boek, met de suggestieve ondertitel Confidenties in het Olmkasteel, de woning in Hazebroek waar Nicolas Bourgeois (1896-1982) de laatste jaren van zijn leven verbleef, bevat enkele gesprekken met deze Frans-Vlaamse voorman. Die draaiden uiteraard voor het grootste deel rond deze figuur zelf, maar deels ook rond Jean-Marie Gantois. Beiden heb ik een keer ontmoet en de herinnering die ik hieraan bewaar, blijft levendig. Mijn interesse om dit boek te lezen was dus groot.

De letterlijke en vertaalde weergave van de gesprekken leest niet vlot. De steeds weer herhaalde aanspreektitels “Nicolaas” en “jongeman” zijn zelfs irritant. Het is eveneens een minpunt dat de auteur de data van zijn gesprekken niet heeft genoteerd. Toch werd heel wat informatie opgetekend en weefde Bourel een chronologische draad door de gesprekken. Die belichten diverse aspecten van het leven van Bourgeois vanaf het einde van de negentiende eeuw tot aan zijn dood in 1982. Zo komen o.a. zijn geboorte in Rijsel aan bod en de militaire carrière van zijn vader die de familie in Parijs bracht; de Eerste Wereldoorlog en zijn studies aan de eliteschool École Normale Supérieure, met inherent hieraan het netwerk dat hij uitbouwde; zijn eerste publicaties; zijn beroepsactiviteiten op het secretariaat van het voorzitterschap van de stad Parijs; federalisme en regionalisme na de Eerste Wereldoorlog; kennissen en vrienden, waaronder vooral Jean-Marie Gantois; het Vlaams Verbond van Frankrijk (V.V.F.); de jaren dertig; de Tweede Wereldoorlog en de beschuldigingen van collaboratie; en tot slot, overpeinzingen voor de toekomst…
Ieder hoofdstuk wordt voorafgegaan door een rubriek onder de titel “De tijd van toen”, waarin een aantal feiten worden aangehaald uit de behandelde periode. De keuze van die feiten is subjectief en onvolledig, maar allicht het resultaat van items die tijdens de gesprekken aan bod kwamen.

Wie was Nicolas Bourgeois? Eerlijk gezegd, na lectuur van het boek is het me nog altijd niet duidelijk. In een van de gesprekken zegt Bourgeois zelf: “Ik ben geen exhibitionist. En het ligt niet in de natuur van de Vlaming om zich bloot te geven”. Door de onzorgvuldige manier waarmee hij met zijn archief omging, het maximaal gebruik maken van schuilnamen die hij vergat of niet prijs wilde geven enz., heeft Bourgeois het toekomstige historici niet gemakkelijk gemaakt. We mogen daarom Wido Bourel dankbaar zijn dat hij de confidenties die hij in het Olmkasteel te horen kreeg te boek stelde. De auteur had zeker niet de bedoeling om een wetenschappelijke biografie te schrijven, maar de gesprekken kunnen hiervoor de basis vormen.
Er valt geen enkel woord van kritiek te onderkennen aan het adres van Jean-Marie Gantois
Laat me toch enkele overpeinzingen maken na lectuur van het boek:
– Nicolas Bourgeois blijft voor mij op de eerste plaats een zeer scherpe intellectueel en publicist naar Frans model. Zijn historische “inzichten” zijn soms gekleurd en niet altijd correct. Zijn afkomst heeft hem in staat gesteld op een hoog en elitair niveau onderwijs te volgen. Daar heeft hij een netwerk opgebouwd waar hij gretig gebruik van maakte, ook in benarde omstandigheden (zoals de beschuldiging van collaboratie);
Dit zijn uiteraard persoonlijke overpeinzingen en ze doen niets af van de waarde van het boek. Integendeel, dat een publicatie dergelijke kritische overwegingen oproept, bewijst alleen maar haar nut.
Wat me uiteindelijk het meest heeft getroffen zijn de “Overpeinzingen voor de 21ste eeuw”. Nicolas Bourgeois, overleden in 1982, sprak hierin profetische woorden over de Europese grenzen, de migratieproblematiek, de problemen rond het milieu, de overbevolking enz. Een verrassend slot aan een nuttig werk.
Wido BOUREL, Nicolas Bourgeois en Frans-Vlaanderen.Confidenties in het Olmkasteel, uitgeverij iD, Bouwel, 2020, 185 p.
03.02.2020
| 1 | februari | 1838 | Geboorte in Antwerpen van Edward Coremans, de “vader van de taalwetgeving”. Coremans studeerde klassieke filologie in Luik en rechten aan de Université Libre de Bruxelles. Hij was voorzitter van de invloedrijke Nederduitsche Bond. Als volksvertegenwoordiger van de Meetingpartij was Coremans de eerste die in het Belgische parlement een rede in het Nederlands uitsprak. Dat was in 1868, 38 jaar na de oprichting van België… |
| 1 | februari | 1953 | De allesverwoestende overstromingsramp vindt in Nederland plaats. Vooral Zeeland werd zwaar getroffen. Meer dan 2000 ha en 133 dorpen worden overstroomd. Men telt 1835 doden en meer dan 100.000 mensen moeten vluchten voor het onheil. De solidariteit is groot en ook Franse soldaten worden uitgestuurd om hulp te bieden. Tussen hen ook enkele Frans-Vlamingen. Jacques Boddaert uit Kaaster is er een van. De omvang van de ramp heeft op de zeer jonge soldaat die hij toen was diepe indruk gemaakt. Hij is terecht heel fier op de oorkonde die hij van de Nederlandse regering ontving en goed heeft bewaard. De Nederlandse tekst luidt:Als uiting van onze bijzondere dank en waardering voor de krachtige medewerking en onver- droten ijver, betoond bij de hulpverlening, tijdens de watersnood van februari 1953 |
| 2 | februari | Lichtmis. Deze dag was vroeger een dag van gastvrijheid. In het zuiden van Vlaanderen was het de traditie, bij het licht van de grote lichtmiskaars, om pannenkoeken, wafels en vlaaien te eten. | |
| 2 | februari | 1649 | “Soo veel daeghen als den leeuwerick voor Vrouwe Lichtmis singht, swijght hij daer nae”. |
| 2 | februari | 1814 | De Franse troepen ontruimen Brussel, waarmee een einde komt aan twintig jaar bezetting. Hiermee wordt een aanloop genomen naar de hereniging van de Nederlanden, die een jaar later zal worden gerealiseerd onder koning Willem I. |
| 2 | februari | 1973 | Overlijden in Ukkel van Hendrik Elias, historicus en politicus. Vlaams-nationaal volksvertegenwoordiger voor Gent-Eeklo vanaf 1932. Leider van het Vlaams-Nationaal Verbond (VNV) na de dood van Staf De Clercq in 1942. Als historicus auteur van o.m. Geschiedenis van de Vlaamse gedachte in vier delen, die het tijdperk 1780-1914 bestrijkt, en van 25 jaar Vlaamse Beweging 1914/1939, eveneens in vier delen, voor de daaropvolgende periode. |
| 3 | februari | 1325 | Bij een gevecht tussen ridders en Vlaamse milities onder leiding van Seger Janssone worden nabij Gistel de ridders verslagen. |
| 3 | februari | 1909 | Geboorte in Parijs van Simone Weil, arbeidster, anarchiste, vrijwilligster tijdens de Spaanse Burgeroorlog, maar ook mystica en filosofe, auteur van o.m. het boek “L’Enracinement“. |
| 3 | februari | 1922 | Overlijden in Dewetsdorp nabij Klipfontein van Christiaan de Wet, Zuid-Afrikaans vrijheidsstrijder tegen de Engelsen, Boerengeneraal tijdens de Tweede Vrijheidsoorlog (1899-1902) en politicus. De Wet dankt zijn grote populariteit aan zijn onverzettelijkheid, zijn enorme inzet en aan de guerillataktiek die hij introduceerde tegenover de Britse overmacht. Zijn begrafenis, aan de voet van het Vrouwenmonument trekt 40.000 aanwezigen. De familie Kröller-Müller laat in Nederland ter nagedachtenis een groot standbeeld oprichten, in wat nu het nationale park De Hoge Veluwe heet. Talrijke straten worden naar hem genoemd, waaronder niet minder dan 35 in Nederland en één in Vlaanderen, de Generaal de Wetstraat in Borgerhout (Antwerpen). In de literatuur inspireert hij o.m. Cyriel Verschaeve tot een machtig gedicht. Het meest bekende is echter dat van Jan F.E. Celliers: Generaal De Wet Stil, broers, daar gaan ’n man verby, hy groet, en dis verlaas. Daar’s nog maar één soos hy; bekyk hom goed. Die oog, nou dof en weggesink, soos vuurvonk kon hy blink – die arendsblik, die kakie- en renegateskrik. Die stap en kraggebaar is nou bedaar. Is dit jul leier nog, per’ ruiterskaar? Gewis! en soos hy ons s’n was en is. Al is die oog verswak, hy kyk nog fier omhoog in jou soos in sy God se oog. Al stap hy kromgeknak en afdraans af, al klop die hart al flou: soos altyd is nog nou elk stap en hartslag trou tot in sy graf. En hierdie pure man jou kind, Suid-Afrika! Wat vrees ons dan? Geseën sal wees die grond, die bloed, die vlees wat sulke vrugte dra. In ons De Wet se gees voortwaarts, Suid-Afrika! Dit gedicht is in Zuid-Afrika enorm populair gebleven en vertaald in vele talen. In de Xhosa-versie werd het voorgedragen bij de officiële herdenkingsplechtigheid voor Walter Sisulu (1912-2003), een Zuid-Afrikaans anti-apartheidsactivist en leider van het ANC. |
| 3 | februari | 1935 | Overlijden in Montpellier van de grote plantkundige Charles Flahault. Hij werd geboren in Belle (Frans-Vlaanderen) op 3 oktober 1852. Flahault onderneemt talrijke wetenschappelijke reizen in Scandinavië, Duitsland, Benelux, Spanje, Corsica, Tunesië enz. Hij wordt professor botanica aan de universiteit van Montpellier en is een voorloper van de ecologie: al op het einde van de 19de eeuw voorziet hij de dreigende ontbossing en brengt de eerste maatregelen op gang om die tegen te gaan. |
| 3 | februari | 1958 | Ondertekening van het verdrag voor de oprichting van een economische unie tussen de landen van Benelux, als uitbreiding van het bestaande Benelux-verdrag uit 1944. |
| 4 | februari | Op Sint-Veroontje Verplant uw boomtje . | |
| 4 | februari | 1468 | Hertog Karel de Stoute gaat een militair bondgenootschap aan met de Engelse koning Edward IV tegen de Franse koning, wiens macht hij wil breken. Een half jaar later trouwt Karel in Damme met Margaretha van York, de zus van Edward IV. |
| 4 | februari | 1617 | In Leiden begrafenis van Lodewijk Elsevier, geboren in Leuven in 1540, en hoofd van een beroemde familie van boekdrukkers en boekhandelaars. |
| 4 | februari | 1896 | Overlijden in Parijs van Lodewijk de Baecker, auteur van verschillende boeken over de oude Dietse letterkunde : Les Flamands de France en La langue des Flamands de France. Hij schreef ook het merkwaardige werk De la religion dans le Nord de la France avant le christianisme. De digitale versie hiervan is vrij toegankelijk op Google Books. De Baecker, geboren in Sint-Omaars (Frans-Vlaanderen) als zoon van een drukker uit Hazebroek, was rechter in Sint-Winoksbergen. Hij werd een van de meest strijdvaardige, Nederlandsgezinde oprichters van het Comité flamand de France (1853), waarvan hij de eerste ondervoorzitter was. |
| 4 | februari | 1945 | Commandant Edmond Marin la Meslée, bijgenaamd “le Guynemer de la Seconde Guerre Mondiale” wordt in de Elzas neergeschoten tijdens een luchtgevecht. Hij telde twintig erkende overwinningen. Hij werd geboren op 5 februari 1912 in Valencijn (Frans-Vlaanderen) en overleed dus op de vooravond van zijn drieëndertigste verjaardag. De luchtmachtbasis nr. 112 van Reims-Champagne draagt zijn naam. |
| 5 | februari | 1519 | Geboorte in Breda van René van Chalon, de eerste Nassau die zich Prins van Oranje mocht noemen. Van zijn oom Filibert erfde René in 1538 het onafhankelijke vorstendom Orange, een stadje in de Zuid-Franse Vaucluse, ten noorden van Avignon. Ook het devies van René, Je maintiendrai Chalon, nam Willem de Zwijger over. Het werd Je maintiendrai Nassau. Hiervan is de Nederlandse wapenspreuk afkomstig. |
| 5 | februari | 1552 | Overlijden in Brugge van Jacob de Meyere, door de secretaris van Keizer Karel V ooit omschreven als de “vader van de Vlaamse geschiedschijving”. De schrijver van Flandricarum Rerum tomi decem, een befaamde, tiendelige geschiedenis van Vlaanderen, was in het Frans-Vlaamse Vleteren geboren. Een gedenkplaat in de kerk van Vleteren herinnerde er nog aan. |
| 5 | februari | 1591 | In Antwerpen overlijden van de cartograaf Gerard de Jode. Hij was uit Nijmegen afkomstig en maakte verschillende kaarten van de XVII Provinciën. |
| 5 | februari | 1600 | In Rijsel, Blijde Intrede van de aartshertogen Albrecht en Isabella, zogenaamd “soevereinen” van de Zuidelijke Nederlanden, maar eigenlijk vertegenwoordigers van de Spaanse bezetter. |
| 5 | februari | 1679 | Overlijden te Amsterdam van Joost van den Vondel, sinds eeuwen geëerd als de grootste Nederlandstalige auteur. Hij wordt te Keulen geboren (1587) uit Antwerpse ouders die twee jaar voordien de Scheldestad waren ontvlucht voor de Spaanse bezetter en de inquisitie. In Amsterdam wordt Vondel lid van de Brabantse rederijkerskamer Het Wit Lavendel. Hij schrijft 26 toneelstukken, honderden gedichten en een merkwaardig literaire verhandeling Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (1650). In 1620 wint Vondel een dichtwedstrijd met het kortste Nederlandstalig gedicht ooit, en wellicht het kortste gedicht ter wereld:U Nu!Hij overleed op 91-jarige leeftijd. Als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:Hier leit Vondel zonder rouw, Hy is gestorven van de kou.Straten en pleinen werden naar hem genoemd, het Vondelpark in Amsterdam, de Joost van den Vondelprijs van de Universiteit van Münster, en we vinden zijn portret terug op Nederlandse postzegels en bankbiljetten. |
| 5 | februari | 1967 | Overlijden in Beersel van Herman Teirlinck, schrijver van bekende romans zoals Het gevecht met de engel. Hij speelde ook een belangrijke rol in de toneelvernieuwing in Vlaanderen, o.m. met de naar hem genoemde Studio Herman Teirlinck (1946), een opleidingsinstituut voor toneelspelers en kleinkunstenaars. |
| 6 | februari | 1737 | Willem de Brouwer, uit Oostende afkomstig, verlaat de haven van de Deense hoofdstad Kopenhagen aan boord van de “Schleswig”, een schip van de Koninklijke Deense Aziatische Compagnie, en zet koers naar China. De KDAC zal van 1743 tot 1773 onafgebroken onder Nederlandse leiding staan: eerst Joost van Hemert, dan Peter van Hurk en tenslotte Gysbert Behagen. |
| 6 | februari | 1838 | Moord op de Zuid-Afrikaanse voorman Piet Retief, leider van de Grote Trek. Onder zijn leiding onttrekken de Nederlandstalige boeren van Zuid-Afrika zich aan het Britse koloniale bewind en verhuizen met hun ossenwagens moeizaam naar het oosten en noorden waar ze boerenrepublieken Transvaal en Oranje-Vrijstaat stichten. Na de ondertekening van een verdrag met Retief biedt de Zoeloekoning Dingaan hem en zijn groep voortrekkers een groot feest aan, waarna hij Piet Retief samen met zeventig van zijn Boeren en meer dan dertig negerbedienden laat afslachten op de heuvel Kwa Matiwane. Later neemt een leger van Boeren wraak in de Slag bij Bloedrivier (16 december 1838). Ze vinden de stoffelijke resten van Retief en zijn groep terug en begraven ze. Het door Dingaan getekende verdrag zat nog in Retiefs portefeuille. |
| 6 | februari | 1896 | Het snoeien doet bloeien (Guido Gezelle). |
| 7 | februari | 1831 | Het Nationaal Congres kondigt de Belgische grondwet af. Deze stoelt op de principes van de Franse Revolutie en is ook duidelijk niet voor de Vlamingen bedoeld: het zal tot 1967 duren voor er een rechtsgeldige Nederlandstalige versie van komt … |
| 7 | februari | 1992 | Ondertekening van het verdrag van Maastricht. De EEG wordt Europese Unie. |
| 8 | februari | 1635 | De Verenigde Provinciën sluiten met Richelieu een schandelijk verdrag waardoor aan Frankrijk hulp wordt toegezegd bij het inlijven van Artesië, Vlaanderen, het Kamerijkse en Henegouwen. Bij deze gelegenheid reiken Frans imperialisme en “Hollandse” zelfgenoegzaamheid elkaar de hand. |
| 8 | februari | 1741 | Geboorte in Luik van de beroemde componist André Grétry. Hij schreef 66 opera’s. Na zijn begrafenis op het Parijse kerkhof Père-Lachaise, wordt zijn hart, in uitvoering van zijn laatste wilsbeschikking, overgebracht naar zijn geboortestad Luik waar het thans rust onder het Grétrystandbeeld voor de Luikse opera. |
| 8 | februari | 1922 | In Frans-Vlaanderen oprichting van de Jeunesses Régionalistes du Nord de la France o.l.v. Achille Glorieux en Henry-Louis Dubly. |
| 8 | februari | 1942 | Overlijden in Zegerskappel (Frans-Vlaanderen) van Justin Blanckaert , voorzitter van het Vlaams Verbond van Frankrijk. Op z’n graf ligt een plaat met opschrift “Hier rust een Vlaming”. |
| 9 | februari | 1820 | Koning Willem I laat te Seraing de eerste bij ons gebouwde stoomboot te water. |
| 9 | februari | 1887 | Geboorte in Hulshout van Prof. Dr.Vital Celen, germanist en professor Nederlandse letterkunde, vriend van Jean-Marie Gantois en van de dichter Emmanuel Looten, vurige verdediger van de Frans-Vlaamse zaak in Vlaanderen. Hij schreef: Frans-Vlaanderen, letterkundige betrekkingen met Vlaanderen, herleving van het nationaliteitsgevoel; Het Nederlands te Duinkerke door de eeuwen heen. |
| 9 | februari | 1896 | Geboorte in Antwerpen van de Vlaamse expressionistische dichter en prozaschrijver Paul van Ostaijen. In 1917 werd hij veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens het uitfluiten van de franskiljonse kardinaal Mercier. |
| 10 | februari | 1583 | Een verordening van koning Filips II beveelt overal in de Nederlanden ineens over te gaan van 10 op 21 februari, om, in het kader van het invoeren van de Gregoriaanse kalender, het verschil tussen het zonnejaar en het kalenderjaar weg te werken. |
| 10 | februari | 1679 | De portretschilder André Vaillant, vijfde van de gebroeders Vaillant, een beroemde familie schilders en etsers uit Rijsel, wordt benoemd tot “burger” van de stad Amsterdam. Hij overlijdt in 1693 in Berlijn. |
| 10 | februari | 1724 | De Oostendse Compagnie zendt haar eerste vier schepen uit, twee naar China, een naar Bengalen en een naar Mokka. De zetel van de Compagnie wordt gevestigd in de beurs van Antwerpen, waaruit twee derden van het kapitaal afkomstig is. De veilingen van de aangevoerde goederen worden te Oostende en Brugge gehouden. Het enorme succes van de Oostendse Compagnie wekt de naijver op van de grote mogendheden die haar al in 1731 verbieden en doen ontbinden. |
| 10 | februari | 1855 | Geboorte in Antwerpen van Maurits Josson. Hij studeerde rechten aan de ULB en was de eerste advocaat die een Nederlandse naamplaat op zijn deur aanbracht. Zijn eerste tussenkomst in het Nederlands voor een rechtbank werd gesanctioneerd met een schorsing van twee jaar! Van 1890 tot 1901 trok Josson naar Zuid-Afrika als vrijwilliger in het Boerenleger. Terug in Vlaanderen werd hij weer advocaat in Brussel en ijverde voor een onafhankelijke Vlaamse partij. Josson werd oprichter van de Vlaamse Landsbond, lid van de Raad van Vlaanderen en hoogleraar aan de vernederlandste universiteit te Gent. Hij is de schrijver van een merkwaardig werk Frankrijk, de eeuwenoude vijand van Vlaanderen en Wallonië (1913) en van een nog steeds actuele De Belgische Omwenteling van 1830 in drie delen (1930). |
| 11 | februari | 1488 | De inwoners van Sint-Omaars verjagen de Fransen. Ze overmeesteren de Franse bewakers aan de poorten van de stad. De traditie wil dat de inwoners, om de Bourgondische troepen te waarschuwen die hun kamp in de buurt hadden opgeslagen, drie maal een sein gaven met het licht van een kandelaar terwijl de andere zijde antwoordde door het miauwen van een kat na te bootsen. Dit is de oorsprong van de stoet die elk jaar in februari deze overwinning herdacht door het beeld van een kat triomfantelijk door de stad te dragen. Deze stoet bleef bestaan tot 1677, het jaar van de verovering van Sint-Omaars door de Fransen. |
| 11 | februari | 1794 | Pierre Lejosne de l’Espierre, advocaat en lid van het Parlement de Flandre, beschuldigd van samenzwering tegen de Republiek, wordt onthoofd in Rijsel. Van op het schavot riep hij “Vive le Roi”. Hij was 40 jaar toen hij ter dood werd gebracht en was geboren in Dowaai op 20 april 1754. |
| 11 | februari | 1890 | Geboorte in Amsterdam van Jan de Vries, in Nederland dé specialist van de Germaanse oudheid en mythologie. |
| 11 | februari | 1951 | De “Loi Dexionne” schept de mogelijkheid tot een beperkt onderricht van de streektalen in het Franse lager onderwijs. Het Nederlands en het Duits worden “vergeten”. |
| 12 | februari | 1577 | De landvoogd Don Juan van Oostenrijk ondertekent te Marche namens de Spaanse koning het “Eeuwig Edict” waardoor hij de Pacificatie van Gent bekrachtigt en de onafhankelijkheid van de Nederlanden erkent. Nog vóór het einde van het jaar schendt hij dit edict door de Spaanse troepen terug te halen die ons land hadden verlaten. |
| 12 | februari | 1882 | Geboorte in St.-Maria-Horebeke van de volksschrijver Abraham Hans, als zevende kind van protestantse ouders. Herman Teirlinck noemde hem “de vernieuwer van Conscience”. Voor verschillende van zijn boeken vindt hij inspiratie in Frans-Vlaanderen. Naast auteur was Hans ook een onvermoeibare ijveraar voor de Vlaamse bewustwording die ontelbare voordrachten gaf, tot in de kleinste dorpen van Vlaanderen. |
| 12 | februari | 1903 | In Luik geboorte van de romanschrijver Georges Simenon, geestelijke vader van commissaris Maigret. |
| 12 | februari | 1999 | Overlijden in Parijs van de Vlaamse kunstenaar Michel Seuphor, geboren in Borgerhout op 20 maart 1901 onder de naam Ferdinand Berckelaers. Seuphor, (een anagram van Orpheus), heeft toonaangevende werken gepubliceerd over de geschiedenis en het wezen van de abstracte kunst. Hij was een buitengewoon erudiet man die Sanskriet kende en wereldwijd correspondeerde in het Latijn, het Grieks en het Hebreeuws – liever dan in het Engels. |
| 13 | februari | 1457 | Geboorte in Brussel van Maria van Bourgondië. Ze erfde van haar vader Karel de Stoute Bourgondië en, hiermee, de voogdij over de Nederlanden. Maria van Bourgondië huwde met Maximiliaan I van Oostenrijk en kon zo beletten dat Bourgondië in de handen van de Franse koning viel. |
| 13 | februari | 1568 | Filips Willem, oudste zoon van prins Willem van Oranje, wordt in Leuven, waar hij studeerde, op bevel van de Spaanse koning ontvoerd en naar Spanje overgebracht. Zijn ouders zien hem nooit meer terug. Pas achtentwintig jaar later, in 1596, komt hij vrij. Hij overlijdt in Brussel op 20 februari 1618. |
| 14 | februari | Dit is de dach van Sente-Valentine, Op dien dach kiesen de voghelkine hare ghenoeten in den Woude. | |
| 14 | februari | 1897 | Na een mars van 50 dagen bereikt luitenant Louis Napoleon Chaltin (1857-1933) de Nijl. Voor de stad Reddjad vernietigt hij een leger van Arabische slavenhandelaars. Door deze militaire actie kon Groot-Brittannië Soedan veroveren. Chaltin was geboren in Ukkel waar hij ook stierf. |
| 14 | februari | 1942 | In Rotterdam wordt de Maastunnel in gebruik genomen. |
| 15 | februari | 1387 | Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, stelt de “Raad van Rijsel” samen die voor al zijn bezittingen in de Nederlanden bevoegd is. |
| 15 | februari | 1815 | Het Weens Congres bepaalt dat de Nederlanden, Noord en Zuid, opnieuw worden verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I. |
| 15 | februari | 1913 | In Antwerpen geboorte van de beroemde striptekenaar Willy Vandersteen (1913-1990), geestelijke vader van o.m. Suske en Wiske. |
| 15 | februari | 1928 | Overlijden op het Achterbos in Mol van Jakob Smits, Nederlands-Vlaams kunstschilder, en bezieler van de Molse school. |
| 15 | februari | 1961 | In Berg-Kampenhout stort een Boeing 707 van Sabena neer. Eenenzestig passagiers waaronder de Amerikaanse Olympische schaatsploeg, alsook elf bemanningsleden komen om. |
| 16 | februari | 1128 | In Gent gaat een volksvergadering door waarin de burgers rekenschap vragen aan graaf Willem Clito over het schenden door de graaf van bepaalde van hun rechten. Hierdoor wordt een van de grondslagen gelegd van de volkssoevereiniteit in West-Europa, quasi een eeuw vóór het beroemde Magna Charta in Engeland. Dit opmerkelijk discours is echt revolutionair voor die tijd. Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, waarin de trouw aan de Spaanse koning wordt opgezegd, gaat terug op dit principe: het volk heeft het recht zijn heer af te zetten als deze zich niet aan zijn verplichtingen houdt. De gebeurtenissen te Gent geven op 22 augustus 1128 aanleiding geven tot het Privilegie van Sint-Omaars, ondertekend door negen baronnen, waarin nogmaals het recht wordt vastgelegd dat het volk recht van weerstand heeft tegen een meinedige heer. Het gezag wordt daardoor in feite overgedragen op een stedelijke gemeenschap, wat voor de verdere ontwikkeling van de steden in West-Europa van enorm belang is geweest. |
| 16 | februari | 1164 | De Sint-Julianavloed treft Noord-Nederland en Duitsland en maakt duizenden slachtoffers. |
| 16 | februari | 1568 | Overlijden in Recklinghausen (Westfalen) van Hendrik, graaf van Brederode, lid van het Eedverbond der Edelen en aanvoerder van de Geuzen. |
| 16 | februari | 1922 | Felix Timmermans, schrijver van o.m. Pallieter en Pieter Bruegel, wint de driejaarlijkse staatsprijs voor literatuur. |
| 16 | februari | 1981 | Overlijden in Kusel (Rijnland-Palts) van de Nederlandse filoloog, prehistoricus en musicoloog Herman Wirth (met zijn volledige naam: Herman Felix Wirth Roeper Bosch). De in Utrecht geboren Wirth (°1885) interesseert zich al vroeg voor de Duitse jeugdbeweging, de Wandervögel. In navolging daarvan sticht hij de Dietse Trekvogels. Hij promoveert in 1910 met een proefschrift over de ondergang van het Nederlandse volkslied en komt zo in contact met Eugeen van Oye en andere Vlaamsgezinden. Na aan de Universiteit van Bern filologie te hebben gedoceerd, vinden we hem terug in Vlaanderen, waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog het activisme steunt. Wirth is een typische vertegenwoordiger van de völkische strekking in de Nederlanden, nadien in Duitsland tijdens het interbellum. Zijn eigenlijk vakgebied wordt meer en meer de symbolenkunde. Hij schrijft verschillende werken over de voorgeschiedenis en de symboliek in Noordwest-Europa waarin hij het Friese volk een bijzondere plaats toekende. Gaandeweg wordt hij door de nazi’s afgewezen. In 1938 wordt hij ontslagen als hoofd van het Deutsches Ahnenerbe, een SS-onderzoeksproject dat hij in 1935 had helpen oprichten. Na de Tweede Wereldoorlog doet hij prehistorisch veldonderzoek in Zweden en publiceert onverdroten verder over symbolenkunde en oerreligie. |
| 16 | februari | 1997 | Overlijden in Cadzand van Lode Claes, politicus en socioloog. Hij wordt in 1968 senator voor Brussel, verlaat de Volksunie naar aanleiding van het Egmontpakt en sticht in 1977 de Vlaamse Volkspartij. Zijn visie op de Vlaamse resp. Belgische politiek vinden we o.m. in zijn boeken De afwezige meerderheid (1985) en De afwendbare nederlaag (1986). Op het einde van zijn leven ziet hij alleen nog Vlaamse zelfstandigheid als uitweg. |
| 17 | februari | 1384 | In Rijsel (Frans-Vlaanderen), Blijde Intrede van Filips de Stoute, graaf van Vlaanderen. |
| 17 | februari | 1453 | In Rijsel (Frans-Vlaanderen): “Voeu du Faisan” ofte de Fazantengelofte. Op dit beroemde feestmaal bevestigt Filips de Goede, graaf van Vlaanderen en hertog van Bourgondië zijn besluit tot deelname aan een kruisvaart. |
| 17 | februari | 1612 | Overlijden in Amsterdam van de cartograaf Judocus Hondius (Joost de Hondt). Hij kreeg ook grote bekendheid als uitgever van de atlassen van Mercator. Hondius was afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden en geboren in Wakken op 4 oktober 1563. De schrijver André Demedts was van vaderszijde een verre nazaat van Judocus Hondius. |
| 17 | februari | 1795 | Antoine Lecocq uit Baulis wordt door de Fransen te Brussel gefusilleerd omwille van zijn deelname aan de opstand van de plattelandsbevolking tegen de Franse bezetter. |
| 17 | februari | 1817 | Oprichting van de Gentse universiteit door koning Willem I der Nederlanden. |
| 18 | februari | 1574 | De watergeuzen veroveren Middelburg op de Spanjaarden, na een belegering van twee jaar. |
| 18 | februari | 1793 | Publicatie in de Gazette Nationale Liégeoise van een proclamatie van generaal Dumouriez « au Peuple Liégeois » die als volgt begint : « Braves Liégeois, peuple digne de la liberté, peuple frère des françois, et bientôt françois vous-mêmes… » De generaal vraagt verder 12 tot 15 000 Luikse vrijwilligers om tegen de Oostenrijkers te vechten. Dumouriez was in 1739 in het Frans-Vlaamse Kamerijk (Cambrai) geboren. |
| 18 | februari | 1902 | Interpellatie van de Zuid-Vlaamse priester-politicus Jules Lemire in het Franse Parlement ten gunste van het onderwijs van het Vlaams in Zuid-Vlaanderen. Minister Georges Leygues antwoordt weigerachtig. |
| 18 | februari | 1970 | Overlijden van pater Desideer Stracke, jezuïet, doctor in de Germaanse taal- en letterkunde en stichter van het Ruusbroecgenootschap. Hij schreef o.a. Over de bekering en doopsel van koning Chlodovech, alsook veel artikels over de Oud-Nederlandse letterkunde. Zijn opmerkelijke redevoering In de leer bij Jacob van Maerlant is een belijdenis van de Heel-Nederlandse gedachte die ook J.M. Gantois inspireerde (Ons Nederland boven de Zomme). |
| 19 | februari | 1526 | Geboorte in Atrecht van Carolus Clusius (Charles de l’Ecluse), humanist, arts, en botanicus. Op initiatief van Ogier van Busbeke introduceerde hij in Europa de aardappel, de tulp, de hyacint, de anemoon en de paardenkastanje. Hij overleed in op 4 april 1609 in Leiden waar de tuin die zijn naam draagt nog steeds te bezoeken is. |
| 19 | februari | 1857 | Geboorte in Oostende van Julius Mac Leod, hoogleraar plantkunde aan de Rijksuniversiteit Gent en onvermoeibaar strijder voor de vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen. |
| 19 | februari | 1887 | Overlijden in Ingelheim am Rhein van de Nederlandse auteur Eduard Douwes Dekker, bekend onder zijn pseudoniem Multatuli. De eerste keer dat hij dit gebruikt, is in 1859 in De Dageraad, een tijdschrift van vrijdenkers. Zijn bekendste werk is Max Havelaar, een striemende aanklacht tegen het Nederlands koloniaal beleid in Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. In 1859 schreef Douwes Dekker dit werk in enkele dagen tijd in Brussel. In juni 2002 werd Max Havelaar door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uitgeroepen tot het belangrijkste Nederlandstalig letterkundige werk aller tijden.Vier dagen na zijn dood werd Multatuli als eerste Nederlander gecremeerd, in het crematorium te Gotha. De urne met de as van Edward Douwes Dekker bevindt zich in een monument voor Multatuli op de begraafplaats Westerveld te Driehuis. |
| 20 | februari | 1810 | Executie door de Fransen van de Tiroolse nationale held en verzetsstrijder Andreas Hofer in het Italiaanse Mantua. |
| 21 | februari | 1578 | Farnèse begint met het beleg van Zichem in Vlaams-Brabant dat op bevel van landvoogd Don Juan ongenadig word voortgezet. Na de inname wordt de stad volledig geplunderd en de soldaten van het garnizoen worden in de Demer verdronken. |
| 21 | februari | 1758 | De Schelde is van Antwerpen tot Kruibeke bevroren en dit gedurende 22 dagen. |
| 21 | februari | 1904 | Geboorte in Peer van Armand Preudhomme, componist van meer dan 250 volksliederen zoals “Kempenland” en “Voor Outer en Heerd”. Hij overlijdt te Brasschaat op 7 februari 1986. |
| 21 | februari | 1916 | Begin van de slag bij Verdun tijdens de Eerste Wereldoorlog. |
| 21 | februari | 1926 | Geboorte in Amsterdam van de Nederlandse dichter Hans Andreus, pseudoniem van Johan Wilhelm van der Zant. Andreus, die in 1977 overleed, was een van de meest veelzijdige dichters van zijn generatie. Hij werd veelvuldig geëerd, o.m. tweemaal met de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, de Jeugdboekenprijs 1958, het “Kinderboek van het jaar” 1969 voor Meester Pompelmoes en de mompelpoes, de Jan Campert-prijs voor poëzie 1970, de Constantijn Huygens-prijs 1971 enz. |
| 22 | februari | 1071 | Eerste slag bij Kassel (Frans-Vlaanderen). De Vlaamse graaf Robrecht de Fries verslaat de Franse koning Filips I en wordt graaf van Vlaanderen. Uit dankbaarheid sticht hij de collegiale kerk van Kassel alsook de abdij van Waten. |
| 22 | februari | 1796 | Geboorte in Gent van de wiskundige en sterrenkundige Adolphe Quételet (1796-1874). Hij was de eerste directeur van het observatorium van Brussel. Quételet is ook de vader van de sociale statistiek en de uitvinder van de Queteletindex, later body-mass index of BMI genoemd, een vergelijkende index om het (over)gewicht van een mens te meten. |
| 23 | februari | 1944 | In Beacon (Florida) overlijden van Leo Baekeland, Vlaams-Amerikaanse chemicus, geboren in Sint-Martens-Latem, en uitvinder van o.m. de kunststof bakeliet. |
| 24 | februari | 1500 | In Gent kondigen klokkengeluid en kanonschoten de geboorte aan van een Habsburgse prins, de toekomstige Keizer Karel V. |
| 24 | februari | 1525 | Op het slagveld van Pavia in Italië neemt de Zuid-Vlaamse ridder Charles de Lannoy namens zijn heer keizer Karel V de overgave van de Franse koning Frans I in ontvangst, die hem symbolisch zijn zwaard afstaat alvorens gevangen te worden genomen. |
| 24 | februari | 1588 | Overlijden in Tecklenburg van de Nederlandse arts en humanist Jan Wier, geboren in het Brabantse Grave (1515 of 1516). Wier was een van de allereersten die protesteerde tegen de heksenvervolgingen en een leven lang onvermoeibaar tegen het obscurantisme streed. Hij geldt als een grondlegger van de psychiatrie en de verdediging van de mensenrechten. Wier beïnvloedde tijdgenoten zoals Michel de Montaigne en latere denkers zoals Sigmund Freud, Karl Marx en Victor Hugo. In 2011 bracht een proefschrift van Vera Hoorens( KULeuven) Jan Wier weer in de belangstelling. Het verscheen in boekvorm bij Prometheus/Bert Bakker: Een ketterse arts voor de heksen – Jan Wier (1515-1588). |
| 24 | februari | 1831 | In België stelt het Nationaal Congres een voorlopig staatshoofd (regent) aan. De keuze valt op Erasme Surlet de Chokier, gewezen collaborateur met de Franse bezetter. |
| 24 | februari | 1924 | Geboorte in Wakken van Luc Verbeke (1924-2013), stichter in 1947 en bezieler van het Komitee voor Frans-Vlaanderen waarvan hij achtereenvolgend secretaris, voorzitter en erevoorzitter werd. Luc Verbeke is ook een talentvolle dichter en auteur van vele publicaties over Frans-Vlaanderen, onder meer van het boek Vlaanderen in Frankrijk (1970). |
| 25 | februari | 1212 | Johanna van Constantinopel, dochter van Boudewijn graaf van Vlaanderen en keizer van Constantinopel, tekent in Pont-à-Vendin (Wendenbrugge) het zogenaamde “wurgcontract” met Filips II August van Frankrijk, na zijn bemiddeling voor haar huwelijk met Ferrand van Portugal. Hij had haar aan deze Portugese prins gekoppeld, in wie hij een gemakkelijk te manipuleren graaf van Vlaanderen zag. Hierbij verkrijgt Frankrijk Sint-Omaars en Ariën (Aire) aan de Leie. |
| 25 | februari | 1968 | Overlijden in Antwerpen van Camiel Huysmans, geboren als Camiel Hansen, filoloog en socialistische voorman. Voorvechter van de Vlaamse Beweging en van de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit Gent. Met de katholiek Frans van Cauwelaert en de liberaal Louis Franck was hij in de jaren ’20 een van “de drie kraaiende hanen”. Huysmans was ook internationaal actief in de diplomatie, o.m. als secretaris van de Tweede Internationale (1905-1922). |
| 26 | februari | 1986 | Evert van Benthem wint voor de tweede keer de Elfstedentocht. |
| 27 | februari | 1881 | Slag van Majuba in Zuid-Afrika: de Britten bezetten de strategische tafelberg Majuba, op de flank van het Boerenleger. De commandant-generaal van de Boeren, Piet Joubert, besluit tot een gedurfde bestorming van de berg en slaagt erin de Britse troepen op de top verpletterend te verslaan. Het militaire evenement baart wereldwijd opzien. De veldslag bij Majuba is de laatste van vier veldslagen tussen Groot-Brittannië en de Boeren van Transvaal gedurende de Eerste Boerenoorlog (1880-1881). De klinkende overwinning die de Boeren behalen, dwingt de Britten om Transvaal zijn onafhankelijkheid terug te geven. |
| 27 | februari | 1933 | In Duitsland brandt de Rijksdag. Rinus van der Lubbe, een Nederlandse communist en anarchist, wordt van brandstichting beschuldigd. Op 10 januari 1934 wordt hij in Leipzig onthoofd en anoniem begraven. |
| 27 | februari | 1942 | De Nederlandse zeestrijdkrachten, onder het bevel van admiraal Karel Doorman, worden zwaar door de Japanse vloot verslagen op de Javazee. |
| 28 | februari | 1564 | “De cauw was so groot vroegh en laete dat den wijn in de gelaesen vervroor“. |
| 28 | februari | 1928 | Radio Kootwijk brengt de eerste radiotelefonische verbinding tot stand tussen Nederland en Nederlands-Indië. |
| 28 | februari | 1944 | In Brussel wordt Alexander Galopin (1879-1944) vermoord, directeur van de Nationale Bank van België. |
| 29 | februari | 1517 | In Mechelen, geboorte van de plantenkundige en arts Rembert Dodoens. Aan hem danken wij de beschrijving en kennis van vele nieuwe planten. In 1554 publiceert hij zijn beroemde Cruydeboeck met 715 afbeeldingen. Het systeem van classificatie van de planten in dit boek is een fundamentele vernieuwing voor de botanie van die tijd. Dodoens overlijdt in Leiden op 10 maart 1584. |
| 29 | februari | 1848 | De prins de Ligne, Belgische ambassadeur in Parijs schrijft in een brief: “Je sais que l’idée dominante chez les hommes du mouvement qui a renversé la monarchie de juillet est la réunion de la Belgique à la France”. |
| 29 | februari | 1903 | Geboorte in Wuustwezel van de volkskundige Karel C. Peeters, auteur van Eigen Aard, hoofdredacteur van het tijdschrift Volkskunde , hoogleraar aan de KULeuven en stadssecretaris van Antwerpen. Bekend is ook zijn werk Soldaten van Napoleon, over de Vlamingen en andere Zuid-Nederlanders die gedwongen werden dienst te doen in het Franse leger. De ruiters van het 3de Jagers te Paard, waarin vele Vlamingen waren ingelijfd, waren de eerste soldaten die in 1812 Rusland binnenvielen.Het K.C.Peeters Instituut voor Volkskunde te Antwerpen werd naar hem genoemd. |
| 29 | februari | 1972 | De Nederlandse Tweede Kamer debatteert dertien uur lang over het gratieverzoek van de drie laatste wegens oorlogsmisdaden veroordeelde gevangen Duitsers die nog gevangen zitten in Nederland. Onder zware druk van de publieke opinie wordt hun verzoek tot vrijlating door de Tweede Kamer verworpen. De gevangene Jozef Kotälla zal in de gevangenis van Breda overlijden in 1979. Ferdinand aus der Fünten en Franz Fischer worden pas in 1989 vrijgelaten en overlijden in datzelfde jaar in Duitsland. |
01.02.2020
Schrijft mijn goede vriend Pieter Jan Verstraete over mijn Bourgeois-boek in ’t Pallieterke van 30 januari …. Lees hier zijn recensie

30.01.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/meer-vlaams-dan-frans-de-frans-vlaamse-stad-sint-omaars/
De nestor van de Vlaamse Beweging, Cyriel Moeyaert, zal dit jaar in mei de gezegende leeftijd van 100 jaar bereiken. Onlangs vierde hij nog zijn 75ste priesterjubileum. Om deze hoogdagen passend te huldigen, trakteert hij ons met een opvallend kleinood: Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen. Het is geen nieuwe studie, wel de bundeling van artikels verschenen in enkele jaargangen van de Nederlanden extra muros, het jaarboek van vereniging/stichting Zannekin.
Een baken voor de cultuurgeschiedenis van de hele regio is de Sint-Bertijnsabdij
Met Moeyaert deel ik zijn passie voor Sint-Omaars. Deze stad, vandaag nog 15.000 inwoners groot, is strategisch gelegen op de aloude grens tussen Artesië en Vlaanderen. Maar ze behoort historisch en cultureel tot Vlaanderen en de oude Nederlanden. Een baken voor de cultuurgeschiedenis van de hele regio is de Sint-Bertijnsabdij waarvan je in Sint-Omaars de ruïnes kan zien. Hier, in de 12de eeuw, is de Liber Floridus ontstaan, de eerste encyclopedie geschreven door Lambrecht van Sint-Omaars. In dit werk werd De Laude Flandriae opgenomen, een lof van Vlaanderen door Petrus Pictor (Pieter de Schilder). Verzen die geen twijfel laten over de liefde van de auteur voor zijn Vlaamse vaderland.
Met haar 50 meter steekt de toren van de Onze Lieve Vrouwbasiliek, ooit de kathedraal van het vroegere bisdom Sint-Omaars, hoog boven het rijk architecturaal patrimonium van de oude stad. Samen met het uniek natuurgebied van de moerassen die Sint-Omaars omringen heb je een uitstekend doel voor een fijn en afwisselend verblijf over de schreve.
Godfried, die niet van Bouillon was maar van Bonen, sprak, naast Romaans, het Diets van zijn geboortestreek. Mede door zijn tweetaligheid werd hij gekozen tot leider van de Eerste Kruistocht.
met quasi zekerheid geschreven door iemand die de streektaal van Sint-Omaars kende
Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu…De beroemde Olla Vogala verzen, uit de 11de eeuw, een kruising van oud-Nederlands en oud-Engels, zijn met quasi zekerheid geschreven door iemand die de streektaal van Sint-Omaars kende. Cyriel Moeyaert voegt er fijntjes aan toe dat de onbekende schrijver van deze markante verzen uit onze taalgeschiedenis waarschijnlijk in Sint-Omaars naar school ging.
Er werden ook acht kanonschoten gelost in de richting van de vijand. Richting Frankrijk dus.
Hoe stonden de Sint-Omarenaars ooit ten overstaan van de Franse veroveraars? Moeyaert wist me te vertellen dat de bevolking van Sint-Omaars lang de jaarlijkse herdenking vierde van de bevrijding op de Franse bezetter op 11 februari 1488. Elk jaar, op de vooravond van 30 november, de dag dat Sint-Andries, patroonheilige van de Bourgondische Nederlanden werd gehuldigd, bestond in de stad de traditie om vreugdevuren op de markt te ontsteken. Er werden ook acht kanonschoten gelost in de richting van de vijand. Richting Frankrijk dus.
Deze traditie werd gehandhaafd tot in 1677. In dat jaar veroverden de Franse troepen Sint-Omaars en Frans-Vlaanderen. Maar de bevolking gedroeg zich zo vijandig dat de Fransen de zaak niet vertrouwden. Ze plaatsten drie geladen kanonnen voor het stadhuis. Deze kanonnen zouden er nog, naar het schijnt, zijn blijven staan tot kort voor de Franse Revolutie.
Vandaag kan je nog de regionale Vlaamse keuken proeven in het restaurant De Drie Kalders. Deze opvallende Vlaamse naam op de grote markt is een laatste spoor van de Nederlandse streektaal die hier ooit overal in de stad klonk.
Het was de taal van de Broekers of Broekanen
Tot in het begin van de twintigste eeuw kon men onze taal nog horen spreken in Sint-Omaars op de wekelijkse markt. Het was de taal van de Broekers of Broekanen gebleven, de tuinders uit het omringende moeras die er hun groenten kwamen verkopen. De Broekers woonden in de voorwijken, in Hoge Brigge en IJzel, gemeenten die, in het verleden, alleen via de watergangen te bereiken waren. Ook de tuinvelden waren uitsluitend met platte vaartuigen bereikbaar. De Broekers vervoerden hiermee hun groenten, alsook de dieren en landbouwtuigen, waarmee ze hun velden bewerkten. Moeyaert noteerde de specifieke Vlaamse namen van deze vaartuigen naargelang hun grootte: ijkingen, bakoggen, berkoggen, bijlanders en dubbele bijlanders.
Aloude documenten in de archieven van Sint-Omaars bewijzen dat de stad nog lang tweetalig was voor het Nederlands geleidelijk naar de buitenwijken van de stad werd teruggedrongen. Moeyaert is in het bezit van een fotokopie van een Nederlandstalig gerechtelijk document genaamd ‘de Zoene’ daterend uit 1570. De Zoene, aldus Moeyaert, is de ‘verzoening tussen een moordenaar en de verwanten van de vermoorde tegen een zekere vergoeding, bezegeld door een plechtige samenkomst van beide. Ze heeft een oeroude oorsprong, die al bekend was in de Salische wet (…)’. De Zoene bestond als gebruik in veel steden in de Nederlanden maar is het langst bewaard gebleven in Sint-Omaars, en wel tot in de 17de eeuw.
Moeyaert is geen kamergeleerde. Tot op gevorderde leeftijd hield hij vooral van het veldwerk, van de contacten met zijn vele Frans-Vlaamse vrienden, en van het grasduinen in de plaatselijke archieven zoals deze studie overvloedig bewijst.
De auteur zocht eeuw na eeuw naar sporen van de aanwezigheid van het Nederlands in Sint-Omaars.
De auteur zocht eeuw na eeuw naar sporen van de aanwezigheid van het Nederlands in Sint-Omaars. De geschiedenis van elke schoolinstelling in de stad komt aan bod. Het is niet omdat in sommige scholen in het Latijn werd gedoceerd en namen gelatiniseerd werden dat men de Vlaamse oorsprong van leraren en leerlingen niet kan ontleden. Hij verstaat in de conflicten tussen de Vlaamse monniken van de Sint-Bertijnsabdij en enkele Franse allochtonen uit de abdij van Cluny, de sporen van een onafhankelijkheidsgevoel van de Vlaamse monniken. Geholpen door de plaatselijke notabelen, slaagden de Vlaamse geestelijken erin deze Franse indringers naar huis te sturen.
Trouw aan zijn werkmethode als taalkundige brengt de auteur ook in deze studie steeds nieuwe bewijzen en argumenten aan en ontleedt hij onvermoeibaar aloude Nederlandse teksten, woorden en toponiemen. Zijn inzichten en stellingen kunnen soms gedurfd overkomen maar zijn steeds wetenschappelijk onderbouwd.
Wie doet Moeyaert na met een nieuwe publicatie in zijn 100ste levensjaar? Zijn studieuze leven blijkt een uitstekend recept, alsook het gedicht van de Frans-Vlaamse dichter Renaat Despicht die hij tot zijn levensmotto heeft gemaakt: Wil je lange leven? En oud 100 jaar weven, hou jen hoofd koud; voel je voeten warm; vul met mate jen arm; houd jen achterpoorte wyd open en laat den docteurs soorte by den duivel lopen!
De uitgave kost 16 euro en kan worden besteld via overschrijving bij het museum Huis van de Slag aan de Peene, 200 Rue de la Mairie F-59670 Noordpeene, rekeningnummer FR76 1670 6050 1016 3916 7110 201.
18.01.2020

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/luc-pauwels-men-heeft-de-koerden-niet-meer-nodig-om-tegen-islamitische-staat-te-vechten/
Honderd jaar geleden, in 1920, kregen de Koerden een eigen staat. Vandaar leven ze verspreid over vier landen. Gewezen ondernemer Luc Pauwels publiceerde net een boek over hen: Geschiedenis van de Koerden: De strijd van een volk voor een eigen staat. Hierin leer je een volk kennen dat haast doorlopend in het nieuws is, maar waarvan we uiteindelijk weinig afweten. Een ontdekking. En een reden voor een gesprek met de auteur.
Vanwaar die belangstelling voor Koerdistan, na je vorig boek over Oekraïne?
‘Ik interesseer me voor alle volkeren die hun zelfbeschikkingsrecht nastreven en revolteren tegen een of ander onderdrukkend jakobinisme dat hun identiteit, hun taal en hun cultuur wil uitgommen. Dat gebeurt altijd volgens hetzelfde schema, zo goed verwoord door de Tsjechische historicus Milan Hübl (1927-1989): “Om een volk te liquideren, begint men met het wissen van zijn geheugen. Men vernietigt zijn boeken, zijn cultuur, zijn geschiedenis. Daarna schrijft iemand anders er andere boeken voor, geeft het een andere cultuur, bedenkt er een andere geschiedenis voor. Vervolgens begint het volk langzaam te vergeten wie het is, en wie het was. En de omringende wereld vergeet het zelfs nog sneller.”
De taak van de jongeren en van de intellectuelen van tegenwoordig bestaat erin te verhinderen dat het zover komt: “No pasarán!”’
Hoe kunnen we de Koerden en Koerdistan plaatsen, geografisch en historisch?
ze bloeden leeg op ontelbare slagvelden, maar zonder er ooit enig baat bij te hebben voor hun eigen volk
‘De Koerden zijn een zeer oud volk van Indo-Europese oorsprong. Het zijn immers de afstammelingen van de Meden. Tegenwoordig zijn ze met nagenoeg 40 miljoen, die voor ongeveer 90 procent in vier verschillende landen wonen: Turkije, Iran, Irak en Syrië. Eeuwenlang hebben het Osmaanse (Turkse) Rijk en het Perzische (Iraanse) Rijk de Koerden min of meer ongemoeid gelaten in hun verschillende bergstaatjes en semionafhankelijke prinsdommen. Zo werden ze verdeeld gehouden en bovendien militair geïnstrumentaliseerd in de voortdurende geopolitieke strijd tussen Turken en Perzen. Als soldaten worden ze zeer gewaardeerd voor hun dapperheid. Ze vechten zich dood, ze bloeden leeg op ontelbare slagvelden, maar zonder er ooit enig baat bij te hebben voor hun eigen volk.
Dan staat de grote Koerdische schrijver Ehmedê Xanî (1650-1706) op die, een eeuw voor Herder (1744-1803), stelt dat politieke eenheid alleen zinvol is als uitdrukking van etnoculturele eenheid. “Waarom zijn de Koerden in deze wereld allemaal onteigend? Waarom zijn ze allemaal veroordeeld”, vraagt Xanî zich af. Dat is het begin van het Koerdische volksnationalisme dat vanaf dan voortdurend in opstand komt tegen het eerst imperialistische, daarna jakobijnse staatsnationalisme van de Turken en de Perzen.’
Ooit werden de Koerden toch een eigen staat toegekend?
‘Inderdaad. Na de Eerste Wereldoorlog komt, naast het meer bekende Verdrag van Versailles (1919), het Verdrag van Sèvres (1920) tot stand dat de Koerden eindelijk hun eigen staat garandeert. Helaas geven de grote mogendheden, Frankrijk en Groot-Brittannië voorop, al snel toe aan de druk van de nieuwe Turkse leider Mustafa Kemal Atatürk en verloochenen ze hun handtekening. In het Verdrag van Lausanne, dat in 1923 dat van Sèvres vervangt, worden de Koerden zelfs niet meer vermeld!’
Toen zijn de Koerden in opstand gekomen?
‘De Koerden ervoeren dit terecht als verraad. Het gevolg hiervan zijn een hele reeks Koerdische opstanden die wreed worden onderdrukt. Nieuwe Koerdische bewegingen en partijen zien het licht. In de geesten en de harten komt een Koerdische natie tot stand. De Republiek van Ararat (1928-1931), de eerste onafhankelijke Koerdische staat, wordt door de Turken met de grond gelijk gemaakt. In Turkije komt het tot een breed gedragen revolte, de volksopstand van Dersim (1936-1937), die uiterst brutaal wordt neergeslagen. De familie van Zuhal Demir is trouwens uit Dersim afkomstig… Na de Tweede Wereldoorlog ontstaat de Koerdische Republiek van Mahabad, die het maar een jaar kan uithouden (1946) en die wordt gevolgd door lange jaren van zware repressie en een reeks staatsgrepen in de verschillende landen waar Koerden wonen.’
We herinneren ons de aanvallen met gifgas op de Koerden in Irak.
‘Inderdaad. In Turkije doet de guerrilla van de PKK zich voelen vanaf eind jaren 70. In Irak worden de Koerden door Sadam Hoessein massaal afgeslacht. Een door de grote mogendheden ongewild resultaat van de Golfoorlog is het ontstaan, in 1992, van de Koerdische Autonome Regio in Irak. Die wordt na een referendum in 2005 uiteindelijk erkend door de Iraakse staat. Verder schets ik een portret van de Turkse leider Erdogan, deze gevaarlijke islamo-jakobijn die er al jaren in slaagt de Amerikanen en de Europeanen bij de neus te nemen. Met de burgeroorlog in Syrië en de oprichting van een autonome Koerdische zone (Rojava) in dat land wordt het boek afgesloten.’

Dat is de militaire en de diplomatieke kant van de kwestie. Maar wat is de grondoorzaak waarom de Koerden, in tegenstelling met de Arabieren, de Turken en de Iraniërs, zich nooit politiek en militair hebben kunnen doorzetten en uiteindelijk altijd werden uitgebuit en vervolgd?
zijn de Koerden sinds eeuwen benadeeld door hun geopolitieke situatie
‘De Koerden zaten historisch gekneld tussen twee enorme rijken, het ene Turks-Osmaans, het andere Perzisch of Iraans. Alleen al op het vlak van de bevolking waren en zijn die staten kwantitatief elk een veelvoud van de Koerden. Bovendien zijn de Koerden sinds eeuwen benadeeld door hun geopolitieke situatie. Hun bergachtig grondgebied grenst nergens aan een zee. Daardoor zijn ze afgesneden van de evolutie die Europa heeft doorgemaakt. Tegelijk is het echter een feit dat deze isolatie in het hooggebergte hun overleven heeft mogelijk gemaakt, ongeveer zoals voor de Zwitsers ook het geval is. Een tweede belangrijke element, vooral dan in Turkije, is de islam. Tot in 1922 was de Osmaanse sultan tegelijk de kalief, de opperste religieuze leider van alle soennitische moslims. In opstand komen tegen de Turkse sultan was dus tegelijk een politiek misdrijf én een religieuze wandaad. Het feit dat de Koerden in meerderheid moslims waren – hoewel vaak onder dwang bekeerd – is altijd een belangrijke hinderpaal geweest voor hun emancipatie.
De complexiteit van het Koerdische probleem vloeit dus voort uit het feit dat het enerzijds zowel een taalkundig, als cultureel en etnisch conflict is – met bovendien een religieuze schaduwkant – en anderzijds een geopolitiek en economisch conflict, denk maar aan de oliewinning… De grote mogendheden zijn daarbij volledig vergeten dat democratie essentieel het zelfbeschikkingsrecht van volkeren inhoudt.’
Mogen we tegenwoordig spreken van verbeterde perspectieven voor de Koerden?
de huidige context is helemaal verschillend van land tot land
‘Ja, de perspectieven voor de Koerden worden duidelijk beter, maar de huidige context is helemaal verschillend van land tot land. In Iran is de toestand volledig geblokkeerd, ten gevolge van het totalitaire regime van de ayatollahs. De vervolging van de Koerden en de totale onderdrukking van hun culturele eigenheid is er geïnstitutionaliseerd.
In Turkije is de situatie nagenoeg identiek, maar Erdogan let er wel op een democratische schijn hoog te houden. In het Turkse parlement volgen Koerdische en pro-Koerdische partijen elkaar op. Sinds decennia wordt de ene na de andere verboden, maar na elk verbod staat er een nieuwe formatie op. In Syrië hebben de Koerden met uitzonderlijke moed en moeite een zelfbestuurd territorium tot stand gebracht, Rojava genaamd, waarvan niemand weet of het aanslepende burgeroorlog en de invallen van het Turkse leger zal overleven.
En dan is er nog Irak, dit verdeelde land waar de Koerdische nationalist Jalal Talabani (1933-2017) van 2005 tot 2014 president was. De Koerdische Autonome Regio (KAR) stelt het er nog altijd goed, ondanks de vijandigheid van Bagdad ten gevolge van het onafhankelijkheidsreferendum in het Koerdische gebied (2017). Turken en Arabieren hebben dat referendum zo veel als mogelijk gesaboteerd, maar ondanks alles houdt de KAR. stand. Het is een basis die ze zich niet makkelijk afhandig zullen laten maken.’
Trump heeft de Koerden, die mee streden tegen IS, ondertussen laten vallen…
men koestert de illusie dat IS definitief verslagen is en nooit meer zal weerkomen, wat de Koerden overbodig maakt
‘Eens te meer was de houding van de grote mogendheden uitermate cynisch, laf en gebaseerd op illusies. Men heeft de Koerden niet meer nodig om tegen Islamitische Staat te vechten, men koestert de illusie dat IS definitief verslagen is en nooit meer zal weerkomen, wat de Koerden overbodig maakt. Bijgevolg zijn de Koerden nu zeurpieten en lastigaards, meer niet. De Europeanen geven zich nog over aan een bijkomende gevaarlijke illusie, te weten dat Erdogan voor hen de migratie uit het Midden-Oosten zal tegenhouden. Dat terwijl de Turkse president alleen denkt aan chantage en diplomatieke winst. Een recent en helemaal nieuw gegeven voor Iran en Irak – en mogelijk voor het hele Midden-Oosten – is de moord op de Iraanse generaal Qassam Soleimani door de Amerikanen en de mogelijke reacties daarop.’
Vaak wordt het Koerdische verzet over één kam geschoren met communisme en uiterst-linkse revolutionaire activiteiten. Is dat terecht? Waarom dit amalgaam?
‘De Turkse en Iraanse regimes worden als “rechts” bestempeld. Niet verwonderlijk dat het radicale Koerdische verzet zich “links” noemt. Maar afgezien daarvan is het zeer de vraag of “links” en “rechts” nog zinvolle aanduidingen zijn in de context van het Midden-Oosten – en elders.’
Waar gaat dit alles eindigen voor de Koerden?
‘De Koerden hebben alle redenen om de hoop niet op te geven. Ze wonen voor het overgrote deel in vier uitgestrekte staten met grote etnische verscheidenheid. Turkije, Syrië, Irak en Iran zijn jonge, labiele staten, waarvan de recente geschiedenis een opeenstapeling is van staatsgrepen, revoluties, dictaturen, oorlogen en zware interne conflicten. Irak is pas in 1932 onafhankelijk geworden en Syrië in 1946. Het moderne Turkije is een creatie van het Verdrag van Lausanne (1923), het ayatollah-regime in Iran dateert slechts van 1979. In historische termen is dat allemaal zeer recent. Wie durft voorspellen wat de toestand zal zijn in die landen over pakweg tien jaar, over een generatie – als ze dan nog bestaan?
De Koerden zijn een taai volk en, gelukkig voor hen, hebben ze de neiging om de zaken op lange termijn te zien. De geschiedenis heeft hen geleerd dat men soms een zeer lange adem moet hebben.’
Luc Pauwels’ boek De geschiedenis van de Koerden is te koop in de webwinkel van Doorbraak.
11.01.2020