Volgens de deconstructivisten is Hendrik Conscience de grote boosdoener van de Vlaamse geschiedenis. Niemand verwijt Walter Scott fictieve helden als Ivanhoë in het leven heeft geroepen. Maar een Vlaamse romancier als Conscience wordt niet gegund dat hij zich creatief beweegt tussen mythes en geschiedenis. Alhoewel, ik heb me laten wijsmaken dat Conscience vrij goed gedocumenteerd was. Hij had onder meer contacten met Frans-Vlamingen als Edmond de Coussemaker en Lodewijk de Backer en was ooit lid van de Comité Flamand de France.
Neem nu de kreet Vlieg de blauwvoet die Conscience in zijn roman De Kerels van Vlaanderen in het leven roept en die later, dankzij Albrecht Rodenbach, een lied en de roep van een hele Vlaamsgezinde generatie is geworden.
Blijkt nu dat die blauwvoet niet refereert naar een vogel maar naar ene familie Blauwoet of Blauvoet waarvan de eerste historische sporen ons terugbrengen naar de elfde of twaalfde eeuw. De bronnen melden Pervijze, het Veurne-ambacht en het huidige Frans-Vlaanderen als wieg van de familie. Schepenen in het Veurne- ambacht heeten Blau(w)voet, evenals ridders in de omgeving van de Vlaamse graven. Ene Rickaert Blauwvoet sneuvelde in 1328 in Kassel aan de zijde van Zannekin. Een opvallende gewoonte van een familietak die in het huidig Frans-Vlaams grondgebied woonde was dat ze nog heel lang hun kinderen lieten dopen in de Sint-Niklaaskerk te Veurne.
Straffer nog, een wapenschild van de familie Blaeuvoet uit 1651 zou een “vliegend” zwart paard met … blauwe vleugels weergeven. Ik zocht tevergeefs naar een reproductie van het wapenschild van de familie Blauvoet. Is er iemand van mijn lezers die me kan helpen aan het wapenschild van Blauvoet of Blauwvoet? Moeten ons bij de kreet Vlieg de blauwvoet, storm op zee voortaan een mythologisch vliegend paard in de plaats van een jan-van-gent voorstellen? Benieuwd naar jullie reactie.
Bron: https://www.facebook.com/wido.bourel/
22.12.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/kwaakblazen-aan-de-schelde/
Moderne architectuur en Antwerpen, dat is zoals vele zaken in ‘t Stad, een verhaal op zich. Wat staat ons te wachten bij het renovatieproject van de ‘Boerentoren’? Dat de keuze van Daniël Libeskind als architect niet onmiddellijk peis en vree aankondigt, leert ons de lijdensweg van een ander torenproject van hem in de Occitaanse stad Toulouse.
In de jaren ‘90 hield ik me beroepshalve bezig met uitgaven over architectuur. Wij gaven o.m. een ‘gids voor moderne architectuur in Antwerpen’ uit. Onder deskundige leiding van de auteur kreeg ik de kans om een twintigtal gebouwen, representatief voor de hedendaagse architectuur in de Scheldestad, te bezichtigen. Boeiend, dat wel. Al viel de oogst uiteindelijk vrij mager uit. Ik bezocht ook de konijnenhokken op Linkeroever. Van onze gids kreeg ik het verhaal mee over de architectuurwedstrijd om de Linkeroever in te richten. Dat was in 1933. Een wereldarchitect als Le Corbusier nam deel aan de wedstrijd. Zijn, en alle andere ontwerpen werden uiteindelijk afgevoerd.
Ik dacht er nog aan toen ik, enkele jaren geleden, de cité radieuse van Le Corbusier in Marseille bezocht. Geen spoor van een ‘stralende stad’ maar een bunkerachtige wooneenheid, gevolg van een even theoretische als totalitaire benadering op wonen. Ik zag daar een paar onbemande trendy architectenbureaus en zeldzame kantoren. Verder weinig mensen te bespeuren die er nog echt wilden wonen. Uit ellende had men het gebouw deels vrijgegeven als onderdak voor migranten. Of Antwerpen meer ‘stralende stad’ was geworden met de uitvoering van de plannen van Le Corbusier valt dus te betwijfelen.
In de tijd dat ik vanuit Frans-Vlaanderen naar Antwerpen kwam wonen, was ’t stad, van de Europese steden die ik kende, mijn favoriet. Als ik Antwerpen aan Frans-Vlaamse vrienden liet zien, vestigde ik zo weinig mogelijk de aandacht op die lelijke Linkeroever. Ik vermeed angstvallig nog twee andere plaatsen: de Oudaan, het geklasseerd politiegebouw van Renaat Braem, dat leek op de betonnen kazernes die ik in Oost-Duitsland had gezien, maar dan zonder Vopo’s. En ook de omgeving van … de Boerentoren, meer bepaald de Eiermarkt, een tochtgat van jewelste tussen een ondergrondse garage en een muur van beton. Tot vandaag versnel ik nog steeds als ik er voorbij moet. Mijn gids stelde op een bepaald ogenblik de vraag of wij ons de skyline van Antwerpen konden voorstellen zonder deze twee zogenaamde iconische gebouwen. Ik antwoordde rustig van wel.
Niet alleen Le Corbusier, maar ook de Duitser Hermann Josef Stübben, de Vlamingen Huib Hosten, Henry Van de Velde, Léon Stynen, en anderen stuurden ooit ontwerpen voor Linkeroever. Vlamingen dus, waarvan enkelen met roots in Antwerpen, en dat is net iets anders dan een kosmopolitisch architect als Le Corbusier.
Waarom steeds de keuze voor architecten, hoe wereldbekend ook, die gebouwen ergens neerpoten zonder enige affiniteit met de plaats waarvoor ze een ontwerp indienen?
Dat is precies mijn eerste punt met betrekking tot het project van Fernand Huts en Daniël Libeskind voor de Boerentoren. Waarom steeds de keuze voor architecten, hoe wereldbekend ook, die gebouwen ergens neerpoten zonder enige affiniteit met de plaats waarvoor ze een ontwerp indienen? Waarom is het niet mogelijk om er een wedstrijd van te maken en zo een kans te geven aan talent van eigen bodem? Schat men het niveau van de opleiding architectuur in Vlaanderen en Europa dan zo laag in? Of staat zo’n ‘eigen volk’ gedachte in de weg van lucratieve, niet traceerbare internationale constructies van financiële aard?
De levendige herinnering aan de decennialange klucht van Oosterweel belooft niets goeds voor het project van de Boerentoren. Voor Architect Libeskind, die van conflictueuze projecten zijn handtekening heeft gemaakt, hoort dat er bij. Neem nu zijn project voor een nieuwe toren in de Occitaanse stad Toulouse. Het gaat hier om een volledige nieuwe toren genaamd Tour Occitanie. Het ding moet komen naast het station, en in de directe omgeving van het geklasseerde Canal du Midi. Men plant een toren van 153 meter hoog, 40 verdiepingen, met 11.000 m2 kantoren, een panoramisch restaurant bovenaan, een Hilton hotel, plus kantoren van de Franse spoorwegen onderaan. Het geheel is voorlopig gebudgetteerd op een slordige 130 miljoen, voornamelijk gefinancierd door Parijse investeerders.
Een bouwtoelating werd gegeven in 2019 en het project moest af zijn in 2022. Resultaat: er is nog steeds geen steen gebouwd aan de Tour Occitanie. Protest en juridische procedures draaien voornamelijk rond milieu en sociale bezwaren. De tegenstanders, gegroepeerd in allerlei burgerinitiatieven, verdedigen dat bouwen op zulke hoogte niet de toekomst is van het urbanisme, rekening houdend met de ecologische transitie. Libeskind voorziet in groene beplanting en spiraalvormige tuinen rond het gebouw. Ronduit even utopisch als problematisch voor bewatering, onderhoud en leefbaarheid van planten en bomen op termijn. Er is nog geprocedeerd tegen het feit dat de toren 10.000 omwonenden meer uren in de schaduw zou brengen, en ook wegens het niet passen van zulke toren naast de geklasseerde site van het Canal du midi. De bouwverplichting om een honderdtal sociale woningen in de toren te voorzien werd omzeild door deze woningen elders in de stad te plaatsen.
De burgemeester van Toulouse en de president van de regio ruiken geld en zijn uiteraard voor. Inmiddels hebben de rechtbanken zich uitgesproken over de belangrijkste klachten en mag het project doorgaan. Maar de bouwheren zijn de juridische procedures beu en aarzelen. Er dienen nog lopende juridische pijnpunten met omwonenden te worden opgelost. De financiers willen er niet aan beginnen zo lang niet alle juridische zaken zijn afgehandeld. Het verhaal duurt nu al een half decennium en nog geen tour Occitanie aan de skyline van Toulouse. Het is de zanger Claude Nougaro die in zijn bekende lied ‘Toulouse’ zong: ‘Vandaag klimmen de buildings hoog’. Afwachten of het morgen in Toulouse nog hoger wordt.
Antwerpen, eerlijk gezegd, is er niet mooier op geworden. Ik denk aan de mislukte, kantoor-achtige omkadering van het Steen. Of aan de geplaveide indigestie van het plein voor het operagebouw, spuuglelijke rode lampen als openbare verlichting, en de vloek van de totaal smakeloze hoogbouw naast dezelfde opera. Moet de Boerentoren zo nodig tot een deconstructivistische kwaakblaas-toren worden veranderd in de schaduw van de kathedraal? Als Fernand Huts werkelijk te veel geld heeft stel ik voor dat hij investeert in de ontbrekende tweede toren van de Onze-Lieve-Vrouw-kathedraal, op het businessmodel van de eeuwige werf van de Sagrada Familia in Barcelona. Hij kan dan 100 jaar lang de uitbating van de eeuwigdurende werf verkrijgen. En de tweede toren benutten voor zijn kunstcollectie. Zijn standbeeld, naast die van kathedraal-ontwerper Pieter Appelmans, wijzend naar de Hutstoren en met een steen op zijn schouder, krijgt hij cadeau van ’t Stad.
20.12.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/waren-de-vlaamse-primitieven-alles-behalve-vlaams/
‘Dat is toch evident’, schrijft historicus Jan Dumolyn. ‘De schilder Jan van Eyck, geboren in Maaseik, was geen Vlaming maar een Luikenaar.’ Dat is ook het geval voor Rogier van der Weyden, uit Doornik afkomstig. ‘En’, voegt de professor van PVDA-signatuur eraan toe, ‘hetzelfde geldt voor een schilder als Rubens, geboren in het Duitse Siegen, die als kind naar Antwerpen, ook al niet in Vlaanderen, verhuisde.’ Maar daarmee gaat hij veel te kort door de bocht.
‘Wat stoort aan het begrip Vlaamse Primitieven is dat ze “Vlaams” genoemd worden, terwijl ze uit alle gewesten van de Nederlanden kwamen’, vervolgt Jan Dumolyn. Idem voor de Vlaamse polyfonisten. Op het eerste zicht heeft de mediëvist Dumolyn een punt: de begrippen ‘Vlaams’, ‘Vlaming’ en ‘Vlaanderen’ dekken meer dan de historische lading van het aloude graafschap Vlaanderen. Ze worden vandaag gebruikt om het Nederlandstalig gedeelte van de Zuidelijkste Nederlanden te duiden. Schilders en musici uit de 15de en 16de eeuw kwamen van een beetje overal uit de Nederlanden, Romaanse gouwen incluis. Doet het hedendaagse Vlaanderen de Brabanders en de Limburgers – of moet ik zeggen de Loners – onrecht aan?
Men kan blijven discussiëren over het geslacht van de Engelen. Ben je een migrant als je Van Eyck noemt, als schilder naar Brugge komt, afkomstig bent uit het land van Loon en Diets spreekt? Dezelfde vraag voor Rogier van der Weyden uit Doornik, toen in de Vlaamse invloedssfeer en nog steeds op amper twintig kilometer van de taalgrens. Maaseik en Doornik, is dat hetzelfde als Kaboel en Bagdad? Ten slotte was Rubens helemaal geen Duitse migrant in Antwerpen, maar het kind van een Antwerpse familie gevlucht naar Siegen in Westfalen tijdens de godsdiensttroebelen, die naar het Brabants vaderland was teruggekeerd.
Volgens historici als Dumolyn is dat allemaal de schuld van het opkomende Vlaams nationalisme in de negentiende eeuw. Deze stelling gaat voorbij aan het feit dat de begrippen ‘Vlaming’, ‘Vlaams’ en ‘Vlaanderen’ reeds breder werden opgevat vanaf het ogenblik dat het graafschap Vlaanderen haar invloedssfeer ging uitbreiden. Het fenomeen kan je reeds waarnemen in de elfde eeuw toen ‘Vlaamse’ ridders Willem de Veroveraar een handje ging helpen om Engeland te veroveren. Deze zogenaamde ‘Vlamingen’ kwamen niet alleen uit Vlaanderen, maar ook uit Artesië en het Boonse (de streek van het hedendaagse Bonen, Boulogne-sur-Mer).
Eeuwen later, maakten de politieke toenaderingen tussen Vlaanderen en Brabant, als voorbode van de Bourgondische tijd, dat Vlaanderen een verzamelnaam werd voor meer dan het graafschap in strikte zin. Daarom hadden de Italianen het over de ‘I Fiamminghi’ om naar de Zuid-Nederlandse schilders en de Vlamingen in het algemeen te wijzen, de Spanjaarden over ‘Flandès’ en ‘Flamenco’ om het geheel der Nederlanden aan te duiden en de Fransen over de ‘Franco-Flamands’ om de Zuid-Nederlandse polyfonisten van de Maas tot in Picardië te benoemen.
Het gebruik van de naam ‘Vlaanderen’ om het Nederlandstalig gedeelte van de Zuidelijke Nederlanden aan te duiden heeft wellicht ook te maken met de scheiding tussen noord en zuid, en het ontstaan van Nederland als natie. Het dubbel gebruik van dezelfde naam heeft wellicht meegespeeld om de Zuidelijke Nederlanden anders te duiden. Men kan zich ook de vraag stellen of het gebruik van de benaming ‘Holland’ voor Nederland niet op dezelfde wijze is ontstaan.
Men mag rustig aanbrengen dat de naam ‘Vlaanderen’ vanuit een historisch standpunt onnauwkeurig gekozen is
Persoonlijk gebruik ik nooit ‘Holland’ als synoniem voor Nederland. En was ik een Brabander of een Limburger, zou ik me uiteraard zo noemen. Men mag rustig aanbrengen dat de naam ‘Vlaanderen’ vanuit een historisch standpunt onnauwkeurig gekozen is. Maar deze vaststelling alleen zal de hedendaagse evolutie niet veranderen.
Het is de roem van het graafschap Vlaanderen in Europa en de wereld, die de perceptie van het buitenland dat naar ons keek, heeft bepaald. Een interessant verhaal is de visie van Frankrijk en van de Franstaligen in het algemeen. Na de annexatie van de stad Kamerijk (Cambrai) en van het aartsbisdom Kamerijk bij Frankrijk in de zeventiende eeuw noemde de nieuwe Franse aartsbisschop Fénelon zijn Kamerijkse onderdanen ‘brave Vlamingen’. Kamerijk behoorde nochtans niet tot het graafschap Vlaanderen.
Een halve eeuw later schreef Voltaire over Brussel: ‘Il n’y a à Bruxelles que des Flamands.’ Ten onrechte dus, maar ik wil hiermee enkel aantonen dat de term ‘Vlaams’ al langer dan de negentiende eeuw in Europa in voeg was om de Zuidelijke Nederlanden aan te duiden. De oorzaak van dat alles heeft de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen – die als nieuwe Frans-Vlaming een Nederlander avant la lettre bleef – mooi samengevat, wanneer hij Vlaanderen bezong als ‘de bloem van Europa, de pronk van alle landen’.
Sinds Geert van Istendael en Marc Reynebeau enkele jaren geleden probeerden het standbeeld van Hendrik Conscience neer te halen, is de auteur van de Leeuw van Vlaanderen de grote boosdoener van politiek-correct Vlaanderen. Deze deconstructivisten verwijten Conscience van alles en nog wat: door de historische onjuistheden in zijn boeken heeft het belang van de slag der Gulden Sporen proporties aangenomen die het niet zou verdienen.
De Vlaamse nationale feestdag dekt niet de hele zuidelijke Nederlanden, want de Vlaamse coalitie op het slagveld in Kortrijk werd versterkt met Romaanssprekende Henegouwers. Tegelijkertijd stonden de Brabanders aan de kant van de Franse vijand, foei. Alleen Pieter de Coninck verdient in Brugge een standbeeld in Brugge, want de enige echte Jan Breydel nam in werkelijkheid geen deel aan de strijd. De Vlaamse graaf kon niet aanwezig zijn in Kortrijk, want hij vertoefde toen in een Franse gevangenis. En ook de leuze ‘schild en vriend’ is nooit gebruikt tijdens de Brugse Metten.
In zijn boeiende biografie over Hendrik Conscience merkt Johan Vanhecke terecht op dat ‘een historische roman geen geschiedkundig essay is’. Hij stelt rustig de vraag: ‘Heeft iemand kritiek op Walter Scott omdat Ivanhoe een verzonnen figuur was?’ Het is toch vreemd dat schrijvers en historici zoveel last ondervinden om mythen te onderscheiden van hun vakgebied. De beroemde dichter, toneelschrijver en filmmaker Jean Cocteau drukt het zo uit: ‘Mijn voorkeur gaat steeds naar de mythen, meer dan naar de geschiedenis, want de geschiedenis wordt gemaakt uit waarheden die leugens worden, terwijl de mythen worden gemaakt uit leugens die waarheden worden.’
Terwijl de meeste academische historici hun gal uitspuwden tegen de idee alleen al steekt de Gentse historicus Jan Demolyn zijn nek uit en werkt mee aan de Vlaamse kanon. In de leer bij de Italiaanse communistische politiek denker Antonio Gramsci, en als PVDA militant, weet Dumolyn als geen andere dat om de politieke macht te veroveren je eerst de culturele macht moet veroveren, en dus aanwezig moet zijn in de debatten rond het samenstellen van de verfoeide canon.
Dit gezegd zijnde, om de Vlaamse canon op te stellen is een serieuze dosis pragmatisme nodig. De deconstructie van de hele geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden kunnen wij missen als kiespijn. Het project van de Vlaamse canon is inmiddels tot een ideologisch en politiek steekspel gedeclasseerd en riskeert een schot in de leegte te worden. Vertrekken van de Vlaamse realiteit als ze is belet niet om een Zuid-Nederlandse visie op na te houden.
Als Frans-Vlaming – en dus als een echte Vlaming – én Heel-Nederlander zie ik op termijn maar één oplossing om de verwarring ‘Vlaanderen = Zuidelijke Nederlanden’ op te lossen: dat betekent dat de Vlaamse emancipatie de motor moet zijn van een toenadering tot Nederland met het oog op een latere confederatie met dat land.
In afwachting kan men al een deel van de Nederlandse canon, tot aan de scheiding tussen noord en zuid maximaal integreren in de Vlaamse. Verder zal een toenadering tot Nederland de dubbelzinnigheid rond het onnauwkeurig gebruik van namen opgeven en mogelijk maken dat onze provincies, en de naam ‘Nederlanden’ wijd en zijd vrij kunnen uitspreken.
08.12.2022
Lees dit artikel ook op Les Plats-Pays: https://www.les-plats-pays.com/article/flandre-de-wido-bourel-des-questions-qui-suscitent-la-curiosite
Wido Bourel s’intéresse à la Flandre et à la Flandre française en particulier. Il a déjà publié de nombreux articles et quelques ouvrages sur le sujet. Il récidive avec le livre Flandre: Des questions qui dérangent.
Élargissant la collection «Des questions qui dérangent», publiée chez le Breton Yoran Embranner, Wido Bourel nous délivre son point de vue sur une trentaine de sujets à débats ayant cours en Flandre française. Il s’agit davantage d’un avant-propos, d’une introduction, qui a pour objectif de susciter la curiosité autour des thématiques abordées. Celles-ci sont très diverses, et souvent racoleuses, allant de la politique à la symbolique en Flandre à des sujets de société, en passant par des questions de linguistique et des considérations géographiques. Une bonne partie des questions soulevées trouvent trop aisément leur réponse alors que d’autres, bien plus pertinentes, ne sont qu’injustement survolées. Cet ouvrage s’adresse donc aux curieux de Flandre et d’ailleurs, avides de pistes de réflexion pour parfaire leur compréhension l’esprit de la Flandre actuelle de part et d’autre de la «Schreve1».
Wido Bourel a l’habitude des questions entourant notre Flandre. Il l’a déjà montré par le passé, ne serait-ce qu’en choisissant de poursuivre ses études à Anvers et Groningen, par fidélité à sa patrie et par attrait pour la langue néerlandaise. Plus récemment, il a publié l’ouvrage bilingue (français et néerlandais) Olla Vogala, revenant en 200 pages sur l’histoire du flamand, entre divers articles notamment parus sur les plats pays, dont un plaidoyer sur l’enseignement du néerlandais standard en France et un texte d’opinion alertant sur les conséquences de la reconnaissance du west-flamand en tant que langue régionale.
Wido Bourel sait donc de quoi il parle, notamment en ce qui concerne les questions de linguistique. C’est aussi un passionné d’Histoire, qui tient en basse estime le travail de l’ANVT2, dont il se fait procureur de manière frontale dans le chapitre consacré à l’usage et l’enseignement du flamand ou du néerlandais en Flandre française, même si son opinion aussi est lisible en filigrane tout au long du livre. Cela permet au moins à Wido Bourel d’être franc et d’exposer un à un ses arguments, quand il ne répond pas directement à ceux de l’ANVT et ses supporteurs.
Le livre présente un large panel de questions, auxquelles l’auteur répond de façon plus ou moins personnelle. Il déroule ses questions dans un ordre thématique, commençant par la géographie. Les questions sont alors orientées de manière à laisser l’auteur présenter sa définition de la Flandre française, entre la Lys et l’Aa, se limitant en fait au Westhoek français. Les réponses aux questions historiques ne donnent pas de sensation de satiété, puisqu’on a l’impression que l’auteur s’efforce de contenir son propos dans une langue la plus synthétique et la plus pédagogique possible. Cela force à contrer sa faim par une lecture complémentaire. Bien qu’il y ait un risque de perdre en rigueur en survolant ainsi les sujets3, c’est en cela que le livre est une parfaite introduction aux problématiques qui traversent la Flandre française: il nous oblige à compléter sa lecture par d’autres, à aller de l’avant. Il est une belle porte d’entrée vers les questions relatives à la Flandre, et donne envie de creuser les sujets.
le livre est une parfaite introduction aux problématiques qui traversent la Flandre française: il nous oblige à compléter sa lecture par d’autres, à aller de l’avant
Les chapitres portant sur l’identité et la langue sont bien plus personnels pour Wido Bourel, eut égard au fait qu’il s’agit de ses sujets de prédilection. Le Caëstrois n’a pas hésité à (re)prendre les armes contre le controversé film Bienvenue chez les Ch’tis, au point où on se sentirait presque coupable de ressentir de la sympathie pour les Français (du Nord ou d’ailleurs) qui apprécient le film au premier degré. Les réponses qu’il apporte aux questions identitaires visent davantage à guider et inciter à la réflexion, par rapport aux 350 ans qui séparent la Flandre devenue française de la Flandre devenue belge.

La Flandre est-elle toujours une, bien qu’elle soit politiquement triple? La Flandre française est-elle devenue trop différente de la Flandre belge? Autant de questions qui trouvent des éléments de réponse dans ces quelques pages. Les pages consacrées aux questions identitaires sont indéniablement les plus profondes du livre, et elles auraient amplement mérité d’être allongées. Elles parleront particulièrement aux Flamands de France qui, comme moi, tentent de faire sens de l’héritage germanique légué par leurs parents et leurs ascendants avant eux, dans un monde devenu roman.
Enfin, les questions de société et de politique, et tout particulièrement les toutes dernières questions du livre, sont l’occasion pour Wido Bourel d’affirmer ses positions politiques concernant la Flandre française, mais aussi et surtout à propos de la Flandre belge. Il y aborde les questions de l’indépendance et de l’unité de la Flandre et de sa nation (ou ses nations, si l’on considère que la Flandre française est devenue trop française).
Tout au long du livre, Wido Bourel s’est montré provocateur, voire railleur (surtout quand il écrit à propos du film Bienvenue chez les Ch’tis). Ces railleries ont pour cible non pas la classe politique française, ni même des personnes identifiables, mais l’esprit français centralisateur lui-même. Tout le livre n’est qu’un serment politique en faveur d’une Flandre injustement assimilée, tout comme ont pu l’être (et le sont toujours) d’autres régions réputées françaises (Corse, Bretagne, Savoie, Alsace… qui ont par ailleurs toutes eu droit à leur entrée dans la collection «Des questions qui dérangent»), et il ne faut pas attendre de lire les dernières pages, les plus politisées, pour s’en rendre compte.
Wido Bourel, Flandre des questions qui dérangent, Yoran Embanner éditeur, 2022.
Notes:
1Du nom donné à la frontière franco-belge le long du Westhoek.
2Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele ou Institut de la langue régionale flamande en français. L’ANVT promeut entre autres l’apprentissage du dialecte plutôt que du néerlandais standard en Flandre française.
3Perte en rigueur notamment considérant le peu de sources bibliographiques pour appuyer le propos sur l’abbé J.-M. Gantois lorsque Wido Bourel revient sur la parution en 2022 de L’abbé Gantois. L’histoire par Éric Vanneufville.
23.11.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/celine-in-frans-vlaanderen/
In Frankrijk was het de literaire ontdekking van het jaar 2021. Er doken meer dan 6.000 handgeschreven pagina’s van de controversiële auteur en enfant terrible Louis Ferdinand Céline op, deels, tot dan ongepubliceerde manuscripten. Guerre, het eerste boek uit die kubieke meter hoge berg paperassen en nota’s, verscheen in mei jl. De verkoop loopt als een trein, goed voor 150.000 verkochte exemplaren. Opvallend toch voor een verbrande en uitgesproken antisemitische en collaborerende auteur. Een goudmijn voor uitgever Gallimard die onlangs een tweede titel, Londres uitgaf. En er zullen nog publicaties volgen. Guerre is een, deels, autobiografische roman die zich in de Westhoek, aan het front, in de buurt van Ieper afspeelt, vervolgens in een noodziekenhuis in Frans-Vlaanderen.
De manuscripten van Céline gingen verloren in 1944. Hij moest toen in allerijl vluchten voor de repressie. Céline en echtgenote verdwenen richting Duitsland, vervolgens naar Denemarken. ‘Ik liet mijn manuscripten boven op een kast staan’, vertelde hij later. Naar alle waarschijnlijkheid werden ze door de weerstanders die zijn appartement plunderden, gevonden en meegenomen. Weerstanders die zich gedroegen als ordinaire dieven in de euforie van de overwinning. Een van hen zou zelfs in het appartement van Céline gaan wonen. Tachtig jaar later, en veertig jaar na zijn dood, doken deze verloren gewaande manuscripten terug op. Afstammelingen van de betrokken weerstander wachtten tot de dood van de echtgenote van Céline om ze vrij te geven.
Achter de roman Guerre schuilt het levensverhaal van de auteur bij de aanvang van wereldoorlog I. In 1912 engageerde de achttienjarige Louis-Ferdinand Destombes, de echte naam van Céline, zich in het Franse leger. Hij promoveerde tot brigadier, vervolgens tot wachtmeester. In het begin van wereldoorlog I werd hij bevorderd tot onderofficier. In de eerste weken van de oorlog geraakte hij met zijn eenheid betrokken bij de zware gevechten rond Ieper. Tijdens een gevaarlijke missie in de buurt van Poelkapelle werd hij door kogels en door de slag van een sabel zwaar gewond aan de rechterarm.
Hij werd verschillende keren geopereerd, herstelde, maar zou zijn arm nooit meer volledig kunnen gebruiken. De oorlog was voor hem voorbij
Céline kreeg het Franse militaire ereteken en het oorlogskruis met zilveren ster. Niet dat hij hiermee opschepte want het was zijn ding niet. Het hoorde bij de tragikomedie. Hij werd verschillende keren geopereerd, herstelde, maar zou zijn arm nooit meer volledig kunnen gebruiken. De oorlog was voor hem voorbij. Hij werd voor 75 % invalide verklaard en nam vervolgens dienst bij het Franse Consulaat in Londen.
Dit zijn de ware oorlogsfeiten die de achtergrond van Guerre vormen. Het boekje van 130 pagina’s, werd wellicht in 1932 geschreven, toen al in de unieke, gesproken taal die van Céline een vernieuwer van de Franse literatuur maakt. Je moet van hem geen apologie van de oorlog verwachten, geen heldendom en ook geen heldendaden. Volgens Céline kon er niets goeds komen uit zoveel menselijke gruwel en lafheid. Hij noemde de oorlog een vuiligheid, een slachting. Jaren later schreef hij nog:
‘Voor een arme drol in deze wereld bestaan er twee manieren om te creperen: of in de totale onverschilligheid van uw medemensen in vredestijd, of, eens de oorlog gekomen, in de moordende passie van dezelfde dwazen.’
Eerst werd Céline achter het front, naar Duinkerke, gevoerd. Door de ernst van zijn blessures werd hij vervolgens naar het Frans-Vlaamse stadje Hazebroek overgebracht. In het boek heet de stad Peurdu-sur la-Lys. Merkwaardig want Hazebroek ligt helemaal niet aan de Leie. Het noodhospitaal nummer 6 waar hij verbleef, heette ook niet ‘Le virginal secours’ zoals in de fantasie van de auteur, maar College Saint Jacques. Deze befaamde school bestaat nog steeds. Tijdens de eerste wereldoorlog deed ze dienst als noodpost van het Rode Kruis.
Opvallend: ik lees in de geschiedenis van de school dat deze plaats reeds in 1912 door het Franse leger als noodhospitaal was voorzien. Want Frankrijk voorzag al jaren minutieus haar revanche voor de verloren oorlog van 1870-1871, tegen Duitsland. Men zou kost wat kost Elzas-Lotharingen terug bij Frankrijk krijgen, al moest heel Europa hiervoor bloeden. In het College Saint-Jacques, net als in alle Franse scholen van toen, werden de leerlingen voorbereid op de oorlog tegen de Duitse erfvijand. Ze leerden de eerste oefeningen en in de pas lopen op de speelplaats van de school. De lessen geschiedenis dienden om het één en ondeelbare vaderland op te hemelen.
De slaapzaal waar Céline lag bestaat vandaag nog, goed herkenbaar op de vergeelde postkaarten van toen en de foto’s van nu. Het doet tegenwoordig dienst als bibliotheek en archief van het college. Celine noemde de ruimte waar hij met 25 andere patiënten lag, ‘Saint Gonzef’, soldatentaal voor een zaal genoemd naar een of ander heiligenbeeld.
Céline zou een maand in Hazebroek verblijven. Eens terug op de been verkende hij de stad. In zijn boek vertelt hij over een mastodont van een stadhuis in empirestijl, compleet ongepast op de markt van een Vlaamse stad als Hazebroek. Het onding verving het oud stadhuis in elegante Vlaamse renaissance stijl dat in het midden van de markt stond, maar in 1801 door een brand werd verwoest. Céline beschrijft de maandagse markt, de rijke Vlaamse burgerhuizen en de cafés die soldaten regelmatig bezochtten. Veel is sinds die tijd rond de grote markt van Hazebroek niet veranderd. Hazebroek, beslist een bezoek waard, ook om in de sfeer van het boek te komen.
Céline werd er even verliefd op een verpleegster. In het boek heet ze juffrouw Lespinasse, in het echte leven Alice David, een deftige dame van veertig jaar, dochter van de directeur van de lokale krant l’Indicateur des Flandres. Weekblad dat nog steeds bestaat. En hier schakelt Céline in zijn roman over naar wilde, seksuele soldatenfantasieën met verpleegsters die de patiënten goed verzorgen, en zelfs meer dan dat.
Zelf erken ik in Céline een groot schrijver. Al ben ik geen fan van zijn grove taal en het onverteerbaar, rabiaat antisemitisme van zijn latere boeken. Ik erken wel de geniale pennentrek om de kleinheid van het menselijk bestaan te beschrijven. De romans van Céline beklijven door hun aanklacht tegen de zelfgenoegzaamheid, de arrogantie en de straffeloosheid van de machthebbers, of ze nu democraten, dictators of generaals zijn. Onlangs is het vervolg op Guerre verschenen, nu wel een kanjer van meer dan 500 pagina’s, met als titel Londres, de stad waar Céline terechtkwam na zijn gedwongen verblijf in Hazebroek.
20.11.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-oorverdovende-stilte-heerst-in-de-kortrijkse-bibliotheek-de-franse-nederlanden/
Ooit gehoord van de bibliotheek de Franse Nederlanden? Vijftig jaar geleden werd deze unieke bibliotheek plechtig ingehuldigd in Kortrijk. Het moest een belangrijk centrum en archief worden voor de studie van Frans-Vlaanderen en de Nederlanden in Frankrijk. Resultaat van een halve eeuw Vlaamse universitaire emancipatie: een oorverdovende stilte én een slapende cultuurschat bij de Kulak.
Het was een bonte waaier van intellectueel West-Vlaanderen die, in oktober 1972, verzameling had geblazen in het groot auditorium van een splinternieuwe Kulak in Kortrijk. Aanleiding was de academische zitting voor de oprichting van de bibliotheek De Franse Nederlanden. Prominent volk was aanwezig. Bekende namen als de schrijver André Demedts, Luc Verbeke de bezieler van het Komitee voor Frans-Vlaanderen, Jozef Deleu van de stichting Ons Erfdeel, historicus Dr. Eric Defoort. En ook verschillende vertegenwoordigers van de stichting Zannekin, zonder wie dit boekenfonds nooit in Kortrijk was terechtgekomen.
De kern van dit boekenfonds berustte op de overname van de bibliotheek van wijlen Jean-Marie Gantois (1904-1968). De bekende Frans-Vlaamse voorman was midden het tumult van mei ‘68 plots overleden. Om het te zeggen met de woorden van Dr. Eric Defoort in De Standaard van 28 oktober 1969: het ging om een erfenis van ‘140 lopende meters waardevolle boeken’. Een unieke en zeer waardevolle verzameling boeken en documenten allerlei over de Nederlanden in Frankrijk.
De stichting Zannekin had zich altijd geïnteresseerd in de geschiedenis van en ingespannen voor deze gebieden van de Nederlanden die vandaag buiten Vlaanderen en Nederland vallen. Zannekin was testamentair aangeduid als de verwerver van de bibliotheek en het archief van Gantois. De vereniging wou dit boekenfonds een nuttige bestemming geven. Er werd gezocht naar een waardevolle overnemer en een wervelend project. De stad Ieper was even in de running, maar liet het op het laatste moment afweten. De Kulak bleek uiteindelijk warm te lopen om een heuse bibliotheek over de Franse Nederlanden in Kortrijk te vestigen.
Ik heb me steeds afgevraagd waarom dit project niet ‘Jean-Marie Gantoisbibliotheek’ werd genoemd, naar de naam van de oorspronkelijke eigenaar. Dat was enigszins te begrijpen, om het project open te trekken en om de Kulak te profileren als een open poort aan de grens met Frans-Vlaanderen. Maar deze keuze paste vooral niet in het politiek-correct denken van toen. Men zag de boeken van Gantois graag komen, maar zijn naam kon men missen als kiespijn. Historische figuren voor de eeuwigheid de grond inboren in plaats van hun beweegredenen en de tijdsgeest trachten te begrijpen, weet je wel.
Het dossier Gantois ging voorbij aan de vraag naar schuld en onschuld van één persoon of één vereniging. Men had parallel het proces van de wandaden van het jakobijnse Frankrijk moeten voeren, die tot de Frans-Vlaamse etnocide en linguicide had geleid. De handhaving van culturele activiteiten in oorlogstijd zou dan als gevolg worden beoordeeld en niet als oorzaak.
De eerste jaren van de Bibliotheek de Franse Nederlanden waren veel belovend. Ook Frans-Vlamingen vonden de weg naar Kortrijk. De toen nog jonge Dr. Eric Defoort zette, als toenmalige bibliothecaris van de Kulak, zijn brede schouders onder het project. De boeken werden geïnventariseerd, waar nodig gebonden. Er volgden allerlei publicaties over de briefwisseling en het archief van Jean-Marie Gantois. Vele artikels over alle mogelijke figuren uit de kringen van Gantois werden gepubliceerd. De meeste verschenen in de publicaties van Ons Erfdeel, vandaag De Lage Landen.
De soms eenzijdige Hineininterpreterung van Eric Defoort met betrekking tot de figuur Jean-Marie Gantois bleek uiteindelijk geen beletsel om vorm te geven aan het project dat groeide van een geërfd boekenfonds tot een heuse bibliotheek en documentatiecentrum de Franse Nederlanden.
De bibliotheek de Franse Nederlanden maakte in het begin vele vorsers en studenten gelukkig. Eric Defoort werd in 1982 benoemd als hoogleraar geschiedenis en hoofdbibliothecaris aan de Katholieke Universiteit Brussel. Of dat het begin van de neergang van het project luidde is niet duidelijk. Maar na enkele jaren naarstige arbeid werd het geleidelijk aan stiller rond de bibliotheek.
Ik heb er zeer mijn twijfels over dat de bibliotheek de Franse Nederlanden nog als dusdanig naar voren wordt gebracht door de Kulak, en dat ze nog even druk geraadpleegd wordt als in de beginjaren. Dat het fonds nog wordt aangevuld met nieuwe publicaties, zoals het uitdrukkelijk de bedoeling was, blijkt ook niet uit mijn persoonlijke ervaring.
Voor enkele van mijn persoonlijke publicaties die ik ooit de bibliotheek kosteloos stuurde kreeg ik zelfs geen dankwoord. Wie de mensen van de bibliotheek-commissie zijn die vandaag over dat alles moeten waken, conform het overnamecontract, mag Joost weten. Wordt het niet stilaan tijd dat de Kulak uit haar slaap ontwaakt?
De ervaring die verschillende mensen met de Bibliotheek de Franse Nederlanden hebben bevestigen mijn ervaring. Ik weet van een verzameling Zuid-Afrikaboeken, onder meer uit het bezit van de schrijvers André Demedts en Jan Deloof, geschonken aan de bibliotheek de Franse Nederlanden. De gulle gevers hebben hier ook nooit meer van gehoord.
Ik weet dat, bij leven, de taalkundige en Frans-Vlaanderenspecialist Cyiel Moeyaert twijfelde of hij zijn papieren moest toevertrouwen aan de Kulak. Hij meldde me dat hij daar slechte ervaringen mee had en dat bepaalde van zijn vroegere giften spoorloos waren. Er bestaat een volledige inventaris van het archief van Gantois gemaakt door dr. Michiel Nuyttens. Zelfs de betrokkene twijfelt over wat er van het archiefmateriaal zelf geworden is.
Het archief van Jean-Marie Gantois is als het ware uniek en in die zin nog waardevoller dan zijn boeken. De Kulak heeft de plicht bekend te maken wat haar plannen zijn met dat archief dat ook alle Frans-Vlamingen aanbelangt. Het overnamecontract vijftig jaar geleden voorzag in duidelijke clausules over beheer en doelstellingen van het boekenfonds van Jean-Marie Gantois. Bepaalde voorwaarden worden duidelijk niet gerespecteerd.
Er is dringend nood aan meer transparantie over de werking, de plannen en ambities van de Kulak om de bibliotheek de Franse Nederlanden nieuw leven in te blazen. Vlaanderen kan zich niet permitteren zulk een fonds te verwerven, om dan jaren later dit patrimonium te verwaarlozen en het project in stilte te begraven. Frans-Vlaanderen verwacht snel een antwoord. Ik stel me tegelijk dezelfde vraag over de vele archieven en fondsen die bij Vlaamse Universitaire instellingen terechtkomen, hun toegankelijkheid los van de happy few, en hun veiligheid voor de toekomst.
05.11.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/groene-gemeenteraad-straatsburg-verbiedt-kruisbeelden-op-kerstmarkt/
Als onze vertegenwoordigers des volks in Europa bij hun maandelijkse verblijf in Straatsburg de kerstmarkt bezoeken, moeten ze vanaf dit jaar rekening houden met het nieuwe reglement. De groene gemeenteraad heeft beslist de verkoop van allerlei producten op de kerstmarkt te verbieden. Tot grote woede van handelaars en inwoners die protesteren tegen deze verregaande inmenging. Het begin van een afbraakpolitiek die moet leiden naar de verdwijning van de kerstmarkt?
Dit is de officiële lijst van voedingsproducten die vanaf dit jaar niet meer mogen worden verkocht op de kerstmarkt van Straatsburg. Het gaat om champagne, popcorn, kerstdonuts, tartiflette (op basis van aardappelen, kaas, spek en witte wijn), gebraden kip, en raclette.
Er is ook een lijst van verboden niet-voeding: haarbanden, kerstlaarzen, paraplu’s, vlechtwerk, poncho’s, petten, kerstartikelen voor honden en katten.
En dan is er ook nog een lijst ‘verboden onder voorbehoud’, wat dat ook moge betekenen. Het gaat om asbakken, flesopeners, broodplanken, kerstdassen, kruisbeelden, sneeuwbollen, kerstaffiches, postkaarten, kalenders, muismatten, tandpasta en onderhoudsproducten.
De aloude kerstmarkt van Straatsburg heet in het Elzassisch Christkindelmärik. Ze bestaat sinds 1570 en baadt in de sfeer van de Duitse traditionele kerstmarkten. De kerstmarkt begint op de eerste zaterdag van de advent en eindigt op 24 december. Meer dan twee miljoen bezoekers uit de hele wereld komen er jaarlijks op af.
Toegegeven, kerstmarkten van zulke omvang lijken soms meer op een kermis of op een supermarkt in openlucht. Meer lokale en artisanale producten zou wellicht beter zijn. Maar of die evolutie er zal komen door groene dictaten, verbodslijsten en politieke bemoeienissen allerlei?
Men krijgt de verkozenen des volks die men verdient. Dat de groenen in Straatsburg twee jaar geleden aan de macht kwamen, heeft vooral te maken met het absenteïsme, de enige overwinnaar van de verkiezingen in Frankrijk in de laatste jaren. In Straatsburg hebben maar 37 % van de inwoners gestemd voor de tweede ronde van de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Zo zijn de groenen van de linkse partij EELV, wat staat voor Europe-Ecologie-Les Verts, aan de macht gekomen.
Als je dan de Elzassers gaat dicteren wat mag en niet op hun kerstmarkt, is dat zoals spuwen op de zwijgende meerderheid én op een oeroude traditie
Bij het minste incident is er voor zo’n bestuur geen draagvlak, want men vertegenwoordigt maar een kleine minderheid van de bevolking. Hoeveel is 41% van 37 % van de stemmen zoals in Straatsburg het geval is? Als je dan de Elzassers gaat dicteren wat mag en niet op hun kerstmarkt, is dat zoals spuwen op de zwijgende meerderheid én op een oeroude traditie.
De winnares van de gemeenteraadsverkiezingen van 2020, op de lijst van EELV, in Straatsburg, tevens huidige burgemeester, heet Jeanne Barseghian. Als vrouw, als groene, en nu als burgemeester van een grote stad, bezit ze het ideaal profiel voor latere nationale ambities. Barseghian is 42 jaar oud en heeft een opleiding genoten als juriste. Ze kwam naar Straatsburg om milieurecht te studeren, en bleef er wonen. Ze studeerde ook in Münster en Berlijn en haar partner is Duits. Meer banden heeft ze niet met deze toch, historisch gezien, zeer bijzondere stad, en dat laat zich voelen. Ironisch genoeg werkte ze tijdens haar studies, als verkoopster op… de Straatsburgse kerstmarkt.
Militante sinds meer dan twintig jaar voor allerlei groene initiatieven, was haar eerste bestuursdaad als burgemeester het formuleren van een ‘verklaring van klimatologische hoogdringendheid’ in Straatsburg. In feite is deze verklaring niets anders dan een uitgekiende communicatie. Voor het overige is het programma zogezegd typisch groen, meer bomen in de stad, stopzetten van alle grote projecten, meer betalen voor parkeren, meer belastingen voor B&B’ s, minder licht.
Een groen project dat geen groen licht kreeg, was het plan van de nieuwe gemeenteraad om een subsidie van 2,5 miljoen euro toe te kennen aan de Turkse vereniging Millî Görüs, voor de bouw van de Eyyub Sultanmoskee in Straatsburg. De subsidie werd in april jl. afgevoerd na zware druk van de Franse minister van binnenlandse zaken, Gérard Darmanin. Hij beschuldigde de Straatsburgse burgemeester ervan ‘buitenlandse inmenging’ te subsidiëren.
Zelf is Jeanne Barseghian geboren in een Parijse voorstad uit een Bretoense moeder en een vader met Armeense roots. Haar vader behoort tot de gemeenschap van Turkse Armeniërs. Sarkis Barseghian, haar overgrootvader, werd als een van de eerste Armeniërs aangehouden en vermoord op 24 april 1915, samen met nog 250 andere Armeense intellectuelen en leiders in Istanboel. Deze datum geldt als het begin van de Armeense genocide. Het is haar grootmoeder, de schrijfster Berdjouhi Barseghian, ooit een van de drie eerste vrouwelijke volksvertegenwoordigers van de democratische republiek Armenië, die uiteindelijk in 1924 voor de Sovjets naar Frankrijk vluchtte.
Dat verklaart waarom Jeanne Barseghian Armeens studeerde. Ze hielp ook mee aan een documentaire over Armenië voor ARTE. In Straatsburg richtte ze een afdeling van de vereniging SEVAK op, genoemmd naar de Armeense dichter en vertaler Parouir Sévak, die de socioculturele banden tussen Europa en Armenië wil versterken.
Straatsburg noemt zich graag ‘kersthoofdstad’. Zelfs een groene burgemeester kan dat niet negeren. En toch… Barseghian en haar team trachten na alle commotie de verbodsbepalingen te rechtvaardigen met de verklaring dat de kersmarkt ‘een republikeinse en seculiere organisatie is, maar met de magie van historische en traditionele wortels’.
De stad gaat nu, zoals dat heet, in gesprek met de handelaars en de inwoners om een en ander trachten uit te klaren. Het groene gemeentebestuur is zogezegd niet verbaasd over de polemiek maar ‘werkt naarstig verder’. Arrogantie en betweterij is eigen aan het groen activisme van hier tot in Straatsburg. Maar voor handelaars die hun voorraden voor de kerstmarkt maanden op voorhand moeten bestellen, zijn de investeringen al lang achter de rug. Ze kunnen zich na twee jaar covid geen nieuwe financieel fiasco veroorloven.
Wat ook in de lucht hangt, is een beperking van de kerstmarkt in duur en in tijd, omwille van de ‘energiecrisis’
Niet alle plannen van de stad zijn al uit de doeken gedaan. Wat ook in de lucht hangt, is een beperking van de kerstmarkt in duur en in tijd, omwille van de ‘energiecrisis’. Benieuwd of de groenen dàt nog gaan durven doordrukken na de ontstane polemiek.
Op sociale media maken heel wat Elzassers zich vrolijk over de heisa. Een kleine bloemlezing: ‘Is het verbod op champagne bedoeld als een promotie voor de Crémant d’Alsace?’, ‘Geen raclette meer in kaasland? Het einde van de wereld is nabij!’. Er zijn ook ernstigere reacties: ‘Het stadsbestuur moet zich enkel bezig houden met de huur van de standplaats. De handelaars zijn wijs genoeg om hun aanbod zelf te reguleren.’ Of ‘Geldt het verbod op kruisbeelden ook voor tekens en symbolen van andere religies, zoals de islamitische sluiers?’ En nog: ‘Binnenkort ook boeken of muziek verbieden?’
Het valt op hoe de groenen, overal in Europa en ook hier in Straatsburg, elke dag een beetje totalitairder te werk gaan om de gedragingen van mensen en instellingen naar hun hand te zetten. De echte vraag in Straatsburg is: bestaat er een verborgen groene agenda om de kerstmarkt op termijn te sluiten?
De krant Les dernières nouvelles d’Alsace probeert de nieuwe ‘ideale wereld’, die onder onze ogen ontstaat, nog humoristisch te benaderen en blijft positief: ‘We zijn gerustgesteld voor de volgende edities. Dankzij de verdwijning van petten en raclet, wordt de magie van de Straatsburgse kerstmarkt in ere hersteld.’
20.10.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-lotgevallen-van-een-bretoens-volkslied-in-oekraine/
Bij ons staat het lied bekend als de meezinger ‘wat zullen we drinken zeven dagen lang’. Weinig mensen weten dat het oorspronkelijk gaat om ‘Son ar chistr‘. Een Bretoens lied dat staat voor ‘het lied van de cider’. In het Bretoens, en ook in vele andere talen, werd het vele miljoenen keren gedraaid en beluisterd. Het lied is momenteel tot in Oekraïne populair. Dat laatste, zogezegd, tot ergernis van de Russen. Die klagen het lied aan alsof het om een ‘nazilied van de Luftwaffe’ gaat. Dat de wereld momenteel zot draait, is een vaststelling, spijtig genoeg, al meer dan ‘zeven dagen lang’.
In onze taal werd dit Bretoense lied gezongen door Bots, een Nederlandse band opgericht in 1974 en als groep bekend om zijn links politiek activisme. Zelf noemden ze dat liever ‘strijdcultuur’. Dit laat zich voelen in de Nederlandse tekst. Die is geen vertaling, maar een versie met een sociaal-politieke boodschap die niets meer met het origineel Bretoense lied te maken heeft. De Nederlandse versie lijkt meer op een drinklied voor de vakbonden na een betoging. Het verzacht ongetwijfeld de zeden als achtergrondmuziek voor een PdvA-meeting. Voor de liefhebbers van oude lp’s: het staat op de A-kant van het album ‘Voor God en Vaderland’.
Het komt nog steeds voor in de hitparade van de zogenaamde nederpopklassiekers
‘Wat zullen we drinken’ werd een succes, dankzij de Bretoense volksmuziek. Het komt nog steeds voor in de hitparade van de zogenaamde nederpopklassiekers. Voor de liefhebbers van het pseudo-Keltische genre bestaat er een andere Nederlandstalige versie. Die wordt gezongen door de folkgroep Rapalje en brengt ons een beetje dichter bij de oorspronkelijke bedoeling en sfeer.
Geef me dan maar het Bretoens origineel, een gezellig drinkliedje zonder pretentie. Voor de kenners eerst enkele verzen in het Bretoens:
Son Ar Chistr
Ev chistr ’ta Laou, rak chistr zo mat,
Ur blank, ur blank ar chopinad
Ar chistr zo graet ‘vit bout evet,
Hag ar merc’hed ‘vit bout karet
In het Nederlands letterlijk vertaald klinkt het ongeveer zo:
Het lied van de cider
Drink cider Laou want cider is lekker
Een cent, een cent voor een pint
Cider is gemaakt om te drinken
En de meisjes om lief te hebben
Wie denkt dat dit lied een oer-Keltische achtergrond heeft, is fout. Het werd in 1929 gecomponeerd door twee jonge Bretoense boeren, Jean-Bernard en Jean-Marie Prima. De twee broers maakten er een spel van om volkse deuntjes te componeren en liederen te schrijven die ze zongen tijdens de dagelijkse werkzaamheden op de boerderij. De oorspronkelijke tekst werd geschreven in het Bretoens van Bro-Gernev (Cornwall) en kende verschillende versies. Het lied werd in 1951 opgemerkt en genoteerd door de bekende Bretoense musicoloog Polig Monjarret. Het sudderde vele jaren in de Bretoense folkmilieus en werd gezongen door een half dozijn groepen. Wereldberoemd in Bretagne, een goed begin.
In 1970 bedacht Alan Stivell, de beroemde Bretoense harpist en zanger, een eigen interpretatie van ‘Son ar chistr’ voor zijn album Reflets. Het was in de periode dat Stivell zorgde voor een overdonderende doorbraak van de Keltische harp. Door zijn interpretatie maakte het lied snel furore in de Europese folkwereld. Het werd gecoverd door de Chieftains. Het inspireerde de Lombaardse Antonio Branduardi voor zijn prachtige ‘Gulliver’. Volgden nog vele vertalingen waarvan een Engelse, een Duitse die ook in de Duitstalige wereld werd gebracht door de Nederlandse groep Bots. ‘Son Ar Chistr‘ werd, als het ware, een Bretoense wereldhit.
officieuze hymne van de Luftwaffe, de luchtmacht van nazi-Duitsland
De titel van de Duitse versie, je raadt het, beste lezer, luidt ‘was wollen wir trinken, 7 Tage lang’. Deze trouwe vertaling van het ‘strijdbare’ Nederlandse lied heeft nu ook het Oekraïense volk bereikt en geïnspireerd. Er circuleert dezer dagen een video waar je een groep Oekraïense kinderen ziet optreden met een leuk danspasje op dit meeslepende deuntje. De onschuld zelve, zou je denken, ware het niet dat deze video onlangs op sociale media opdook met als verbazende Russische commentaar: Oekraïense kinderen zingen een ‘officieuze hymne van de Luftwaffe, de luchtmacht van nazi-Duitsland geleid door Herman Goering. Je zou denken dat muziek de zeden verzacht in oorlogstijden. Neen dus.
Bij een eenvoudige check op Google vond uw dienaar wel de ‘hymne van de Luftwaffe’, althans volgens een Russische versie. Bij ingave van de zoekterm ‘Luftwaffe march’, kwam onmiddellijk een ‘marching anthem — Luftwaffe SS’ tevoorschijn met de Duitse tekst van het lied ‘was wollen wir trinken 7 Tage lang’. Met andere woorden: de Russen doen alsof onze Nederlandse ‘wat zullen wij drinken’ en dus het Bretoense ‘Son ar chistr’ iets te maken hebben met de naziperiode. De Duitse tekst is vergezeld door een Russische vertaling die ik niet kan beoordelen. De marsmuziek die erbij hoort, wel. En die heeft evenmin met ons Bretoense liedje iets te maken. Ik herken de muziek van de Engelse film The battle of Britain ofte ‘Aces High March’ van de Britse componist en dirigent Ron Goodwin.
De Russen lachen in hun vuist
Dat de Russische bevolking wordt wijsgemaakt dat ‘was wollen wir trinken 7 Tage lang’ een officieuze hymne van de luchtmacht van nazi-Duitsland is, is wat het is. Dat deze manipulatietechnieken verder worden gebruikt om als een boemerang in ons gezicht terug te komen telkens de gelegenheid zich voordoet, hebben we aan onszelf te danken. Tijdens mijn summier onderzoek zag ik ook even het liedje ‘Erika’ passeren, eveneens voorzien van een Russische vertaling. Mijn hypothese is dat het incident rond het zogenaamde Duitse ‘nazilied Erika’ dat onlangs in de actualiteit kwam, ook van Russische oorsprong is. En dat Vlaamse en Westerse journalisten, gevangen in hun welbeproefde methode van de reductio ad Hitlerum, eringeluisd zijn. De Russen lachen in hun vuist.
Dat de wereld momenteel zot draait is een vaststelling, spijtig genoeg, al meer dan ‘zeven dagen lang’.
08.10.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/hoe-vlaanderen-een-vazal-van-frankrijk-werd/
Vorig jaar, in volle covidtijd, verraste een Frans-Vlaamse supermarkt in Halewijn (Halluin), dat is een gemeente bij het West-Vlaamse Menen, maar dan net over de grens, met een verwelkoming in de taal van de ‘grensklanten’. Het klonk zo: ‘Liebe Grenzkunden. Sie können weiterhin bei uns einkaufen!’. De Franse supermarkt werd er door zijn Vlaamse klanten vriendelijk op attent gemaakt dat de tekst op het reclamebord geen Nederlands, maar Duits was. Hoe zeg je dat, ‘ein Irrtum’ in het Frans? Het mocht al een wonder heten dat de Franse supermarkt ontdekte dat in Menen Nederlands werd gesproken. Een jaar later is een bord, deze keer in de juiste taal, terug van toepassing, maar met een aangepaste boodschap: ‘Beste grensklanten, in Frans-Vlaanderen is alles goedkoper’.
Tanken in de grensstreek lijkt op een processie van Echternach. De ene keer is de prijs aan de pomp aan deze kant van de schreve goedkoper. Maanden later is het omgekeerd. Voor de liefhebbers: je spaart momenteel 20% op benzine en 15% op diesel als je in Frans-Vlaanderen tankt (op basis van de gemiddelde prijzen op 16 september jl.).
Voor de prijzen in de supermarkt is de situatie duidelijk en standvastig. Tien jaar geleden waren er al verschillen te noteren tussen 10 en 20%, goedkoper aan Franse kant. Momenteel gaat het opnieuw om 15 tot 20 % goedkoper, en soms meer. Ik ken West-Vlamingen die al jaren trouwe klant zijn in de supermarkten in Duinkerke of in het Rijselse. Ze vinden het de moeite waard om daar alle basisproducten te kopen.
We horen dagelijks hetzelfde verhaal. Die hoge prijzen, dat is de brede rug van Poetin, de schuld van de oorlog met Oekraïne, de schaarste aan gas, en dus de dure verwarming, de onbetaalbare elektriciteit, de hoge transportkosten enzovoort. Over de kostprijs en de economische gevolgen van covid wordt vreemd genoeg gezwegen.
Tien jaar geleden was er wel gas, maar geen covid, en geen oorlog tussen Rusland en Oekraïne, maar de prijsverschillen bestonden toen al
Tien jaar geleden was er wel gas, maar geen covid, en geen oorlog tussen Rusland en Oekraïne, maar de prijsverschillen bestonden toen al.
Voor wat Frankrijk betreft wordt gewezen naar de prijsoorlog tussen de grote Franse supermarkten. Dat zal wel. Maar onze dochter, die in Nederland woont, vertelt ons hoeveel goedkoper sommige basisproducten in de Nederlandse supermarkt wel zijn in vergelijking met Vlaanderen. Als voor Nederland geen Franse prijsoorlog geldt, wat is er dan wel aan de hand?
Een ander argument is de schaalgrootte. België is klein. Nederland is groter, Frankrijk en Duitsland zijn reuzen. Uiteraard speelt de schaalgrootte een rol. Het is een waarheid als een koe dat men betere inkooprijzen bekomt voor grotere volumes. Alhoewel: de distributie negotieert en koopt op voorhand telkens het kan en vormt een buffer tegen de prijsverhogingen, verzacht ze en spreidt ze in de tijd. Grote groepen die centraal en dus beter inkopen zijn evenzeer aanwezig in België. Denk aan internationale bedrijven als Carrefour, Lidl, Aldi en Albert Heyn.
Een aparte problematiek vormen de grote merken die ook per land, hun prijzen dicteren. Daarvoor hebben de supermarkten eigen labels bedacht. Als dat niet alles opvangt is het toch een waardevol alternatief voor uw en mijn portemonnee. Er is voor alles een oplossing.
De volgende post die prijzen duurder maakt is de promotie en marketing, zegt men. Voor grote afzetlanden met één taal is het leven op het eerste zicht vrij simpel. Een klein land met twee of meerdere talen betekent meer kosten. Specialisten gaan uit van 5 tot 7%. De oplagen van folders en catalogen zijn bescheiden, de kosten per stuk hoger. Bovenop, moet je in meerdere talen drukken. Idem voor de inrichtings- en functioneringskosten van een winkel. Maar de digitale wereld is dat deels aan het oplossen.
Het zijn vooral de grote internationale bedrijven die, vanuit de ivoren toren in de Europese hoofdkwartieren, de plaatselijke markten onderschatten en hun landelijke vestigingen op kosten jagen. Ze denken alles op te lossen met standaardoplossingen en met groot geld binnen de korstmogelijke tijd. Slimme bedrijven passen zich aan, zijn creatief, en zetten de tering naar de nering om meer voordelen te halen uit meerkosten. En ze respecteren uiteraard de taal van hun Vlaamse klanten.
Natuurlijk heeft wat voorafging invloed op de prijzen. Maar er zijn andere oorzaken die fundamenteler zijn en waarvoor men in politiek en sociaal Belgiëland de ogen sluit.
De bruto loonkosten voor de werkgevers liggen in Vlaanderen 13 tot 15% hoger dan in Frankrijk en 21% hoger dan in Nederland
De bruto loonkosten voor de werkgevers liggen in Vlaanderen 13 tot 15% hoger dan in Frankrijk en 21% hoger dan in Nederland. De rekening is dan snel gemaakt.
Het automatisch systeem van de index, uniek in Europa, speelt hierbij een rol. Met de index is het als de vraag over de kip en het ei: komt er een indexering van de lonen omdat de prijzen van basisproducten verhogen? Of verhoogt de prijs van de basisproducten sneller dan in de omliggende landen omwille van de index?
Als ik even mag vergelijken met Frankrijk- waarmee ik niet bedoel dat men daar het paradijs op aarde aantreft – zou de komende dubbele index binnenkort nogmaals 7% gaan bedragen. De lonen in Frankrijk zullen terwijl misschien 2 tot 3% stijgen, en wel verspreid over een langere periode. De omvang, gekoppeld aan de snelheid van de weerslag op de reeds hogere loonkosten, en dus mede op de prijzen in de winkel, is voor alle partijen in Vlaanderen, sociaal en concurrentieel een vicieuze cirkel.
Mij gaat het niet over zin of onzin van de index. Maar wel over de kost van het totaal loonpakket voor de werkgever in dit land en het deel dat netto overblijft voor de werknemer. Ook dat is vrij uniek in Europa, maar dan wel in negatieve zin.
Het ergste moet nog komen. Ik heb me gewaagd aan een snelle vergelijking van energiekosten in België en Frankrijk. Om een lang verhaal kort te maken kom ik tot de conclusie dat de energiefactuur voor een handelaar hier momenteel 41% duurder is dan voor een handelaar in Frans-Vlaanderen. Uiteraard subsidieert de Franse staat, heer en meester inzake eigen energie, royaal de energiefactuur van zijn onderdanen. Maar voor België geldt vanwege dezelfde Franse leveranciers de harde werkelijkheid van de marktprijzen en van het vrije ondernemerschap. En dat kost ons dus 41% meer.
Voor wie van precieze referenties houdt: voor dit onderdeel steun ik op gegevens van eind juli 2022 (Household Energie price index). Ik geef hier de gas- en stroomprijzen in euro per kwh in resp. België (B), Frankrijk (F), Nederland (NL) en Luxemburg (LUX):
Gasprijzen :
B 12,25 ; F 10,68 ; NL 23,19 ; LUX 10,54
Stroomprijzen :
B 35,05 ; F 24,83 ; NL 30,51 ; LUX 21,41
U leest het goed: uw stroomkosten liggen 41,15% hoger dan in Frankrijk, 14,88% hoger dan in Nederland en 63,70% hoger dan in het Groothertogdom Luxemburg. Dat laatste land is nochtans veel kleiner dan België.
Kort door de bocht is de hoofdoorzaak van dit alles, los van de vele taxen, het feit dat dit land zijn energiepoot aan Frankrijk heeft versast
Kort door de bocht is de hoofdoorzaak van dit alles, los van de vele taxen, het feit dat dit land zijn energiepoot aan Frankrijk heeft versast. Dat hebben wij niet te danken aan Poetin, maar wel aan de Paarse regering van liberalen en socialisten onder de lumineuze leiding van Verhofstadt II.
De slotsom van deze totale uitverkoop, of juister gezegd van deze criminele daad, speelde zich af in 2006. Onze Guy, op bezoek bij de Franse president Chirac, verklaarde toen, aldus de krant De Standaard, dat het voor hem ‘niet belangrijk was wie de aandeelhouder was van de kerncentrales van ons land en dat hij alleen maar bezorgd was om de consument’.
Vlaanderen als vazalstaat van Frankrijk, met dank aan ‘da joenk’. De ultraliberalen die, binnenkort, en samen met de socialisten, op kosten van de Vlamingen en van Deborah, ons ook het Waals faillissement door de strot zullen duwen, brengen Vlaanderen terug naar de middeleeuwen.
23.09.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-savoie-in-alle-staten/
De Savoie bestaat vandaag uit twee Franse departementen in de Alpen waar de Fransen bij voorkeur op wintersport gaan. Vroeger was de Savoie een belangrijk hertogdom, een strategisch kruispunt in de Alpen. Sinds 1720 vormde de Savoie samen met Sardinië, het vorstendom Piëmont, het hertogdom Aosta, het graafschap Nizza (Nice) en Ligurië – dat is de streek van Genua – een heus koninkrijk. Het scheelde niet veel of de Mont-Blanc was niet de hoogste berg van Frankrijk geweest. De Franse president François Mitterrand, op bezoek in de regio, verklaarde op een onbewaakt moment: ‘De Savoie, dat is niet helemaal Frankrijk’.
Laurent Blondaz, voorzitter van de regionalistische beweging ‘Mouvement Région Savoie’, citeert in zijn boek ‘Savoie. Des questions qui dérangent’ de modale Parijzenaar die de Savoyards, dat zijn de inwoners van de Savoie, karikaturaal beschrijft. Hij vat de Parijse arrogantie op in een boutade: ‘De Savoyards leven in houten blokhutten, ze eten elke maaltijd fondue en ze verplaatsen zich altijd op ski’s’. Daarom gebruik ik hier de term ‘Savoyer’ om aan de clichés van de ‘Savoyards’ als achterlijk-boerenvolk-tussen-de-koeien-in-de-bergen te ontsnappen.
De allereerste eis van de Savoyers is kernachtig gevat in een citaat van een andere man uit de streek, Antoine Borrel (1878-1961): ‘Er zijn vandaag twee departementen die de naam Savoie dragen, maar er is maar één Savoie en dat is het land van onze voorouders’. Dat is meteen het voornaamste streven van alle autonomisten en regionalisten sinds de Savoie bij Frankrijk is toegevoegd. De noordelijke Savoie heet nu officieel Haute Savoie met steden als Annecy en Chamonix, en de andere, kortweg, Savoie met Chambéry en Albertville.
‘In de tijd dat de Savoie Italiaans was’, is een van die zinloze uitdrukkingen die je in Frankrijk wel eens hoort. De Savoie is nooit Italiaans geweest, om de eenvoudige reden dat Italië in 1860 nog niet bestond. Italië ontstond pas in maart 1861, bijna een jaar na de aanhechting van de Savoie bij Frankrijk. Het feit dat de eenheid van Italië het werk was van koning Victor Emmanuel II, familiaal, behorend tot het huis van Savoie, is misschien verwarrend maar verandert er niets aan. Integendeel, Victor Emmanuel II, die de Savoie en Nizza aan Frankrijk cadeau gaf in ruil voor steun bij het ontstaan van de nieuwe staat Italië, wordt door de Savoyers als een verrader beschouwd.
Toen de Savoie, samen met Nizza, op 14 juni 1860 bij Frankrijk werd aangehecht behoorde ze tot het soevereine koninkrijk van Piëmont-Sardinië. De Savoyers spreken ook graag van Stati Sabaudi. Een eerste poging van Frankrijk om de Savoie te annexeren had plaats in 1792, tijdens de Franse Revolutie. Dat deze poging geen goede herinnering heeft nagelaten getuigt het feit dat in 1892, op de viering van de honderdste verjaardag van deze brutale annexatie, alle volksvertegenwoordigers en senatoren uit de Savoie de feestelijkheden boycotten.

Bij de brutale annexatie van 1792 werd door de Franse staat bewust vermeden de Savoie opnieuw departement du Mont-Blanc te noemen. Deze naam, die de Franse revolutionairen aan de Savoie hadden gegeven, deed de bevolking te veel denken aan de bloedbaden aangericht door de Franse Revolutie. Alleen om die reden kon de Savoie haar historische naam behouden. Wel werd er bewust gekozen om ze onmiddellijk in twee departementen te splitsen, in een poging om de historische eenheid van de streek meteen te breken.
De Walen die hopen om ooit een bijzondere status binnen Frankrijk te krijgen zijn verwittigd: het beloofde Frans vaderland heeft nog nooit zijn engagementen gehouden als het gaat om decentralisatie en zelfbestuur
Het verdrag van Turijn, dat op 24 maart 1860 tussen Frankrijk en het koninkrijk Piëmont-Sardinië werd gesloten, hield ook bepaalde beperkingen in. De Savoie diende de status van een vrije zone te krijgen: het recht om eigen munt te slaan en uit te geven moest worden behouden, alsook als de eigen juridische en academische instellingen. Het onderwijs van de eigen geschiedenis dat later, in 1920 in alle stilte werd afgeschaft, diende te worden gegarandeerd. Met andere woorden: de Savoie had bij aanvang een bijzonder zelfstandige status moeten krijgen. Maar voor Frankrijk was dat onderdeel van het verdrag een vodje papier. De Walen die hopen om ooit een bijzondere status binnen Frankrijk te krijgen zijn verwittigd: het beloofde Frans vaderland heeft nog nooit zijn engagementen gehouden als het gaat om decentralisatie en zelfbestuur.
In 1995 werd de Ligue Savoisienne of Savoyaanse Liga opgericht. Vaststellend dat de volksraadpleging van 1860 werd vervalst met nul stemmen tegen de aanhechting bij Frankrijk, en dat Frankrijk zich niet hield aan de clausules van het Verdrag van Turijn, streefde de Liga naar een onafhankelijke staat Savoie. De Liga was aangesloten bij de Europese Vrije Alliantie. In oktober 2012 werd de beweging opgeheven. Sindsdien streven verschillende groepen voor onafhankelijkheid. Enkele namen: Etat Federal de Savoie, Confédération Savoisienne, Pour la Savoie, Savoie Libre Jeune.
Voor sommigen is de ultieme droom de restitutie van een heuse federale Alpenstaat met als naam Arpitanië
Voor sommigen is de ultieme droom de restitutie van een heuse federale Alpenstaat met als naam Arpitanië. Anderen voelen er meer voor om de streek als nieuw kanton bij de Zwitserse confederatie te laten aanleunen.
De autonomisten en regionalisten, verzameld rond de beweging Mouvement Régions Savoie, streven voornamelijk naar een regio met autonome status die de twee departementen samenbrengt. De beweging werd in de beginjaren beïnvloed door het ideeëngoed van de Zwitserse filosoof en schrijver Denis de Rougemont. Het steunt minder op historische eisen en verdedigt een federalisme naar Zwitserse en Italiaanse voorbeelden.
Of ze nu aanhanger zijn van zelfbestuur of van onafhankelijkheid, de Savoyaanse verenigingen verzamelen rond enkele voorname eisen. Naast het samensmelten van de twee departementen op Frans grondgebied willen ze de erkenning en bescherming van hun streektaal, vroeger met de verwarrende naam Franco-Provencaals aangeduid maar die ze zelf Arpitaanse taal noemen. De Arpitaanse taal is in groot gevaar: amper 80.000 mensen spreken nog Arpitaans. Ze eisen het recht op onderwijs van de Savoyaanse geschiedenis, door Frankrijk discreet stopgezet in 1919. Een algemene klacht is ook het gebrek aan betaalbare woningen voor de eigen bewoners, de invasie van tweedeverblijvers en de smakeloze, wilde urbanisatie van de skioorden door investeerders uit de Franse hoofdstad. Talloze protesten hebben ook te maken met de milieuvervuiling door het wagen- en transportvervoer en met de aanleg van nieuwe wegeninfrastructuur om de Alpen te doorkruisen.
*Savoie. Des questions qui dérangent, Laurent Blondaz, Uitgeverij Yoran Embanner, 2022
18.09.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/was-de-eerste-vlaamse-leeuw-helemaal-zwart/
Telkens het anti-Vlaamse kamp het niet laten kan, wordt de strijdvlag van de Vlaamse beweging met zwarte leeuw op een gele achtergrond gretig bezoedeld als ‘collaboratievlag’, ‘fascistisch’, en nog meer van dat fraais. Men beweert in een zelfde beweging dat de Vlaamse leeuw met rode klauwen ouder zou zijn dan de Vlaamse strijdvlag. Deze stelling is zelfs over de schreve tot in Frans-Vlaanderen overgewaaid, waar de Vlaamse leeuw nog veelvuldig wappert, maar dan in een driekleurige versie wegens geen last met de Belgische ziekte. Tijd voor een beetje geschiedenis over de Vlaamse leeuw.
Luc Pauwels, in zijn dagelijkse, waardevolle dagklapper op Doorbraak, herinnert ons er aan dat op 6 juli 1973 de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap een decreet goedkeurde ‘tot instelling van een eigen vlag, een eigen volkslied en een eigen feestdag van de Nederlandse cultuurgemeenschap’. De beschrijving van de Vlag van de Vlaamse Gemeenschap luidt als volgt: een klimmende leeuw met als kleuren geel met een zwarte leeuw, rood geklauwd en getongd. Ik bespaar onze lezers een lang betoog over het feit dat de vlag van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd niet werd weerhouden. Onthoud dat zonder het veto van de politieke voorvaders van Conner Rousseau de vlag van de Vlaamse gemeenschap wel degelijk de vlag van de Vlaamse beweging zou zijn geweest.
De eerste Vlaamse leeuw die wij kennen dateert uit 1162. Hij stond op een zegelring van de latere Vlaamse graaf, Filips van de Elzas (1142-1191). Voor die tijd werd misschien een ander wapen gebruikt genaamd Oud-Vlaanderen, alhoewel dit onduidelijk is. In de Gravenkapel in Kortrijk, pas in de veertiende eeuw gebouwd, kan je zien dat het Filips van de Elzas is die voor de eerste keer een schild met Vlaamse leeuw draagt met aan zijn voet het afgedankte Oud-Vlaanderen.
Oud-Vlaanderen wordt beschreven als een schild van twaalf stukken van lazuur (blauw) en goud (geel), met een hartschild van keel (rood). Het is nog steeds een onderdeel van het wapen van de provincie West-Vlaanderen. Historische bewijzen dat dit wapen werkelijk werd gebruikt zijn niet gevonden. Alle referenties naar Oud-Vlaanderen dateren, merkwaardig genoeg, van twee eeuwen later. Men verbindt Oud-Vlaanderen aan de Rijselse woudmeester Liederik, legendarische voorvader van de eerste Vlaamse graven. Maar het bestaan van dit mythische personage is al even mistig als zijn wapen.
Over de oorsprong van onze leeuw zijn verschillende versies in omloop. Het zou een verband hebben met de kruistochten, overgenomen zijn van een sultan na een gevecht gewonnen door graaf Filips van de Elzas. Een andere mogelijkheid is dat de Vlaamse graaf de leeuw als wapen eerst zag bij Willem van Ieper, ook bekend als Willem van Lo, de eerste om een gaande leeuw, helemaal zwart, in zijn blazoen te dragen. Willem had deze symboliek uit Engeland meegenomen, het land waar hij vele jaren oorlog voerde.
Ik zal de rabiate anti-Vlaamse medemens niet kunnen helpen want de allereerste bekende afbeeldingen van een Vlaamse leeuw zijn zwart, helemaal zwart. In het Liber Additamentarum van Matthaeus Parriensis, dat ongeveer van 1250 dateert, ziet men een zwarte leeuw, zonder klauwen en zonder tong. De Vlaamse heraldicus Ernest Warlop (1935-2003) merkte fijntjes op dat in de wapenkunde, tot in de veertiende eeuw, dieren zonder tong werden voorgesteld.
De bibliotheek van Kamerijk in Frans-Vlaanderen bezit een prachtige miniatuur uit 1260: een ridder met volledig zwarte leeuw. Geen spoor van rood. Het wapenboek Dering (1270-1280) laat de leeuw van Boudewijn van Dampierre zien, zoon van graaf Gwijde, eveneens met zwarte klauwen maar zonder tong. In het wapenboek Wijnbergen dat van het eind van de dertiende eeuw dateert, zie men een volledige zwarte leeuw zonder klauwen en zonder tong.
Pas in de tweede helft van de veertiende eeuw verschijnt in het wapenboek Gelre, voor de eerste keer, een leeuw met rode klauwen en tong. De periode stemt overeen met een standaardisering en verfijning van de heraldiek in die tijd.
Nu we weten dat de oorspronkelijke vlag geel en zwart was, blijft nog de bijkomende vraag: was het een leeuw? In de dertiende en veertiende eeuw werd ook gesproken van een luipaard. De eerste tekeningen van onze leeuw zijn inderdaad aarzelend en doen meer denken aan een gaande luipaard die staand, een leeuw is geworden. De naam ‘Liebaards’, de Vlamingen uit het Vlaamse kamp in de tijd van de slag der Gulden Sporen, suggereert ook dat onze oorspronkelijke leeuw mogelijk een luipaard was, in het Latijn, ‘leobardus’.
Bepaalde linkse en anarchistische kringen vinden het nodig uit te pakken met de geel-zwarte vlag als collaboratievlag om de huidige Vlaamse beweging in diskrediet te brengen. Voor een Frans-Vlaams publiek gebruik ik als argument dat niemand tot de gedachte kwam de Franse vlag te verbieden al werd de Franse driekleur algemeen gebruikt door de Franse collaboratie. Denk onder meer, maar niet alleen, aan het Vichy-régime onder Maarschalk Pétain. Idem voor de Belgische driekleur, wegens veelvuldig gebruik door de Rex-beweging en door het Waals Legioen, onder bevel van le beau Léon.
Laat niemand zeggen dat de vlag van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd geen historische vlag is want de tweekleurige vlag is twee eeuwen ouder dan de vlag met rode tong en klauwen. En als iemand tot de intolerante gedachte komt om de Vlaamse strijdvlag te verbieden wegens het collaboratieverhaal heeft Hendrik Vuye, professor Staatsrecht, refererend naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens, dit enkele jaren geleden juridisch afgeblokt.
Vuye: ‘Men noemt dat polysemische symbolen, symbolen die meerdere betekenissen hebben. De vlag met de zwarte Vlaamse Leeuw heeft een andere betekenis wanneer ze zou opgehangen worden bij een herdenking van een of andere collaborateur dan wanneer ze gebruikt wordt binnen de Vlaamse Beweging. Zo’n polysemisch symbool gaan verbieden door het te herleiden tot een héél beperkte periode van de geschiedenis is een vrij flagrante inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.’
28.08.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/wat-niemand-vertelt-over-kales/
Zeg niet Calais maar Kales, want in deze havenstad aan de Noordzee sprak men tot de vijftiende eeuw nog Nederlands. Spreek niet alleen over ‘de jungle van’: in Kales tellen de inwoners nog mee, inwoners met een mening over de toestand in en rond hun stad.
Ik sprak met één van hen, Pieter, een geboren Calaisien die boeiend kan vertellen over lief en leed in zijn stad. Pieter is een schuilnaam, want het is in Kales niet meer vanzelfsprekend om voor zijn mening uit te komen. Een afspraak met een stem uit de zwijgende meerderheid.
We hebben afgesproken voor de beeldengroep van de ‘zes burgers van Kales’, het beroemd werk van August Rodin.
‘Makkelijk te vinden om elkaar te treffen hé! Dit beeld herinnert er ons aan dat de Engelsen in Kales steeds een hoofdrol speelden. Engeland kwam in het bezit van de stad in 1347, na de slag bij Crécy, en dit voor twee eeuwen. De legers van de Engelse koning Eduard III wilden deze overwinning vieren met de plundering van de stad. Het standbeeld laat zes voorname burgers van Kales zien, die hun leven zouden opofferen om de stad te redden. Schaars gekleed en met de strop om de hals, overhandigden ze de sleutels van de stad aan de Engelse koning. Eduards echtgenote Filippa van Henegouwen smeekte toen haar man om hun leven te sparen, en zo geschiedde.’
Dichter bij Groot-Brittannië kan je niet komen.
‘We bevinden ons hier op 30 km van de Engelse kust. Bij mooi weer kan je het kasteel van Dover, ‘de sleutel van Engeland’ goed zien. Kales, vandaag 72.500 inwoners, groeide uit schaarse vissershuisjes in de twaalfde eeuw. Een initiatief van de broer van de Vlaamse graaf Filips van de Elzas
Maar de glorietijd met de traditionele havenactiviteiten ligt inmiddels achter ons
, want Vlaanderen speelde tot in Artesië een voorname rol. Vandaar ook het stadhuis in neo-Vlaamse stijl met Belfort, ingehuldigd in 1925. Kales was in de veertiende eeuw lid van de Londense Hanse. Maar de glorietijd met de traditionele havenactiviteiten ligt inmiddels achter ons. Dat heeft te maken met de bouw van de Kanaaltunnel op enkele kilometers van hier.’
Vlamingen denken dat de Kanaaltunnel in Kales begint en werk verschaft
‘In realiteit begint de kanaaltunnel in het dorpje Coquelles, op een tiental kilometers van Kales. Dit heeft niet alleen de activiteiten in de haven van Kales drastisch veranderd. Ook de spoorweginfrastructuur is opgeschoven en het wegennet heeft sinds 1994 de regio onherkenbaar veranderd. De stad zelf telt meer dan 12 procent werklozen.’
Wie zegt Kales, zegt vluchtelingen…
‘De naam “Kales” werkt als een magneet op alle vluchtelingen. Niet alleen de stad maar ook de hele kuststreek hier is hét verzamelpunt voor wie de overtocht wil wagen. De overlast is niet alleen fysisch maar ook psychisch: de situatie duurt nu al decennialang en de mensen zijn het beu. Er heerst een mengeling van frustratie, spanning, soms ook van geweld.’
Hoe veilig is het om in Kales en omgeving te wonen?
‘Het onveiligheidsgevoel overheerst. De directe omgeving van Kales lijkt stilaan op een grote gevangenis, met hoge hekken rond de haven, en langs de wegen naar de Kanaaltunnel. Door deze maatregelen heeft de problematiek zich verspreid langs de 130 km lange kust tussen Bray-Duinen aan de grens, en Berck. Elke nacht ontvouwt zich een kat-en muisspel tussen vluchtelingen en politie. Het is dweilen met de kraan open en de politie laat regelmatig begaan. Dat speelt zich af op dezelfde stranden waar bij dag kinderen zandkastelen bouwen en ouders zonnebaden.’
En laat de bevolking begaan?
‘Zeker niet. De mensen zijn ongelukkig, maar ook woedend over de overlast, het geweld, het vuil. Ze beseffen wel dat dit boven de pet van de plaatselijke overheid is gegroeid met de politiek, van ‘wir schaffen das’, en van Parijs en Londen die elkaar de bal terugkaatsen. Ondertussen worden de mensensmokkelaars oppermachtig aan beide kanten van de Noordzee. De illegaliteit blijkt een ideale biotoop voor de moderne slavernij die hier en aan de overkant floreert als nooit tevoren.’
Toont de bevolking ook begrip voor de mensenellende?
‘Ja, uiteraard, als het gaat om het lot van vrouwen en kinderen, en van al die sukkelaars. Neen, want hoe kan je begrip tonen voor mensenhandel, prostitutie, drugshandel in je achtertuin?
De grote meerderheid hier heeft er genoeg van. Genoeg van de criminaliteit, genoeg van de verzwegen, soms gewapende conflicten met en onder groepen vluchtelingen, genoeg van de laffe houding van de overheid.
Een heel kleine minderheid helpt de migranten
Een heel kleine minderheid helpt de migranten. Ik moet u niet uitleggen dat er dan geen dialoog meer mogelijk is tussen de enkelingen die illegale migranten thuis ontvangen en de meerderheid die betoogt tegen de overlast.’
Kan men spreken van een georganiseerd verzet?
‘Er zijn groepen die zich hebben verzet met betogingen, bezettingen, petities. Tot in 2015 had je Sauvons Calais en sindsdien een groep Calaisiens en colère. Maar het protest wordt vakkundig gecounterd. Wie in het verleden onder zijn ware identiteit zijn nek uitstak werd snel afgeschilderd als een racist, een fascist, extreemrechts. Liefst voor de foto, met een spierbom met kort haar en een tattoo op zijn voorarm, weet je wel. Dat werkt, want het schrikt de modale burger af. Lokale verzetshaarden werken daarom in de anonimiteit, met schuilnamen, wisselende woordvoerders en strategieën.
Dit gezegd zijnde, het stemgedrag van de inwoners is een interessante barometer om te weten wat de bevolking echt denkt.’
Er waren onlangs presidentsverkiezingen in Frankrijk. Hoe heeft Kales gestemd?
‘In de tweede ronde van de presidentsverkiezingen stemde 61,66 procent van de inwoners van Kales voor Marine Le Pen tegen 38,34 procent voor Macron. Bovendien heeft ongeveer 40 procent niet, of ongeldig gestemd. Het zegt veel over de gemoedstoestand van de modale Calaisien en over de geloofwaardigheid van de politiek.’
Heeft men een idee van de omvang van de illegale migratie?
‘Enkele jaren geleden sprak men van 10.000 vluchtelingen in de “jungle”. Vandaag lees je cijfers als 3.000, maar niemand weet het. Volgens officiële Britse cijfers waren er in 2021 meer dan 28.000 migranten die Engeland bereikten. Dit voorjaar spreekt men over een stijging met 68 procent. De Britse diensten gaan uit van meer dan 60.000 migranten die de overtocht zullen maken in 2022. Wie in de illegaliteit blijft aan beide kanten, zit niet in deze cijfers. De slachtoffers al evenmin: weet dat in juli jl. 170 mensen in één nacht gered zijn door de Franse autoriteiten. Het geeft zo een idee welke drama’s zich ‘s nachts voor onze kust afspelen terwijl de brave burgers lekker slapen. Mijn inschatting gaat uit van 100.000 tot 120.000 illegale vluchtelingen die dit jaar in de streek van Kales zullen neerstrijken.’
Wie zijn de mensensmokkelaars?
‘Het is een goed georganiseerde maffia geworden, voornamelijk van Iraaks-Koerdische afkomst. We bevinden ons op amper 57 km van de Frans-Belgische grens en deze organisaties hebben ook steunpunten over de schreve. En uiteraard ook een uitgebreid netwerk in Engeland.
Men spreekt van een prijs van 3.000 tot 6.000 euro per persoon om de oversteek naar Engeland te wagen
Er is geld, veel geld mee gemoeid. Men spreekt van een prijs van 3.000 tot 6.000 euro per persoon om de oversteek naar Engeland te wagen. Wie niet betalen kan, krijgt het nodige krediet. Voor deze laatsten wacht aan de overkant gedwongen werk of prostitutie tot de schuld is betaald, want de mensenhandelaars laten ze niet los’.
Is mensenhandel big business geworden?
‘Zeg dat wel. In heel Europa is dat een miljarden business. Voor Kales en omgeving wordt de opbrengst van de oversteek dit jaar op meer dan 300 miljoen euro geschat. Ik bespaar je de nevenactiviteiten als wapenhandel, valse papieren, prostitutie, zwartwerk, enz. Naast het illegale circuit zie je ook een legaal netwerk dat zich heeft georganiseerd en veel geld verdient op de rug van deze arme mensen: advocaten en juridische associaties, sociologen, vertalers, tolken, bedrijven op zoek naar goedkope arbeidskrachten. Ook de rol van bepaalde hulpverleners is soms dubieus.’
Sociologen?
‘Als er incidenten zijn tussen migranten en de plaatselijke bevolking wordt er niet meer gezocht naar de bron van het probleem, nl. de illegale migratie, maar naar de sociologische achtergrond van zogenaamde ruziezoekende calaisiens, om ze in diskrediet te brengen. Oorzaak en gevolg: nooit van gehoord zeggen deze sociologen in hun universitaire ivoren toren. Het komt er op neer de lokale, boosaardige subculturen en hun leiders te duiden, en in vakjes te classificeren volgens de laatste wetenschappelijke studies van deskundige confraters, om dan “objectief” de boerenpummels aan te wijzen die de trein van de diversiteit hebben gemist. En klaar is Kees.’
En wat met de hulpverlening?
‘De grens tussen échte humane ondersteuning en strafbare praktijken vernauwt. Ik herinner me nog een ware processie aan Belgische hulpverleners. Op de lange duur wist men geen blijf meer met al de nutteloze spullen, vervallen voeding en medicamenten die ze brachten. Vandaag zijn leveringen uit België meer aangepast aan de vraag. Ik las in de krant Le Parisien dat de mensensmokkelaars grotere boten voor de overtocht gewoon via containers vanuit China laten komen. Ook zulke operaties lopen via België.’
De Franse minister van Binnenlandse Zaken Darmanin heeft België al met de vinger gewezen. Terecht volgens u?
‘Sinds de honderdjarige oorlog is het voor een Franse minister bon ton om, bij problemen met Engeland, te wijzen naar het “perfide Albion”. Vervolgens rolt Parijs de spieren richting kleine buren om de Engelsen te laten voelen hoe hard Frankrijk werkt aan de vluchtelingenproblematiek.’
Welke rol speelt België volgens jou?
‘Een grotere rol dan je zou denken. Brussel is zowel lokaal als in Europees verband een professionele draaischijf voor juridische bijstand aan de illegale migratie. De aanwezigheid van de grens faciliteert het circuleren van vluchtelingen onder de radar met Kales als poort naar Engeland.’
Blijf je in Kales wonen?
‘Ik ben in Kales geboren en ga hier niet weg. Onze mensen hebben hulp nodig nu de overheden het laten afweten. Een meerderheid van de Calaisiens staat achter ons en wij zullen ons blijven inzetten om Kales opnieuw leefbaar te maken voor zijn inwoners.’
15.08.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/frans-vlaanderen-2/
Op 25 juli 1948 wordt door de West-Vlaamse letterkundigen Luc Verbeke en André Demedts, het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV) opgericht. Het is de start van een heuse werking, decennialang motor van alle aandacht op – en steun aan Frans-Vlaanderen.
Deze voor Frans-Vlaanderen onmisbare hulp verdween geleidelijk, samen met de generaties die het in het leven hadden geroepen. Alleen de taalwerking bleef bestaan. Is aandacht voor – en hulp aan Frans-Vlaanderen anno 2022 tot nostalgische folklore of irredentisme te reduceren? Of moet Vlaanderen opnieuw in de voetsporen van deze pioniers treden?
Als ik de officiële Franse cijfers mag geloven, bezoeken 1,5 miljoen Vlamingen jaarlijks Frans-Vlaanderen. Het aantal Nederlanders ken ik niet, maar die mag je er bovenop tellen. Belangstelling voor Frans-Vlaanderen is er dus genoeg. Maar voor wat de doorsnee Vlaming al lang ontdekte hebben onze politieke, sociale en economische instanties geen oog.
Of het is om er een lekkere picon te drinken, de vele Vlaamse dorpen te ontdekken, te fietsen op de flanken van de Kats- of Kasselberg, of simpelweg om even langs de supermarkt te gaan omdat de prijzen van basisproducten in Frankrijk 1/3 goedkoper zijn geworden dan bij ons. Alle redenen zijn goed om even over de schreve te springen. De vraag is of de Vlamingen ook nog voor iets anders over de schreve willen kijken.
Jaarlijks organiseerde het KFV één grote Frans-Vlaamse cultuurdag in Waregem, waar Nederlanders, Vlamingen en Frans-Vlamingen elkaar ontmoetten. Je trof er een bonte waaier van persoonlijkheden uit de Vlaamse Beweging, de culturele wereld en de Vlaamse politiek.
Ik maakte er kennis met mensen als historicus Eric Defoort, Ons Erfdeel-uitgever en publicist Jozef Deleu, Dr. Daniel Merlevede, pilaar van de ‘héél-Nederlandse gedachte’ Marten Heida, Nederlander en voorzitter van de vereniging Zannekin, minister van Nederlandse cultuur Rika De Backer, CVP-senator en latere gouverneur Leo Vanackere, Volksunie verkozenen Walter Luyten en Willy Kuijpers, de Nieuwpoortse socialistische burgemeester Georges Montmorency en organisator van de Frans-Vlaamse veertiendaagse in zijn stad. Bruggen bouwen met andersdenkenden kon toen beter dan nu.
Wat doet tegenwoordig ’t stad, met haar Vlaamsgezinde meerderheid, om de streek te helpen waar de bron van de Schelde ligt?
Het was in die tijd dat de socialistische burgemeester van Antwerpen, Lode Craeybeckx – namens zijn stad – financiële steun toekende aan een Frans-Vlaamse vereniging onder het aangepaste motto ‘wij laten Frans-Vlaanderen niet los’. En dat de provincie Antwerpen onmiddellijk volgde op initiatief van de Volksunie. Wat doet tegenwoordig ’t stad, met haar Vlaamsgezinde meerderheid, om de streek te helpen waar de bron van de Schelde ligt?
KFV-bezieler Luc Verbeke was een dichter én een man van de daad. Even kort terugblikken op de activiteiten van het Komitee voor Frans-Vlaanderen leert ons dat ze werden georganiseerd in werkgroepen. Kernthema’s waren literatuur, cultuurbeleid, onderwijs, geschiedenis, heemkunde en volkskunde, economie, grenscontacten en toerisme, overheidspersonen, familiekunde en jeugdwerking.
Een apart verhaal was uiteraard de onderwijspoot met de organisatie van vrije cursussen Nederlands, een beetje overal in de Franse Westhoek. Op zo’n vrije cursus heb ik mijn eerste lessen Nederlands gevolgd. En ja, het is met mijn Nederlands goedgekomen!
Laat ons even naar het onderwijs van de Nederlandse taal kijken. Wat doen de Vlaamse instellingen vandaag concreet voor de promotie van de Nederlandse taal en de redding van het Vlaemsch in Frans-Vlaanderen? En wat met de nieuwe ontwikkelingen? Het West-Vlaams dialect wordt zonder het Nederlands erkend als regionale taal in Frans-Vlaanderen, maar Vlaanderen zegt niets. Zijn de Vlaamse instanties – al was het maar informatief – tussengekomen om aan de Hauts-de-France uit te leggen dat het West-Vlaams één van de dialecten van het Nederlands is en geen aparte taal zoals men daar orakelt?
Al iemand nagedacht over welke rol de Vlaamse basis- en secundaire scholen in de grensstreek kunnen spelen om immersieonderwijs te bieden en zijn die scholen daarop voorzien? Hoe kan men de studie van Frans-Vlamingen aan de Vlaamse universiteiten faciliteren? Hoe kunnen Vlaanderen én Nederland wetenschappelijke hulp bieden om het spanningsveld tussen dialect en standaardtaal te helpen begeleiden? Ik stel me vele vragen over het verdwijnen van het departement dialectologie aan de universiteit Gent ten voordele van de zogenaamde ‘variatielinguïstiek’. En wat kan het Nederlands Mertens Instituut betekenen in dit verhaal?
Wat doen de Vlaamse verkozenen als morgen Frans-Vlaanderen een klacht indient bij Europa om Frankrijk te dwingen het onderwijs van het Nederlands als tweede taal te verplichten in de Frans-Vlaamse scholen? Kan Frans-Vlaanderen hiervoor rekenen op de steun van de Vlaamse Europese afgevaardigden?
Midden-Vlaanderen kan ook hulp bieden rond allerlei grensoverschrijdende activiteiten. Ik geef er enkele bij wijze van voorsmaak:
Dat brengt me tot de slotvraag: moet men in midden-Vlaanderen de vele individuele initiatieven en projecten ten bate van Frans-Vlaanderen niet opnieuw samenbrengen en coördineren in een overkoepelend project zoals het KFV dat deed? En opnieuw jaarlijks een Frans-Vlaamse dag of cultuurdag organiseren?
Deze groep zou een nieuwe wind kunnen doen waaien, de druk op de Vlaamse regering kunnen opvoeren, de culturele, economische en sociale wereld ondersteunen en Frans-Vlaanderen binnen de Vlaamse Beweging opnieuw een plaats geven.
23.07.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/jean-paul-sepieter-wij-moeten-elkaar-nog-kunnen-verstaan-van-duinkerke-tot-delfzijl/
De naam Jean-Paul Sepieter, militant actief tussen de jaren ‘70 en ’90 van de vorige eeuw, zindert in Frans-Vlaanderen nog na. In die jaren bracht hij er een nieuw geluid dat richtinggevend werd voor alle verdere acties. Ik sprak met hem op het zomerse terras van estaminet het Kerelshof in Kassel terwijl het stadje zich voorbereidde op de komst van de Ronde van Frankrijk. Een gesprek in het Nederlands want Jean-Paul spreekt vlot onze taal.

Je spreekt Nederlands met een zacht Hollands accent.
‘Op achttienjarige leeftijd ontdekte ik als Frans-Vlaming Nederland. Ik voelde me er onmiddellijk thuis. Door er zoveel als mogelijk te komen, en ook in Vlaanderen, leerde ik autodidactisch de Nederlandse taal. Nu weet je waarom mijn taal zacht “Hollands” kleurt. Zo kreeg ik ook de smaak te pakken om kennis te maken met de taal van mijn voorouders.’
Je bedoelt het Vlaemsch van Frans-Vlaanderen?
‘Klopt. In de jaren ’70 kon je nog overal in de Westhoek in Frankrijk Vlaemsch op straat horen. Het was de moedertaal van mijn ouders en mijn grootouders. Ik ben in het grensdorp Boeschepe geboren maar, een beetje per toeval, in Robeke bij Rijsel geland. Hierdoor werd het taalbad van de streektaal me ontnomen. Het voelde niet alleen als een gemis, maar nog meer als een ontworteling.’
Je leerde dus eerst Nederlands, dan de streektaal, en niet omgekeerd?
‘Inderdaad, het is mijn studie van het Nederlands die mijn interesse aanwakkerde om het Vlaemsch van de streek te leren. Via deze weg heb ik ook mijn wortels herontdekt en kreeg ik een Vlaams gevoel.’
Je schreef later een methode om de streektaal te leren.
‘Ziedaar mijn bescheiden aandeel in de taalkundige heropbloei in Frans-Vlaanderen. Dat was het eerste succesvolle leerboek sinds generaties om het Vlaemsch van de Westhoek te leren. De Franse staat had, na de verschijning van mijn boek, nog bijna een halve eeuw nodig om onze streektaal te erkennen. Dat gebeurde vorig jaar, nu er bijna niemand meer is om de taal te doceren, laat staan te spreken. Veel te laat, maar je mag nooit wanhopen, ook niet met jakobijnse domkoppen.’
Over taal straks nog meer. In de jaren ’70 nam je het initiatief voor de oprichting van Hekkerschreeuwen, een drukkingsgroep die een pioniersrol speelde in de vernieuwing van dat Vlaams gevoel. Wat was er vernieuwend aan?
‘Wij zochten nieuwe inspiratie, niet alleen in Vlaanderen en Nederland, maar ook bij andere Franse minderheden als Bretagne, Occitanië, Corsica, enz. Wij wilden vanuit het volk dat nog door- en door-Vlaams was, de volkscultuur, de streektaal, de volksspelen en de volksmuziek nieuw leven inblazen. Thema’s als localisme, ecologie, bescherming en bevordering van de regionale architectuur. Dat was voor Frans-Vlaanderen nogal vernieuwend. Vandaag zijn die thema’s een eigen leven gaan leiden en dat geeft een goed gevoel.’
Bij welke denkers en auteurs vond je inspiratie?
‘Van de filosofen had ik toen zeker Pierre-Joseph Proudhon met zijn Du principe fédératif al gelezen. Ook L’enracinement (Verworteling) van Simone Weil. Verder de bestsellers van het moment: La révolution régionaliste van de Occitaan Robert Laffont; Comment être Breton van Morvan Lebesque; de werken van Guy Héraud zoals L’Europe des ethnies, en ga zo maar verder.’
Wat heeft de actie van Hekkerschreeuwen blijvend voortgebracht?
‘Wij noemden Hekkerschreeuwen een vereniging voor opbouwwerk en volkscultuur. Dat opbouwwerk stond naar analogie met wat Jan Hardeman en zijn ploeg in het nabije Heuvelland op gang hadden gebracht.
Belangrijk was onze bekommernis voor een Vlaamse, regionale architectuur en over het milieu
Het heeft zeker de bloei van Vlaamse en volkse cafés bevorderd en de heropleving van de volksspelen. Ook de volksmuziek met de steun van pioniers als Alfred den Ouden. Over de Vlaamse volksmuziek schreef ik een boek en kwam ik in Vlaanderen in contact met mensen als Wannes Vandevelde, Herman de Wit van ‘t Kliekske. Belangrijk was onze bekommernis voor een Vlaamse, regionale architectuur en over het milieu.’
Wat heeft architectuur met de Vlaamse identiteit te maken?
‘Na de Eerste Wereldoorlog was de Westhoek helemaal verwoest. De heropbouw in regionale stijl met architecten rond een bezige bij als Cordonnier waren bepalend voor het blijvend Vlaams karakter van vele steden en gemeenten, tot vandaag.
Voor deze activiteiten hadden wij de steun van de betreurde architect Dieudonné Coppin uit Belle, zelf heel creatief de regionale bouwstijl. Ook vroegen we aandacht voor het bedreigd patrimonium zoals de Noordmeulen in Steenvoorde. Vandaag is de molen gerestaureerd en een van de parels van het historisch bouwkundig patrimonium in de streek.’
En waren er ook politieke eisen?
‘Ik zou eerder spreken over metapolitiek. Tegenover de verstikkende, centraliserende politiek made in Parijs brachten wij lokaal een debat op gang rond de eisen ‘leven, werken en zelf beslissen in eigen streek’. Zelf heb ik nog, zonder geldmiddelen of financiële steun, deelgenomen aan de gemeenteverkiezingen in Steenvoorde. Ik haalde toen vanuit het niets meer dan 7% van de stemmen. Maar het bleef door omstandigheden bij deze eenmalige poging.’
Jij, als kenner van het Nederlands en voorvechter van de streektaal, hoe sta je tegenover diegenen die vandaag in Frans-Vlaanderen het Vlaams en het Nederlands als twee verschillende talen bekijken?
‘Ik ben het bescheiden maar levend voorbeeld van de onwrikbare banden tussen het Vlaemsch en de taal van Vondel en van Michiel de Swaen. In mijn boek Vlaemsch leren kan je lezen dat de door mij gekozen spelling voor het schrijven van de streektaal kort bij de Nederlandse schrijfwijze is gehouden, maar dan doorspekt met wat Saksische en Friese, zeg maar Ingweoonse klemtonen. Het heeft geen zin het Vlaemsch los te willen koppelen van het Nederlands met een schrijfwijze die archaïsch is of nooit heeft bestaan.’
Je leerde eerst Nederlands en dan de streektaal. Is dat niet de juiste weg, de dag van vandaag?
‘Dat is me door omstandigheden overkomen. Dat viel best mee want de Nederlandse spraakkunst gaf me een goede basis. Nederlands studeren en vervolgens streektalen van het Nederlands is, gezien de verfransing van Frans-Vlaanderen, zeker aan te raden. Omgekeerd, wie Vlaemsch leert is een uitstekend kandidaat om vervolgens Nederlands te leren. Dit is geen eenrichtingsverkeer.’
De voorzitter van de ANVT (Academie voor nuuze Vlaemsche taele) refereert wel eens naar je boek als inspiratiebron voor zijn activiteiten.
‘Ik heb met die kringen geen contact. Als je mijn mening vraagt, heeft het verder geen zin om frontaal Vlaemsch en Nederlands met elkaar te laten botsen.
Wij hebben geen tijd te verliezen! Het Nederlands en zijn streektalen vormen samen één bandbreedte en al de rest is van geen belang.’
Heeft het Vlaemsch een plaats in de scholen? En wat dan met het Nederlands?
‘Nu de Vlaemsche streektaal door Frankrijk is erkend benut men best de hierdoor ontstane ruimte en mogelijkheden overal waar het maar kan. Hoe sneller hoe beter, vooraleer de Franse Republiek opnieuw van gedachte verandert. Men moet aan de slag in de scholen, de media en de openbare ruimte.
Het ene gaat het andere nooit overschaduwen. Wij moeten elkaar nog kunnen verstaan, van Duinkerke tot Delfzijl
Ik kom regelmatig in Duitsland en andere Germaanse landen. Ik zie overal dat streektalen worden gebruikt in de publiciteit, in bordcommunicatie van steden en gemeenten. De Duitse standaardtaal is daardoor nog niet in gevaar gebracht! Hoe zou het? Het Vlaemsch van de streek is, net als de dialecten van andere talen, historisch gezien ouder dan de standaardtaal. Ze verrijken de standaardtaal. Verder zou ik zeggen: leven en laten leven. Het ene gaat het andere nooit overschaduwen. Wij moeten elkaar nog kunnen verstaan, van Duinkerke tot Delfzijl.’
Met een link naar het Nederlands, toch?
‘Jazeker, en wie die link ontkent is al even dwaas als de jakobijnen die wij bestrijden. Ook in de tweetalige communicatie van de gemeentenamen ben ik het met je eens dat, naast de orale traditie, uiteraard ook de historische bronnen dienen te worden geraadpleegd. De naamtoekenning aan gemeenten en straten is een werk van specialisten. Vertegenwoordigers van de lokale geschiedenis, specialisten in plaatsnamen én taalkundigen moeten hiervoor samenwerken. De mensen die daar nu in Frans-Vlaanderen alleen over beslissen zijn eigenlijk niet bevoegd.’
Hoe kan men de brug maken tussen Vlaemsch en Nederlands?
‘Ik doe een oproep aan de taalkundigen en de studenten aan de Vlaamse en Nederlandse universiteiten. Er is een grote behoefte om een vergelijkend leerboek Vlaemsch-Nederlands samen te stellen. Het zou ons helpen om de historische en etnoculturele brug te maken tussen streektaal en Standaardnederlands. Taalwetenschappers kunnen het spanningsveld tussen Vlaemsch en Nederlands in Frans-Vlaanderen in positieve zin beïnvloeden. Wij verlangen naar een initiatief van de universitaire wereld.’
Akkoord met de eis om het Nederlands ook te erkennen als regionale taal zoals het geval is in de Elzas met het Elzassich én het Duits?
‘Ik steun alle voorstellen om meer plaats te geven én aan het Vlaemsch én aan het Nederlands. Maar het Nederlands benut mijns inziens niet alle mogelijkheden. De Taalunie moet namens de Vlaamse en Nederlandse regeringen duidelijke afspraken gaan maken met het onderwijs en de politieke instanties van de Hauts-de-France.
Men zou ook een initiatief kunnen nemen bij de Europese instanties om te bekomen dat in, elke grensstreek, het onderwijs van de taal van de buur veralgemeend en zelfs verplicht wordt. In Vlaanderen leert men verplicht Frans op school, al kan het kwalitatief beter. Maar waarom kan dat niet met het Nederlands in Noord-Frankrijk naast het Engels? Drietaligheid in een grensgebied is een absoluut minimum. De druk van Europa kan onze politici, die het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen aan zijn lot overlaat, wakker schudden! Ook Vlaanderen heeft er baat bij, was het maar om de o zo moeizame rekrutering van personeel te faciliteren!’
10.07.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/het-geheim-van-het-canadees-memorial-van-vimy/
Het Canadees Memorial van Vimy in Artesië is een van de meest indrukwekkende monumenten ter nagedachtenis van de gesneuvelde Canadese soldaten van wereldoorlog I. Het monument werd sinds zijn onthulling in 1936 door miljoenen mensen bezocht. Maar bijna niemand weet dat enkele jaren geleden werd ontdekt dat het monument zo ontworpen is dat het de schijnbare baan van de zon weergeeft op bijzondere momenten van het jaar.
Het Canadese memorial staat op de heuvelrug van Vimy in Artesië , ongeveer 145 meter boven de zeespiegel. Deze plaats is voor altijd verbonden met de vreselijke bloedbaden van de eerste wereldoorlog. We bevinden ons op het grondgebied van de gemeente Givenchy en Gohelle, tussen de steden Lens en Atrecht, aan de westelijke kant van de vlakte van Dowaai. Hier werd van 9 tot 12 april 1917 de slag bij Vimy uitgevochten.
Het was de eerste keer dat vier Canadese divisies samen deelnamen aan een veldslag. Een overwinning voor de Canadezen, dat wel. De Duitsers werden teruggedrongen en één dag later werden de meeste Duitse posities op de heuvelrug veroverd. Maar dit gebeurde ten koste van enorm veel mensenleed. Bijna 4.000 Canadese soldaten verloren er het leven en nog 7.000 soldaten moesten gewond het slagveld achterlaten.
Toen de Canadese autoriteiten deze, voor hen, zeer symbolische plaats kozen voor het bouwen van het Memorial, schonk Frankrijk in 1922 de heuvelrug en het hele slagveld van 100 ha rondom. Vandaag lijkt de omgeving op een ruw golfterrein, maar het is nog bezaaid met loopgraven, tunnels, kraters en mijnenvelden. Het grootste deel is nog steeds ontoegankelijk voor bezoekers wegens ontploffingsgevaar.
In 1920 besloot Canada om een memorial te bouwen voor al haar gesneuvelde soldaten in Frankrijk. De ontwerpwedstrijd stond open voor alle Canadezen en inspireerde architecten, beeldhouwers, ontwerpers en kunstenaars. De jury ontving 160 ontwerpen en 17 ervan werden weerhouden.
Dit resulteerde in oktober 1921 tot de keuze van het winnend project ingediend door Walter Seymour Allward, een beeldhouwer van monumentale beelden uit Toronto. Allward had al heel wat monumentale beelden op zijn actief, onder meer de Boer War Memorial in Toronto en de Alexander Graham Bell Memorial in Brantford. Nog een tweede ontwerp, nl dat van Frederick Chapman Clemesha werd eveneens weerhouden.
In 1922 verhuisde Allward naar Londen. Van daar uit begon zijn moeilijke zoektocht naar de juiste steen met de juiste kleur, structuur en helderheid. Zijn dure, maar schitterende keuze viel uiteindelijk op witte steen uit het paleis van Diocletianus in Kroatië en afkomstig uit een Romeinse steengroeve nabij Seget. 6.000 ton steen werd per schip naar Frankrijk getransporteerd en vervolgens per spoor en per vrachtwagen tot de site van Vimy. Men kon pas in 1925 aanvangen met de bouw van het monument die elf jaar zou duren.

Het voetstuk van het memorial symboliseert een onneembare verdedigingsmuur van zeven meter hoog en is uit 11.000 ton beton vervaardigd. Aan de uiteinden van het voetstuk staan twee beelden: ze symboliseren het breken van het zwaard en de sympathie voor de hulp vanwege de Canadese natie. In het midden ziet men de afbeelding van een vrouw gehuld in een mantel. Ze is de verpersoonlijking van Canada Berett of Moeder Canada, de jonge natie die treurt om haar doden.
Aan de achterzijde, aan weerszijden van de trappen, staan de beelden van een treurende vader en moeder. Op de buitenmuur van het monument zijn de namen van 11.285 Canadezen gegraveerd die in Frankrijk sneuvelden en van wie het graf onbekend bleef.
Centraal op het voetstuk staan twee reuze zuilen van zo’n dertig meter hoog, reikend naar de hemel. Een pijler draagt het blad van een esdoorn, nationaal embleem van Canada; en de andere de lelie die Frankrijk symboliseert. Boven op de zuilen zijn symbolische figuren in de steen gebeiteld. Ze staan voor recht, vrede, liefdadigheid, vertrouwen, eer en ook waarheid, kennis en opofferingsgeest.
Er is veel symboliek verwerkt in het beeldhouwwerk. Maar dat is niet alles. Vreemd genoeg is de waarnemers iets ontsnapt dat pas enkele jaren geleden werd ontdekt of, moet ik schrijven, herontdekt. Philipe Boukni, een plaatselijke geneesheer en amateur historicus uit de streek, geraakte geïntrigeerd door de oriëntatie van het memorial en de open ruimte tussen de twee zuilen. Na allerlei metingen gaf het monument zijn laatste geheim prijs: in de periode van de zomer- en van de winterzonnewende komt de zon precies in de as van het memoriaal tevoorschijn.
In de periode van 21-23 juni is het alsof de zon uit het monument wordt geboren en perfect de as gevormd door de opening tussen de twee zuilen volgt. Zelfde natuurspektakel in de winter, bij de winterzonnewende rond 21 december, wanneer de zon gaat verdwijnen precies aan de voet van het monument.
Het fenomeen staat nergens in de toeristische en historische gidsen beschreven. Het is moeilijk te begrijpen hoe het komt dat, bij een internationaal project van zulke omvang, men vergeten is wat schuilt achter de zuilen van het Canadees Memorial van Vimy. De jaarlijkse waarnemingen zijn maar van korte duur en dat is wellicht de reden dat het zolang aan de aandacht van iedereen kon ontsnappen. Onderzoek in het archief van Walter Seymour Allward bewijst nochtans dat het fenomeen gewild was. Verschillende, voorafgaande schetsen van de kunstenaar tonen dit aan.
Het is overduidelijk dat Walter Seymour Allward de natuurlijke symboliek van de zon als verbinding tussen hemel en aarde heeft verwerkt in de symboliek en de architectuur van het memorial. Dat de Franse en Canadese autoriteiten weinig weerklank hebben gegeven aan deze ontdekking heeft misschien te maken met het feit dat men rond een gedenkteken voor slachtoffers van de oorlog als Vimy geen heidense bedevaarten wil aantrekken in de stijl van wat zich jaarlijks op plaatsen als Stonehenge voordoet.
23.06.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-hond-van-lavrov/
Frankrijk was kortstondig het centrum van de internationale politiek toen de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov onlangs de vraag stelde, tijdens een interview met de Franse zender TF1, ‘Hoe zou Frankrijk reageren als België de Franse taal zou verbieden?’ Dit, om met een dwaas geformuleerde vraagstelling te suggereren dat de Russische oorlog met Oekraïne gerechtvaardigd wordt door een linguïcide: de Russen vechten voor de bescherming van hun taal en cultuur in Oekraïne.
Laat ons hiermee beginnen. Het is begrijpelijk dat de taalsituatie in Oekraïne dezer dagen als inspiratiebron dient voor het Russisch kamp. De reden is duidelijk. Oekraïne telt meer Russischsprekenden dan onderdanen met de Russische nationaliteit. Cijfers verduidelijken dit: het land telt 29,7% Russischsprekenden en slechts 17,3% inwoners met een erkende Russische nationaliteit. Niet iedereen spreekt dus de taal van zijn nationaliteit.
Lavrov heeft zeker een punt als hij bedoelt dat de Oekraïners in de laatste jaren de plaats van de Oekraïense taal willen opdrijven. Hij vergeet er wel bij te vertellen van waar die Oekraïense ijver komt.
Lavrov heeft zeker een punt als hij bedoelt dat de Oekraïners in de laatste jaren de plaats van de Oekraïense taal willen opdrijven. Hij vergeet er wel bij te vertellen van waar die Oekraïense ijver komt. In zijn zeer waardevolle boek Oekraïne, een oorlogsgeschiedenis* schrijft Doorbraak-medewerker Luc Pauwels dat in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de nationale beweging in Oekraïne grote vooruitgang boekte, de Russische tsaristische regering er niet beter op vond dan een oekaze uit te vaardigen ‘die de uitgave van Oekraïense boeken verbood en zowat alle nationale propaganda onmogelijk maakte’.
In 1893-1907, en ook lang daarvoor, formuleerden de Oekraïners dringende eisen om de Oekraïense taal als onderwijstaal te herstellen. Ondanks de Russische politierepressie bloeiden in vele dorpen en steden een rits Prosvita-verenigingen: voorstanders van eigen Oekraïens onderwijs. Niet alleen onder het communisme, maar ook in de laatste jaren van het tsarisme was Oekraïne het onderwerp van een ware taalstrijd.
Op de vraag van Lavrov, ‘Hoe zou Frankrijk reageren als België het Frans zou verbieden?’, zou de journalist hebben geantwoord: ‘Niet.’ De reactie is al even problematisch als de vraag. Het correcte antwoord luidt dat men in Parijs uiteraard hysterisch zou reageren, hier en nu, juist zoals in het verleden. In 1848 heeft de toenmalige Franse minister van Binnenlandse Zaken en schrijver Alexis de Tocqueville voor altijd de realpolitik van Frankrijk — of ze nu cultureel, economisch of politiek is — tegenover België bepaald met het voorstel om:
‘… de activiteiten van Frankrijk te beperken tot de grensgebieden zoals België, Zwitserland en Piëmont. Men moet er geen georganiseerde verzetsbeweging steunen, maar tegelijkertijd nooit een gelegenheid missen om het nieuwe Frankrijk voor te stellen als het land van de principes van vrijheid en tolerantie. Ondubbelzinnig zal men deze gehechtheid duidelijk maken aan de dominerende machten in Centraal- en Oost-Europa en meedelen dat Frankrijk hun de vrije hand geeft buiten haar traditionele invloedsfeer, maar dat ze als compensatie verwacht dat niemand in vraag zou stellen wat ze als een controlerecht op de situatie van de grenslanden beschouwt.’
Vervang in de vraag van Lavrov — of is het Lavlov? — het woord ‘Frans’ door ‘Nederlands’ en laat ons wat in de taal van Molière een ‘lapsus révélateur‘ heet, even illustreren met enkele voorbeelden.
herhaalde en niet mis te verstane dreigementen dat Frankrijk zou kunnen binnenvallen als België niet in de pas liep
Er kunnen sinds het ontstaan van België vele boekdelen geschreven worden over de tussenkomsten van Frankrijk, voor en achter de schermen, om de Belgische trein op het Franse spoor te houden. In de tweede helft van de negentiende eeuw gebeurde dit nog wel eens open en bloot. Inclusief herhaalde en niet mis te verstane dreigementen dat Frankrijk zou kunnen binnenvallen als België niet in de pas liep. Ik neem even deze periode omdat het blijkbaar het referentiekader van Lavlov bepaalde.
In november 1890 besloot de Parijse gemeenteraad om zich officieel te laten vertegenwoordigen op een Belgische plechtigheid om de Franse overwinning bij Jemappes te herdenken. Een van de voorstellers, het raadslid Chauvière, verklaarde tijdens een gemeenteraadszitting: ‘Deze deelname gaat om een politieke daad vanwege de gemeenteraad van Parijs.’ En hij voegde er nog aan toe dat het plan ‘de uitbreiding van de macht van de Franse Republiek’ was.
In 1891 schreef de Belgische afdeling van de Alliance Française dat haar doel was ‘het verspreiden van het Frans als officiële taal, meer bepaald in het Vlaamse landsgedeelte’.
In september 1905 hield men in Luik een ‘Congrès pour la culture et la langue française‘. Frankrijk speelde toen de hoofdrol in de organisatie. Tijdens dit congres pleitten de deelnemers nog altijd — we zijn toch in het begin van de twintigste eeuw — voor ‘de uitbreiding der Franse taal aan de noordelijke en noordoostelijke grens, dat is in Vlaams-België’. Opvallend was dat dit congres niet samenliep met een Waals congres dat in dezelfde stad een beetje later in dat jaar plaatshad.
In 1908, naar aanleiding van de oprichting van de Ecole Française, in een chic herenhuis op de Brusselse boulevards, verklaarde de Franse feestredenaar, graaf d’Ormesson, dat het doel van de school was, en ik citeer: ‘niet zozeer kleine chauvinisten te vormen maar goede Fransen en goede Republikeinen’.
de bijkomende jaarlijkse 270 000 fr. die Frankrijk in België toekende aan het Fransgezinde onderwijs: de Franstalige scholen in Vlaanderen incluis
Was het in een bui van enthousiasme of ging d’Ormesson ervan uit dat Brussel veroverd gebied was? Waarschijnlijk beide. Het was een publiek geheim dat Frankrijk officieel deze nieuwe Fransdolle burcht financierde met bovenop een jaarlijkse subsidie van 125 000 fr. van toen. De kranten stonden er vol van, en ook van de bijkomende jaarlijkse 270 000 fr. die Frankrijk in België toekende aan het Fransgezinde onderwijs: de Franstalige scholen in Vlaanderen incluis.
Als de hond van Lavlov kwijlt van de Oekraïense taaltoestanden, dan brengt het zijn baas in een ultieme, Belgische hallucinatie met het idee dat Frankrijk, met dit simpel voorbeeld, de militaire interventie van Rusland in Oekraïne beter zal plaatsen. Opvallend toch dat Rusland vindt dezelfde rechten te hebben over Oekraïne als Frankrijk over België.
*Oekraïne, een oorlogsgeschiedenis, Luc en Tina Pauwels, Aspekt, 2022.
11.06.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/recensies/portus-itius-romeinse-haven-aan-de-noordzee/
Het is nooit te laat om goed te doen. Dr. Ghislain P. Beeuwsaert, een Vlaamse amateurarcheoloog en fervent zeiler uit Hooglede, publiceerde onlangs een boek met de resultaten van zijn archeologische ontdekkingen van meer dan twintig jaar geleden. Na lange en nauwkeurige opzoekingen had hij toen de precieze locatie van Portus Itius, de vergeten haven van Caesar, teruggevonden. Vanuit Portus Itius aan de Noordzee vertrok de Romeinse vloot om Groot-Brittannië te veroveren. Over het verhaal van deze belangrijke ontdekking, en over waar Portus Itius precies lag, gaat dit boek.
Typisch voor de onorthodoxe maar deskundige aanpak van Beeuwsaert is dat hij het raadsel van Portus Itius benadert vanuit het oogpunt van de fervente zeiler en kenner van de Noordzee die hij is. De rol en de betekenis van de Romeinse scheepvaart in de verovering van Gallië worden door de meeste historici onderschat. Onterecht, volgens de auteur die de Romeinse oorlogsschepen en vaartechnieken grondig bestudeerde aan de hand van historische bronnen. Hij voegt eraan toe: ‘Het Latijnse zeil was het eerste dat toeliet aan de wind te zeilen, met als gevolg dat bestemmingen konden bereikt worden die vroeger onmogelijk waren.’
De zoektocht naar de precieze locatie van Portus Itius wordt al sinds de middeleeuwen opgevoerd en is het onderwerp van vele theorieën. Maar de eerste onderzoekers besteden te weinig aandacht aan wat Caesar en zijn tijdgenoten over de ligging van Portus Itius schreven. Ook voor de Romeinse vaarroutes, rekening houdend met de beperkte vaartechnieken en met de kustlijn van toen, die inmiddels met honderden meters landinwaarts is geërodeerd.
Als ervarenn yachtman ging Ghislain Beeuwsaert alle mogelijke zeevaartroutes bestuderen, bruikbaar voor de Romeinse vaartuigen van toen, om vanuit Portus Itius de Engelse kust te bereiken.
Toch bevatten de teksten van Caesar en de Griekse historicus Strabo zeer interessante gegevens. Voorwaarde is dat de filologen op tijd uit hun dierbare boeken komen en overgaan tot het noodzakelijk veldwerk. Dat deed onze auteur wel. Als ervaren yachtman ging Ghislain Beeuwsaert alle mogelijke zeevaartroutes bestuderen, bruikbaar voor de Romeinse vaartuigen van toen, om vanuit Portus Itius de Engelse kust te bereiken.
Het gaat met Portus Itius en de inval van de Romeinen in Groot-Brittannië, aldus Ghislain Beeuwaert, over de vroegste geschiedenis van onze streken waarover wij een beetje gedocumenteerd zijn.
Geweten is dat Portus Itius zich bevond in de streek van Bonen (Boulogne-sur-Mer) en dat het oorspronkelijk een haven van de Morini was. Caesar meldt dat Portus Itius op 30 mijl — dat is 44 km — van de Engelse kust lag. Strabo spreekt over 57 km.
Van hieruit maakten de Romeinen zich klaar voor de invasie van Groot-Brittannië. Voor de eerste expeditie in 55 was er sprake van 80 schepen en 10 200 manschappen. Een jaar later moest men plaats weten te vinden voor een reuze vloot van 800 schepen en 25 000 manschappen. Het is onmogelijk dat een vloot van zulke omvang in één haven terechtkon. Dit kon enkel in een baai of golf. Mogelijk ging het om twee verschillende plaatsen in de omgeving van Bonen.
Sinds de middeleeuwen, maar voornamelijk in de negentiende eeuw, is het thema Portus Itius onderwerp voor vele theorieën en fantasieën. Ik noem hier slechts de belangrijkste, maar er zijn er nog meer:
Kales (Calais): dikwijls als hypothese genoemd, onder meer door de cartograaf Abraham Ortelius (1527-1598) en de Duitse generaal Von Göler, een negentiende-eeuwse Caesarkenner. Maar de haven van Kales bestaat maar sinds de twaalfde eeuw en kan onmogelijk gediend hebben in de Romeinse tijd.
Ambleteuse: de plaats Ambleteuse, westelijk van Kaap Zwartenes (Cap Gris Nez) gesitueerd, alhoewel veel te klein voor 800 schepen, werd wel eens als Portus Itius aanzien. Onder meer de Duitse historicus en Nobelprijswinnaar voor literatuur Theodor Mommsen (1817-1903) was deze stelling toegedaan. Maar niemand weet hoe hij eraan kwam.
Witzand (Wissant): na Bonen is het plaatsje Witzand de meest genoemde locatie. Bekende voorstanders waren de Franse historicus en filoloog Camille Jullian (1859-1933) en ook plaatselijke historici als J.F. Henry en M. Courtois. Dat was ook de hypothese van … Napoleon, die schreef: ‘Het is waarschijnlijk dat de haven van waaruit het gros van het leger moest vertrekken de haven van Witzand was, en de andere haven voorzien om de Cavalerie in te schepen, Bonen was.’
De monding van de rivier Liane was de meest geformuleerde hypothese maar dit botst met het feit dat het estuarium niet breed genoeg is om zoveel oorlogsschepen te ontvangen.
Bonen (Boulogne-sur-Mer), het Bononia van de Romeinen: met de havenstad Bonen komen we al iets dichter bij de waarheid. Maar de vraag bleef meer dan ooit bestaande: waar precies in Bonen? De monding van de rivier Liane was de meest geformuleerde hypothese maar dit botst met het feit dat het estuarium niet breed genoeg is om zoveel oorlogsschepen te ontvangen. Nog een vaststelling: men treft er zo goed als geen sporen van Gallische bewoning. Al evenmin heeft men er de aanwezigheid van een Romeins kamp kunnen aantonen.
Een twintigtal jaar geleden onderzocht Dr. Ghislain P. Beeuwsaert nauwkeurig de vallei van het riviertje de Slack, op twaalf kilometer ten noorden van Bonen. Hij had, na jaren studies en opzoekingen ter plaatse, goede redenen om aan te nemen dat de havenplaats Bazingem (Bazinghen) het antieke Portus Itius van de Romeinen was. Dr. Beeuwsaert toetste de ligging van Bazingem aan de beschrijving van Caesar die vertelde wat hij vanaf het kamp zag, en ook de afstand tussen de binnenhaven en de buitenhaven van Portus Itius.
Enkel hier was er voldoende plaats om 800 schepen te bouwen in een veilige omgeving. Het legerkamp was, aldus Caesar, een mijl in het vierkant. Ook dat stemt overeen met de locatie van Bazingem.
De Slack — let op de Vlaamse naam — is nu gekanaliseerd, maar geologische boringen bewijzen dat het in de tijd van Caesar een zeearm vormde. De baai ging 5 km diep het land in zoals blijkt uit bodemonderzoek uitgevoerd door de universiteit Gent. De analyse van de sedimenten bevestigt dat de baai onder invloed van getijdenbewegingen stond en schepen met een diepgang van 1,5 meter toeliet. Enkel hier was er voldoende plaats om 800 schepen te bouwen in een veilige omgeving. Het legerkamp was, aldus Caesar, een mijl in het vierkant. Ook dat stemt overeen met de locatie van Bazingem. De omtrekken van het kamp kon men nog duidelijk traceren met de hulp van infraroodluchtfotografie.
Besluit: de afstand tussen Bazingem en Dover bedraagt 30 mijl of 44,3 km. Dat is precies de afstand die Caesar meldde tussen Portus Itius en de kust van Brittannië. Het mysterie van Portus Itius was hiermee definitief ontrafeld en nu, gelukkig, te boek gesteld.
Portus Itius. De vergeten haven van Caesar is verkrijgbaar bij onze webwinkel.
09.06.2022

Klik hier voor de Nederlandstalige tekst
Flamand de France habitant la Flandre belge l’auteur pose 38 questions qui dérangent et y répond avec toute l’impertinence de Tyl l’Espiègle. Loin des sentiers battus et à des années-lumière de la pensée jacobine hexagonale, ce livre constitue une mine d’informations sur l’histoire, la langue et l’dentité flamande.
Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/moeilijke-vragen-over-vlaanderen-in-frankrijk/

Van de Frans-Vlaamse auteur Wido Bourel verscheen zopas een prachtig boek met originele antwoorden op ‘veel voorkomende vragen’ over Vlaamse geografie en geschiedenis, taal en identiteit, symbolen, samenleving en politiek: Flandre, des questions qui dérangent. Het geheel is prachtig en overvloedig geïllustreerd in vier kleuren.
Bestrijding van mythes
Een afgezaagde vraag, maar hier wel aangebracht: waarom dit boek?
‘De Bretoense uitgever Yoran Embanner vroeg me dit boek te schrijven als een deel in een bestaande serie. In die reeks verschenen al boeken over Bretagne, Elzas, Corsica en dit jaar dus over Savoie en Vlaanderen. Het was een gelegenheid om enkele hardnekkige mythes te bestrijden.’
Hardnekkige mythes… Aan welke mythes denk je?
‘Ik geef er drie:
Grenzen
Waar begint en eindigt Frans-Vlaanderen? Waar beginnen en eindigen de Franse Nederlanden?
‘Alle namen op basis van Vlaanderen verwijzen naar het gedeelte van het oude graafschap Vlaanderen dat door Frankrijk is afgenomen (geel op de kaart van bladzijde 13 in het boek). Frans-Vlaanderen, Vlaanderen in Frankrijk, Zuid-Vlaanderen zijn zulke namen.’
‘Een breder referentiekader refereert naar de Zeventien Provincies: de Franse Nederlanden, de Zuidelijkste Nederlanden. Het omvat, naast Vlaanderen in Frankrijk, ook Artesië, alsook gebieden tot aan de rivier de Somme.’
Jakobijnse naamwijzigingen
Bij de territoriale hervorming van 2015 werden Nord-Pas-de-Calais en Picardië samengevoegd tot de regio ‘Hauts-de-France’. Wat een absurde naam voor de laagstgelegen regio van Frankrijk. Men had die eerder verwacht in de Franse Alpen…
‘De naam Hauts-de-France is wellicht ontleend aan de naam voor een nudistenkamp aan de zogenaamde Opalekust… Blijkbaar zijn ze in Frankrijk Jacques Brel al lang vergeten, die zong ‘Le plat pays qui est le mien’. Die term, Hauts-de-France, is de zoveelste manipulatie in het land van de jakobijnen om ons onze historische namen te ontnemen. Het reliëf is evenmin van aard om als haut te worden omschreven: de Kasselberg is met z’n 176 meter het hoogste punt. We zijn historisch een deel van de Lage Landen en niet van la France.’
Waarom niet Vlaanderen-Picardië of iets dergelijks?
‘Parijs is bang dat de historische benamingen in het noorden en oosten te veel doen denken aan de historische verbondenheid met gebieden over de staatsgrenzen heen. Hoe minder herinneringen aan Vlaanderen en de Nederlanden, hoe beter. Dit geldt ook voor de Grand Est die de namen Elzas en Lotharingen doet verdwijnen. Volgens de peilingen wou 36% van onze mensen helemaal geen naamwijziging, 11% wou de historische benamingen terug tot leven brengen: Vlaanderen-Artesië-Picardië. Samen kon je dat ook Néerlandie noemen.’
Bienvenue chez les Ch’tis
Vanwaar komt die benaming ‘les Ch’tis’?
‘Het is een afkorting van de spotnaam chtimi. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het als spotnaam gebruikt door soldaten uit andere streken van Frankrijk om hun makkers uit het Noorden aan te duiden die onder elkaar Picardisch spraken. Het Picardisch is een Romaanse taal die eigenlijk ouder is dat het Frans. Chti is een afkorting van ch’est ti en mi van ch’est mi. “Jij bent het” en “ik ben het” dus.’
Repressie
Wat was de betekenis van Jean-Marie Gantois voor de heropleving van het Vlaams bewustzijn in Frans-Vlaanderen?
‘Zijn betekenis is dubbel: ongetwijfeld is hij de meest invloedrijke leider van de Vlaamse Beweging in Frankrijk. Gantois heeft deze beweging uit de grijze, klerikale en folkloristische hoek gehaald om er een metapolitieke beweging van te maken waarin de Nederlandse gedachte centraal staat. Mede door zijn rake kritiek op de Franse Revolutie en het jakobinisme is hij een boeiende figuur van de Conservatieve Revolutie in de Lage Landen.’
Het lukte de Franse staat niet Jean-Marie Gantois ter dood te veroordelen. Wel om de Vlaamse Beweging met hem te culpabiliseren en het engagement van de volgende generaties in een slecht daglicht te stellen.
‘Anderzijds werd hij na Wereldoorlog II dé zondebok. De repressie was in Frankrijk een ideaal moment voor de jakobijnen om mensen te doen zwijgen, liefst definitief. Het lukte de Franse staat niet Jean-Marie Gantois ter dood te veroordelen. Wel om de Vlaamse Beweging met hem te culpabiliseren en het engagement van de volgende generaties in een slecht daglicht te stellen.‘
Streektaal of standaardtaal
Hoe komt het dat de Frans-Vlamingen die hun eigen identiteit erkend willen zien, teruggrijpen naar een vage variante van het West-Vlaams en niet naar het Nederlands dat toch ruimte genoeg laat voor plaatselijke dialecten?
‘Mensen willen de taal leren die ze thuis van hun ouders en grootouders hoorden. Het spreken en aanleren van het dialect is dus meer een sentimentele zaak. Sinds de 18de eeuw is het Nederlands geen referentiekader meer. Er ging in die tijd maar een kleine minderheid naar school. Het Nederlands werd alleen nog onderwezen in een handvol katholieke scholen. De streektaal overleefde dus in de orale traditie, zonder band met de standaardtaal. Het West-Vlaams is nu als regionale taal erkend, maar niet het Nederlands want er zijn krachten die dat tegenhouden.’
Hoe bedoel je, welke krachten?
‘Het is een beproefde methode van de Franse jakobijnen die je ongeveer in alle politieke formaties vindt, om de dialecten te ondersteunen, precies om de banden met de talen van andere landen te onderdrukken of te verbieden. Een schoolvoorbeeld is de Elzas waar deze methode eerst is toegepast. Het Duits werd verboden en de overheid ging het Elzassische dialect bewust als taal promoten. Pas na meer dan een halve eeuw strijd is men in de Elzas het Duits gaan erkennen als een van de regionale talen naast het Elzassisch.’
Sociaal en economisch gewicht
Wat is het sociale gewicht van Frans-Vlaanderen vergeleken met andere regio’s in Frankrijk?
‘Ik beschik over cijfers over Frans-Vlaanderen en Artesië (Nord-Pas-de-Calais), samen 4 miljoen inwoners. Het Noorderdepartement is het dichtst bevolkt van heel Frankrijk. De werkeloosheidsgraad is er hoog, rond 10%. Het armoedepercentage is er een van de hoogste van Frankrijk: 20% van de bevolking in Frans-Vlaanderen en zelfs 25% in Artesië.’
En hoe vertaalt zich dat economisch?
‘Traditioneel was de economie van de regio gebaseerd op drie pijlers: kool, staal en textiel. De koolmijnen zijn verdwenen, de staalsector is al decennia in een terugval. En de erfgenamen van de textielbaronnen hebben plaatsgemaakt voor nieuwe distributiekanalen.’
Nord-Pas-de-Calais bezet de eerste plaats in Frankrijk in de sector van de metallurgie
‘Nord-Pas-de-Calais bezet de eerste plaats in Frankrijk in de sector van de metallurgie (nog steeds dus) en het transport per spoor. De chemiesector staat op de tweede plaats (Duinkerke). Transport, logistiek (derde plaats) en distributie (tweede plaats) zijn er van strategisch belang: de regio is voor Frankrijk de poort naar Groot-Brittannië en de Benelux. In de vroegere mijnstreek heeft Frankrijk geprobeerd met vallen en opstaan nieuwe grote bedrijven in de automobielsector te installeren. Die sector is zeer kwetsbaar, maar staat er op de tweede rang in Frankrijk.’
‘Van eigen bodem is de reconversie van de textielsector die als eerste de nieuwe kanalen van de verkoop op afstand heeft ontdekt. Denk aan de grote spelers als La Redoute, Trois Suisses, Blanche Porte, Damart. Maar hun aanpassingsvermogen in het internettijdperk is niet altijd een succes. Meest succesvol van allemaal is de distributie, met het imperium van de familie Mulliez, stichter van Phildar: dat is de groep Auchan, Decathlon, Leroy-Merlin, enzovoorts.’
Verdeel en heers
Werken de Frans-Vlamingen samen met de Bretoenen, de Basken, de Elzassers, de Corsicanen en andere regio’s die naar meer autonomie streven?
‘Dit is een moeilijke vraag. De politiek van Parijs inzake meer autonomie is een politiek van verdeel en heers. Toegevingen voor Corsica betekenen niet dat men dezelfde toegevingen doet in een andere steek. Je kan geografisch een entiteit als Frans-Vlaanderen niet vergelijken met Bretagne of Occitanië. Frans-Vlaanderen vertegenwoordigt geen meerderheid binnen de Hauts-de-France.’
De Elzassers helpen de Frans-Vlamingen in de strijd voor de erkenning van het Nederlands naast het West-Vlaams
‘De Westhoek, waar zich de problematiek rond de taal afspeelt, is ook maar een minderheid binnen het ‘Département du Nord’. Er zijn natuurlijk vormen van samenwerking met andere regio’s, als het zinvol is. Een voorbeeld is precies de taalproblematiek West-Vlaams versus Nederlands. De Elzassers helpen de Frans-Vlamingen in de strijd voor de erkenning van het Nederlands naast het West-Vlaams en er bestaat sinds enkele jaren een samenwerkingsverband tussen de Germaanse talen in Frankrijk.’
Wanneer verschijnt je boek in het Nederlands?
‘Dit boek is voor een Frans-Vlaams publiek geschreven. De Franse versie is vanaf 19 mei beschikbaar in de boekhandel. Ik ben ook bezig aan een nieuw boek over Frans-Vlaanderen, en wel in het Nederlands. Daarover binnenkort meer. Dat moet eind volgend jaar verschijnen.’
03.06.2022

Des questions qui dérangent
Cliquer ici pour le texte en français
De auteur, een Frans-Vlaming die in Vlaanderen woont, stelt 38 storende vragen over Vlaanderen en beantwoordt ze met de onbeschaamdheid van Tijl Uilenspiegel. Mijlen ver van overwoekerde paden van de Franse jakobijnse gedachte brengt dit boek een schat aan informatie over de geschiedenis, de taal en de Vlaamse identiteit.

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-bonbon-aanslag-liquidatie-van-een-oekraiens-nationalist/
Maandag 23 mei 1938, hartje Rotterdam. Twee mannen hebben een afspraak in hotel Atlanta aan de Coolsingel. De ene zegt Josef Novack te heten. Hij neemt van een onbekende, een zekere Waluch, meteen een pakje in ontvangst. Beiden verlaten haastig het hotel. Twee minuten later, het is dan 12.15 uur, ter hoogte van bioscoop Lumière, ontploft de doos, zo krachtig dat de drager wordt uiteengerukt. De bonbon- aanslag, zo genoemd naar de bonbondoos die de bom verborg, staat de volgende dag op de voorpagina van alle kranten.
Het politieverslag, pas in 2013 – 75 jaar na de aanslag – vrijgegeven is duidelijk: van het slachtoffer bleven alleen het hoofd en een deel van de arm over. Ook vier omstaanders werden gewond waarvan twee ernstig.
Niemand weet aanvankelijk wie de dode man is. In zijn jas vindt men een Tsjechoslowaaks paspoort op naam van Novack, een treinkaartje van Berlijn naar Rotterdam en een adres: Hotel Central aan de Kruiskade. Daar treffen de enquêteurs alleen een koffer aangevuld met pamfletten in het Russisch. Een raadsel, tot een persoon zich meldt aan de receptie van het hotel en vraagt naar Novack. De alerte hotelbediende verwittigt onmiddellijk de politie. De man blijkt een vriend van het slachtoffer te zijn. En zo komen de Nederlandse autoriteiten tot de ware identiteit van Novack. Zijn echte naam is Jevgen Konovalets.
Wie is deze Jevgen Konovalets? Geen Tsjechoslowaak dus maar een Oekraïner, en één van de leiders van de OUN, wat staat voor 0rganisatie van Oekraïense Nationalisten. Konovalets is in 1891 geboren in Galicië, toen nog Oostenrijk-Hongarije. Tijdens wereldoorlog I vecht hij als officier mee in het Habsburgse leger. Hij wordt door de Russen gevangengenomen maar kan ontsnappen. In 1918 leidt hij een Oekraïense nationalistische militie die vecht tegen de communisten. Na de verdeling van Galicië door Polen en de Sovjet-Unie in 1922 ontvlucht hij zijn land. Konovalets verblijft vervolgens in Tsjechoslowakije, Duitsland en Italië. In 1929 is hij een van de oprichters van de OUN, een organisatie die de lokale instellingen infiltreert en streeft naar de onafhankelijkheid van Oekraïne.
De aanslag in Rotterdam is een politieke moord. Konovalets is vanuit zijn woonplaats Rome onder een voorwendsel naar Rotterdam gelokt om geld en politieke steun te zoeken voor de Oekraïense zaak. Alleen: in de bonbondoos zat geen geld maar een bom.
Het communistisch Nederlands kamerlid Louis de Visser (1878-1945) stelt in de dagen na de aanslag vragen in het Nederlands Parlement. Hij noemt de Oekraïense vrijheidsstrijder Jevgen Konovalets een ‘fascistische terrorist’. De moord zou volgens de Visser een afrekening onder Oekraïners zijn geweest. Waar hebben wij zulke praat nog gehoord?
Van de moordenaar weet de politie alleen dat hij per schip in Rotterdam aankwam. Getuigen zagen hem weglopen na de ontploffing. Later zal blijken dat hij de eerste trein naar Parijs nam, vervolgens naar Spanje reisde waar hij heel even met de Republikeinen zou gevochten hebben. Het grondig onderzoek van de Rotterdamse politie, gevoerd tot in Berlijn, loopt vast in een web van internationale spionnen, nationalistische strijders tegen het communisme en vele valse namen. Waluch is uiteraard ook een schuilnaam, en Nederland zal de zaak als ‘nooit opgelost’ klasseren.
Men zou de naam van de dader wellicht nooit hebben ontdekt was het niet dat, vele jaren later, Waluch zich bekend maakt. In 1994 publiceert Pavel Soedoplatov, een gewezen Russische spion, (1901-1996) zijn mémoires. Hij schrijft de man te zijn die de bonbondoos overhandigde. Hij voegt er aan toe dat hij Konovalets in opdracht van Stalin heeft geliquideerd.
Pavel Soedoplatov blijkt inderdaad de uitvoerder van Stalin te zijn geweest voor de uitschakeling van zijn persoonlijke en voornaamste vijanden in het buitenland. Het is dezelfde Soedoplatov die, in 1940 in Mexico, de moord op Leo Trotski laat uitvoeren, eveneens in opdracht van Stalin.
Ook Soedoplatov is een Oekraïner. Hij is in het oostelijke Melitopol geboren uit een Russische moeder en een Oekraïense vader. Als lid van de inlichtingendienst wist hij op te klimmen tot de graad van luitenant-generaal.
In de herfst van 1938 wordt hij bevorderd tot waarnemend directeur van het buitenlands ministerie van de NKVD, de dienst voor de interne veiligheid van de Sovjetstaat. Na aan de stalinistische zuiveringen te zijn ontsnapt neemt hij in 1939 terug dienst in de afdeling buitenland van de NKVD. Vervolgens wordt hij bevorderd tot hoofd van de NKVD-afdeling ‘administratie speciale opdrachten’. Tijdens de Tweede wereldoorlog, in juni 1941, waakt hij over een speciale afdeling belast met het uitvoeren van sabotageopdrachten achter de vijandige linies.
Gaandeweg wordt Soedoplatov een beschermeling van Lavrenti Beria (1899-1953), de gevreesde baas van de geheime diensten in de Sovjet-Unie. In februari ‘44 wordt hij door Beria aangesteld om de afdeling S te leiden, belast met het verzamelen van inlichtingen over de atoomboom.
De dood van Stalin luidt ook het einde en de terechtstelling van Beria in. Pavel Soedoplatov wordt in diens val meegesleurd en in 1953 gearresteerd. Om zijn leven te redden doet hij zich voor als krankzinnig en wordt opgesloten in een psychiatrisch ziekenhuis. In 1958 wordt hij veroordeeld tot 15 jaar gevangenis. Als ‘gevaarlijke gevangene’ wordt Soedoplatov met soortgenoten vastgehouden onder een zeer streng regime. Hij moet de volle periode van 15 jaar uitzitten, overleeft in de gevangenis drie hartaanvallen en wordt blind aan een oog. Pas in 1968 is de moordenaar van Jvegen Konovalets terug een vrij man.

Na zijn vrijlating woont hij in Moskou en publiceert hij een drietal boeken onder het pseudoniem Anatoly Andreev. Hij houdt zich ook bezig met de beweging van veteranen uit de Tweede Wereldoorlog. Twintig jaar lang werkt hij aan zijn rehabilitatie, wat hem uiteindelijk lukt in 1992.
Twee jaar voor zijn dood publiceert hij in de Verenigde Staten, samen met zijn zoon Anatoli, Jerrold L.- en Leona P. Schecter het boek Special Tasks: The Memoirs of an Unwanted Witness – A Soviet Spymaster. Het is in dat boek dat hij bekend maakt verantwoordelijk te zijn voor de bonbon-aanslag en de moord op Jevgen Konovalets.
De begrafenis van de Oekraïense nationalist heeft plaats in Rotterdam op 28 mei 1939, in aanwezigheid van zijn weduwe Olga. Zijn graf, versierd met een zwart granieten kozakkenkruis, bevindt zich nog steeds op de Algemene Begraafplaats Crooswijk. Ze wordt regelmatig door Oekraïners bezocht voor wie Jevgen Konovalets een held blijft. Enkele jaren geleden was er sprake van om zijn lichaam naar Oekraïne te repatriëren. Maar dat is er tot vandaag nog niet van gekomen.
17.05.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/filologen/
Nu het volk van Conscience nog amper leest, het Nederlands wordt gevierendeeld en onze woke universiteiten bij voorkeur Engels brabbelen kwam ik, bij het lezen van een studie over Nederlandse toponiemen in Frans-Vlaanderen, tot dezelfde gedachte als de Nederlandse taalkundige Marc van Oostendorp: ‘de wereld zou nog best wat filologie kunnen gebruiken’.
De schrijver van deze studie is de West-Vlaamse taalkundige dr. Frans Debrabandere (°1933), één van onze grote filologen en nog zeer actief en productief. Hij studeerde Germaanse filologie aan de KU Leuven, behaalde er zijn doctorsgraad en doceerde Nederlands en Duits aan de Pedagogische Hogeschool te Brugge.
Debrabandere publiceerde, stel je voor, 9 woordenboeken en 24 boeken in totaal. Alsook meer dan 1.300 artikelen over naamkunde, dialectstudie, etymologie, lexicografie, taalzorg en taalpolitiek. Hij was en blijft actief in allerlei taalkundige en heemkundige verenigingen, publicaties en taalkundige evenementen in noord en zuid.
De bekendheid van de filologen is, buiten hun vakgebied, bergaf gegaan samen met het verlies aan belangstelling voor de Nederlandse taal
Een paradox, die veel zegt over de taaldesinteresse van tegenwoordig: hij is niet echt bekend bij het grote publiek en komt niet elke week op televisie. De bekendheid van de filologen is, buiten hun vakgebied, bergaf gegaan samen met het verlies aan belangstelling voor de Nederlandse taal en de vermindering of kortweg de afschaffing van allerlei taalspecialismen aan onze universiteiten. En dan maar klagen over de verloedering van onze taal.

De coronaperiode heeft Frans Debrabandere aangezet een leemte in zijn publicaties in te vullen. Namelijk, de studie van de toponiemen en Nederlandse plaatsnamen van dat deel van het oud-graafschap Vlaanderen dat nu bij Frankrijk valt. Interessant te noteren is dat hij niet houdt van de term Frans-Vlaanderen, omdat, schrijft hij, het om ‘een verfranst Vlaanderen’ gaat. Hij voegt eraan toe: ‘Frans-Vlaanderen is het gebied ten westen van West-Vlaanderen en historisch het echte West-Vlaanderen’. Dit verklaart de keuze van de titel van zijn publicatie: Nederlandse plaatsnamen in West-Vlaanderen extra muros (‘Frans-Vlaanderen’)*.
Uit dit gebied heeft Frans Debrabandere de Nederlandse plaatsnamen verzameld. Niet alleen de namen van dorpen maar ook veld-, straat- en waternamen. Zijn bronnen put hij voornamelijk uit het ‘Woordenboek der Toponymie van Westelijk Vlaanderen’ van Karel de Flou (18 delen). Hij maakt dat bronnenmateriaal gemakkelijk toegankelijk en bruikbaar door, voor elk lemma, de huidige Nederlandse schrijfwijze te melden, vervolgens de historische schrijfwijzen met datering en aanvullend de betekenis van elke toponiem of plaatsnaam.
Wat hebben de namen van onze gemeenten, gehuchten, velden en rivieren te maken met de Vlaamse zaak? In een streek als Frans-Vlaanderen spelen de Vlaamse toponiemen een voorname rol in het bewaren van de Vlaamse identiteit. Het is een van de laatste houvasten in de strijd tegen de verfransing.
Daarom verschijnen overal in Frankrijk tweetalige gemeente- en straatnaamborden. Niet alleen in Frans-Vlaanderen trouwens, maar ook in Bretagne, Elzas, Occitanië, Baskenland. Hoe minder de Frans-Vlamingen Nederlands spreken, lezen of verstaan, hoe meer mensen willen weten wat schuilt achter een oud, Nederlands toponiem, dat ze zelf niet meer kunnen begrijpen of uitspreken.
Niet vergeten: achter deze, op het eerste gezicht, folkloristische plaatsnamenoorlog schuilt een ware taalstrijd. Moeten die plaatsnamen een West-Vlaamse spelling krijgen, die nooit heeft bestaan? Hoort de West-Vlaamse streektaal bij het Nederlands of is dat een andere taal zoals sommigen beweren? Is het Nederlands een te mijden taal omdat het een gestandaardiseerde taal is, die de streek nooit heeft gesproken maar wel geschreven? Of moet de West-Vlaamse streektaal, die per definitie nooit in een standaardvorm is gesproken, als volwaardige taal worden heruitgevonden, buiten het Nederlands?
Eén zaak is zeker: het tegen elkaar opzetten van dialecten en standaardtaal is een truc uit de toverdoos van de Franse jakobijnen om de taaleisen van opstandige minderheden in toom te houden.
Ik maak me elke keer kwaad als ik, op de vraag ‘waar ben je in Zuid-Tirol op vakantie geweest’, het antwoord krijg ‘in Bolzano’. Zeg toch Bozen! Als in Zuid-Tirol de enige officiële plaatsnamen de Italiaanse zijn, komt dat door de actie van de Italiaanse irredentist Ettore Tolomei (1865-1952). Zuid-Tirol is het schoolvoorbeeld van hoe men heeft getracht de identiteit van een volk te doen verdwijnen door de plaatsnamen en toponiemen van de streek te italianiseren en er de Duitse taal te verbieden.
In juli 1932 stelt Ettore Tolomei zijn ’32 punten-programma’ om de zogenaamde ‘vreemde bevolking’ – versta hier de Zuid-Tirolers – in versneld tempo te italianiseren. Reeds in 1906 gaf Tolomei de Archivio per l’Aldo Adige uit, een publicatie die de aanspraken van Italië op het Oostenrijkse Zuid-Tirol vormgaf.
Het is in zijn ‘Archivio’ dat Tolomei begon met alle Duitstalige plaatsnamen en gehuchten, alsook de Duitse familienamen in het Italiaans te vertalen. Zuid-Tirol zou door het verdrag van St. Germain op 10 september 1919 tegen de wil van haar bevolking door Italië worden ingelijfd.
In 1922 kwam Mussolini aan de macht en kon Tolomei, onder de hoede van de Duce en zijn fascisten, de italianisering van de streek afdwingen. Eduard Reut-Nicolussi (1888-1958) een Zuid-Tiroolse jurist en politicus, schreef ooit dat er een strijd werd gevoerd voor de namen van ‘elke boerderij, van elk gemeentehuis, en van elke wijngaard’.
In Frans-Vlaanderen is het nooit zo ver gekomen dat, zoals in Zuid-Tirol, de naam van elk gehucht en elke boerderij werd verfranst. Wel zijn er veel straatnamen vertaald en de meeste nieuwe meldingen zijn Frans. Wel hebben de Franse Revolutionairen ooit de namen van alle historische provincies vervangen door de nietszeggende namen van departementen.
Hoe dan ook, de wetenschappelijke studie van Frans Debrabandere komt op zijn tijd. Het is een makkelijk bruikbaar hulpmiddel op het ogenblik dat sommigen in Frans-Vlaanderen een zootje maken van de schrijfwijze, de geschiedenis en de betekenis van onze Nederlandse toponiemen.
Ook Vlaanderen moet beslist zijn filologen koesteren en hun vakgebieden aan onze universiteiten behouden.
*Nederlandse plaatsnamen in Frans-Vlaanderen ‘West-Vlaanderen extra muros’ van Dr. Frans Debrabandere telt 325 blz.. Het is een overdruk uit de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (XCIII, 2021). Meer informatie en besteladres: Uitgeverij Peeters in Leuven. E-mailadres: order@peeters-leuven.be
15.05.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/de-vergeten-stemmen-voor-marine-le-pen/
Het is haar opnieuw gelukt: Marine Le Pen staat in de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen. Maar hoe staat ze tegenover de roep om meer autonomie van de Franse volkeren? En kan la France profonde het verschil maken in deze verkiezingen?
Haar familienaam verraadt het al: Marine Le Pen heeft Bretoense wortels. Al is ze geboren in Neuilly, een Parijse voorstad, ze kent Bretagne van het familiale vakantieoord La Trinité sur Mer, de geboortestad van haar vader – en politieke vader – Jean-Marie, waar ze in haar jeugd jaarlijks vertoefde. Ze zegt van Bretagne te houden. Maar Bretagne houdt niet zo van Marine. Een kijk op de resultaten van de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen bevestigt het: in geen enkele van de Bretoense departementen komt ze als eerste uit.
Hoe dat komt? Haar liefdesverklaring voor Bretagne deed ze zelf teniet door ongelukkige, maar veelzeggende verklaringen in de Franse pers. In 2020, maakte een journalist er haar attent op dat het stemgedrag van het Bretoense volk niet in haar voordeel speelde. Ze antwoordde al lachend dat ‘het Bretoense volk niet bestond’. En ook: ‘Ik ken enkel het Franse volk’.
Met haar verklaringen over de volkeren van Frankrijk is ze niet aan haar proefstuk. Haar politiek discours kleurt jakobijns rood met bons mots als: ‘De volksculturen verdedigen en promoten kan niet gebeuren ten koste van de nationale cohesie’.
Of nog: ‘Het is gevaarlijk de volkeren van Frankrijk te doen geloven dat ze sterker zouden zijn zonder de band met de natie’.
Wat haar betreft zijn Flandre of Bretagne louter geografische benamingen, enkel door de weerman te gebruiken als hij slecht weer aankondigt
Wat haar betreft zijn Flandre of Bretagne louter geografische benamingen, enkel door de weerman te gebruiken als hij slecht weer aankondigt.
Ze verklaarde voor de afschaffing van de machten van de regio’s te staan, regio’s die ze in 2017 bestempelde als feodale baronieën. In de aanloop op het debat rond de oprichting van nieuwe superregio’s in 2013, was Le Pen tegen de fusie van de twee Elzassische departementen in één superregio Elzas. Macron en Mélenchon trouwens ook. En zo werd de Elzas de ‘Grand Est’.
Toegegeven, voor deze presidentsverkiezingen heeft ze haar programma rond de regionalistische thema’s verzacht en verfijnd. Ze gaat nu voor de afschaffing van de 13 superregio’s en wil terugkomen tot de vroegere administratieve verdeling van Frankrijk met 22 regio’s. Ze voegt er aan toe, in tegenstelling tot vroegere verklaringen, dat ze deze hervorming voorstelt om de Franse diversiteit te vrijwaren. Ze ziet nu ‘een enorm probleem om streken als Picardië en de Elzas te zien verdwijnen omwille van de banden met onze identiteit, de geschiedenis, de specificiteit en de diversiteit van ons land’. Maar komt dit wel geloofwaardig over?
Een interessante testcase is Corsica. Marine Le Pen staat er met 28,58% van de stemmen als de best geplaatste kandidate bij de eerste ronde. Net als in 2012 en 2017 trouwens. Hoe dit stemgedrag doen rijmen met de Corsicaanse nationalistische oproer van enkele weken geleden? En met de 68% stemmen op Corsicaans-nationalistische lijsten bij de laatste regionale verkiezingen?
De regionale verkiezingen gaan over de vertegenwoordiging die de lokale politiek van en op het eiland bepaalt. Voor de presidentsverkiezingen gelden andere pijnpunten: hoge werkeloosheid, dure immobiliën, onveiligheid én migratie. Als volksnationalist in Frankrijk moet je, zoals de Corsicanen, over een gespleten persoonlijkheid beschikken om nationaal je stem uit te brengen.
Vlaamse vrienden zeggen me soms dat het programma van Le Pen toch niet zo jakobijns moet zijn als Corsicaanse nationalisten er voor stemmen. En toch: onlangs heeft Marine zich nog tegen autonomie voor Corsica uitgesproken.
Het geheime wapen van Marine Le Pen is van een andere orde. Ze heeft het gehaald in la France profonde. Dit Frankrijk heet voor Marine, Hénin-Beaumont, een gewezen mijnstadje van 26.000 inwoners, hart Artesië. Ze is er officieel gedomicilieerd, al woont ze in het meer exclusieve La Celle-Saint-Cloud, op 12 kilometer van Parijs.
Hoe Marine in Hénin-Beaumont terechtkwam noemt men, in de pure Franse jakobijnse traditie, een parachutage politique. Zo kan een politicus uit Marseille zich in Rijsel laten inschrijven als kandidaat voor de verkiezingen. De lokale bevolking kan er niet altijd om lachen maar enige affiniteit met de streek hoeft niet.
Hier wonen de overlevers van generaties vergeten, teleurgestelde Fransen waar niemand nog om geeft. Hun grootouders hebben de sluiting van de koolmijnen meegemaakt, hun ouders de delokalisatie van allerlei bedrijven
Hénin-Beaumont heeft de politieke carrière van Le Pen geen windeieren gelegd. Aan de kiezers van deze stad dankt ze al haar mandaten. Het geheim van Hénin-Beaumont? Voor Le Pen werkt het als een soort sociologisch laboratorium. Hier wonen de overlevers van generaties vergeten, teleurgestelde Fransen waar niemand nog om geeft. Hun grootouders hebben de sluiting van de koolmijnen meegemaakt, hun ouders de delokalisatie van allerlei bedrijven. Gevolg is een permanente hoge werkeloosheid gekoppeld aan armoede, migratie en onveiligheid.
Vroeger stemde iedereen er ‘rood’. Het is dat publiek van malcontenten dat links ooit verliet om voor Le Pen, vader en dochter, te stemmen. De proef op de som: bij de eerste ronde haalt Marine Le Pen met meer dan 38% haar beste score van heel Frankrijk in het departement Pas-de-Calais. De overige departementen van de Franse Nederlanden kleuren eveneens Le Pen.
In het mondaine Le Touquet van Macron, of in La Celle-Saint-Cloud van Le Pen ligt men niet wakker van het feit dat landelijk Frankrijk een woestijn is geworden. Achter de roep om meer autonomie en middelen voor de regio’s schuilt de echte Franse ziekte. Er is op het platteland, buiten de steden, een gebrek aan ongeveer alle basisbehoeftes: geneesheren, medische specialisten, ziekenhuizen, bakkers, beenhouwers, werkgelegenheid, cultuuraanbod en ga zo maar door. Dit trachten te verhelpen is een van de sleutels voor een echte regimewissel.
Van de bijna 40% van de Fransen die niet gaan stemmen woont een behoorlijk aantal in deze vergeten gebieden
Van de bijna 40% van de Fransen die niet gaan stemmen woont een behoorlijk aantal in deze vergeten gebieden. Ook deze stemmen heeft Marine Le Pen zondag nodig om Emmanuel Macron te kloppen. Of ze deze zwijgende minderheid, met de obligate kulekeku’s, Jeanne d’Arc en het zingen van de Marseillaise heeft kunnen bereiken is meer dan twijfelachtig.
18.04.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/frans-vlaanderen/
Jan Vanhille* is een geboren Frans-Vlaming, goed geïntroduceerd in onderwijskringen in de regio. Wij maken met hem een punt over het onderwijs van de streektaal in Frans-Vlaanderen nu het Frans-Vlaams erkend is als regionale taal in Frankrijk.
Hoever staat men met het onderwijs van de streektaal. Is men er al mee gestart?
‘Zoals geweten werd enkele maanden geleden le Flamand occidental als regionale taal erkend door de Franse onderwijsinstanties. Het gaat om een variant van het West-Vlaams dat nog gesproken wordt in de Franse Westhoek. Laat ons dat het Frans-Vlaams noemen om geen verwarring te stichten met het West-Vlaams van West-Vlaanderen.’
‘De spelling van dat Frans-Vlaams berust op de creativiteit, of juister gezegd, de fantasie van één vereniging: de ANVT ofwel Akademie voor nuuze Vlaemsche taele. In het Frans noemt deze vereniging zich een “Instituut”, en in het Frans-Vlaams, een “Academie”.’
Wat is het probleem?
‘Weet dat deze vzw in werkelijkheid niet beschikt over enige erkende taalkundige- of academische competentie om de streektaal te onderwijzen. De ANVT is enkel een ‘politiek waterdrager’ van Xavier Bertrand, voorzitter van de raad van de Hauts-de-France en (inmiddels afgevoerd) kandidaat voor de Franse presidentsverkiezingen.’
Wordt het Frans-Vlaams al onderwezen in het officieel onderwijs?
‘Sinds februari is men gestart met een initiatie Frans-Vlaams in vier verschillende secundaire scholen. Let op het begrip “initiatie”. Het gaat in realiteit grotendeels om een introductie tot het gesproken erfgoed en niet over het onderwijzen van een taal. Een taal, laat staan de streektaal, kan je op deze wijze niet leren.’
Misschien is dat wel een ludieke manier om de streektaal te leren?
‘Onderwijs mag best leuk zijn. Tot daar. Maar men maakt deze jonge mensen en hun ouders iets wijs als ze voor ogen hebben dat hun kinderen hier ooit mee kunnen studeren en/of werken in West-Vlaanderen of elders in Vlaanderen of Nederland.’
Iedereen tevreden met deze start?
‘Niet onmiddellijk. Men doet maar alsof. Het rectoraat in Rijsel (dat de leiding van het onderwijs coördineert voor de regio) en ook de betrokken schooldirecties zijn niet gelukkig met de situatie. Ze beseffen maar al te goed welke politieke beïnvloeding zich achter de schermen afspeelt. Ze voorzien een minimaal programma – omdat ze niet anders kunnen – met gemengde gevoelens. Het is een kwestie van in gesprek blijven met de politieke bemoeiallen.’
Waarom kunnen ze niet anders?
‘Hoe vind je goede leraars met de nodige pedagogische diploma’s, die lessen Frans-Vlaams kunnen geven?’
De vraag stellen is de vraag beantwoorden. Maar hoe gaat het momenteel in zijn werk?
‘Zulke leraars bestaan niet. In februari waren er, naar het schijnt, een twaalftal kandidaten. De meesten konden zelfs geen pedagogisch diploma voorleggen, laat staan dat ze Frans-Vlaams konden spreken. Ze kwamen sowieso niet in aanmerking. Een kleine minderheid bezat wel de nodige algemene pedagogische kwalificaties. Maar ze konden amper twee zinnen in het Frans-Vlaams uitspreken om hun kandidatuur te verdedigen. Vervelend: het zullen de taalleraars van je kinderen maar wezen.’
Hoe moet het verder?
‘Men zal het voorlopig hiermee moeten stellen. Het rectoraat doet zelf niets om deze leraars te vinden. Het is aan de ANVT, die nochtans pedagogisch niet bevoegd is, om deze leraars te zoeken. Er is een projectleider aangeduid, lid van ANVT, voor het Frans-Vlaams.’
Nederlands is volgens de Hauts-de-France een vreemde taal en volgens de ANVT zelfs niet verwant met het Frans-Vlaams
‘Leuk is te noteren dat de inspectie Nederlands in Noord-Frankrijk achter de schermen is gevraagd te volgen hoe dit project zal worden geïmplementeerd. Men is niet aan een contradictie minder of meer. Nederlands is volgens de Hauts-de-France een vreemde taal en volgens de ANVT zelfs niet verwant met het Frans-Vlaams. Maar het rectoraat vraagt wel aan een inspecteur Nederlands om een advies te geven over het onderwijsproject van het dialect. Kafka in Frans-Vlaanderen.’
Over welke scholen gaat het?
‘In februari werd door het rectoraat aan vier staatsscholen gevraagd een cursus Frans-Vlaams te organiseren. Twee lagere scholen in Kassel en Wormhout, bieden nu deze opleiding. Je moet je dit voorstellen als een initiatie Vlaamse cultuur in het algemeen, doorspekt met het leren van enkele woorden in het dialect. Voor de twee secundaire scholen, betreft het eveneens een school in Kassel en een andere in Hazebroek. Het werkt als volgt: beschikbare geldmiddelen zijn niet voorzien, alleen een klaslokaal. De leerlingen zijn vrijwilligers mits het akkoord van de ouders.’
Ik sprak onlangs met de verantwoordelijke van een van deze scholen. Men stelt zich inderdaad veel pertinente vragen. Zijn voorkeur voor het Nederlands was duidelijk en een initiatie Frans-Vlaams werd als een gedoogbeleid benaderd.
‘Inderdaad. Deze directies beseffen maar al te goed dat, op termijn, het onderwijs van het Frans-Vlaams in concurrentie komt te staan met de lessen Nederlands die reeds worden aangeboden in het normale lessenrooster. Voorlopig gaat men dit laten begaan, maar van zodra het in het vaarwater komt van de lessen Nederlands zijn de schooldirecties bevoegd en niet meer het rectoraat. Vroeg of laat gaat er in die scholen een clash komen tussen beide opleidingen. En dat is een spijtige zaak, in het nadeel van beiden op een ogenblik dat het onderwijs van alle talen in Frankrijk achteruitgaat ten voordele van het Engels.’
Kan dat op termijn het onderwijs van het Nederlands bedreigen?
‘In elk geval verstoren. Het punt is dat enkel de vereniging ANVT officieus erkend is als gesprekspartner bij de Hauts-de-France. Deze vereniging heeft ervoor gezorgd dat het Nederlands door de politici van de Hauts-de-France als een vreemde taal wordt benaderd. Alle subsidies gaan naar de werking van de ANVT. Over het Nederlands als regionale taal, of als taal van regionaal belang, wordt op het niveau van de regio Hauts-de-France niet gesproken.’
Hoe komt dat de leraars Nederlands zo stil zijn in het debat?
‘Voor de jonge leraars zelf is het niet altijd makkelijk om een standpunt in te nemen. Dat komt omdat veel van die leerkrachten niet zeker zijn van hun baan. Ze verkiezen daarom te zwijgen. Stel je even in hun plaats. Daarom zie je in Frans-Vlaanderen enkele militante verenigingen die actief het Nederlands verdedigen, los van de officiële onderwijsmiddens.’
Is een verzoening tussen partijen denkbaar?
‘De ANVT wist op slimme wijze in de laatste jaren van de Frans-Vlaamse streektaal en van de tweetalige bewegwijzering in de gemeenten een monopolie te maken. Surfend op de wateren van de (in taalmateries onkundige) Noord-Franse politiek beantwoorden ze perfect aan de bekende leuze: in het land der blinden is de eenoog koning. Men zal die “entente cordiale” moeten afdwingen tenzij deze vereniging inziet dat de door haar bewandelde richting op termijn niet leefbaar is.’
In de Elzas is men er na een decennia lange strijd uiteindelijk in geslaagd naast het Elzassich, ook het Duits als regionale taal te laten erkennen. Waarom kan dat niet in Frans-Vlaanderen?
‘Frans-Vlaanderen is veel kleiner en kan het gewicht van de Elzas niet in de schaal leggen om dit zo maar af te dwingen. De Elzas heeft er trouwens 70 jaar over gedaan om dit te bekomen. Maar dit is inderdaad het voornaamste streven van de Frans-Vlaamse verenigingen inzake taal.’
De oplossing, zoals in de Elzas, is te eisen dat het Nederlands als regionale taal wordt erkend naast en met de Frans-Vlaamse streektaal
‘De oplossing, zoals in de Elzas, is te eisen dat het Nederlands als regionale taal wordt erkend naast en met de Frans-Vlaamse streektaal. Bovendien dient men ook voor het Nederlands de status van zogenaamde taal van regionaal belang (langue d’intérêt régional) te bekomen. De taal van de buren is cultureel en economisch van strategisch belang voor een betere samenwerking tussen beide regio’s.’
Al gesproken met de Vlaamse regering over deze plannen?
‘Spijtig genoeg is Vlaanderen zo goed als afwezig in de strijd voor erkenning van het Nederlands als regionale taal, op het politiek niveau van de regio Hauts-de-France. De Taalunie duikt alleen maar op in onderwijsmiddens. Blijkbaar is men in Brussel en Den Haag vergeten dat de streek ooit een dialect van het Nederlands sprak en dat de inzet voor de redding van het Frans-Vlaams een eigen leven is gaan leiden en een brug kan maken met het Nederlands.’
‘Het is dit dossier, politiek gesteund door de voorzitter van de Hauts-de-France, dat geleid heeft tot de erkenning van het Frans-Vlaams als regionale taal. En het is deze trein die de Vlaamse regering en de Taalunie compleet hebben gemist.’
Kan Vlaanderen helpen?
‘De Vlaamse regering zou permanent moeten lobbyen op het niveau van de raad van de Hauts-de-France. Maar het blijft bij oppervlakkige en zeldzame contacten. Dat terwijl er zo veel te doen is en niet alleen op cultureel gebied. Ook alle Vlaamse instanties in de grensstreek, of het nu gaat om werkgelegenheid of over toerisme, moeten er over waken dat ze geen foute boodschappen richting Frans-Vlaanderen verspreiden. En dat loopt wel eens mis.’
‘Niet het West-Vlaams maar het Nederlands is de taal van de bedrijven, van het onderwijs, van de kranten, van de horeca, enzovoort. Ruten ’98 was een leuk programma op televisie, maar zal de Frans-Vlamingen niet echt helpen om aan een baan te geraken in Vlaanderen.’
* Jan Vanhille is niet zijn echte naam. Op verzoek van de betrokkene gebruiken we een pseudoniem.
06.04.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/corsica/
In Marseille is op 21 maart de Corsicaanse separatist Yvan Colonna overleden. De aanslag door een jihadist in de gevangenis van Arles begin deze maand werd hem fataal. Zoals te voorspellen (lees ook mijn artikel van 15 maart) kreeg Corsica, in de dagen die volgden op de aanslag, te maken met een opflakkering van geweld. De Franse minister van Binnenlandse Zaken spreekt nu van autonomie voor Corsica om de gemoederen te bedaren.
Voor de Corsicaanse separatisten is de Franse staat verantwoordelijk voor de dood van Yvan Colonna, met zware rellen tot gevolg. De Franse regering heeft zijn minister van Binnenlandse Zaken in hoogsteigen persoon, Gérard Darmanin, naar Corsica afgevaardigd om te trachten te bemiddelen. Darmanin beloofde plots, en tot verrassing van velen, niets minder dan zelfbestuur voor het eiland om de brand te blussen. Maar wat betekent het woord ‘zelfbestuur’ in de mond van een Franse minister?
Zaterdag 26 maart namen familie en Corsicaanse vrienden en militanten op een waardige manier afscheid van Yvan Colonna. Daags ervoor werd hij vanuit het ziekenhuis van Marseille naar zijn geliefde Corsica overgevlogen. Wat zijn vrienden zo woedend maakt: zijn straf verder uitzitten in een Corsicaanse gevangenis werd hem bij leven steeds geweigerd. Cynischer kon het niet. Pas enkele dagen vóór zijn overlijden werd Yvan Colonna, toen in coma, om ‘medische reden’ vrijgegeven. Enkel dood mocht hij naar Corsica terugkomen om in zijn Cargèse, het dorpje waar hij vroeger woonde, te worden begraven.
Yvan Colonna werd in 1960 geboren op Corsica. Zijn ouders, beide sportleraren, verhuisden naar Nice in 1975. Deze beslissing had te maken met de politieke ambities van zijn vader die socialistische volksvertegenwoordiger werd voor het departement ‘Alpes Maritimes’.
Van zijn ouders had Colonna hun talent voor sport overgenomen. Zijn dienstplicht vervulde bij het elitekorps bij de brandweer te Parijs. Daarna volgde hij een opleiding tot sportleraar. Heimwee bracht hem, in het spoor van enkele vrienden, terug op Corsica. In Cargèse, de plaats waar zijn broer een zaak bezat, ging hij aan de slag. Voor de kost had hij vele baantjes: van badmeester tot geitenhoeder. Aan dit laatste heeft hij zijn schuilnaam te danken: de hoeder van Cargèse.
Eens terug op Corsica dook de naam van Yvan Colonna op in de rangen van de radicale Corsicaanse nationalisten en activisten van het Front de libération nationale Corse (FLNC). Hij werd gelinkt aan verschillende geweldige acties in Corsica maar bewijzen ontbraken. Colonna werd onder meer verdacht van deelname aan een aanslag op een rijkswachtkantoor in Pietrosella (Zuid-Corsica) in september 1997. Het commando liet er een bom ontploffen, bedreigde twee rijkswachters en nam hun wapens mee.
Op 6 februari 1998 werd de prefect van Corsica, Claude Erignac, in Ajaccio neergeschoten. Het moordwapen bleef, vreemd genoeg, als een signatuur achter op de plaats van de aanslag. Het was een van de twee automatische pistolen, die door de daders werden ontvreemd bij de aanslag in Pietrosella.
In de jaren ’70 en ’80 had het FLNC het vooral gemunt op symbolen van de Franse staat op Corsica. Honderden aanslagen werden gepleegd op kazernes, politiekantoren en nog meer. Bewijzen dat de hoeder van Cargèse erbij betrokken was waren er niet. Ook bij de enquête op de moord op de prefect dook zijn naam niet onmiddellijk op in het dossier.
Dat was pas later het geval en de hele zaak leek snel op een afrekening tussen nationalisten. Voor de Franse justitie werd de voortvluchtige Colonna de ideale schuldige, om met de zaak komaf te maken. En ook, om de vele blunders in het onderzoek te doen vergeten.
Yvan Colonna daagde de Franse instanties uit en maakte ze belachelijk door jarenlang onvindbaar te blijven. Terwijl was hij rustig als ‘herder’ ondergedoken in zijn heimat Cargèse. Frankrijk zou hem hiervoor de rekening presenteren. Eens opgepakt zou hij altijd, en tot in hoger beroep, zijn onschuld staande gehouden.
De condities om deze ‘speciale gevangenen’ te bezoeken zijn bijzonder streng. Zijn moeder en zoon had Colonna al meer dan één jaar niet meer mogen zien
De manier waarop hij, samen met andere Corsicaanse nationalisten, in een speciaal gevangenisregime werd vastgehouden was al jaren onderwerp van verontwaardiging. Dé straf voor volksnationalisten en separatisten is ze gevangen te houden ver van hun regio en familie. Een soort ballingschap maar dan in de gevangenis. Colonna werd eerst gevangen gehouden in de buurt van Parijs, vervolgens in het Zuiden van Frankrijk. De condities om deze ‘speciale gevangenen’ te bezoeken zijn bijzonder streng. Zijn moeder en zoon had Colonna al meer dan één jaar niet meer mogen zien.
Had men Ivan Colonna in een gevangenis op Corsica geplaatst, dan zou hij vandaag nog in leven zijn. Dat is de mening van de duizenden die gemanifesteerd hebben na zijn dood. Voor hen is Yvan Colonna een slachtoffer van de Franse staat. Hoe kan je verklaren dat in een gevangenis met bijzonder regime, waar de gevangenen op elk moment van de dag kunnen worden gecontroleerd, een jihadist minuten lang Yvan Colonna kon wurgen zonder interventie van de bewakers?
De aanslag blijkt door camera’s te zijn gefilmd. Een Franse televisiezender heeft het hele gebeuren inmiddels zonder scrupules uitgezonden. Dat tot grote ergernis van de familie die klacht heeft ingediend.
Het was nog nooit getoond: zelfs de vlaggen op de gebouwen van de Corsicaanse Raad, zeg maar het Corsicaans Parlement, hingen halfstok naar aanleiding van de terugkeer van Ivan Colonna. De man die levenslang werd veroordeeld voor een moord op een vertegenwoordiger van de Franse staat werd als held ontvangen door de Corsicaanse politici. Dat tot grote verontwaardiging van de Parijse pers en van president Macron hemzelf.
Corsica leek deze dagen op een mijnenveld. Een Franse minister van Binnenlandse Zaken die zich naar het eiland haast is nooit een goed teken. De situatie wordt als explosief ingeschat in Parijs en dit op enkele weken voor de Franse presidentsverkiezingen. Tot verbazing van velen verklaarde Darmanin dat hij bereid was te gaan ’tot de autonomie’ van Corsica om de gemoederen te bedaren.
Al vijf jaar weigert de Franse regering gevolg te geven aan de politieke vraagstukken van de Corsicanen
Een houding die zeer ongeloofwaardig is en die niemand ernstig neemt. Al vijf jaar weigert de Franse regering gevolg te geven aan de politieke vraagstukken van de Corsicanen. Tijdens zijn bezoek aan Corsica in februari 2018 weigerde Macron te aanhoren dat de Corsicaanse kwestie een politieke kwestie was.
Er zijn Franstaligen in dit land, die zoals Jules Gheude, dagdromen dat de zogenaamde beloftes voor autonomie voor Corsica de aanleiding kunnen zijn voor een integratie van Wallonië binnen Frankrijk. Niet de status van de Franse overzeese gebieden zal als model dienen voor Wallonië, maar wel dat van Elzas-Lotharingen. Kijk hoe na de twee wereldoorlogen Frankrijk het autonome parlement van de Elzassers te niet deed, kijk naar de dwangmaatregelen, het verbod van de taal, de cultuur, de kranten, enzovoort.
Zoals de Corsicanen zich geen volk mogen noemen, aldus de Franse grondwet, mogen de Elzassers hun heimat ook niet meer Elzas noemen maar ‘Grand-Est’.
Vraag is ook wat minister Darmanin met ‘autonomie’ precies bedoelt. Zelfbestuur in welke domeinen, met welke middelen en met welke doelstellingen? In februari herinnerde de prefect van Corsica de Corsicaanse politiekers eraan dat de Franse constitutionele raad de uitdrukking ‘Corsicaans volk’ niet toeliet. Frankrijk erkent, in de zuivere jakobijnse traditie enkel één natie, en dat is de Franse.
Parijs vreest ook een sneeuwbaleffect bij toegevingen aan Corsica. Wat met het Bretoense volk, het Elzassiche volk, het Occitaanse volk en het… Vlaamse volk in dit land? Corsica is een doos van Pandora voor de andere volkeren in Frankrijk. De kans dat de autonomie van Corsica, versus Darmanin, op een sisser afloopt, eens de presidentsverkiezingen voorbij, staat dus in de sterren geschreven.
29.03.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/corsica-nostra/
De grenzen van het eiland Corsica vallen niet te betwisten. Dat helpt om de stem te verheffen in het ene en ondeelbare Frankrijk. Het warm bloed van het Corsicaans volk doet de rest. Geweld is hier een traditie en conflicten overleven de generaties. De vendetta is niet voor niets een Corsicaans begrip. Geen maand gaat er voorbij zonder dat er geschoten wordt. Om een prefect te zijn in Corsica is geen droomjob voor een hoge ambtenaar. Op het eiland van zon, zee en strand vallen regelmatig slachtoffers, zowel bij de autonomisten als bij de vertegenwoordigers van de staat.
Een prefect is in Frankrijk de hoogste woordvoerder van een departement. Als plaatselijke vertegenwoordiger van de centrale staat is hij belast met het bewaken van het nationaal belang, de administratieve controle en de toepassing van de wet, boven alle plaatselijke verkozenen.
De Franse staat heeft nog een rekening te presenteren aan de Corsicaanse autonomisten. Dat is onder meer het gevolg van de aanslag op prefect Claude Erignac, op 6 februari 1998. Hij werd in Ajaccio in de rug geschoten en dodelijk geraakt door drie kogels. Wie de leden van het moordcommando waren, wie er schoot, en wat hun ware motieven waren, is nooit helemaal opgehelderd. Maar hierover dadelijk meer.
Dat Frankrijk niet licht vergeet bleek onlangs bij de oppensioenstelling van een andere prefect van Corsica, Pascal Lafarge. Bij zijn vertrek liet hij niet na de Corsicaanse verkozenen de les te spellen. In een brief van 18 februari weigerde de prefect een recente wijziging van het interne reglement van de Corsicaanse Raad door te voeren die de Corsicanen, stel je voor, ‘het Corsicaans volk’ noemt.
Volgens de Franse Constitutionele Raad is het begrip ‘Corsicaans volk’ in strijd met artikel 1 van de Franse Constitutie.
Wat eveneens niet kan, aldus de prefect, is het voorstel van de Raad om het Corsicaans als debatstaal toe te laten. Volgens de Franse Constitutionele Raad is het begrip ‘Corsicaans volk’ in strijd met artikel 1 van de Franse Constitutie. In 1991 censureerde dezelfde Raad dit begrip. En dat zal, schrijft Lafargue, zo blijven.
Terug naar de moord op prefect Erignac. Deze kwam onlangs opnieuw in de actualiteit met een vreemde aanval in de gevangenis van Arles, in Zuid-Frankrijk. Op 2 maart wurgde een zekere Franck Elong Abé een andere gevangene. Het slachtoffer heet Yvan Colonna, een Corsicaanse nationalist, die tot levenslang veroordeeld was voor zijn aandeel in de moord op prefect Erignac. Franck Elon Abé, de dader, is een ex-jihadist van Kameroense afkomst. Hij vocht onder meer in Afghanistan, werd door de Amerikanen aangehouden en gevangengezet. In 2012 werd hij aan Frankrijk overgeleverd en vertoeft sindsdien in Franse gevangenissen. Hij kwam nog in het nieuws wegens kidnapping van verplegend personeel, poging tot ontsnapping, enzovoorts.
Hoe een veroordeelde, onderhevig aan de strengste bewaking, een andere veroordeelde te lijf kan gaan is op zich al verdacht.
Hoe een veroordeelde, onderhevig aan de strengste bewaking, een andere veroordeelde te lijf kan gaan is op zich al verdacht. Elong Abé verklaarde dat Colonna de profeet zou hebben beledigd. Yvan Colonna kan men niet ondervragen want hij ligt in een diepe coma en verkeert tussen leven en dood. De Franse autoriteiten hadden eerst gesuggereerd dat Colonna overleden was. De familie en vrienden van Yvan Colonna stellen zich meer en meer vragen over de rol van de staat en over de ware toedracht van deze aanslag.
Yvan Colonna, bijgenaamd de herder van Cargèse, 61 jaar oud, is de zoon van een gewezen socialistische volksvertegenwoordiger. Hij wordt ervan beschuldigd degene te zijn die op prefect Erignac had geschoten. Maar Colonna bleef hardnekkig ontkennen. Sommigen in Frankrijk spreken van een juridische dwaling, anderen van opgezet spel en van een oneerlijk proces.
De meedogenloosheid waarmee de Franse staat, tot vandaag, weigerde de man in een normaal gevangenisregime onder te brengen heeft al heel wat mensen beroerd. Hij werd doorlopend gefouilleerd en regelmatig van cel gewisseld. Colonna is buiten Corsica opgesloten zodat zijn familie hem moeilijk kan bezoeken. Zijn moeder heeft hij hierdoor al vijftien jaar niet meer kunnen zien. Het vooruitzicht om hem na 22 jaar gevangenis nog steeds niet los te laten is wraakroepend.
Iets klopt er niet. Colonna heeft namelijk altijd volgehouden onschuldig te zijn en bewijzen dat hij geschoten zou hebben zijn er niet. Petities met meer dan 40 000 handtekeningen en talloze betogingen bleven zonder resultaat. Verschillende persoonlijkheden, zoals de zangers Renaud en Jacques Dutronc, hebben zich de zaak van Colonna aangetrokken. Renaud bezocht hem tot drie keer toe in de gevangenis, en ging zijn familie in Corsica begroeten.
Colonna trouwde in de gevangenis. Zijn echtgenote interpelleerde op straat president Macron over de condities van opsluiting van de Corsicaanse gevangenen. Maar niets mocht baten. Een nieuwe deal was nu in de maak tussen Macron en vertegenwoordigers van het Corsicaans nationalisme. Corsicanen zouden in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen voor kandidaat Macron stemmen, in ruil voor het overbrengen van Colonna en andere nationalisten naar een Corsicaanse gevangenis, in afwachting van hun vrijlating.
Vrij kort na de moord op de prefect hielden de autoriteiten vier nationalisten aan: Didier Martinetti, Pierre Alessandri, Alain Ferrandi en Marcel Istria. De zaak kreeg een bijzondere wending toen Martinetti, wellicht onder dwang of door chantage, twee nieuwe namen aangaf: Joseph Versini en Martin Ottaviani. Kort daarop dook voor de eerste keer de naam Yvan Colonna in het dossier op. Het is tot vandaag niet duidelijk of zijn kompanen hem aanwezen als de hoofddader omdat hij voorvluchtig was, of omdat hij zichzelf probeerde veilig te stellen.
De Franse staat, die niet graag vier jaar lang voor schut wordt gezet, had nu de ideale dader en kon de vendetta voortzetten.
Yvan Colonna had op dat moment de vlucht genomen. Hij zou jarenlang de meest gezochte man in heel Frankrijk zijn. Pas vier jaar later, op 4 juli 2003, werd hij in Cargèse aangehouden. De Franse staat, die niet graag vier jaar lang voor schut wordt gezet, had nu de ideale dader en kon de vendetta voortzetten. Toenmalig president Nicolas Sarkozy, die bevriend was met de familie Erignac, maakte toen de kolossale fout door in de media te snel te verklaren: ‘Wij hebben de moordenaar van prefect Erignac aangehouden.’
Hierdoor verwerd het proces tegen Colonna tot een tragikomedie, gevoed door procedurefouten. De verdediging had alle rechtsmiddelen opgebruikt. Uiteindelijk kreeg Yvan Colonna levenslang met minimaal 22 jaar probatie.
In 2016 kwam het nog tot een zaak voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof verklaarde zich onbevoegd, officieel omdat alle procedures in Frankrijk niet waren uitgeput.
Tussen haakjes: je zou denken dat het geweld hier stopt. Maar we bevinden ons op Corsica. In 2012 werd ook Antoine Sollacaro vermoord. Sollacaro was advocaat en gewezen stafhouder, bekend voor zijn verdediging van nationalistische Corsicanen, en een van de advocaten van Yvan Colonna. Oorzaak van deze moord: een conflict tussen nationalistische clans op een achtergrond van maffiose praktijken. Het zijn zulke conflicten die waarschijnlijk ook een rol spelen in het aangeven van Yvan Colonna als hoofddader van de moord op prefect Erignac.
Nu Yvan Colonna in levensgevaar verkeert heeft de Franse staat in Corsica een bijkomend probleem. Colonna, die al 22 jaar volhoudt dat hij onschuldig is, blijkt nu niet te zijn beschermd in de gevangenis. Voor vele observatoren de zoveelste blunder die de hele zaak opnieuw meer dan verdacht maakt. President Macron mag het omkopen van Corsicaanse stemmen in de tweede ronde nu wel vergeten. En de vele vrienden van Colonna die deze dagen bijna dagelijks, en met duizenden op straat, protesteren zullen er definitief voor zorgen dat Yvan Colonna de held wordt van een volgende radicale generatie die voor de Corsicaanse onafhankelijkheid gaat.
15.03.2022
Tant en Artois qu’en Flandre Lilloise ou maritime, la langue des Flamands marque notre territoire, s’y pratique mais reste menacée de disparition en Flandre française ! Quelle est son histoire au cours des siècles, son état, son avenir ? Le néerlandais et le flamand, des synonymes ? La relation entre dialecte et langue ? Des réponses !
Auteur de Olla Vogala, histoire de la langue des Flamands, Wido Bourel est un écrivain et publiciste originaire de Flandre française dont l’œuvre fut couronnée par le Prix Ferdinand Snellaert en 2010. Il est vice-président du Cercle Andries Steven, association culturelle et linguistique.
Wido Bourel sera à Bavinchove le dimanche 20 mars et répondra aux questions de Damien Top sur l’histoire du vlaams, depuis ses origines jusqu’à nos jours. Le néerlandais et le flamand sont nés du francique, langue des pères fondateurs du royaume des Francs. S’il plaide pour la survivance du dialecte et invite à promouvoir l’identité flamande dans le nord de la France, l’auteur milite également pour la promotion du néerlandais, langue-mère du dialecte flamand parlée par près de 25 millions d’Européens. Ce sera l’occasion de faire le point sur la question, au moment où le flamand dialectal vient de rejoindre la liste des langues régionales enseignées dans les écoles.
Wido Bourel abordera ensuite quelques « questions qui dérangent » (c’est le titre de son prochain ouvrage à paraitre début mai : Flandre, des questions qui dérangent aux éditions Embanner) sur l’orthographe, la transmission, le devenir de la langue. Il les développera sans doute avec toute l’acuité et l’impertinence d’un Till l’Espiègle !
Un temps d’échanges avec le public suivra cet ardent plaidoyer qui se promet d’être aussi éclairant qu’enrichissant.
Dimanche 20 mars à 17h00
Salle des Fêtes – Mairie de Bavinchove
entrée libre
Renseignements : 09 53 63 32 08
Organisation : Cercle Andries Steven
Courriel : cercle.andries.steven@gmail.com


03.03.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/elzassers-vechten-voor-hun-identiteit/
In 2015 koos Frankrijk voor het invoeren van superregio’s, zonder raadpleging van de bevolking. Er werden departementen samengevoegd die historisch met elkaar geen banden hadden. Andere werden dan weer uit elkaar gehaald, al behoorden ze tot dezelfde regio. Het geheel werd bekroond met fantasieloze namen als Hauts-de-France voor de Franse Nederlanden. Het grootste protest tegen deze beslissingen kwam uit de Elzas die plots verdween in een superregio Grand Est, samen met Lotharingen, de Ardennen en de Champagnestreek.
De Elzassers organiseerden onlangs een referendum met als doel de uittreding uit de regio Grand Est te forceren. Ze willen ook de kandidaten voor de Franse presidentsverkiezingen confronteren met de resultaten van deze raadpleging.
Elzassers komen niet gemakkelijk op de barricaden. Dat komt door het woelig verleden van de regio, die eeuwenlang de speelbal was tussen Duitsland en Frankrijk.
De streek werd in de zeventiende eeuw Frans door de gewelddadige veroveringen van Lodewijk XIV. In 1871 werd het opnieuw Duits, in 1918 opnieuw Frans, in 1940 weeral Duits en, na 1945, kwam het opnieuw bij Frankrijk.
Op de oorlogsmonumenten zie je in de Elzas niet ‘mort pour la France‘ zoals overal in Frankrijk. Hier lees je ‘à nos morts‘, wat staat voor ‘aan onze doden’, welke doden in welke legers dan ook. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vochten de meeste Elzassers in het Duitse leger tegen Frankrijk. Hiervoor moesten ze een zware prijs betalen na de oorlog met een ware politieke en culturele repressie tot gevolg.
In het begin van de Tweede Wereldoorlog werden ze opnieuw door Duitsland ingelijfd. Meer dan 135 000 jonge Elzassers werden verplicht ingezet in het Duitse leger. Duitsland durfde het risico niet nemen om ze als bezettingstroepen in Frankrijk in te zetten. Ze werden meestal naar het Oostfront gestuurd, niet alleen in Rusland, maar ook in Joegoslavië, Polen en Finland. 20 000 lieten er het leven en nog eens 20 000 werden als vermist opgegeven.
neem je de Elzassers hun heimat weg, dan komt de streek in opstand
Aan de Elzassers kan je best niet vragen of ze zich Frans dan wel Duits voelen. Ze willen alleen Elzassers zijn en de Elzassische autonomisten hebben altijd gestreden voor een zelfstandige regio Elzas. De grote blunder van Frankrijk met de superregio’s was om dit niet in te zien: neem je de Elzassers hun heimat weg, dan komt de streek in opstand.
De Elzassers ervaren de verdwijning van de naam Elzas, en de versmelting in de Grand Est, als het zoveelste Franse verraad. Ze noemen de superregio, ‘Le grand n’importe quoi‘ (het grote gelijk wat).
een zoveelste administratieve constructie om de naam Elzas opnieuw te doen opduiken als troostprijs voor de getreiterde Elzassers
Het massaal protest resulteerde eerst tot de totstandkoming van een bijkomende entiteit, de Communauté Européenne d’Alsace oftewel CEA. Een flauwe toegeving van de Franse staat en een zoveelste administratieve constructie om de naam Elzas opnieuw te doen opduiken als troostprijs voor de getreiterde Elzassers. Als vlag kreeg deze CEA niet de ‘Rot-un-Wiss’–vlag, de historische rood-witvlag van de Elzas, maar een… Bretzel. Dat is een traditioneel broodje, voor de tegenstanders symbool van commercie en goedkope folklore. De CEA is bovendien voor weinig bevoegd: grensoverschrijdende contacten, tweetaligheid, wegeninfrastructuur. Kortom, een allegaartje en niets nieuws onder de zon.
In de laatste maanden zag je overal zwarte linten van protest opduiken op de naamborden van de Elzassische gemeenten. Het protest vertaalde zich in een petitie getekend door een zeventigtal nationale, maar ook regionale en lokale verkozenen. Er is maar één eis: de Elzas moet uit de superregio Grand Est worden gehaald en heeft het recht om haar historische naam te dragen. Aan de kandidaten voor de Franse nationale verkiezingen wordt ook gevraagd om met het Franse jakobinisme en centralisme te stoppen.
De ultieme datum om een stem uit te brengen voor dit referendum was 15 februari. Een definitief resultaat zal nog een of twee weken op zich laten wachten. De organisatoren hadden gerekend op minimaal 100 000 deelnemers aan dit referendum. Dit aantal was op de laatste dag dat men kon stemmen al bereikt. De consultatie is dus een succes en men hoopt uiteindelijk meer dan 120 000 stemmen te halen. Allemaal stemmen die aan de Elzas een aparte status willen geven, los van de superregio Grand Est.
De organisatie van dit referendum bleek een slimme zet op de vooravond van de presidentsverkiezingen. Jean Rottner, de president van de regio Grand Est, had inmiddels het kamp van kandidate Valérie Pécresse (Les Républicains) gekozen. De Franse president Emmanuel Macron kon er niet om lachen en presenteert hem nu de rekening voor deze dissidentie.
Goed om weten: President Macron sprak zich in 2017 tegen een autonome regio Elzas uit
In de Franse pers leest men dat Macron de Elzassers belooft de Elzas uit de superregio Grand Est te halen — en ook een autonome status te bieden — als hij in 2022 opnieuw verkozen wordt. Het is dus de kandidaten voor de presidentsverkiezingen sterk aangeraden deze dagen een bezoek te brengen aan de Elzas. Goed om weten: President Macron sprak zich in 2017 tegen een autonome regio Elzas uit…
Frankrijk en zijn regio’s, dat komt nooit meer goed. De Franse politicus Alain Peyrefitte noemde het ooit Le mal français, de Franse ziekte. Tijdens de Franse Revolutie werden alle historische namen van de regio’s geschrapt als zogenaamde symbolen van de feodaliteit en vervangen door departementen. Men koos voor deze kunstmatige departementen alleen nog een geografisch referentiekader met namen van rivieren, stromen, en bergketens in combinatie met windstreken, hoogtes en de laagtes.
Voor de vorming en namen van de superregio’s was men in hetzelfde bedje ziek. Resultaat: protest alom, en niet alleen in de Elzas. Corsica wil verregaande autonomie, Bretagne eist dat het departement Loire Atlantique aan de superregio Bretagne wordt toegevoegd. Ook hier hebben 105 000 inwoners van het departement een petitie getekend. Verder willen de Savoie en de Auvergne elk een autonome regio vormen, en vraagt Frans Baskenland om een specifieke status (de zogenoemde collectivité territoriale à statut spécifique). Dat laatste zou op termijn ook een oplossing kunnen zijn voor Frans-Vlaanderen, compleet verloren in de regio Hauts-de-France dat ooit het zuiden van de Lage Landen was.
20.02.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/jacobijnen/
In zijn stuk ‘De droom van de jakobijnse republiek is niet wat hij lijkt‘, gaat historicus Stefaan Marteel in op duidingen van Mark Elchardus over het jakobinisme in zijn boek Reset. Als Frans-Vlaming kan ik niet anders dan enkele kanttekeningen plaatsen bij deze revisionistische spreidstand.
De geschiedenis van deze club begint reeds in april 1789. Drie maanden voor de bestorming van de Bastille. Bretoense afgevaardigden verzamelen onder de naam ‘Bretoense club’. Bij de verhuizing van de Nationale vergadering naar Parijs, in oktober, gaan ze zich Genootschap der vrienden van de grondwet noemen. Ze vinden een onderkomen in het voormalig Dominicaanse klooster van de jakobijnen, in Parijs.
In 1792 worden ze de machtigste drukkingsgroep onder de naam ‘Genootschap der jakobijnen, vrienden van vrijheid en gelijkheid’. In Parijs zijn ze niet de enige revolutionaire club. ‘De Feuillants’, hun rivalen, benutten de gebouwen van een ander Parijs klooster. De jakobijnen wisten na enkele jaren in de catacomben, als geen andere groep uit te groeien tot een beduchte, politieke denktank. En, op nationaal vlak, als een goed geoliede netwerk. Eind 1793 schat men het aantal clubs op meer dan 5000 in heel Frankrijk.
Vòòr 14 juli 1789 kreeg het streven van deze oproepkraaiers slechts steun van een minderheid. De club wordt voornamelijk bezocht door de gegoede burgerij maar voedt zich, tijdens de felle debatten, met de stem van de straatrevolutie.
In hun zogenaamde gematigde fase waren de Jakobijnen dus alles behalve gematigd. Reeds in 1790 verstoot de club geleidelijk aan haar minder radicale leden. Blijven nog over de meest fanatieke en vastberaden leden: Grégoire, Saint-Just, Fouché, Sieyès, Collaut d’Herbois, Billaud-Varenne, en hun leider Robespierre. Zoek deze namen even op in de geschiedenisboeken. Elk zal een hoofdrol spelen bij de meeste bloedige en barbaarse bladzijden van de Franse Revolutie.
De uitvoerders van dit Schrikbewind of Terreur, worden, als eersten, letterlijk ’terroristen’ genoemd. Stalin en Pol Pot worden later hun vurigste bewonderaars.
Tijdens deze ‘heroïsche’ tijden bereiden ze een totalitair bewind voor. Het wordt omgezet in het Schrikbewind van de jaren 1793-1794, van zodra de jakobijnen de totale macht naar zich kunnen trekken. De uitvoerders van dit Schrikbewind of Terreur, worden, als eersten, letterlijk ’terroristen’ genoemd. Stalin en Pol Pot worden later hun vurigste bewonderaars.
Het ware totalitaire karakter van de jakobijnse doctrine is ook waar te nemen in de oorspronkelijke, volledige versie van de leuze van de Franse Republiek: ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap of de dood’. Het dook voor de eerste keer op in 1790, in een ‘Discours sur l’organisation des gardes nationales’. Dat is een geschreven spreekbeurt van de jakobijnse leider Robespierre. Reeds in zijn oerversie toonde het jakobinisme enkele opvallende trekken:
Het utopisch denken is al vroeg aanwezig. Het eerste radicale voorstel om alle historische benamingen en indelingen af te schaffen kwam in september 1789 van een zekere Thouret. Hij stelt een Cartesiaanse geometrische indeling van Frankrijk voor in tachtig gelijke, volmaakte vierkante departementen. Elk verdeeld in negen vierkante gemeenten, die op hun beurt zijn ingedeeld in negen eveneens vierkante kantons.
Wat definitief werd weerhouden was al niet veel beter. Een van de stichters van de jacobijnen, Sieyès, een priester, stond aan de wieg van het concept van de huidige departementen. Het idee ging verder dan alleen maar een administratieve herindeling van Frankrijk. Het was er vooral om te doen alle historische benamingen definitief van de kaart te vegen. En hiermee, het geheugen van de Fransen uit te wissen.
Een Artesiër verloor hierdoor zijn identiteit en een anonieme inwoner van het departement Pas-de-Calais te worden. En mijn Vlaamse voorouders werden plots wakker in ‘le Nord’. Zo zouden hun kleinkinderen voor altijd vergeten dat ze Vlamingen in Frankrijk waren.
Een taai lid van de club der Jakobijnen was ook al een priester. Henri Grégoire was zijn naam, maar hij zou de geschiedenis ingaan als ‘Abbé Grégoire’. Grégoire besefte dat de boodschap van de Revolutie nooit helemaal zou doordringen omdat veel Fransen ze niet verstonden.
In 1790 telde Frankrijk 28 miljoen inwoners. Amper 6 miljoen Fransen spraken Frans en nog 6 miljoen konden het enkel verstaan. De overgrote meerderheid gebruikte toen tientallen andere talen en dialecten.
Reeds in 1790 begon Grégoire met een omvangrijke enquête om te weten welke talen en dialecten werden gesproken op het Frans grondgebied. Niet om ze te beschermen zoals sommige naïevelingen dachten, maar om ze te verbieden. Op 4 juni 1794 publiceert hij zijn berucht ‘Rapport over de noodzaak en de middelen om de streektalen uit te roeien en het universeel maken van het gebruik van de Franse taal’. Let op het woord ‘uitroeien’, het lievelingswoord van de jakobijnen.
En dat de Franse président François Mitterrand, ondanks protesten, zijn stoffelijk overschot in 1989 naar het Panthéon liet overbrengen.
Grégoire is de vader van de mythe dat het Frans als taal van de Revolutie, de enige taal van de Franse natie is en dat alle andere talen op het grondgebied dienen te worden bestreden. Dat is de reden waarvoor deze jakobijn van het eerste uur op het eind van zijn leven door Napoleon in de adelstand werd verheven. En dat de Franse président François Mitterrand, ondanks protesten, zijn stoffelijk overschot in 1989 naar het Panthéon liet overbrengen.
Mijn oude mentor Nicolas Bourgeois, jurist, historicus en oud leerling van de Ecole Normale Supérieure schreef ooit spottend: ‘het jakobinisme is een authentieke vrucht van Parijse bodem zoals de Vaudeville op de boulevards of de geest van Montmartre’.
Niet zo zeer het koningschap, dan wel de Franse Revolutie heeft de Franse regio’s voor lang verlamd. Het, door de jakobijnen, fysisch liquideren van de Girondijnen, de meer gematigde revolutionaire groep regionalisten, had tot gevolg dat Parijs het centrum werd van een dictatoriale macht tegen de provincies.
De pretentie om vanuit de hoofdstad de provincies onder de revolutionaire knoet te houden zou snel tot verzet, en tot een burgeroorlog leiden. De breuk was niet altijd de steun aan het koningschap, dan wel de opstand tegen de verplichte conscriptie. De repressie die er op volgde leidde tot een escalatie van geweld en een bloedige terreur in bepaalde provinciesteden. En vooral in de Vendée.
Napoleon, het vrijgevochten geestelijk kind van de Franse revolutie, zal enkel die centralistische politiek van de oude jakobijnen overnemen en verfijnen. Hij versterkt ze met een politioneel en controlerend staatsapparaat met een oppermachtig prefect die, tot op vandaag, boven de verkozenen van het volk staat. En zijn opdrachten krijgt van de centrale machthebbers.
Een vergeten voordenker van de Franse Revolutie is de priester-dichter Etienne-Gabriel Morelly (1717-1778) met zijn ‘Code de la Nature ou le Véritable esprit de ses lois de tout temps négligé ou méconnu’. Het boek werd in 1755 uitgegeven en nog wel in Nederland.
Deze ‘méconnu des Lumières’, zoals hij werd genoemd, stelde daarin o.m. de oprichting van concentratiekampen voor andersdenkenden voor. In de voormalige Sovjet-Unie werden scholen naar hem genoemd. Morelly, waarvan boze tongen beweren dat het een pseudoniem voor Diderot was, kan als de vader van het utopisch socialisme, of moet ik schrijven communisme, worden bestempeld.
Een van de voorzitters van de Club der Jakobijnen, Pierre-Antoine marquis d’Antonelle (1747-1817), stond een ‘égalité approximative des propriétés’ voor als grondslag voor de republiek. En daarvoor moest men, ik citeer, ‘een derde van de bevolking doen verdwijnen’. Dit was dan weer nog niet genoeg voor de calvinistische dominee André Jeanbon Saint-André (1749-1813) die de helft van de Franse bevolking wilde uitroeien. Winnaar is evenwel Armand-Joseph Goffroy (1742-1801) die in Frankrijk maar vijf miljoen inwoners wou overlaten.
Historici zijn het niet met elkaar eens over het aantal slachtoffers van de Franse Revolutie. De schattingen gaan van 400 000 tot 1 000 000 slachtoffers, en dat is 1 à 3% van de totale Franse bevolking van toen. In Parijs alleen telt men al 50 à 75 000 slachtoffers in amper drie maanden tijdens de terreurweken van 1793-1794.
Het gaat hier niet alleen over politieke tegenstanders maar ook over kinderen, adolescenten, geesteszieken, gevangenen van gemeen recht, prostituées die men afslacht, … Gewoon omdat de gevangenissen overvol waren. Voor deze onschuldige slachtoffers was er geen tijd genoeg voor de guillotine. Er werd massaal, en op sadistische wijze gemoord, met bijlen, speren noem maar op, na vreselijke mishandelingen, verkrachtingen, enz.
Vanuit Parijs bevolen en geleid zijn ook de revolutionaire en militaire acties in Lyon of de georganiseerde verdrinkingen in Nantes (4 000 slachtoffers) tijdens de opstand van de Vendée. De Vendée waar, volgens een schatting, 250 000 doden vielen. Dit stemt overeen met 20 a 25% van de bevolking van de betrokken regio toen.
Volledige dorpen werden in brand gestoken, vrouwen, kinderen en ouderen beestachtig afgeslacht. Lijken werden gevild door legerchirurgen. General Turreau, bevelhebber van de zogenaamde ‘Colonnes infernales’, zal later in de Nationale Raad een verslag uitbrengen en de barbaarse zin uitspreken: ‘Ik heb de kinderen verpletterd onder de poten van mijn paarden’.
Een land heeft de helden dat het verdient
Turreau zal hiervoor, na de Terreur, amper worden gestraft. Enkele jaren later gaat hij vlekkeloos over naar het keizerlijke leger onder Napoleon. De naam van de beul van de Vendée staat ook op de Arc de Triomphe vermeld, stel je voor. Een land heeft de helden dat het verdient.
Blijft tenslotte nog de vraag of het sleutelen aan de verklaring van de mensenrechten, waarvoor Lafayette grotendeels de mosterd haalde in Amerika, een certificaat van goed gedrag en zeden oplevert. Alsook verzachtende omstandigheden voor alle misdaden van de oude jakobijnen. Mijn antwoord is zoals de leuze van de jakobijnse republiek: één en ondeelbaar, neen.
03.02.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/karel-appelmans-het-spreekt-de-frans-vlamingen-aan-wij-vullen-een-leemte-in/
Karel Appelmans, 78 jaar jong, is een geboren Vlaams-Brabander die zijn hart aan Frans-Vlaanderen verloor. Hij leidt Euvo, een van de meest dynamische verenigingen die in Frans-Vlaanderen zorg draagt voor Nederlandstalige borden op huizen en gebouwen, én ook oude opschriften restaureert.
Je bent een Vlaming én Nederlander in hart en ziel. Hoe is dat gegroeid?
‘Niet van huis uit: ik ben geboren uit een Franse moeder uit Chartres, en een Vlaamse vader. Het is door het uitzonderlijk lerarenkorps van het Sint-Jorisinstituut in Brussel dat ik belangstelling kreeg voor de Vlaamse geschiedenis.’
Ik zie ons nog stappen doorheen de Brusselse binnenstad met muziekkorps en veel Leeuwenvlaggen.
‘En ook door de plaatselijke KSA-afdeling waarmee allerlei activiteiten op poten werden gezet. Ik denk aan de Driekoningenstoet in samenwerking met het Sint-Jan Berchmanscollege en het Sint-Thomas instituut. Ik zie ons nog stappen doorheen de Brusselse binnenstad met muziekkorps en veel Leeuwenvlaggen.‘
Je ging enkele jaren geleden in Frans-Vlaanderen wonen. Hoe was de overgang?
‘Voor enkelen in Frans-Vlaanderen blijf ik nog steeds een inwijkeling. De meesten hebben me ondertussen aanvaard als een van hen. Administratief was het wel een kluwen van jewelste. Bankrekening, ziekteverzekering, en paperassen allerlei: het was een ware zoektocht.’
Hoe kwam je in contact met Frans-Vlaanderen?
‘Via de veel te jong gestorven Johan Van Herreweghe uit Gentbrugge. Johan was actief in de Werkgroep De Nederlanden. Daar maakte ik kennis met Cyriel Moeyaert en Gijs van Ryckeghem, twee uitmuntende kenners van Frans-Vlaanderen. Door deze nieuwe vriendschappen kwam ik dan bij Euvo terecht.’
Euvo, waarvoor staat dat?
‘Dat staat voor Europa der Volkeren. De stichter van Euvo, E.H. Luc Vranckx, in 2014 overleden, had een groot hart voor Frans-Vlaanderen. En ook voor andere verdrukte volkeren in Frankrijk en, bij uitbreiding, in Europa. Hij kwam tot het idee om Nederlandse borden aan te brengen op oude hoeven met historische benamingen. Na het overlijden van Luc Vranckx hebben we met de hele ploeg onze verantwoordelijkheid genomen. En zo ben ik er geleidelijk aan helemaal ingerold.’
Euvo heeft zich gespecialiseerd in Nederlandstalige opschriften op huizen en gebouwen. Vertel.
‘Onze activiteiten zijn nu fors uitgebreid naar alle soorten Nederlandse opschriften. Niet alleen op historische boerderijen maar ook op huizen, kerken, kapelletjes, namen van gehuchten, restauratie van oude monumenten, graven, noem maar op. De rode draad is: Nederlandstalige en Vlaamse opschriften bewaren en promoten als cultureel erfgoed.’
Euvo is ook actief in West-Vlaanderen?
‘Euvo vzw heeft zijn zetel in het Openluchtmuseum Bachten de Kupe, in Izenberge. Deze welgekomen vaste stek kwam er dankzij de hulp van Mark Ingelaere, bekend voor zijn opnames van de laatste West-Vlaamssprekenden in de Franse Westhoek, en de gastvrijheid van Marcel Messiaen, met zijn 100 jaar de oudste museumdirecteur in Vlaanderen.’
U plaatst ook Nederlandstalige borden in West-Vlaanderen?
‘Onze borden zijn sinds kort ook te verkrijgen in West-Vlaanderen waar ze door onze mensen eveneens gratis worden geplaatst. Een voorzitter is machteloos indien hij niet over een ploeg van medewerkers beschikt. Ik kan niet dankbaar genoeg zijn aan Edgard Stubbe uit Ruddervoorde en Lucien Maes uit Gistel, zonder hun echtgenotes te vergeten.’
De actie van Euvo is een groot succes in Frans-Vlaanderen. Jullie geel-zwarte borden zijn tegenwoordig overal aanwezig en vallen op in het landschap. Kan je dit succes verklaren?
‘Het spreekt de Frans-Vlamingen aan: wij vullen een leemte in. Deze mensen hebben nood aan een houvast om hun overtuiging en identiteit te beklemtonen. Ter informatie: we hebben eind 2021 de 1000 borden overschreden.’
Proficiat Karel! Welke mensen vragen zo’n bord aan? Zijn ze Vlaamsgezind?
‘De gewone werkmens, veel landbouwers, maar ook gemeentebesturen — die de melding Wethuys vragen voor hun gemeentehuis — tot zelfs iemand van adel. Allemaal mensen die Vlaamsvoelend zijn. Enkelen zijn ook overtuigde Vlamingen.’
Krijgen jullie soms opmerkingen van de plaatselijke overheid in Frankrijk? Is er soms verzet?
‘Tot vandaag hebben wij van welke overheid dan ook nog nooit negatieve opmerkingen ontvangen, integendeel. Ze zijn soms vragende partij. Ook het vervangen en verbeteren van gehuchtnamen gebeurt vlekkeloos.’
Ik zie borden met Nederlandse tekst. En andere in het West-Vlaams. Vanwaar het verschil?
‘Dat is bespreekbaar. Iemand die nog West-Vlaams spreekt verkiest meestal een bord in de streektaal. Frans-Vlamingen die Nederlands leren en spreken verkiezen een tekst in het Nederlands.’
Restaureren jullie ook oude Nederlandstalige inscripties op graven, kapellen, enzovoorts?
‘Ik ben heel blij dat je mij die vraag stelt. Hier breng ik vooral een eresaluut aan Edgard Stubbe die samen met Christin Gernaey en Jacques Hullebusch deze zware taak op zich heeft genomen. Enkele weken geleden hebben zij nog het graf van de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois gereinigd.’
Hoe sta je persoonlijk in de discussie tussen aanhangers van het West-Vlaams en diegenen die het Nederlands verdedigen?
‘Zonder aan politiek te willen doen, want ik voer geen discussies noch polemieken hieromtrent. Ik deel het standpunt van de Michiel de Swaenkring en de Andries Stevenkring en nog vele anderen: het West-Vlaams kan enkel overleven door het erkennen van het Nederlands als onderwijstaal in Frans-Vlaanderen en zelfs er buiten.’
Wat zijn de belangrijkste onderwerpen die de Frans-Vlamingen bezig houden?
‘Voor Euvo breng ik jaarlijks tientallen huisbezoeken. Wat me opvalt is dat in elke woning een leeuwenvlag of een schild aanwezig is. Dat is de getuigenis van hun identiteit en Vlaamse verbondenheid, nu de Vlaamse taal verdwijnt. Over politiek wordt nooit gesproken.’
Hoe gaat dat in zijn werk? Wat moet een Frans-Vlaming doen om een Nederlandstalig bord te krijgen?
‘Heel eenvoudig. Men belt ons op mijn mobieltje of wij krijgen een verzoek via een e-postje. Nadien breng ik een bezoek om in overleg de naam te kiezen waarna het bord wordt aangemaakt en gratis geplaatst.’
Over welk(e) bord(en) en/of restauratie ben je het meest trots?
‘Moeilijk te zeggen. Alle borden en restauraties liggen me nauw aan het hart. Wil je toch een voorbeeld: vorig jaar hebben wij in Kwaadieper verweerde muurstenen met aloude Nederlandse teksten die zo goed als verdwenen waren, volledig kunnen herstellen. Een huzarenstukje van onze ploeg!’
Wat zijn de plannen van Euvo voor dit jaar? Zijn er interessante projecten in het vooruitzicht?
‘Er is heel wat te doen. We willen onder meer aanvangen met de opmaak van een algemene inventaris van alle Vlaamse opschriften in de Frans-Vlaamse gemeenten. Als referentie nemen wij het overzicht uit het boek van Bert Bijnens, Zuid-of Frans-Vlaanderen.’*
Alle handen en financiële steun steeds welkom!
‘Het werd in 1964 uitgegeven en vraagt dus om te worden geactualiseerd. Maar hier wringt het schoentje: dit is een reuzeopdracht en de vraag is: wie steekt de handen uit de mouwen? Komt daarbij dat koken geld kost. Alle handen en financiële steun steeds welkom!‘
Karel, ik dank je voor dit gesprek.
*Zuid- of Frans-Vlaanderen, uitgegeven door de Heemkundige Kring Bachten de Kupe in 1964.
29.01.2022
Lisez aussi cet article sur les plats pays: https://www.les-plats-pays.com/article/le-west-flamand-est-desormais-une-langue-regionale-en-france
Depuis décembre 2021, le flamand occidental, ou west-flamand, est reconnu comme l’une des langues régionales en France et, à ce titre, il pourra y être enseigné. Wido Bourel réagit à cette reconnaissance faite au détriment du néerlandais.
En France, l’année dernière, l’approbation de la loi Molac a créé un cadre juridique pour l’enseignement et la protection des langues régionales. Mais le Conseil constitutionnel s’est empressé de censurer cette loi. Cela a mis en colère tous ceux qui s’intéressent aux langues minoritaires dans le pays. Leurs vives protestations ne pouvaient laisser plus longtemps indifférent le ministère français de l’Éducation nationale. En décembre dernier est parue une nouvelle circulaire censée apaiser les esprits.
Après avoir confirmé, ainsi que l’on s’en serait aisément douté, que «la langue de la République française est le français», la circulaire exprime la volonté de protéger et d’enseigner les langues présentes sur le territoire de l’Hexagone.
La circulaire énumère les langues régionales actuellement reconnues: le basque, le breton, le catalan, le corse, le créole, le gallo (langue régionale romane parlée dans l’est de la Bretagne), l’occitan et la langue d’oc, les langues régionales d’Alsace, les langues régionales des pays mosellans, le franco-provençal, le flamand occidental, le picard, le tahitien, les langues mélanésiennes (drehu, nengone, paicî, aijë), le wallisien et le futunien (deux langues de Nouvelle-Calédonie) ainsi que le kibushi et le kimaore (île de Mayotte).

Qu’en résulte-t-il, concrètement, pour la Flandre française? Le flamand occidental –appelons-le «west-flamand»– peut dorénavant être enseigné dans les écoles primaires et secondaires. «Peut» et non «doit», et «pour autant que» l’on trouve des enseignants.
Et où reste le néerlandais dans l’histoire? Il est paradoxal que la circulaire du ministère français de l’Éducation nationale fasse état du west-flamand en tant que nouvelle langue régionale reconnue, mais reste muette à propos du néerlandais. Comparez cette situation avec l’Alsace, où l’allemand et l’alsacien sont tous deux reconnus sous le discret manteau de «langues régionales d’Alsace». Deux poids, deux mesures: cela se dit aussi en français.
Pourtant, et contrairement à ce que certains prétendent en France, le néerlandais a toujours été présent en Flandre française, et ce, sous les deux formes: aussi bien le dialecte west-flamand parlé que le néerlandais standard écrit. C’est en tout cas certainement vrai jusqu’à la Première Guerre mondiale. Le linguiste et spécialiste de la Flandre française Cyriel Moeyaert a montré dans ses très nombreuses publications que, jusqu’au début de vingtième siècle, pratiquement tous les documents écrits en Flandre française l’étaient dans un néerlandais assez correct. Une langue néerlandaise dans l’orthographe de l’époque: du néerlandais avec parfois, ici et là, un mot ou une tournure en parler régional. Mais néanmoins du néerlandais.
le néerlandais a toujours été présent en Flandre française sous deux formes: le dialecte west-flamand parlé et le néerlandais standard écrit
Comment cela s’explique-t-il? Après l’annexion par la France, la Flandre française a longtemps encore continué à faire partie de l’évêché d’Ypres. Dans différents établissements catholiques de Flandre française où se donnaient des cours de néerlandais, cela se faisait, aux XVIIIe et XIXe siècles, avec un matériel pédagogique qui était, disons, le même qu’à Ypres ou à Furnes.
Une évolution que n’a cependant pas connue la Flandre française, c’est celle qui, au cours des cent dernières années, a conduit la Flandre vers le néerlandais actuel. Dès lors, en Flandre française, la connaissance du néerlandais écrit s’est étiolée. La langue parlée, elle, a subsisté mais s’est peu à peu appauvrie, faute de bases de grammaire et de syntaxe et en raison de l’influence du français.
À partir de cette constatation, certaines associations de Flandre française ont tendance à ne retenir que le west-flamand comme langue à promouvoir. De leur point de vue, le néerlandais est une langue étrangère. Leur lobbying, avec l’aide politique et financière de la région des Hauts-de-France, a alerté les ministères de l’Hexagone.
D’où cette situation pour le moins paradoxale: le west-flamand parlé, en passe de disparaître complètement, est à présent reconnu en France comme langue régionale, tandis que le néerlandais standard n’accède pas à pareille reconnaissance alors même qu’il est enseigné à plus de 20 000 élèves.
Il est aujourd’hui demandé aux autorités régionales en matière d’éducation de faciliter entre autres l’enseignement du west-flamand à partir de la prochaine année scolaire. Mais elles peuvent, de leur propre initiative, freiner l’application de mesures non contraignantes. Ce fut déjà le cas en Bretagne, où ces instances ont manifesté dès début janvier contre l’attitude du rectorat. D’autre part, il y a gros à parier que le ministre de l’Éducation nationale, Jean-Michel Blanquer, qui s’est déclaré à plusieurs reprises adversaire de l’enseignement des langues régionales, fera tout en coulisses pour tempérer ses propres directives.
Le principal problème des défenseurs du west-flamand est de savoir qui a compétence pour enseigner cet idiome. Quasi aucune personne possédant le diplôme pédagogique requis n’a les connaissances linguistiques voulues. Il n’est pas davantage question de faire appel à des enseignants de Flandre-Occidentale, étant donné qu’il faut posséder un diplôme pédagogique français pour être habilité à professer dans l’enseignement en France.
Les parents et les grands-parents ne sont plus d’aucun secours: la plupart d’entre eux ne pratiquent plus la langue. D’autre part, il n’existe pas de manuels ou de méthodes de west-flamand permettant d’enseigner cette langue régionale à chaque niveau de l’enseignement primaire et secondaire. En effet, cette langue régionale, par définition, n’est pas standardisée et n’a ni orthographe uniformisée, ni grammaire standard. Elle ne dispose pas non plus de littérature ou de livres en west-flamand sur lesquels s’appuyer.
Le défi est donc de taille. Mener le projet à bien suppose non seulement des connaissances linguistiques suffisantes pour couvrir tout le cycle depuis les classes du fondamental jusqu’au secondaire, mais aussi un gigantesque effort intellectuel, financier et matériel. Cet effort ne pourra évidemment être consenti qu’au détriment des formations en néerlandais et de l’enseignement du néerlandais en immersion dont un intéressant projet pilote est actuellement en cours à Dunkerque.
Les partisans de l’enseignement du néerlandais n’abandonnent pas. Ils se sont regroupés au sein de la Fédération des langues germaniques (Alsace, pays mosellans et Flandre française). Le but est d’exercer ensemble à Paris la pression nécessaire afin d’obtenir pour la Flandre française les mêmes droits que ceux dont bénéficie l’Alsace, où, au terme d’un long combat, l’allemand a été reconnu comme langue régionale au même titre que le dialecte alsacien. La lutte engagée en commun vise à obtenir une reconnaissance analogue pour le néerlandais en tant que langue régionale en cohabitation avec le west-flamand.
Durant les prochaines semaines, les associations qui militent en faveur du néerlandais contacteront à la fois le ministère de l’Éducation nationale et les pouvoirs régionaux en vue de plaider pour l’octroi d’un statut régional au néerlandais.
Chez les habitants de la région frontalière s’observe aussi une nouvelle évolution consistant à envoyer leurs enfants à l’école de l’autre côté de la frontière
Les formations de néerlandais existantes constituent également une solution à la pénurie d’enseignants. En Flandre française, des dizaines de professeurs donnent déjà des cours de néerlandais. En principe, ces enseignants sont les mieux placés pour faire le lien entre le néerlandais et ses formes dialectales.
Chez les habitants de la région frontalière s’observe aussi une nouvelle évolution, aussi efficace que spontanée, consistant à envoyer leurs enfants à l’école de l’autre côté de la frontière, dans la région de Menin, Poperinge et Furnes. Ils peuvent y apprendre le bon néerlandais et, en même temps, entendre le west-flamand dans la cour de récréation.
Aucune information n’a filtré jusqu’à présent quant à une prise de position du gouvernement flamand en faveur du néerlandais en Flandre française. C’est ce que l’on appelle la diplomatie silencieuse de la Taalunie (Union linguistique néerlandaise). Le Premier ministre Jambon a eu récemment à Courtrai un entretien avec le vice-président des Hauts-de-France François Decoster. Le résultat le plus clair qui s’en est dégagé est que les deux parties semblent avoir pris la résolution d’apprendre à mieux se connaître mutuellement à l’avenir. Pour le reste, on n’en retiendra qu’un échange de badineries sur le patronyme flamand de l’homme politique de Flandre française et sur la consonance française du nom du ministre-président du gouvernement flamand. Le constat est amer: la politique culturelle flamande inclusive en ce début de XXIe siècle, pour ce qui est de la promotion de notre langue extra muros, se résume à une boîte vide, sans plus.
Cet article a d’abord paru sur Doorbraak.be.
19.01.2022

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/west-vlaams-is-nu-een-regionale-taal-in-frankrijk/
In Frankrijk zorgde vorig jaar de goedkeuring van de wet Molac voor een juridisch kader aangaande onderwijs en bescherming van de regionale talen. De Franse Constitutionele Raad kelderde deze wet al snel, tot woede van al wie begaan is met de minderheidstalen in Frankrijk. Het Franse ministerie van onderwijs kon niet langer doof blijven voor dit luid protest. Een nieuwe omzendbrief van december jl. heeft de bedoeling de gemoederen te bedaren.
Eerst bevestigt de omzendbrief, wat dacht je, dat ‘de taal van de Franse Republiek het Frans is’. Vervolgens drukt hij de wil uit om de talen aanwezig op het Franse grondgebied te beschermen en te onderwijzen.
De omzendbrief somt de regionale talen op die nu worden erkend: het Baskisch, het Bretoens, het Catalaans, het Corsicaans, ,het Creools, het Gallo (Romaanse streektaal gesproken in het Oosten van Bretagne), het Occitaans én de Oc-taal, de regionale talen van de Elzas, de regionale talen van de Moezelregio, het Franco-Provencaals, het West-Vlaams, het Picardisch, het Tahitiaans, de Melanesische talen (Drehu, Nengone,Paicî, Aijë), de Walllisiaanse en Futuniaanse talen (twee talen uit Nieuw Caledonië) alsook het Kibushi-Kimaore (eiland Mayotte).

Wat zijn de concrete gevolgen voor Frans-Vlaanderen? Het West-Vlaams kan voortaan worden onderwezen in het lager en secundair onderwijs. ‘Kan’ en niet ‘moet’, en ook ‘als’ men leraars vindt.
En waar blijft het Nederlands in dit verhaal? Het is een paradoxale situatie dat de omzendbrief van het Franse Ministerie van Onderwijs melding maakt van het West-Vlaams als nieuwe erkende regionale taal, maar dat hij niet spreekt over het Nederlands. Vergelijk deze situatie met de Elzas, waar én het Duits, én het Elzassisch erkend zijn onder de discrete dekmantel ‘regionale talen van de Elzas’. Hoe zegt men ‘ twee maten en twee gewichten’ in het Frans?
Nochtans, en in tegenstelling tot wat sommigen in Frankrijk beweren, was onze taal steeds aanwezig in Frans-Vlaanderen, onder de vorm én van het gesproken West-Vlaamse dialect, én van het geschreven standaard Nederlands. Deze situatie heeft tot de Eerste Wereldoorlog geduurd. De taalkundige en Frans-Vlaanderenkenner Cyriel Moeyaert heeft in zijn talloze publicaties aangetoond dat tot het begin van de twintigste eeuw zo goed als alle geschreven stukken in Frans-Vlaanderen in vrij keurig Nederlands opgetekend zijn. Nederlands in de spelling van toen: Nederlands, soms met hier en daar een woord of zinswending in de streektaal. Maar, desalniettemin: Nederlands.
Na de annexatie door Frankrijk bleef Frans-Vlaanderen nog lang tot het bisdom Ieper behoren
Hoe dat komt? ? Na de annexatie door Frankrijk bleef Frans-Vlaanderen nog lang tot het bisdom Ieper behoren. In verschillende Frans-Vlaamse katholieke instellingen waar ze lessen Nederlands gaven, gebeurde dit, in de 18de eeuw en de 19de eeuw, met hetzelfde pedagogisch materiaal als in Ieper of Veurne, zeg maar.
Wat Frans-Vlaanderen niet heeft meegemaakt is de evolutie naar het hedendaags Nederlands, zoals in Vlaanderen de laatste 100 jaar. De kennis van het geschreven Nederlands ging toen verloren. De gesproken streektaal bleef over en verarmde geleidelijk aan door gebrek aan basisinzichten in spraakkunst en syntaxis, en door invloed van het Frans.
Sommige Frans-Vlaamse verenigingen gebruiken deze vaststelling om alleen het West-Vlaams als regionale taal te promoten. Het Nederlands beschrijven ze als een vreemde taal. Met de politieke en financiële steun van de regio Hauts-de-France heeft hun lobbying de Franse ministeries bereikt.
nu het bijna verdwenen is, erkent Frankrijk het gesproken West-Vlaams als regionale taal. Maar niet het standaard Nederlands dat nochtans aan meer dan 20.000 leerlingen wordt onderwezen
Paradox van de hele situatie : nu het bijna verdwenen is, erkent Frankrijk het gesproken West-Vlaams als regionale taal. Maar niet het standaard Nederlands dat nochtans aan meer dan 20.000 leerlingen wordt onderwezen.
Aan de regionale onderwijsinstanties wordt nu gevraagd om het onderwijs van onder meer het West-Vlaams te faciliteren vanaf volgend schooljaar. Maar de plaatselijke onderwijsautoriteiten kunnen op eigen houtje een rem zetten op de uitvoering van de maatregelen die geen verplichtingen inhouden. Dat is nu al het geval in Bretagne waar ze in de volgende dagen zullen betogen tegen de houding van het rectoraat aldaar. Reken er ook op dat de minister van onderwijs, Jean-Michel Blanquer, die zich meermaals negatief tegen het onderwijs van de regionale talen heeft uitgesproken, achter de schermen alles in het werk stelt om de eigen richtlijnen af te zwakken.
Leraren uit West-Vlaanderen kunnen ook niet worden gevraagd: men moet in het bezit zijn van een Frans pedagogisch diploma
Voornaamste probleem voor de aanhangers van het West-Vlaams: wie is bevoegd om lessen West-Vlaams te geven? Zo goed als niemand met de nodige pedagogische diploma’s beschikt over de taalkennis. Leraren uit West-Vlaanderen kunnen ook niet worden gevraagd: men moet in het bezit zijn van een Frans pedagogisch diploma om in het Frans onderwijs les te kunnen geven.
Ouders en grootouders kunnen niet meer helpen: de meesten spreken de taal niet meer. Er zijn ook geen goedgekeurde boeken of methodes West-Vlaams voorhandig om de streektaal te onderwijzen op elk niveau van het lager en secundair onderwijs. Streektaal die, per definitie, niet is gestandaardiseerd, zonder uniforme spelling of standaard spraakkunst. Er zijn ook geen bruikbare leesboeken en er is geen beschikbare literatuur in het West-Vlaams.
De gekke opzet vraagt, naast een gedegen taalkennis om de hele cyclus van de lagere klassen tot het middelbaar te dekken, een gigantische intellectuele, financiële en materiële inspanning. Dit zal uiteraard ten koste zijn van de opleidingen Nederlands en van het immersie onderwijs in het Nederlands waarvoor momenteel in Duinkerke een interessant piloot project loopt.
De voorstanders van het onderwijs van het Nederlands geven niet op. Ze hebben zich verenigd in de Federatie van Germaanse talen (Elzas, Moezelstreek én Frans-Vlaanderen). De bedoeling is samen de nodige druk uit te oefenen in Parijs om voor Frans-Vlaanderen dezelfde rechten te verkrijgen als voor de Elzas. Daar is na een lange strijd het Duits erkend als regionale taal naast het Elzassische dialect. Samen gaan ze de strijd aan om ook het Nederlands officieel te laten erkennen als regionale taal naast het West-Vlaams.
De verenigingen die het Nederlands promoten zullen in de volgende weken het ministerie van onderwijs én de regionale instanties benaderen om te pleiten voor een regionale status voor het Nederlands.
In Frans-Vlaanderen geven tientallen leerkrachten reeds lessen Nederlands
De bestaande opleidingen Nederlands zijn ook de oplossing voor het gebrek aan leraars. In Frans-Vlaanderen geven tientallen leerkrachten reeds lessen Nederlands. In principe zijn ze als eerste bevoegd om de link te leggen tussen het Nederlands en zijn dialecten.
Bij de grensbewoners is er ook een nieuwe, efficiënte, spontane evolutie merkbaar: de kinderen over de schreve naar school sturen in de regio Menen, Poperinge, Veurne. Daar kunnen ze perfect Nederlands leren, en ook, West-Vlaams horen op de speelplaats.
Over een stellingname van de Vlaamse regering voor ondersteuning van het Nederlands in Frans-Vlaanderen is er geen nieuws. Stille diplomatie van de Taalunie noemt men dat. Minister-President Jambon ontmoette onlangs de ondervoorzitter van de Hauts-de-France, François Decoster, in Kortrijk. Resultaat: beide streken gaan, naar het schijnt, in de toekomst elkaar beter leren kennen. En voor het overige, wat lol over de Vlaamse naam van de Frans-Vlaamse politicus en de Frans klinkende naam van onze Minister-President. Dit is het resultaat van de inclusieve Vlaamse cultuurpolitiek in de 21ste eeuw: een lege doos inzake bevordering van onze taal extra muros en verder niets.
09.01.2022