“Het geheugen, net als de geschiedenis, is geworteld in archieven. Zonder archieven verzwakt het geheugen, vervaagt de kennis van wat we hebben verwezenlijkt en verdwijnt de trots op een gedeeld verleden. Archieven bieden tegenwicht aan dat verlies. Ze bevatten de sporen van wat voorafging.”
(Joan M. Schwartz & Terry Cook)
Je zou nogal snel – en dus misschien wat naïef – kunnen concluderen dat een V-partij* aan de macht automatisch garant staat voor een stevige en innoverende taal- en cultuurpolitiek. En al helemaal voor een structurele verankering van de middelen voor ons waardevolle erfgoed: archieven, erfgoedbibliotheken, monumenten en culturele instellingen.
Niets blijkt minder vanzelfsprekend. En dus worden we wakker met een kater.
De organische gemeenschap zou moeten wijken voor een multidentitaire maatschappij, zo lijkt het, en in zo’n samenleving is zelfs het eigen culturele geheugen niet langer vanzelfsprekend veilig. Instellingen moeten zich voortdurend verloochenen, verantwoorden en aanpassen om hun voortbestaan veilig te stellen. En als de geldbeurs dan weer opengaat, krijgt ons erfgoed voorzekers ook een nieuwe behandeling: inclusief, divers en postkoloniaal – steeds nadrukkelijker als een beleidsmatige opdracht waaraan door de staat gesubsidieerde instellingen geacht worden te beantwoorden.
Opvallend maar niet verrassend is hoe liberalisme en individualisme zich ondertussen wonderlijk goed lijken te kunnen verzoenen met woke en kosmopolitisch denken, voorbij de klassieke links-rechtstegenstellingen. Vlaamse primitieven, maar dan zonder penseel.
De mentaliteit van ordinaire boekhouders binnen de Vlaamse politiek helpt daarbij niet bepaald. Evenmin als het charisma van een lavabo – een treffende formulering die ik even ontleen aan Jean-Marie Dedecker. Een cultuurbeleid dat vooral in spreadsheets past, heeft uiteindelijk weinig met visie te maken.
De fundamentele vraag is nochtans eenvoudig:
Wat gebeurt er met een gemeenschap wanneer de instellingen die haar geheugen bewaren structureel minder of niet meer in staat worden gesteld om dat geheugen te bewaren, te beschrijven, te ontsluiten en door te geven?
CULTUUR OP EIGEN BENEN?
Op korte termijn brengt deze situatie uiteraard een hoop ellende met zich mee. Maar misschien is dit ook het moment om ons af te vragen van welke ballast de culturele sector zich kan bevrijden.
Cultuur – de echte dan – kan zich opnieuw van onderuit organiseren: lokaal verankerd, creatief, ondernemend en waar mogelijk zelfbedruipend. Minder afhankelijk van steeds wisselende administratieve logica’s en van subsidiestelsels waarin de culturele inhoud soms lijkt te moeten wijken voor de juiste dogmatische terminologie.
De tering naar de nering zetten, in alle opzichten dus. Ook dat hoort bij onafhankelijkheid.
En als we die onafhankelijkheid ernstig nemen, lijkt het mij minstens verdedigbaar om de structurele vermenging van cultuurbeleid en politieke macht opnieuw ter discussie te stellen. Misschien horen actieve politici en andere vertegenwoordigers van het machtsapparaat gewoon niet thuis in raden van bestuur van culturele instellingen.
Niet omdat politiek niets met cultuur te maken heeft.
Maar juist omdat cultuur iets nodig heeft wat de politiek moeilijk kan garanderen:
een geheugen dat langer meegaat dan de volgende verkiezingen
*In Vlaamse conclaven hoor ik dat het allemaal de schuld is van Carolientje. Neen, dames en heren van NVA, dat klopt niet: de verantwoordelijkheid voor een regeringsbeleid is collectief. De minister-president is en blijft echter politiek hoofdverantwoordelijk voor de beslissingen die onder zijn beleid worden genomen.
04.10.2026

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/een-vlaamse-windmolen-in-picardie
Stavele, een rustig, verscholen dorpje in de Westhoek. Ik kom er wel eens als keerpunt van een van mijn favoriete wandelingen langs de IJzer. Alleen in het weekend tref je wat leven aan taverne Amigo en bij Iris van ’t Hof van Commerce. Onlangs las ik over de Westmolen van Stavele en zocht er tevergeefs naar. Maar die staat al lang niet meer in Stavele, wel 153 km verder in…Picardië. Een verhaal over een verdwenen molen, over de nut van het erfgoed, en nog meer…
De Westmolen van Stavele in West-Vlaanderen is een mooi voorbeeld van een staakmolen, daterend uit 1662. In Stavele stond hij op het hoogste punt van de gemeente. Op de steenbalk, gebeiteld door een zeventiende eeuwse timmerman lees je: “Bewaer my hier van donder en vier lange sta ik hier”.
Je kon in die tijd, 1963, blijkbaar een uniek stuk Vlaams patrimonium uit de XVIIde eeuw verpatsen aan het buitenland
Maar het was niet donder en vuur, wel de desinteresse en het winstbejag van de mens, die maakte dat de molen in de jaren 1960 van vorige eeuw werd afgebroken. Hij werd verkocht aan een inwoner van het Franse Naours bij Amiens, in… Picardië. Je kon in die tijd, 1963, blijkbaar een uniek stuk Vlaams patrimonium uit de XVIIde eeuw verpatsen aan het buitenland zonder dat iemand, laat staan een overheid, er naar kraaide.
Hoe het met onze Vlaamse molen verder is vergaan? Het goede nieuws is: in Picardië heeft men er goed voor gezorgd. Drie jaar geleden werd de bouwvallige ‘ moulin de Stavèle’ om veiligheidsredenen afgebroken. Maar na een schitterende promotiecampagne werd de molen – in Frankrijk inmiddels een beschermd monument – volledig gerestaureerd en onlangs opnieuw opgetrokken. De vereniging Nord Patrimoine kreeg hiervoor de steun van de missie Stéphane Bern. In Frankrijk is Bern een bekende TV figuur die zich inzet voor de redding van waardevol patrimonium.
respect voor een stuk erfgoed dat Vlaanderen ooit in onverschilligheid liet vertrekken.
Voor de restauratie deed men beroep op een Nederlandse deskundige, de rondreizende timmerman Erwin Schriever. Een kostenplaatje van meer dan 500.000 euro, en een resultaat dat mag gezien worden. Paradox van de situatie: Picardisch respect voor een stuk erfgoed dat Vlaanderen ooit in onverschilligheid liet vertrekken.
Zoek dus niet verder naar de Westmolen in Stavele. Ga wel eens 150 km verder kijken, in Naours, een dorpje van 1000 inwoners dat ons een stille les geeft over hoe om te springen met waardevol erfgoed. Gelukkig gaan de Nederlanden historisch tot aan de Somme! Zo blijft de molen nog een beetje van ons.
Terloops nog een vraag: wanneer krijgen wij in Vlaanderen een actie als de missie van Stéphane Bern en een tv-programma die mensen en overheden wakker schudt om een waardevol stuk patrimonium te redden?
Johan Huizinga schrijft: “Het is de oorsprong van het nieuwe wat onze geest in ’t verleden zoekt”. Maar wat is het nut van de oorsprong ? Moeten wij al dat oude behouden? Voor de fanaten van de vooruitgang is een oude molen, en al de rest, een hindernis in de weg naar onze toekomst. In het beste geval willen ze het nut van erfgoed afwegen tegen hedendaagse, functionele behoeften.
Wij blijven in de Westhoek: ik stel me ook veel vragen over erfgoed aan de Vlaamse kust. Staan de allerlaatste villa’s in cottagestijl op de dijk in de weg van de vooruitgang en het bouwen van honderden appartementen? Waren die villa’s zo waardevol dat we ze moesten behouden? Of wilden we hiermee ook de einder, het zicht, de ziel van de Vlaamse kust zeg maar, behouden?
Zijn die architecturaal waardeloze betonnen dozen die in de plaats werden gebouwd dan de zogenaamde vooruitgang en, los van bouwpromotoren en vastgoedmakelaars, voor wie nog? En waarom dan, al die foto’s uit de oude doos in winkels, cafés en op elke hoek van de straat als herinnering aan “hoe het ooit was”?
Dat het erfgoed in de laatste honderd jaar vreselijke verwoestingen heeft doorstaan is niet alleen het gevolg van oorlogen. Veel is ook door toedoen of onwetendheid van de mens kapot gemaakt, afgebroken, of verloor aan zin en betekenis door nieuwe, storende, omgevende factoren. Geschiedenis en erfgoed gaan samen, en worden ook samen verwaarloosd en achtergesteld.
Een louter, mercantiele benadering over nut en kost van het erfgoed
Kinderen vertellen over de geschiedenis van de plaats waar ze wonen, ze doen dromen over de vroegere inwoners van een historisch gebouw of plaats, ze laten ontdekken hoe mensen leefden, werkten en dingen vervaardigden en gebruikten, blijft meer dan ooit een zinvolle pedagogische methode om interesse te wekken voor het verleden. Een louter, mercantiele benadering over nut en kost van het erfgoed, in combinatie met het beperken van de lesuren geschiedenis, is het beproefd recept van de moderniteit om elke identiteit te fnuiken.
Als je in Stavele verder loopt langs de IJzer kom je via de grensgemeente Roesbrugge in de Franse Westhoek. Net als hier in de Westhoek onderging de streek in 1914-1918 vele verwoestingen. Er moest worden heropgebouwd en er kwam een hevige discussie los over wie het voortouw ging nemen in een land waar alles in Parijs gecentraliseerd en beslist wordt.
Gelukkig voor Frans-Vlaanderen hadden een groep regionalistische architecten en jonge industriëlen zich voorbereid op de naoorlogse periode en over de aanpak van de heropbouw van de streek. Enkele van deze mensen zouden in de volgende decennia een bijzondere rol spelen in de regio. Ik beperk me hier tot twee leidende figuren: Louis Delepouille, die later de befaamde Rijselse jaarbeurs zou inrichten, én de bekende architect Louis Cordonnier, internationaal gewaardeerd voor o.m. het ontwerpen van het prestigieus Vredespaleis in Den Haag.
de streek heropbouwen in een regionale Vlaamse stijl
Rond deze mensen verzamelden zich heel wat bekende architecten uit de streek, met één motto: men zou de streek heropbouwen in een regionale Vlaamse stijl en de betonnen koten van de Parijse voorsteden niet toelaten. Het is dankzij de vastberadenheid van deze groep, tegen de bemoeienissen van Parijs in, dat vele verwoeste gemeenten in Frans-Vlaanderen vandaag nog een opvallende Vlaamse sfeer ademen. Erfgoed en architectuur als drager van onze identiteit, zeer zeker.
10.10.2021