Op 13 juli 1793 vermoordt Charlotte Corday, sympathisante van de gematigde Girondijnen, de radicale jakobijn Jean‑Paul Marat in zijn bad. Marat leed aan een zware huidziekte, waarschijnlijk een chronische dermatitis, waardoor hij bijna voortdurend in een medicinale badkuip werkte. Daar schreef hij zijn vurige artikels voor L’Ami du peuple en stelde hij lijsten op van vermeende vijanden van de revolutie, lijsten die vaak eindigden onder de guillotine.
Corday, voluit Marie Anne Charlotte Corday d’Armont, handelde volledig alleen. Onder het voorwendsel dat ze informatie had over gevluchte Girondijnen kreeg ze toegang tot Marat. In werkelijkheid wilde ze het escalerende geweld stoppen: “Duizend doden voorkomen door één man te doden,” verklaarde ze later. Ze stak Marat met een mes in de borst en riep bij haar arrestatie: “Het is volbracht; het monster is dood.” Ze had haar geboorteakte bij zich, zodat niemand aan haar identiteit kon twijfelen. Op 17 juli 1793 werd ze onder de guillotine gebracht, kalm en waardig tot het einde.
Rond Marat ontstond meteen een revolutionaire cultus. Zijn ganzenveren, papieren en zelfs het moordwapen werden uitgestald naast zijn lichaam. Jacques‑Louis David maakte van de moordscène een iconisch beeld en regisseerde zijn begrafenis naar het voorbeeld van Caesar. Marats gebalsemde lichaam werd rondgedragen door Frankrijk en een urne met zijn hart kreeg een plaats in de Jakobijnenclub. Die verering was intens maar kort: na de val van Robespierre verdween Marats cultus snel.
Corday had scherp aangevoeld wat zou volgen. Tijdens de Terreur (1793–1794) werden duizenden vermeende vijanden van de revolutie – royalisten én gematigden zoals de Girondijnen – beschuldigd van verraad en zonder genade geëxecuteerd.
13.07.2026