Op 15 maart 1923 wordt onder leiding van Albert Leo Schlageter een spoorwegbrug tot ontploffing gebracht in Kalkum, in het Ruhrgebied. Deze en andere aanslagen passen in het verzet tegen de Frans-Belgische militaire bezetting van het Ruhrgebied na de Eerste Wereldoorlog. Sabotage van de spoorweginfrastructuur moet beletten dat de Fransen steenkolen en andere grondstoffen in beslag nemen en naar Frankrijk vervoeren.
Nog geen maand later wordt Schlageter aangehouden. De Fransen laten er geen gras over groeien: in mei wordt hij ter dood veroordeeld en op 26 mei op de Golzheimer Heide bij Düsseldorf door een vuurpeloton geëxecuteerd.
Schlageter werd in 1894 geboren in een katholiek gezin in het Zwarte Woud en was aanvankelijk voorbestemd voor het priesterschap. Zijn gezondheid, maar ook het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, beslisten daar anders over. Hij meldde zich als vrijwilliger en werd ingezet in Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, bij Verdun en aan de Somme. Dat hij een moedige soldaat was, blijkt uit zijn stamboek: hij raakte tweemaal gewond, ontving het IJzeren Kruis tweede en eerste klasse en beëindigde de oorlog als officier.
Zijn ervaringen aan het front en als officier maakten van hem een geschikte man voor militaire actie. In 1919 duikt hij op als lid van een Freikorps-eenheid die samen met de Baltische Landeswehr tegen de bolsjewieken vecht in het Balticum, onder meer bij de verovering van Riga. Later neemt hij actief deel aan het verzet tegen de Frans-Belgische militaire bezetting van het Ruhrgebied.
Vrij snel na zijn terechtstelling krijgt Schlageter in Duitsland een heldenstatus. Zijn naam – en ook die van anderen – wordt pas later gerecupereerd en gebruikt door de propagandamachine van het nationaalsocialisme, dat hem tot “martelaar” verheft van een regime dat hij zelf nooit heeft gekend, onder meer via het toneelstuk Schlageter van Joseph Goebbels.
15.03.2026
Op 7 maart 1923 worden, tijdens de bezetting van het Ruhrgebied door Franse en Belgische troepen, 1.000 Duitse spoorwegmannen samen met hun gezinnen gedeporteerd naar andere regio’s in Duitsland — in totaal zo’n 7.000 personen. De deportatie volgt op hun weigering om te werken voor de Regie franco-belge, de maatschappij die de spoorwegen in het bezette gebied exploiteert.
Het bevel om het werk neer te leggen was al bij het begin van de bezetting, in januari 1923, door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd. Het Duitse spoorwegpersoneel in het Ruhrgebied geeft daar massaal gehoor aan. Zij weigeren vijandelijke troepen en materieel te vervoeren en verzetten zich tegen elke vorm van collaboratie met de bezettingsmacht.
Frankrijk reageert met een oproep aan vrijwillige Franse spoorwegmannen om in het bezette gebied te komen werken. Intussen boycot de Duitse bevolking uit solidariteit het spoorvervoer en kiest zij er massaal voor om zich te verplaatsen met open vrachtwagens.
In de maanden die volgen, escaleert de situatie. Sabotage van spoorlijnen en machines neemt toe en er worden aanslagen gepleegd op de bezettingsmacht.
Sinds 11 januari 1923 houden meer dan 60.000 Franse en Belgische soldaten het Ruhrgebied bezet. Officieel gebeurt dat omdat Duitsland volgens hen de herstelbetalingen, opgelegd in het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog, niet nakomt. Het primaire doel van de bezetting is het economisch verzwakken van Duitsland en het in beslag nemen van grondstoffen en materialen die in Frankrijk schaars zijn.
Achter de schermen speelt echter ook een andere ambitie mee: het diepgewortelde streven in Parijs om de natuurlijke grens van Frankrijk tot aan de Rijn te verleggen — een geopolitieke doelstelling die al teruggaat tot de tijd van koning Lodewijk XIV. België gedraagt zich in dit verhaal als de dienaar van Frankrijk, tot grote ergernis van de Vlaamse Beweging van die tijd.
07.03.2026