WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Artesië

Artois, Artoos: in Artesië wonen de Artesers

Soms kan één woord een heel verhaal vertellen.

De Franse Nederlanden, en meer bepaald Artesië, komen nog eens in het nieuws. Professor Freek Van de Velde stelde voor om de provincie Artois misschien Artoos te noemen. Een verwijzing naar de uitspraak die velen kennen van het bier Stella-Artois.

Een interessante gedachte.

Maar wie luistert naar de streek zelf, hoort nog andere klanken.

In Frans-Vlaanderen en in het vroegere Vlaams Artesië leefde de naam Artesië. Mijn vader, die het Vlaams van Kaaster sprak – vlak bij de schreve – noemde de inwoners van dat gebied Artesers.

En geef toe:

de Artesers die in Artesië wonen… dat klinkt toch logisch.

Cyriel Moeyaert noteerde in zijn Woordenboek van het Frans-Vlaams de vorm Artoois, met de uitspraak ar’tœjs. Een bewijs dat onze streektaal haar eigen klanken had en heeft.

De naam Artesië draagt trouwens een lange geschiedenis mee. Hij verwijst naar de Gallische stam van de Atrebates, met Atrecht als hoofdstad. Het gebied maakte ooit deel uit van Vlaanderen en de Nederlanden, tot het in de zeventiende eeuw bij Frankrijk werd gevoegd.

Ook de taalgeschiedenis van Artesië is boeiend. Het was geen eenvoudig Franssprekend gebied. Eeuwenlang spraken de bewoners vooral het Picardisch. In delen van het gebied klonk ook het Vlaams.

Tussen Ariën aan de Leie en Sint-Omaars (Vlaams Artesië of Artois flamingant) bleef onze streektaal nog tot in de negentiende eeuw aanwezig. Taal verdwijnt immers niet plots. Ze blijft ook voortleven in woorden, namen, uitspraken en herinneringen.

Ook familienamen vertellen een verhaal. De naamkundige Frans Debrabandere vermeldt in zijn Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk verschillende vormen: Artois, Dartois, D’Artois, Artoys… en inderdaad ook Artoos.

Misschien moeten we dus niet kiezen tussen één juiste vorm.

Artois, Artoos, Artesië… elke naam draagt een stukje geschiedenis mee.

In Leuven mogen ze gerust hun Stella-Artoos drinken.

Zelf kies ik liever voor een lekkere biobier als Pays d’Artois.

Zoals mijn vader het in Kaaster zei:

“Op under gezondhyd!”

Gepubliceerd

31.07.2026

Kernwoorden
Reacties

Roberspierre uit Artesië: de wortels van de terreur

Op 6 mei 1758 wordt in de Artesische hoofdstad Atrecht de latere revolutionaire leider en Jacobijn Maximilien de Robespierre geboren. Zijn voornaam lijkt te wijzen op Habsburgse voorkeuren bij zijn ouders. De familie behoorde niet tot de adel, maar telde wel verschillende advocaten. Dat bevestigt dat de Franse Revolutie niet werd gedragen door proletariërs, maar door hoogopgeleide jongeren uit de gegoede burgerij. De naam Robespierre verwijst vermoedelijk naar het bekken van Leie en Schelde, waar het riviertje L’Espierre (de Spiere) stroomt.

Reeds tijdens zijn jaren in Atrecht, als beginnend advocaat, valt zijn lidmaatschap op van de Rosati, een in 1778 opgerichte vereniging die tot op vandaag bestaat en zich in een mondaine sfeer bezighoudt met literatuur en filosofie. De Rosati hebben bovendien een regionalistische inslag: veelzeggend is dat de naam “Rosati” een anagram vormt van “Artois”, oftewel Artesië.

Even opmerkelijk zijn enkele jeugdvrienden en relaties van Robespierre uit zijn Atrechtse periode:

  • Zijn jongere broer Augustin de Robespierre (1763–1794), eveneens advocaat en lid van de Hoge Raad van Artesië. Hij volgt zijn broer trouw naar Parijs, waar hij actief is bij de Jacobijnen en in de Nationale Vergadering. De broers zijn onafscheidelijk en eindigen op 28 juli 1794 samen onder de guillotine.
  • Lazare Carnot (1753–1823), een Bourgondiër in Artesië, die later belast wordt met de organisatie van het revolutionaire leger. Onder Napoleon Bonaparte wordt hij generaal. Opmerkelijk is dat Antwerpen hem eert met de Carnotstraat, ondanks zijn verantwoordelijkheid voor het platbranden van Kiel en Berchem.
  • Camille Desmoulins (1760–1794), berucht om zijn pamfletten en scherpe journalistieke stukken.
  • Philippe François Le Bas (1762–1794), afkomstig uit Frévent bij Atrecht en de beste vriend van Robespierre. Hij wordt een vooraanstaand revolutionair en volksvertegenwoordiger voor de Jacobijnen. Op dezelfde dag dat Robespierre en diens broer worden terechtgesteld, pleegt hij zelfmoord.
  • Tot slot Joseph Le Bon (1765–1795), een voormalige priester en vriend van Augustin Robespierre, die een waar schrikbewind voert in Artesië en Frans-Vlaanderen. Alleen al in Atrecht en Dowaai worden meer dan 550 mensen door zijn toedoen onthoofd.

7 MEI

Omdat ik uit mijn dagklapper citeer, wil ik de lezer ook niet onthouden wat ik noteerde bij de naam Robespierre op de daaropvolgende dag, 7 mei 1794. Toen verklaarde hij namens het Comité de Salut Public:

Eerst een staaltje van revolutionaire zelfoverschatting:
“Het Franse volk lijkt de rest van de mensheid tweeduizend jaar vooruit te zijn; men zou zelfs geneigd zijn het te beschouwen als een aparte soort.”

Daarna een vaak vergeten voorbeeld van revolutionaire radicaliteit: hij pleitte voor het afbreken van alle kerktorens,
“die door hun verhevenheid boven de andere gebouwen de beginselen van gelijkheid lijken tegen te spreken.”

SLOT

Artesië als broeinest van revolutionaire terreur: geen toeval, maar een historische samenloop van vriendschap, ambitie, ideeën en macht.

Gepubliceerd

06.05.2026

Kernwoorden
Reacties