Op 8 augustus 870 werd bij Maastricht het Verdrag van Meerssen gesloten. De kleinzonen van Karel de Grote – Karel de Kale en Lodewijk de Duitser – verdeelden het bezit van hun in 869 overleden neef Lothar II, de kinderloos gestorven koning van Lotharingië. Zo werd Lotharingië opgesplitst tussen West‑ en Oost‑Francië, de gebieden die later zouden uitgroeien tot Frankrijk en Duitsland.
Het verdrag geldt als de derde grote verdeling van het Frankische rijk van Karel de Grote. In 843 werd het rijk in Verdun verdeeld onder zijn drie zonen. In 855 volgde een nieuwe opdeling van Lotharingië in Prüm, onder de drie zonen van Lotharius I. Nog later, in 880, werd Lotharingië opnieuw herschikt door het Verdrag van Ribemont, dat bepaalde dat heel Lotharingië voortaan onder Oost‑Francië zou vallen. Daarmee kwam het gebied stevig in de Duitse invloedssfeer terecht, een situatie die eeuwenlang zou doorwerken in de politieke geschiedenis van de Lage Landen en het Heilige Roomse Rijk.
Door deze opeenvolgende verdelingen kwamen de Lage Landen voor lange tijd deels onder Franse en deels onder Duitse suzereiniteit te staan. Het Middenrijk verdween geleidelijk, totdat de hertogen van Bourgondië later opnieuw de historische bestanddelen ervan bijeenbrachten.
De verdeling van het Frankische rijk van Karel de Grote is wellicht een van de belangrijkste historische gebeurtenissen voor Europa. Ze vormt de bron van vele latere conflicten en oorlogen die tot vandaag doorwerken.
Hoewel het verdrag bekendstaat als dat van Meerssen, is de precieze locatie waar het werd gesloten niet met zekerheid bekend. Wat wel zeker is: het gebeurde ergens aan de Maas — een plek waar Europa al twaalf eeuwen wordt herschikt, en niet altijd ten goede.
08.08.2026