Op 24 september 1405 overleed in Dijon de beeldhouwer Klaas (Claes) Sluter, een van de grootste kunstenaars van de late middeleeuwen. Hij werd rond 1350 geboren in Haarlem, in het toenmalige Graafschap Holland.
In de jaren 1379–1380 verschijnt hij in Brussel, waar hij als Claes de Slutere van Herlam wordt vermeld in het gilde van steenhouwers en beeldhouwers. Vanaf 1385 trad hij in dienst van Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, eerst als assistent van Jean de Marville en vanaf 1389 als hof beeldhouwer. In Dijon groeide hij uit tot de belangrijkste beeldhouwer van de Bourgondische hertogen.
ZIJN VOORNAAMSTE WERKEN
• Het portaal van de Chartreuse de Champmol. Met monumentale beelden van Filips de Stoute, Margaretha van Vlaanderen, Johannes de Doper, Catharina van Alexandrië en Maria met Kind.
• De Mozesput. Een zeshoekige sculpturale kolos met de profeten Mozes, David, Jeremia, Zacharia, Daniël en Jesaja — een mijlpaal in het Europese realisme rond 1400.
• Het praalgraf van Filips de Stoute. Sluter ontwierp het geheel en begon aan de beroemde beweners, de rouwfiguren die later door zijn neef Claus van de Werve werden voltooid.
ZIJN BETEKENIS
Sluter brak met de internationale gotiek door levensechte, psychologisch geladen figuren te maken. Zijn sculpturen tonen een ongeziene aandacht voor individualiteit, emotie en naturalistische plooival. Hij werd zo een directe voorloper van het realisme van de Vlaamse Primitieven.
EEN KUNSTENAAR UIT DE LAGE LANDEN.
Hoewel hij zijn grootste werken in Bourgondië maakte, bleef Sluter herkenbaar als een man uit de Lage Landen: zijn naam, zijn stijl en zijn werkwijze tonen een kunstenaar die zijn Hollandse en Brabantse wortels nooit verloor. Zijn oeuvre is een van de mooiste voorbeelden van hoe kunstenaars uit onze streken de Europese kunstgeschiedenis hebben gevormd. Bart van Loo noemt Sluter ‘de vergeten Michelangelo van De Lage Landen.’
24.09.2026
Op 12 juli 1973 overleed de Bourgondische schrijver, specialist in prehistorische archeologie en paleontologie, Johannès Thomasset. Nog vrij jong maakte hij naam met zijn onderzoek naar de prehistorische site ‘Camp de Chassey’ in Bourgondië.
Tijdens het interbellum publiceerde hij zijn eerste literaire teksten, waaronder gedichten. Opvallend is zijn interesse voor de Bourgondische identiteit en voor de gebroken droom van Karel de Stoute. Zijn afkeer van het Parijse centralisme bracht hem in contact met Vlaamse, Lotharingse, Elsassische en Bretoense regionalisten en federalisten.
Thomasset was de auteur van boeken als ‘Paysages et Cités’ (1932) en ‘Pages Bourguignonnes’ (1938). In 1937 richtte hij het tijdschrift ‘La Bourgogne d’or’ op.
Zijn regionalistische en Europese visie, evenals zijn belangstelling voor Germaanse culturen, brachten hem in contact met Duitsland.
De Ahnenerbe toonde interesse in Thomasset als paleontoloog. Zo engageerde Thomasset zich resoluut in de collaboratie, wat na de oorlog leidde tot zijn status als paria. Hierdoor behoort hij tot de categorie van non-conformistische figuren, dwarsliggers en vrijbuiters—mensen met een eigenzinnige kijk, die ik graag bestudeer.
Ook de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois toonde al vroeg interesse in Thomasset’s werk. In 1935 wijdde hij er een brochure aan met de titel ‘Johannès Thomasset, historien et poète de la Bourgogne’.
Na de oorlog werd Gantois veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Al in oktober 1948 kreeg hij amnestie en was hij weer vrij. Alleen mocht hij nog niet verblijven in 15 Franse departementen. In afwachting dat ook die straf werd opgeheven, koos hij Bourgondië als verbanningsoord. Daar mocht hij eerst verbleven bij… Johannès Thomasset. Later vond hij een definitief onderkomen in Brachay (Haute-Marne).
12.07.2025
Op 21 01 1973 verzamelde een kleine groep jonge Frans-Vlamingen die zichzelf ‘Zuid-Vlaamse Jeugd’ noemde voor een zangavond in Kaaster. Er werden forse Vlaamse en Heel-Nederlandse liederen gezongen. Onlangs vond ik in mijn archieven het programma van de avond, en ook de tekst van een lied van de Bourgondische cavalerie die toen werd gezongen. Het liedje dateert uit de vijftiende eeuw, en wil de ‘Franse vijand’ te lijf gaan:
Fors devant Dieu, oncques* ne courbe le cap,
Moultes horions* au Roy de France donnerons.
Nostre Seigneur, le Duc Carle le Hardy*,
Nous mesnera de par les tiexhes* pays.
Chez les Flamincs boirons la bière le vin,
Comme pain tout blanc sont demoiselles de Brabant
Demain nos corps, par l’estoc seront percés,
Buvons ce soir à la nostre santé ?
Priez pour nous, Nostre Dame de l’Enclus,
Francs Chevaliers lorsque nostre heure sera venue.
(*oncques: nooit ; horion: zware slag ; Carle le Hardy: Karel de Stoute ; tiexhe: Diets)
Dit lied is bekend van de slag bij Montenaken (1465) waarbij de Bourgondische troepen de overwinning behaalden op het revolterend Prinsbisdom Luik.
Montenaken, gemeente Gingelom, bevindt zich vandaag in de Provincie Limburg. Montenaken is ook bekend voor zijn groep van zes beschermde grafheuvels daterend uit de tweede eeuw na onze tijdrekening. Beslist een wandeling waard.
21.01.2025