Het zijn van die woorden in ons Oudvlaamsch die je nooit vergeet. Op Aswoensdag, âUsschenwuensdagâ volgens mijn grootmoeder, moest de hele familie, een âusschekruusjeâ halen. Dat is Koasters Oudvlaamsch voor een askruisje. Ook in het Frans trouwens want ons moeder stuurde ons dan staande pede naar de kerk met de opdracht: âVa chercher ton usschekruusjeâ.
Wist ik toen veel hoe zo een ding in het Frans heette. Er waren trouwens nog veel meer van die Vlaamse woorden en uitdrukkingen die mijn ouders gebruikten als ze met de kinderen Frans spraken. Mijn Franse taal was bezaaid met Oudvlaamsche woorden waarvan ik het Franse equivalent niet altijd kende. Kwam ik dieper in Frankrijk, dan werd me wel meer dan eens gevraagd wat ik bedoelde. Ik kon er toen niet zo maar komen op wat een âkotâ, laat staan een keunekot, een koekestute, of een âkateverikâ (viezerik) in het Frans was.
Dit fenomeen van woorden die worden meegenomen in de andere taal verklaart ook waarom je zoveel Vlaamse woorden in het Picardisch treft. In de streek van Béziers, in het verre Occitanië, woonde een oudoom die tijdens wereldoorlog I voor de oorlog had moeten vluchten maar niet was teruggekeerd. Hij had daar de plaatselijke Occitaanse streektaal geleerd maar zeer opvallend: ook zijn Occitaans was gekleurd met Oudvlaamse woorden.
18.02.2026