WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Nederlands in Frankrijk

Het Nederlands in Frankrijk: nooit van gehoord?

Het bevorderen van de kennis van het Nederlands in Frans-Vlaanderen is zonder twijfel een belangrijk element van de grensoverschrijdende samenwerking. De huidige mogelijkheden om Nederlands te leren binnen het Franse onderwijs blijven echter zeer beperkt.

In de voorbije decennia zijn er wel initiatieven geweest om daar verandering in te brengen. Vooral privé-initiatieven uit het verenigingsleven – ik denk bijvoorbeeld aan het Komitee voor Frans-Vlaanderen – hebben gedaan wat ze konden, en vaak zelfs meer dan dat. De officiële instanties in Vlaanderen en Nederland daarentegen – en ook de instellingen die belast zijn met het taalbeleid – hebben vooral hun desinteresse getoond. Even duidelijk was hun kruiperigheid om bij een Europese partner – en dan nog een met een grote mond – op tafel te kloppen.

Frans-Vlamingen betalen hun belastingen aan Parijs. In die zin zou het logisch zijn dat ook het Franse onderwijs meer mogelijkheden biedt voor degelijk onderwijs in het Nederlands. Maar de politieke traditie van de Franse staat is hardnekkig en ziekelijk centralistisch. De jakobijnse reflex blijft aanwezig op alle niveaus van het bestuur en binnen bijna alle partijen. Daardoor wordt regionale taalpolitiek bij voorkeur gereduceerd tot folklore of voorgesteld als een bedreiging voor de eenheid van het land.

De discussie over de erkenning van het Nederlands naast het Frans-Vlaams als regionale taal past in die bredere context. Er wordt al jaren gepleit om het Nederlands samen met het Vlaams erkend te krijgen als regionale taal. Dat zou kunnen naar het voorbeeld van het Duits in de Elzas, dat – na veel moeite – samen met de lokale streektalen werd erkend. In Frans-Vlaanderen heeft men echter bewust enkel het Frans-Vlaams erkend, zonder het Nederlands als referentietaal te vermelden.

Nochtans is het Nederlands historisch gezien de schrijftaal van het gesproken Frans-Vlaams. In die zin kan men gerust stellen dat het Nederlands zelf ook een regionale taal van Frankrijk is, of men dat nu wil of niet. Verenigingen zoals het ANVT, die vandaag feitelijk belast zijn met het beheer van het regionale taalbeleid, lijken er echter vooral op toe te zien dat een standaardtaal zoals het Nederlands in Frankrijk geen echte plaats krijgt.

Toch betekent dit niet dat de situatie op termijn niet kan veranderen. Indien voldoende Frans-Vlamingen het hierover eens zouden zijn, zou men wel degelijk kunnen eisen dat het Nederlands als referentietaal wordt erkend. Wat in andere regio’s van Frankrijk mogelijk is gebleken, zou in principe ook hier mogelijk moeten zijn. Als alle burgers gelijk zijn voor de wet, bestaat er juridisch weinig grond om dat blijvend te weigeren. Maar zolang er geen duidelijke en gezamenlijke vraag vanuit de bevolking zelf komt, zal er uiteraard niets veranderen.

Een bijkomend element is dat de archieven van Frans-Vlaanderen duizenden documenten bevatten die aantonen dat het Nederlands eeuwenlang de geschreven taal van de streek was. Die historische realiteit wordt in de huidige institutionele benadering nauwelijks erkend. Sommige interpretaties beschouwen dergelijke teksten eenvoudigweg als ‘onleesbaar’ of als “Oud-Vlaams” en niet als “Oud-Nederlands”. Dit illustreert opnieuw de onkunde ter zake en ook hoe men het verband met de standaardtaal systematisch verzwijgt.

In dat kader werd soms voorgesteld om te spreken over een vorm van “Vlaams-Nederlands” als regionale taal. Dat is uiteraard een legislatieve finesse. Maar er is eigenlijk geen reden om de terminologie voortdurend aan te passen aan het Franse discours of om te doen alsof het Nederlands geen eenheidstaal is – pour les besoins de la cause.

Het Nederlands heeft eigenlijk geen bijkomend adjectief nodig. Begrippen zoals “Vlaams-Nederlands” of “Belgisch Nederlands”, om in Frans-Vlaanderen de taal van de buren te duiden, kunnen zelfs verkeerd begrepen worden en de indruk wekken dat het om verschillende talen gaat. Toch bestaan er in de praktijk al tal van omschrijvingen – zoals “taal van de buren” of “taal van regionaal belang” – die juridisch misschien niet gedefinieerd zijn, maar voor de inwoners van Frans-Vlaanderen wel degelijk een duidelijke betekenis hebben. Kortom: wij hebben nood aan klare taal. En die heet: Nederlands.

Met het Frans-Vlaams zitten we in feite vast, al willen de betrokkenen dat niet toegeven: er bestaan geen leerboeken, geen leraren met de nodige kwalificaties en nauwelijks didactisch materiaal. Dat probleem wordt pas opgelost als het lukt om een vorm van erkenning te verkrijgen voor het Nederlands als regionale taal. En dat zou belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het onderwijs. Kinderen zouden dan een ruimer aanbod aan lessen Nederlands kunnen krijgen binnen het officiële Franse onderwijssysteem.

De Franse overheid hanteert hiervoor zogezegd een aantal criteria: de historische aanwezigheid van de taal, bestaande onderwijsprogramma’s, beschikbare leerkrachten, pedagogische middelen, het geografische verspreidingsgebied en het aantal potentiële leerlingen. Wanneer men deze criteria bekijkt, kan men zich afvragen in hoeverre de erkenning van het Frans-Vlaams daar werkelijk aan beantwoordt. En wat te denken van een wetgever die zijn eigen voorwaarden niet altijd consequent toepast?

Het zou nuttig zijn om concreet aan te tonen hoeveel lesuren leerlingen zouden kunnen krijgen indien er een volwaardige erkenning van het Nederlands kwam, en dat te vergelijken met de huidige situatie. Dergelijke berekeningen kunnen het debat aanzienlijk verduidelijken.

Daarnaast wordt er gesproken over mogelijke samenwerking tussen instellingen die regionale talen in Noord-Frankrijk ondersteunen en organisaties uit het Nederlandse taalgebied. Zulke samenwerking zou in principe de kansen kunnen vergroten om het aanbod van Nederlandse lessen binnen het Franse onderwijs uit te breiden. Of dat daadwerkelijk resultaat zal opleveren, moet echter nog blijken. De ervaring leert dat steun uit Vlaanderen en Nederland in het verleden vaak beperkter was dan men had gehoopt.

Tot slot is er nog een  bestaand, bijkomende piste die aandacht verdient. Naast de strijd voor meer plaats voor het Nederlands binnen het Franse onderwijs, zou men ook kunnen proberen  nog meer leerlingen uit de grensstreek aan te trekken naar scholen in West-Vlaanderen. Vanuit pedagogisch oogpunt is dat wellicht de meest doeltreffende oplossing: wie daadwerkelijk in een Nederlandstalige schoolomgeving leert en leeft, heeft de beste garantie om de taal echt te verwerven en te gebruiken.

Hoe lang zal Frankrijk nog de leuze “Het Nederlands: nooit van gehoord” blijven toepassen? En hoe lang zullen Vlaanderen en Nederland dat blijven accepteren?

Gepubliceerd

14.03.2026

Kernwoorden
Reacties