Op 19 maart 1478 werd de stad Belle, vandaag in Frans-Vlaanderen, volledig platgebrand door de troepen van de Franse koning Lodewijk XI. Vijfhonderd Bellenaars werden gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd. Het was de derde Bellebrand.
Daarvoor waren er al twee grote branden geweest. De eerste Bellebrand vond plaats in 900, als gevolg van een aanval door de Noormannen.
De tweede brand dateert van 1436, toen de Engelsen Vlaanderen binnenvielen. Nadat ze Belle volledig geplunderd hadden, staken ze de stad in brand. Menige duizenden ellen laken en tal van andere goederen werden buitgemaakt en naar Engeland vervoerd.
Na de derde Bellebrand van 1478 zouden er nog vier volgen.
De vierde brand, in 1502, was een ongeluk waarbij 500 huizen in de vlammen opgingen. Toch werd Belle heropgebouwd en konden de lakennijverheid en de ambachten er opnieuw bloeien.
De vijfde brand, in 1582, was een gevolg van de godsdiensttroebelen in de regio. De proosdij van Sint-Antheunis ging in de vlammen op en de monniken moesten vluchten. Daarna volgden hongersnood en later de pest. Duizenden Bellenaars stierven of vluchtten naar Engeland.
De zesde brand werd opnieuw door de Fransen veroorzaakt, tijdens de oorlog tegen Spanje. In korte tijd werden 470 huizen in brand gestoken, evenals het Zwartzustersklooster, een windmolen en drie oliekoten.
De zevende brand ontstond per ongeluk in de brouwerij van de Zwarte Zusters, op 8 mei 1681. De oostenwind joeg de vlammen voort en opnieuw werden vele straten vernield: 488 huizen, 14 brouwerijen, 80 twijnmolens, het klooster en twee kerken gingen verloren. Er vielen 23 slachtoffers, die in de brand van hun huis omkwamen.
De strategische ligging van Belle maakte dat de stad herhaaldelijk zwaar werd getroffen. In de 17de eeuw schreef de Bellenaar Frans de Springher (1623-1688), zelf slachtoffer van de brand van 1681, het relaas van de verschillende branden en plunderingen die de stad teisterden. Hij schreef in verzorgd Nederlands en gaf zijn verzen de passende titel De Belle Brand.
De brand van 1681 beschreef hij als ooggetuige:
“Maer al het schaedig vier, nog eens verwon de stede
Den oorlog was gedaen, en Belle was in vrede…
‘K wil zeggen van den brand, den achtsten mey geschied
Zoo zal in nog in ’t kort beschryven het verdriet
Dat op dien droeven dag te Belle was ’t aenschouwen,
Den hangst, den schrik, de vrees: en ’t schromelyk benouwen,
Eerst, als het kloppen storm wierd dapperlyk behoord!
Dan als men zag het vier, zoo kragtig branden voort!
En als men zag den wind het vier te hulpe komen,
En als men zeyd veel volk hun leven zyn genomen!
Als men ook zag de vlam’ in menig plaets zoo straf,
En als men riep eylaes! (de stad gaet branden af).
Dan als er menig dacht, wy laeten al ons leven!
Nu komt den zoone gods de menschen oordeel geven!
Men zag de zonn’ als bloed rood in den hemel staen!
Al of de wereld stond, bereyd om te vergaen!
‘T gerugte van het vier, zoo ’t scheen de locht doorboorde
Ja ‘dochte zomm’ dat zy ’t oordeels trompetten hoorden,
Gelyk Hironimus zeyd, zoo stond het volk verbaest,
Hun docht d’oordeels trompet aen d’ooren was geblaest,
Geen tong hoe wel besneên die kan den druk vertellen
De kloekste penn’ van ’t land, ook niet in schrifte stellen,
Want menig mensch die ’t vier ten strafsten branden zag,
Geloofden dat het was, den alder jongsten dag.”
Ook in de twintigste eeuw werd Belle opnieuw slachtoffer van oorlogsgeweld: tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de stad volledig van de kaart geveegd. Dit komt bovenop de zeven Bellebranden en voedt het beeld van Belle als een vervloekte stad.
Het blijft dan ook een wonder dat deze stad, na al die verwoestingen, nog steeds Vlaams oogt.
19.03.2026