Op 25 maart 1870 werd in Ochtezele Renaat Despicht geboren. Dat gebeurde in woelige tijden, amper vier maanden vóór Frankrijk de oorlog aan Pruisen verklaarde — een conflict dat later zou doorwerken tot in twee wereldoorlogen.
Despicht groeide op in een Vlaamssprekend landbouwersgezin. Die afkomst verklaart zijn diepe kennis van de natuur en zijn uitgesproken liefde voor de moedertaal, die zijn geschriften doordesemt. Hij werd priester en, in 1926, de eerste leraar Nederlands aan de Katholieke Universiteit Rijsel.
Voor een Vlaamse boerenzoon betekende dat een opmerkelijke sociale promotie, al werd zijn loopbaan vroegtijdig verstoord door een zwakke gezondheid. Zijn lievelingsspreuk leek hem dan ook op het lijf geschreven: “een krakkende karre da rydt varre”. Die broze gezondheid verhinderde hem overigens niet om de leeftijd van 90 jaar te bereiken.
Zijn vervroegde ruststelling had één belangrijk voordeel: ze gaf hem meer tijd om te schrijven. Opmerkelijk genoeg publiceerde Despicht zelf niets in boekvorm, maar des te meer in bladen en tijdschriften. Zijn werk bestaat vooral uit eenvoudige, volkse teksten en soms dichterlijke oefeningen, geschreven in een taal die de geur van de streek draagt.
Hij was onder meer de talentvolle en volkse redacteur van Tisje Tasje’s Almanak (1900-1914), waarin hij talrijke heemkundige bijdragen publiceerde. Tijdens het interbellum speelde hij bovendien een sleutelrol in de redactie van het Nederlandstalige blad De Torrewachter, samen met een hele generatie Vlaams- en Nederlandsschrijvende pastoors: Marcel Janssen, Adrien Ryckelynck en Romain Van de Meule. Ook in Le Lion de Flandre verschenen teksten van zijn hand, vaak onder verschillende schuilnamen.
In de bloemlezing “Zoo schrijven de Fransch-Vlamingen” (1943), uitgegeven door prof. dr. Vital Celen, is een beperkte selectie van zijn werk opgenomen.
Despicht onderhield ook een vriendschap met taalkundige prof. Willem Pee, die hem geregeld opzocht in het Beauvoordebos in Steenvoorde. Daar had Despicht een hut laten bouwen, waar hij dagelijks rust zocht om te schrijven.
Dat gesprekken tussen taalkundigen vaak over taal gaan, blijkt uit deze korte, handgeschreven nota waarmee Despicht Pee de weg wees naar “zijn” bos:
“200 meters verder, gaat de weg over een tweede beke; hier werd de grond met boven geleid: van daar de naam Boomvoorde of Bovoorde, nu Beauvoorde geschreven. Twee kilometers verder lag een ‘marash’, een poel en kreeg de naam Poelvoorde. E, gelijk gij wel weet, is een ‘locativus’. Het Latijn zegt rur-i, dom-i, Rom-ae. De Russen bezitten nog dien naamval.”
Renaat Despicht overleed op 6 maart 1960 in Steenvoorde. Zijn graf werd recent hersteld door de vereniging Euvo. Bij die gelegenheid mocht ik, als een van de laatste nog Nederlandssprekende Frans-Vlamingen, enkele woorden in het Nederlands uitspreken ter ere van deze illustere voorganger.
25.03.2026
Op 9 februari 1887 werd in Hulshout, in de Kempen, Prof. Dr. Vital Celen (1887-1956) geboren. Celen was van opleiding een germanist en hoogleraar Nederlandse letterkunde.
Met betrekking tot Frans-Vlaanderen was Celen een pionier en een vurige verdediger van de Frans-Vlaamse zaak in Vlaanderen. Hij was bevriend met de vertegenwoordigers van drie generaties Frans-Vlamingen: met prof. Camille Looten; met de leider van het Vlaams Verbond van Frankrijk Jean-Marie Gantois; en ook met de dichter EmmanueL Looten.
Vital Celen schreef verschillende boeken over Frans-Vlaanderen:
Tussen 1927 en 1934 zou hij ook de volledige werken van de Frans-Vlaamse dichter Michiel de Swaen, uitgeven, met de steun van Camille Huysmans en Maurits Sabbe.
09.02.2025