Wat hebben ‘collaboratie’ en ‘separatisme’ met elkaar te maken?
Na de Tweede Wereldoorlog greep de Franse staat handig naar de verdenking van ‘collaboratie’ wanneer het er in Frans-Vlaanderen op aankwam de Vlaamse Beweging definitief het zwijgen op te leggen.
Enerzijds benadrukt men graag dat het beschuldigde Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF) numeriek niet meer was dan enkele druppels in een Franse oceaan, om vervolgens, met zichtbaar genoegen, een weinig originele catalogus aan verwijten boven te halen: separatisten, irredentisten, fascisten en racisten. En nog meer van dat fraais.
Opmerkelijk is dat Frans-Vlaanderen, in verhouding tot het aantal collaborateurs per km² op Frans grondgebied, eigenlijk geen les te ontvangen had. Maar dat detail vergeet men liefst.
Dat neemt niet weg dat Jean-Marie Gantois en enkele van zijn medestanders laveerden tussen elkaar kruisende loyaliteiten. Ze bewogen zich tussen de dienaars van het Franse jacobinisme, de collaboratie én het verzet, de Vlaamse en Heel-Nederlandse beweging in al haar geledingen en — niet te vergeten — de realiteit en eisen van een Duitse bezetter, die zelf ook niet bepaald uit één lijn bestond.
Een minimale kennis van het Nederlands en het Duits volstond om de contacten van sommige VVF-leden met Duitse instanties en de Vlaamse collaboratie te ontwaren. De openbaar aanklager vond het toch nodig een valse brief aan Hitler en enkele slecht voorbereide valse getuigenissen te laten gelden, wat uiteindelijk tot een anticlimax leidde.
Maar in het naoorlogse klimaat was een haastige verdenking van ‘collaboratie’ voldoende om een proces op gang te trekken — en de publieke opinie mee te krijgen. De verdenking van collaboratie fungeerde als hefboom; de juridische en politieke afrekening viseerde in feite de beschuldiging van separatisme.
Wie het vonnis in het proces tegen het VVF leest, ziet dat in de motivering het zwaartepunt is verschoven: wie vervolgd en veroordeeld werd, werd dat niet wegens collaboratie, maar wegens vermeend ‘separatisme’. Dat roept de vraag op: hoe komt dat?
Wie een beetje dieper graaft, ziet dat deze beschuldiging naadloos past binnen de Franse jacobijnse traditie. Al in de negentiende eeuw werd Edmond de Coussemaker — de samensteller van ‘Chants populaires des Flamands de France’ en bepaald geen revolutionair — door minister Victor Duruy als ‘separatist’ bestempeld. Zijn medewerker, de filoloog Lodewijk de Baecker, die zich als heel-Nederlander profileerde, nam prompt afstand en verliet het Comité Flamand de France.
Ook in de twintigste eeuw bleef het etiket gretig in gebruik. Kanunnik Camille Looten kreeg de bijnaam “le chanoine séparatiste de la Catho”. En Jules Lemire, sociaal bewogen priester en parlementslid, werd in de Franse Kamer als separatist aangevallen — niet om een staatsgreep, maar omdat hij een wetsvoorstel indiende ten gunste van het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen: standpunten die elders dan in Frankrijk als louter cultureel of taalkundig zouden worden omschreven.
Wie zijn wij om Franse rechters tegen te spreken?
De conclusie lijkt duidelijk: de misdaad heet ‘separatisme’.
Separatistische volksmuziek,
separatistische taal,
met de absolutie van separatistische pastoors.
Collaboratie? Dat zijn de kruimels voor historici. Maar de eenheid van de Franse staat, die zogezegd gevaar liep — en dus de veroordeling van separatisme — was politiek veel belangrijker voor Parijs.
In 1955 zou de voorzitter van de rechtbank, die Gantois en zijn vrienden veroordeelde, postuum aan de Franse president dit bevestigen en schrijven dat het proces deze hoofdbeschuldiging van separatisme niet had kunnen aantonen.
Het woord ‘collaboratie’ komt in zijn brief niet eens voor.
20.03.2026
Op 23 februari 1949 verklaarde Maurice Thorez (1900–1964), algemeen secretaris van de Franse Communistische Partij, tijdens een vergadering van het centraal comité van zijn partij:
“In het geval dat het Sovjetleger, dat de zaak van de volkeren verdedigt – dat wil zeggen de zaak van het socialisme – zou worden gedwongen de agressors tot op ons grondgebied te achtervolgen, zouden de Franse communisten zich aansluiten bij een politiek van collaboratie.”
Maurice Thorez werd geboren in de Artesische gemeente Noyelles-Godault, gelegen in de mijnstreek nabij Lens. Ook zijn partner Jeannette Vermeersch (1910–2001) werd geboren in La Madeleine, bij Rijsel. Zoals hun familienamen en geboorteplaatsen verraden, hadden beiden Vlaamse wortels.
Over dit uitgesproken stalinistische koppel werd in 1937 de propagandafilm Fils du peuple gemaakt, ter gelegenheid van de promotie van het gelijknamige boek van Maurice Thorez. De film werd geregisseerd door niemand minder dan Jean Renoir, die later zou uitgroeien tot een van de invloedrijkste cineasten van de twintigste eeuw.
23.02.2026