Vandaag vermeldt mijn dagklapper twee vredesverdragen die intussen grotendeels in de vergetelheid zijn geraakt:
Volgens de Rijselse historicus Jean-Michel Lambin in zijn boek Quand le Nord devenait français (1980) mogen we ons niet vergissen in de gevoelens van de bevolking bij deze annexaties. De Franse machthebbers, die oorlog, plundering en verwoesting met zich meebrachten en onze voorouders zwaar troffen, waren meestal niet welkom.
In de tijd van Albrecht en Isabella was de harde periode onder Alva al lang vergeten. Onze voorouders beleefden in het begin van de zeventiende eeuw, onder de Habsburgers, een tijd van vrede en vooruitgang.
Lambin schrijft:
“Het leven was relatief aangenaam op de hellingen van de Vlaamse bergen, aangezien de oogsten over het algemeen goed waren en soldaten uit het straatbeeld verdwenen waren. De welvaart van Vlaanderen uitte zich in de heropbouw van kerken en stadhuizen, in belangrijke culturele investeringen zoals de oprichting van colleges en zondagsscholen, en in zorg voor de armen via de oprichting van hospitalen en kloosters.”
Ook in het nabijgelegen Henegouwen, toen rijksgebied, kende men een gelijkaardige periode van rust na de oorlog met de Fransen — “de erfelijke vijand”, aldus Lambin.
Vredesverdragen die boven de hoofden van de bevolking worden gesloten, maken daarom nog geen vrienden.
02.05.2026
Op 28 augustus 1667 deed de Franse koning Lodewijk XIV, bijgenaamd Pietje Veertien, zijn intrede in Rijsel, na een belegering van drie weken. De overgave van de stad was getekend in de nacht van 27 op 28 augustus, rond middernacht, in een boerderij op de weg naar Lannoy.
Volgens de officiële Franse geschiedenisboeken werd hij triomfantelijk door de bevolking ontvangen. En wij dat maar geloven op de schoolbanken van de Franse Republiek.
De werkelijkheid was enigszins anders:
Volgens Maarschalk Vauban gedroeg de Rijselse bevolking zich in de eerste maanden na de verovering zeer vijandig. En de historicus Aristide Crapet schreef dat Pietje Veertien “door de Rijselaars zeer koel werd ontvangen”. Hij voegde eraan toe: “Ze toonden geen sympathie voor de Fransen.” (bron: Revue du Nord, mei 1920).
De Rijselse historicus Jean-Michel Lambin bevestigt dit in zijn indrukwekkende boek ‘Quand le Nord devenait français’, verschenen bij uitgeverij Fayard in 1980 (zie ook de foto). Hij schrijft:
In Rijsel heerst de droefheid die na de inname van de stad is ontstaan, maar deze verandert in verbijstering wanneer de bepalingen van het Verdrag van Aken bekend worden. In tegenstelling tot wat een groot deel van de bevolking had gehoopt, zal de stad niet terugkeren naar de koning van Spanje. Een burger uit Rijsel genaamd Chavatte schrijft: ‘Het was een vreedzame vrede zonder vreugde omdat men bij de koning van Frankrijk bleef.(…) De relaties tussen de garnizoen en de bevolking van Rijsel zijn gespannen. Er ontstaan vechtpartijen in de herbergen tussen Franse soldaten en burgers die weigeren te drinken op de gezondheid van de koning van Frankrijk en liever drinken op de koning van Spanje. Sommige inwoners moedigen de Franse soldaten zelfs aan om te deserteren (…) Een Rijselnaar wordt op 23 juli 1668 opgehangen omdat hij Franse soldaten die deserteren had geholpen te ontsnappen
28.08.2025