Onlangs schreef prof. dr. Jan Dumolyn, bekende mediëvist aan de UGent en ook bekend om zijn sociaal-marxistische engagement, over het begrip identiteit.
Ik citeer hem even:
“Je ‘identiteit’ bestaat niet. Die is niet echt. Je hebt helemaal geen identiteit. Je identificeert je met iets en dat is een louter ideologische daad, een aanpassing aan het discours van de ander.”
Jan is precies geen fan van Herman van Veen. Die zong ooit: “Alles wat ik weet, weet ik van een ander.”
Ik wel.
En wat ik ook weet, maar dan uit het leven gegrepen: je weet pas wat je ‘identiteit’ is als men ze je ontneemt.
Persoonlijk ben ik niet zo wild van het woord identiteit op zich. Etymologisch is het een beetje dubbelzinnig. In oorsprong ging het meer over gelijkvormigheid of eenzelvigheid. Pas later werd het: wat een persoon of groep onderscheidt van een ander. En dus ook uniek maakt. Deze vaststelling doet me denken aan een Frans administratief controledocument: mijn carte d’identité. In het Frans de naam voor mijn pas.
Maar je moet ergens beginnen. Laat ik dus mijn Franse pas even bekijken.
Ben ik wie ik ben op die foto? Mijn voornamen en namen? Mijn geboorteplaats en geboortedatum? Ik lees ook de M van masculin. Man dus. En een paar unieke nummers. Is dat mijn handtekening?
Dat voor de voorzijde.
Wat meldt de achterkant van dezelfde identiteitskaart? Naast een paar elektronische chips: mijn lengte. 1,77 meter. En mijn adres.
Op de carte d’identité van mijn grootouders stond vroeger nog meer.De kleur van de ogen.De vorm van de neus.
O ja, ik vergat nog iets.Een digitaal vierkant met een hoop puntjes naast elkaar.Ik vermoed dat dit mijn vingerafdruk voorstelt. Vroeger gebeurde dat met purperen inkt. Door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Eigenhandig op de kaart neergedrukt.
Een magere oogst, nietwaar?
Want ik mis hier van alles wat bij mijn ‘identiteit’ hoort.
Wie waren mijn ouders? En mijn voorouders? Op welke gronden en in welke huizen leefden ze? Uit welke heimat kwamen ze? Welke beroepen oefenden ze uit?Waar en hoe speelde hun leven zich af? Tot welke sportvereniging, club of gilde behoorden ze? Welke taal spraken ze?
Nochtans heb ik van die duizenden voorouders — voor de meesten illustere onbekenden — niet alleen biologisch geërfd. Ook sociaal en cultureel. Arm of rijk. Gezond of ongezond. Helden en schurken. Hun erfenis leeft. Of ik dat nu wil of niet.
Het is de Franse ontdekkingsreiziger Jean Raspail die ooit merkte dat het geheugen van een mens in de meeste families al stopt bij een paar voorbije generaties.Daar houdt de kennis meestal op. Maar toch ook weer niet. Want als ik in de spiegel kijk, zie ik dingen die niet op mijn identiteitskaart staan.
Zelf zie ik het niet altijd. Maar iemand zei me onlangs dat ik met de jaren meer op mijn vader begin te trekken. De ogen van mijn moeder had ik dan weer altijd al. Die had zij op haar beurt van haar overgrootmoeder. En soms neem ik het oude, geroeste boerenalaam van mijn grootvader ter hand. Hij vertelde me ooit dat sommige stukken generaties teruggingen. Daar begint een identiteit die niet op een kaart past.
Met de voorouders kom ik tot lang vervlogen tijden. En daarmee kom ik bij een derde dimensie van mijn definitie. Als je ingeworteld bent in een duizendjarige geschiedenis van je clan en je voorouders…Van een plek. Van een grondgebied. Van een heimat op aarde. Met hun cultuur. Hun taal.Hun tradities.
Dan kunnen oorlogen, bommen en granaten, moord en brand, verdwenen archieven, leugens en verzinsels niets veranderen aan één eenvoudige vaststelling:
Een mens is altijd van ergens.
En dat bepaalt eerst zijn identiteit.
Ik ontken uiteraard niet dat er vandaag ook een invulling ‘à la carte’ bestaat van het begrip identiteit. Maar die kant is al voldoende aan bod gekomen. Ik wou even de vergeten kant van de medaille benadrukken.
Je kan proberen zelf de vakjes te kleuren in het spelletje:
‘Wie ben ik?’
Maar je erfenis weigeren maakt je niet noodzakelijk gelukkig. Ik zie dat de wachtzalen van de psychologen overvol zitten. Deze hyper individualistische visie kweekt een nieuwe mens. Een mens van overal. En van nergens.
De markt heeft er geen moeite mee. Het levert een mens zonder eigenschappen op die vooral consument is, overal kan wonen in zielloze gebouwen en overal hetzelfde kan kopen.
En de marxisten? Die kunnen er een nieuw contingent identiek gekweekte proletariërs in zien.
De Bretoense schrijver Pêr-Jakez Heliaz schreef in zijn boek Le Cheval d’orgueil (1975):
“Être de son temps, c’est apparemment facile. Il est plus difficile d’être de quelque part.”
Van zijn tijd zijn, is blijkbaar gemakkelijk.
Van ergens zijn, is veel moeilijker.”
17.09.2026
In mijn nieuwste boek TAALMOORD gebruik ik meermaals het woord ‘identiteit’.
Wat ik daaronder versta, heeft niets te maken met het lelijke Franse woord dat me onmiddellijk doet denken aan een gelijkvormigheidsdocument dat moet bewijzen dat ik ben wie ik ben.
Er zijn tegenwoordig ‘identiteiten’ in overvloed. En die verschuiving van betekenis wordt stilaan lastig.
Denk aan gender — met alle letters van hun alfabet. Aan politiek — bont en blauw gekleurd. Tot zelfs de hooligans, bijvoorbeeld die van een voetbalclub.
Met identiteit bedoel ik dus: verworteling.
Mijn identiteit is geworteld in een DNA. In een volk. In een gemeenschap. In een traditie. In een geschiedenis. In een leefwereld waarmee ik vandaag naar de toekomst kijk.
In die betekenis sluit mijn begrip van identiteit nauw aan bij wat de Frans-Joodse anarchistische filosofe Simone Weil (1909-1943) ‘enracinement’ noemde.
Weil schreef daarover haar boek L’Enracinement.
Ik las dat boek voor het eerst toen ik vijftien was. Het heeft me toen op mijn weg geholpen.
De stelling van Weil is dat een mens ‘wortelt’ doordat hij actief en natuurlijk deelneemt aan een gemeenschap. Een gemeenschap die waarden en schatten uit het verleden bewaart én een verwachting voor de toekomst draagt.
VERPLICHTINGEN
Maar bij Weil begint het niet bij de rechten van de mens.
Het begint bij zijn verplichtingen.
Weil formuleert het heel expliciet: de notie van verplichting gaat vooraf aan die van het recht. Een mens is niet alleen iemand die aanspraak kan maken op rechten. Hij is ook iemand die iets verschuldigd is aan anderen, aan de gemeenschap, aan het verleden en aan de toekomst.
Een recht heeft voor Weil pas betekenis omdat anderen de verplichting hebben dat recht te eerbiedigen. De verplichting is dus fundamenteler dan het recht.
Dat is vandaag een bijna vergeten gedachte.
We spreken voortdurend over onze rechten. Veel minder over onze plichten.
Voor Weil zijn die verplichtingen fundamenteel. Juist doordat een mens zich verbonden weet en verantwoordelijkheid draagt, kan hij werkelijk geworteld zijn.
ONTWORTELING
Daartegenover staat het woord ‘déracinement’, oftewel: ontworteling.
Voor Weil is dat niet alleen geografische of culturele ontheemding. Het is een fundamentele toestand waarin mensen hun verbinding verliezen met de gemeenschap, de geschiedenis, de cultuur, maar ook met de arbeid.
Zo statig als een eik, zoals in het Gebed voor het Vaderland, staat onze identiteit concreet verworteld.
En precies daardoor ervaart een mens verbondenheid, continuïteit, verantwoordelijkheid, originaliteit en betekenis.
28.08.2026
Mijn stuk “Jordan Bardella in Brussel: een staatsnationalist ontmoet volksnationalisten” (12 juni, op deze Facebookpagina) deed heel wat mensen in hun pen kruipen.
OVER IDENTITEIT
Ik verfijn nog even mijn opmerking – neem me niet kwalijk – dat de RN van Bardella warm en koud blaast als het over identiteit gaat. Bij de RN heb je enerzijds de goede, gewenste, gekozen identiteit, en dat is uiteraard de Franse. Dat zijn de geestelijke zonen en dochters van Jeanne d’Arc, patrones van het Franse staatsnationalisme, die nota bene uit het grensland Lotharingen kwam. Zij verscheen, volgens het geschiedenisboek van eigen fabricaat, als geroepen om dat samenraapsel van Gallische clans, Frankische barbaren en andere Latijnse stammen in de pas te doen lopen en de Franse koningen de weg te wijzen naar het ene en ondeelbare Frankrijk. Het belette het ondankbare Franse volk niet om enkele eeuwen later zijn koning een kopje kleiner te maken.
Toegegeven, op Corsica zoekt de RN tegenwoordig een vergelijk met de Corsicaanse achterban om haar een schijn van autonomie te gunnen. Op hun eiland mogen die lastigaards een beetje – maar niet te veel – hun gang gaan. Ik citeer: ‘om maffiavorming tegen te gaan’, en omdat zij Frankrijk Napoleon hebben geschonken.
Op het Franse vasteland daarentegen, in Bretagne – nota bene het moederland van de familie Le Pen – nam Marine Le Pen niet zo lang geleden positie in tegen het onderwijs van het Bretoens in de publieke sfeer. Delen van de Bretoense beweging zijn na de Tweede Wereldoorlog naar links opgeschoven, mede om afstand te nemen van hun oorlogsverleden, weet je wel. En dat is voor rechtse politici voldoende reden om hun identiteit ondergeschikt te maken aan de stemmen die ze kunnen opleveren.
Om maar te zwijgen over het noorden van Frankrijk, waar Marine Le Pen in Hénin-Beaumont haar mandaat en haar sociale mosterd haalt, maar waar de RN nog nooit een stem heeft laten horen ten gunste van de Vlaamse of een andere ingewortelde regionale identiteit, laat staan van de Nederlandse taal of cultuur. Soms worden ze daarin nog tegengesproken door hun eigen militanten, die wel hun Vlaamse Leeuw meebrengen wanneer Rijsel of Lens voetbalt.
De Franse identiteit is als de Franse keuken: ze bestaat eigenlijk niet. De choucroute is Elzassisch, de pannenkoeken zijn Bretoens, de camembert is Normandisch. En konijn met pruimen, dat is Vlaams.
OVER MIGRATIE
Sommige van mijn lezers wijzen, in de politieke samenwerking tussen RN en VB, op de prioriteiten. Ze schrijven dat het inzake migratie vijf na twaalf is. Dat is volgens hen nu de hoogste prioriteit, en niet de folkloristische taalperikelen van de laatste der Mohikanen in Frans-Vlaanderen en elders.
Wie me kent, weet beter.
Sorry vrienden, maar ik behoor tot de categorie naïeve niet-politici die denkt dat wij onze energie eerst moeten investeren in de versterking, samenhang en uitingen van onze eigen identiteiten in Europa, en niet met losse kreten blind moeten schieten op een ongrijpbare en identiteitsloze vijand.
Wij versterken onze identiteit niet zo zeer door te roepen tegen anderen, maar door onze eigen identiteit opnieuw inhoud, samenhang en vitaliteit te geven.
OVER DE VIJAND
Inzake migratie pleit ik ervoor om, in plaats van te dweilen met de kraan open en tegen de wind te blazen, eerst in eigen boezem te kijken, daar waar wél iets aan te doen is. Prioritair is het bestrijden en verstoren van organisaties en geldstromen achter de Vlaamse, Belgische en Europese lobby van mensenhandelaars, pro-Deoadvocaten, activistische rechters, experten-in-zogenaamde-mensenrechten-zonder-plichten, ultraliberale kosmopolieten op zoek naar ‘consumers’, politieke-islampropagandisten en neo-marxisten-op-zoek-naar-een-vervangproletariaat die zich voeden met de miserie en de import van al die sukkelaars en avonturiers die op onze stranden landen.
De bedreigingen voor onze Europese identiteiten moeten wij niet bestrijden door het staatsnationalisme te versterken en de mond vol te hebben van wat de Europese identiteit zogenaamd maakt, maar precies door het tegenovergestelde te doen: investeren in wat onze eigen identiteiten sterker kan maken.
Europa is geen natie, maar een beschaving en een historisch rijk van volkeren, talen en historische entiteiten. Wie die verscheidenheid verwaarloost in naam van een abstract staatsnationalisme, ondergraaft precies datgene wat hij beweert te verdedigen.
Uiteraard schuilt vandaag het echte gevaar in het samengaan van de politieke islam met de neo-marxistische ideologie, zoals zich dat momenteel voor onze ogen ontplooit in Brussel en andere grote Europese steden. Maar zoals Clausewitz leerde: wie een conflict wil winnen, moet eerst zijn werkelijke tegenstander identificeren. We moeten dus naar de echte vijand wijzen – zie mijn opsomming, die niet exhaustief is – en niet naar de slachtoffers, van welke kant ook.
17.06.2026
Hans Cany stelt dat er al eeuwenlang Franstalige Vlamingen bestaan. Helaas wordt dit vaak vergeten, aangezien het label ‘Vlaming’ meestal wordt gekoppeld aan het spreken van het Nederlands. Hij voegt eraan toe: “Wat mij betreft, denk ik dat een inwoner van Rijsel, Atrecht of Dowaai niet minder Vlaming is dan een Duinkerkenaar, Bruggeling of Antwerpenaar.” Ik kan deze opmerking beamen, maar wil enkele nuances aanbrengen.
Leer alle Vlamingen kennen: Als geboren Frans-Vlaming weet ik dat de taal in Frans-Vlaanderen niet ‘gans het volk was’ . Maar daarmee is mijn verhaal nog niet ten einde. Vlaanderen strekt zich tegenwoordig uit over drie landen. Zeeuws-Vlaanderen, gelegen op Nederlands grondgebied, is het kleinste deel. Het ‘Belgisch’-Vlaanderen omvat vandaag de dag bovendien veel meer dan de gebieden van het oude graafschap Vlaanderen .En tenslotte Vlaanderen in Frankrijk. Een minimum aan kennis van de geschiedenis van elk deel is noodzakelijk om dit debat te voeren. Veel Vlamingen en Nederlanders weten weinig over Frans-Vlaanderen, en hetzelfde geldt voor veel Frans-Vlamingen, die vaak niet op de hoogte zijn van de geschiedenis van Belgisch-Vlaanderen en Nederland. Zelf heb ik jarenlang de geschiedenis van de Vlaamse Beweging en de Nederlandse gedachte bestudeerd en heb ik geleerd hoe sterk alles uit elkaar is gegroeid; dezelfde woorden, feiten en situaties worden vaak anders gepercipieerd.
Taal en identiteit: De gevleugelde woorden ‘De taal is gans het volk’ komen uit het gedicht ‘De Nederduitsche Tael’ van de Vlaamse dichter Prudens van Duyse (1804-1859) en zijn te begrijpen in de specifieke context van de ontluikende Vlaamse beweging en de strijd tegen de verfransing van Vlaanderen in België. Het is waar dat de strijd voor de taal, meer dan andere elementen, een belangrijke rol speelt in de emancipatie van de Vlaamse Beweging. Taal is een van de bepalende elementen van identiteit. Dit betekent echter niet dat Ieren minder Iers zijn omdat ze bijna allemaal Engels spreken, of dat Joden uit de diaspora die slecht of geen Hebreeuws spreken minder Joods zijn. Het is wel mijn overtuiging dat zij ‘anders Iers’ en ‘anders Joods’ zijn.
Toen het Frans nog niet bestond: Het standpunt dat het Frans altijd de dominante taal is geweest in Rijsel, Dowaai of Atrecht, gaat ervan uit dat de geschiedenis begint na het jaar 1000. Nochtans sprak men in Rijsels-Vlaanderen ooit Neder Frankisch, de taal die in directe lijn voorafgaat aan de Vlaamse streektalen en aan het Nederlands. Tot in de 19de eeuw was de volkstaal van Rijsels-Vlaanderen en Artesië het Picardisch, en het zou dus juister zijn om te spreken van Romaanssprekende Vlamingen. In Rijsels-Vlaanderen, tot aan de Zomme, sprak men in de tijd van de legendarische Liederik geen Frans, omdat deze taal toen nog niet bestond! De Frankische elite heeft zich geleidelijk aan geromaniseerd met de overgang naar het christendom.
Leer Nederlands: Tot slot een opmerking vanuit mijn persoonlijke ervaring: ik wil niemand kwetsen, maar ik schaam me voor het gebrek aan kennis van de Nederlandse taal onder de Vlaamsvoelende inwoners van Frans-Vlaanderen. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom mensen die zich in Frans-Vlaanderen Vlaming voelen, amper of geen moeite doen om de Nederlandse taal te leren. Frans-Vlaanderen vormt hierin een treurig unicum. Ik las dat bijvoorbeeld in de Elzas 90% van de jeugd een of andere opleiding Duits volgt. In Frans-Vlaanderen ligt dat percentage op 0,0001%. Het verhaal dat er Franstaligen in Vlaanderen zijn sinds de middeleeuwen wordt te vaak gebruikt als excuus voor degenen in Frans-Vlaanderen die de moeite niet willen nemen om de taal te leren.
02.03.2025