Op 9 juni 1898 werd in de Toscaanse stad Prato de oorlogscorrespondent, schrijver, maar ook activist, futurist, regionalist, traditionalist en bovenal non-conformist Curzio Malaparte geboren. Curzio Malaparte was het pseudoniem van Kurt Erich Suckert. Zijn vader was Oostenrijks, zijn moeder Italiaans, een afkomst die zijn leven en denken een blijvende ambivalentie meegaf. Zijn pseudoniem betekent het tegenovergestelde van Bonaparte: ‘degene die aan de verkeerde kant staat’.
Als jonge man sloot hij zich aan bij het syndicalistische vrijwilligerslegioen van Peppino Garibaldi. Tijdens de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich als vrijwilliger en vocht hij aan Italiaanse zijde aan het front. In 1919 leidde hij het Italiaanse persbureau in Versailles en werd vervolgens cultureel attaché in Warschau, waar hij getuige was van de bolsjewistische opmars tijdens de Pools-Russische Oorlog.
Na zijn terugkeer naar Italië in 1921 werkte hij voor het futuristische tijdschrift Valori Plastici. Hij schreef Viva Caporetto!, een pamflet genoemd naar de plaats van de grote Italiaanse nederlaag van 1917, die voor hem symbool stond voor het falen van de militaire en politieke elite. In 1922 werd hij lid van de fascistische partij, zij het als een kritisch en onafhankelijk denkend lid. Hij werkte mee aan het blad La Conquista dello Stato, maar dat verhinderde hem niet om Italia barbara te publiceren bij de antifascistische uitgever Piero Gobetti.
Zijn verhouding tot het fascisme werd steeds meer gekenmerkt door onvrede over de ingeslagen koers. In 1926 schreef hij de satire Don Camaleo, romanzo di un camaleonte, een verkapte aanval op Mussolini. Het werk verscheen pas twintig jaar later in boekvorm. In 1929 vertrok hij als correspondent van La Stampa naar de Sovjet-Unie. Daar ontmoette hij Stalin, Gorki en Majakovski. In die periode schreef hij Techniek van de staatsgreep, het boek dat hem internationale bekendheid bezorgde.
In 1933 publiceerde hij een satire op Italo Balbo. Dat bleek een stap te ver. Hij viel uit de gratie bij het regime van Mussolini en werd veroordeeld tot vijf jaar verbanning op het eiland Lipari. Dankzij de tussenkomst van Galeazzo Ciano, Mussolini’s schoonzoon, mocht hij na één jaar naar Ischia verhuizen en later naar Forte dei Marmi in Toscane.
Om in zijn levensonderhoud te voorzien schreef hij onder tal van pseudoniemen voor uiteenlopende publicaties, onder meer voor het door hem opgerichte tijdschrift Prospettive, waarin ook antifascistische intellectuelen aan het woord kwamen. In die periode verschenen eveneens werken als Fuga in prigione (1936) en Sangue (1937).
In 1939 werd hij correspondent van de Corriere della Sera in Ethiopië. Hij was wellicht de enige oorlogscorrespondent die onder permanente politiebewaking werkte. In dezelfde periode liet hij zijn beroemde futuristische villa op Capri bouwen. In 1963 werd Casa Malaparte gebruikt als decor voor de Frans-Italiaanse film Le Mépris van Jean-Luc Godard, met Brigitte Bardot in de hoofdrol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij opnieuw opgeroepen voor militaire dienst. Als officier verbleef hij aan de fronten in Frankrijk, Duitsland, Polen en Rusland. Zijn ervaringen uit die jaren verwerkte hij later in zijn beroemde boek Kaputt, waarvan het grootste deel tussen 1941 en 1943 werd geschreven en dat in 1944 verscheen.
Na de afzetting van Mussolini in juli 1943 keerde Malaparte vanuit Finland terug naar Italië. Daar werd hij, vanwege zijn fascistische verleden, meerdere keren gearresteerd. Dat lot zou hem ook na de oorlog blijven achtervolgen. Hij zocht toenadering tot de Communistische Partij en werd in 1944 verbindingsofficier bij de geallieerden. Deze ervaringen vormden de basis voor zijn roman La pelle (De Huid, 1949), die een schandaal veroorzaakte en door de Katholieke Kerk op de Index werd geplaatst.
Vervolgens verbleef hij enige tijd in Parijs, waar hij onder meer aan theaterproducties werkte. Teruggekeerd naar Capri zorgde ook zijn film Il Cristo proibito (De Verboden Christus) voor controverse. Zijn laatste grote prozawerk, Maledetti Toscani (Vervloekte Toscanen), werd een overweldigend succes.
Op verzoek van verschillende regeringen ondernam Malaparte later nog reizen naar de Sovjet-Unie en China. In Peking werd bij hem een tumor vastgesteld, waarna hij naar Italië werd gerepatrieerd. Na een langdurig ziekbed overleed hij op 19 juli 1957. In zijn laatste levensjaren onderhield hij banden met zowel de Republikeinse als de Communistische Partij en zocht hij tevens opnieuw toenadering tot het katholicisme, wat zijn politieke en intellectuele ongrijpbaarheid nogmaals illustreerde.
Zijn Nederlandse vertalers Frans Denissen en Peter Westerlaken vatten in de inleiding van Techniek van de staatsgreep zijn leven als volgt samen:
“Misschien valt er in heel die frenetieke activiteit slechts één constante te ontdekken: een panische angst voor het centrum, voor de gematigdheid en de ‘kruideniersmentaliteit’ van die kleine burgerij waarvan hij zelf een telg is.”
De Nederlandse schrijver Jan Cremer beschouwde Malaparte als een van de grote Europese stilisten van de twintigste eeuw en noemde zijn werk:
“Meesterwerken zijn het. Heldere, rechttoe-rechtaan verslaggeving. Een scherpe, koele en harde, maar tegelijk romantische en gevoelige weergave van sferen en feiten. Een schrijver met een diepe ziel.”
09.06.2026