Op 4 maart 1590 veroverde een kleine groep elitesoldaten in Nederlandse dienst het kasteel van Breda op de Spaanse bezetters, voornamelijk Italiaanse huurlingen in Spaanse dienst.
Dit stichtende en mythische episode uit de geschiedenis van de nieuwe Nederlandse staat van toen staat in de geschiedenisboeken bekend als “de list van het Turfschip van Breda”. Dit turfschip is het paard van Troje van de Nederlandse geschiedenis.
Met behulp van een turfschip, eigendom van Adriaan van Bergen die dagelijks Breda bevoorraadde, werden 68 elitesoldaten het kasteel van Breda binnengesmokkeld. Eens binnen haastte dit commando zich om de poorten van de vesting te openen voor de troepen van prins Maurits van Nassau. Hoewel de Spaanse troepen een ruime numerieke overmacht vertegenwoordigden, was de verrassing bij nacht compleet en gaven de vijandige troepen zich over of namen zij de vlucht.
Wat vandaag een beetje vergeten wordt, is wie deze moedige vrijwillige soldaten in het turfschip waren. De leidende officier was een Kamerijkse hugenoot en edelman, en een sluwe militair, genaamd Charles de Héraugière – ook geschreven als de Héraugières of de Hérauguier. Hij werd geboren in Kamerijk (Cambrai) in 1556, vluchtte zijn geboortestreek omwille van zijn protestantse overtuiging en trad in dienst van Oranje als kapitein en ritmeester (cavalerie-officier). Hij vocht onder meer in Huy en Lier en nam ook deel aan de verdediging van Sluis en aan de slag bij Turnhout in 1597.
Men mag ervan uitgaan dat verschillende van de overige 68 dapperen op het turfschip eveneens van Zuid-Nederlandse afkomst waren. De geschiedenis heeft vooral de namen van de officieren onthouden: Charles Lambert, Jean Logier, Jean de Fervet en luitenant Helt. Minstens drie van de vier dragen familienamen die wijzen op een Zuid-Nederlandse herkomst.
Zij werden na hun moedige daad in hun tijd als helden gevierd. Al verkoos de Romantiek later vooral de man van het volk, schipper Adriaan van Bergen, te eren. Charles de Héraugière werd benoemd tot gouverneur van de stad Breda, die hij had helpen bevrijden, en mocht vele eerbewijzen in ontvangst nemen, waaronder een zilveren turfboot en een glazen kanon dat in 1999 werd ontdekt en vandaag te zien is in het stedelijk museum van Breda, samen met de medaille die in 1590 ter zijne ere werd geslagen. Hij werd ook een grootgrondbezitter in de stad en een voorname weldoener van de Waalse Kerk aldaar.
De hedendaagse Nederlandse geschiedschrijving vergeet soms wat zij te danken heeft aan het zuiden, en aan de Vlaamse, Artesische, Waalse en Kamerijkse hugenoten. Het verhaal van het Turfschip van Breda is daarvan een treffende illustratie.
04.03.2026