WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Taal

Over taal en identiteit (2)

In de zomer begon ik met het schrijven aan mijn nieuwe boek over taal en identiteit. De warme overpeinzingen die zo’n onderneming meebrengt, wil ik graag regelmatig met mijn lezers delen.

Ze kunnen zowel historisch als actueel van aard zijn. Hier gaan we:

Bewonderenswaardig zijn de mensen die de Frans-Vlaamse streektaal willen leren. Het is geen eenvoudige oefening als je de taal van je ouders niet meer spreekt. Of alleen passief meekreeg.

Als niemand in je omgeving de taal nog spreekt, kunnen alleen talent en volharding je redden. Ik ken mensen die dat al jaren proberen, met vallen en opstaan. Na decennia slagen ze niet altijd in zelfstandig een pint te bestellen in de taal die ze zo graag willen leren. Hoe komt dat?

Ik herhaal: het is bewonderenswaardig om de streektaal te leren spreken. Het is nog sterker om ook standaard Nederlands te leren. Sommige mensen vinden dat je alle verschillen met het Nederlands moet oplijsten en cultiveren om Frans-Vlaams te leren. Het koesteren van een schrijftaal in archaïsche spelling hoort daarbij. Onwetend zijn ze dat de geschreven taal van de Westhoek al 500 jaar het Nederlands is. Zelfs Guido Gezelle schreef niet dialectisch, tenzij om klanken na te bootsen.

Ik wil geen eminente Frans-Vlaamse professoren tegenspreken, maar ik wil mijn persoonlijke ervaring delen.

Ik leerde eerst Nederlands op basis van passieve kennis van de streektaal. Uit natuurlijke luiheid, eigen aan de mens, lijstte ik eerst alle gemeenschappelijke woorden en uitdrukkingen op. Pas daarna interesseerde ik me voor de verschillen, niet andersom. Dat is het bekende verhaal van het halfvolle versus het halflege glas, toegepast op taal.

Het verschil ligt eerst in de denkwijze, maar ook in het resultaat. Met mijn aanpak leerde ik een taal in al haar facetten en diversiteit spreken. Maar ik leerde de taal vanuit wat ons verbindt, niet vanuit wat ons scheidt. Mijn doel was kunnen communiceren van Sint-Omaars tot in Delfzijl. Daarvoor ben ik uit mijn comfortzone gestapt en heb ik de Nederlandssprekenden opgezocht.

De verschillen opzoeken en vastleggen is een leuke bezigheid op zich, maar ook een bijzonder vakgebied. Noem het taalgeschiedenis of etymologie. Daarmee kan je in Frans-Vlaanderen praten over de taal en toponiemen ontcijferen. Maar dat is niet hetzelfde als ‘een taal leren’ en spreken.

Gepubliceerd

03.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Ook niet taalkundigen hebben een mening over taal

In de jaren ’70 van de vorige eeuw bedacht en verspreidde ik samen met Jan Pol Sepieter de slogan: “Ons Vlaamsch is een steektaal van het Nederlands, de taal van 25 miljoen Europeanen.” Onze bescheiden poging om de streektaal te redden was nooit tegen het Nederlands gericht; integendeel. Jaren later kwamen er krachten op die onze boodschap verdraaiden en het Nederlands als vreemd aan de streek en elitair bestempelden.

Ik ben geen taalkundige, maar ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen en getuigd dat dit nooit onze bedoeling is geweest. Ik heb hierover verschillende artikelen geschreven en zelfs een boek, Olla Vogala. Nu lees ik dat Jan Pekelder, een taalkundige van Nederlandse afkomst, mij beschouwt als iemand die de “voortdurende tweespalt” onderhoudt. De man weet wat ik denk al heb ik nooit met hem gesproken. Daarom geef ik hier nogmaals een samenvatting van mijn visie, die ik al meer dan een halve eeuw verdedig. Vandaag precies en jaar geleden schreef ik hierover nog een artikel met de titel ‘Honden in het kegelspel’.

Frans-Vlaams

Cyriel Moeyaert noemde zijn levenswerk “woordenboek van het Frans-Vlaams,” niet van het West-Vlaams. Hiermee maakte hij duidelijk dat dit woordenboek specifiek over de streektaal over de schreve ging. Deze taal is niet zo anders dan die in Heuvelland of Bachten de Kupe, maar de Frans-Vlaamse streektaal heeft eigenaardigheden en woorden bewaard die elders verdwenen of in onbruik geraakt zijn.

We schreven Nederlands en spraken de streektaal.

Wij schreven Nederlands en spraken de streektaal. Van Cyriel Moeyaert leerde ik dat de geschreven taal van de Frans-Vlamingen in de zeventiende, achttiende, negentiende en begin twintigste eeuw altijd Nederlands is geweest. Het Nederlands van die tijd. De geschreven taal van Michiel de Swaen, Andries Steven of Renaat Despicht vertoont soms regionale kleuren en woorden, maar is onmiskenbaar Nederlands.

Streektalen als geheugen van de standaardtaal

Van Cyriel onthield ik ook hoe belangrijk de standaardtaal is en waarom ik de taalerfenis van mijn ouders moet koesteren. De streektalen van het Nederlands zijn het geheugen van onze taal voor alle mensen van goede wil. De liefde voor het Nederlands betekent niet automatisch oppositie tegen de streektaal; integendeel.

Taal evolueert voortdurend

Ooit was het gebied van de huidige Nederlanden in Frankrijk de bakermat van onze taal, waar men het Noordzeegermaans sprak van hier tot aan de Engelse kust. Wat mij betreft had men de standaardtaal Diets kunnen noemen. Het punt is dat het Nederlands de standaardtaal is geworden van de streken die tot de historische Nederlanden behoren. Voor wie problemen heeft met de taal boven de Moerdijk is pragmatisme nodig: het is wat het is. Ook onder de Moerdijk hebben ze misschien vragen bij de evolutie van onze taal. Laten we niet te bekrompen denken: de afstand van Duinkerke tot Amsterdam is amper 300 km, niet veel verder dan Parijs, behalve in onze hoofden.

De geschiedenis is wat het is

Dat onze standaardtaal meer “Hollands” klinkt dan ons in Vlaanderen lief is, heeft te maken met de geschiedenis, de wet van de grote getallen, en de afstand. Het lijkt me logisch: hoe verder men van het centrum staat, hoe minder invloed. Dit geldt niet alleen voor het West-Vlaams; ook Limburgers hebben reden tot klagen. Het zuiden had een tweede centrum kunnen aanduiden, maar is in 1830 een andere weg opgegaan. Een troost: mijn Nederlandse vrienden onder de Moerdijk klagen ook wel eens over de taal van de Randstad.

Nederlands: geen ‘vreemde taal’ in de Westhoek

Er zijn mensen in Frans-Vlaanderen die de onwetendheid van de plaatselijke bevolking en van liefhebbers van de streektaal misbruiken om hen allerlei onzin wijs te maken. Vlaenderen, met ‘ae’, zou Frans-Vlaams zijn, en Vlaanderen, met ‘aa’, zou een andere, vreemde taal zijn: het Nederlands. De Frans-Vlaamse naam voor de gemeente Sercus zou Zurkel zijn en niet het duizendjarige Zerkel. En het Frans-Vlaams zou meer verwant zijn met het Engels en zelfs met het Duits, maar niet met het Nederlands. Dit alles komt van dezelfde zelfgeproclameerde academici van de Vlaemsche taele, die soms niet eens tot vuuve kunnen tellen. Laat staan tot vijf.

West-Vlamingen moeten zich niet vergissen in de strijd

Er zijn mensen aan deze kant van de schreve, liefhebbers van het West-Vlaams, die deze onzin beamen en aanmoedigen. Ze stimuleren deze Frans-Vlamingen om een nieuw Volapük te creëren. De rijkdom van de streektaal is precies in de verscheidenheid, en niet in de standaardisering ervan. Ze moeten ook weten dat zelfs Guido Gezelle, nochtans een hardnekkige verdediger van het West-Vlaams, nooit dialectisch heeft geschreven.

De Nederlandse gedachte helpt

Dat onze standaardtaal meer “Hollands” klinkt dan ons in Vlaanderen lief is, heeft ook te maken met de geschiedenis, de wet van de grote getallen, en de afstand. Hoe verder men van het centrum staat, hoe minder invloed. Dit geldt niet alleen voor het West-Vlaams. Over dat centrum nog dit: het zuiden had een tweede centrum kunnen aanduiden, maar is in 1830 een andere weg opgegaan. Een troost: mijn Nederlandse vrienden onder de Moerdijk klagen ook wel eens over de taal van de Randstad. Het is dus geen specifiek Vlaams probleem.

Vlamingen moeten niet zeuren, maar handelen

Met 25 miljoen sprekers behoort het Nederlands tot de top tien van de meest gesproken talen in Europa. Niet meer, maar ook niet minder. Laten we dus niet kleiner denken dan we zijn en onze plaats innemen. Eenheid in verscheidenheid is al een tijdje de norm. De tijd van de stugge ABN-normen is voorbij. Het zuiden moet, in plaats van de rol van slachtoffer te spelen, de Taalunie en alle mogelijke taalinstanties overspoelen met ideeën en voorstellen voor een betere stem in het kapittel.

Gepubliceerd

05.04.2025

Kernwoorden
Reacties
Jan Achten
15.04.2025 - 07:00

Men leze van Jelle Stegeman: Grote geschiedenis van de Nederlandse taal, deel 2 (deel 1 behandelt de vroege historie, vanaf het Indo-Germaans). In de 16e eeuw was het Nederlands een verzameling streektalen die onderling slecht waren te verstaan. Daarom ontwikkelde zich voor de commercie een bovenregionale taal en in de tweede helft 18e eeuw werd die officieus gecodificeerd, op basis van geschriften van Vondel en P.C. Hooft, allebei Hollanders. De Bataafse republiek maakte die codificatie officieel. Na de scheiding hebben Nederland en Vlaanderen in de tweede helft 19e eeuw die codificatie afzonderlijk opnieuw vastgesteld, aldus werd Hollands officieel Nederlands.
Regio speelt bij ons weinig een rol, we hebben het geluk veel minder last te hebben van de Franstalige overheersing. Nee, het is de erfenis van Vondel en P.C. Hooft!

Beantwoorden

Ces Flamands qui (ne) parlent (que) le français

Un correspondant me fait remarquer qu’il existe des Flamands francophones depuis des siècles. Cependant, ils sont souvent laissés pour compte, le label “Flamand” étant surtout associé à celles et ceux qui parlent la langue néerlandaise. Il ajoute : « En ce qui me concerne, je pense qu’un habitant de Lille, d’Arras ou de Douai n’en est pas moins flamand qu’un Dunkerquois, un Brugeois ou un Anversois. » Je partage volontiers cette conclusion, moyennant quelques nuances.

APPRENDRE A CONNAITRE TOUS LES LES FLAMANDS – Natif de Flandre en France, je sais que, contrairement à une citation flamande bien connue, « la langue n’est pas tout le peuple. » Toutefois, cette réflexion reste très incomplète. La Flandre d’aujourd’hui est triple, car elle est écartelée entre trois pays. La Flandre zélandaise, la partie la plus modeste, fait partie des Pays-Bas. La Flandre belge inclut aujourd’hui beaucoup plus que les territoires historiques de l’ancien comté de Flandre et compte plus de 6 millions d’habitants. Et puis, il y a la Flandre en France. Un minimum de connaissances sur l’histoire de chaque entité me semble indispensable pour ce débat. Cependant, beaucoup de Flamands de Belgique et des Néerlandais ne connaissent pas ou peu la Flandre en France, et cela vaut également pour la plupart des Flamands de France, qui n’ont quasiment aucune notion de l’histoire de la Flandre belge et des Pays-Bas. On peut évoquer comme excuse le fait que les manuels scolaires de la République se taisent quant à nos voisins, mais c’est un peu facile. Pour ma part, j’ai étudié en autodidacte pendant plusieurs années l’histoire du Mouvement flamand et de l’Idée néerlandaise. J’ai ainsi appris comment les écarts se sont creusés entre nous, ce qui fait que les mêmes mots, les mêmes faits et les mêmes situations sont perçus différemment d’un côté et de l’autre.

LANGUE ET IDENTITE – La fameuse citation flamande « de taal is gans het volk » (la langue est tout le peuple) provient d’un poème intitulé « De Nederduitsche Tael » écrit par le poète Prudens van Duyse (1804-1859). Pour la comprendre, il faut la replacer dans le contexte de son époque, marquée par l’éclosion du Mouvement flamand en Belgique et la lutte contre la francisation de la Flandre dans ce pays. Mais je n’en affirme pas moins que la langue est une composante majeure de l’identité. Cela ne signifie pas pour autant que les Irlandais soient moins Irlandais parce qu’ils parlent presque tous anglais, ni que les Juifs de la diaspora, qui ne maîtrisent pas ou peu l’hébreu, soient moins juifs que les autres. Je suis d’avis que le rôle de la langue est primordial, et qu’ils sont donc irlandais ou juifs, mais d’une autre façon.

AU TEMPS OU LE FRANCAIS N’EXISTAIT PAS ENCORE – L’opinion selon laquelle le français a toujours été la langue dominante à Lille, Douai ou Arras est basée sur l’idée que notre histoire commence seulement après l’an 1000. Pourtant, la Flandre lilloise parlait bien le bas-francique, dont les dialectes flamands et le néerlandais sont les descendants directs. C’était à l’époque où la capitale franque avec son roi Childeric s’appelait Tournai. Cette constatation peut être suivie à la trace, au moins jusqu’à la Somme, et même jusqu’à Paris. Il paraît que le roi de France, Hugo Capet, décédé en 996, comprenait encore convenablement la langue de ses ancêtres. Jusqu’au XIXe siècle, la langue populaire de la Flandre lilloise et de l’Artois était le picard, et il serait donc plus correct de parler de Flamands romans (gallicants) plutôt que de Flamands parlant le français. D’ailleurs, il aurait été difficile de parler français à l’époque de notre légendaire Liederik, pour la simple raison que cette langue n’existait pas encore. L’élite franque a pris son temps pour passer à la langue romane qui deviendra plus tard le français, ce phénomène de romanisation étant également stimulé par la pénétration puis par l’installation progressive du christianisme.

APPRENONS LE NEERLANDAIS – Je terminerai mon propos par une remarque basée sur mon expérience personnelle. Je ne veux blesser personne, mais j’avoue avoir honte à la place de celles et ceux qui se disent flamands en France mais qui ne parlent pas le néerlandais. Je n’ai jamais compris comment il est possible de s’affirmer flamand sans faire l’effort élémentaire d’apprendre la langue. La Flandre en France se montre ici bonne dernière de la classe. Je lisais récemment qu’en Alsace, 90 % de la jeunesse s’initiait d’une manière ou d’une autre à l’allemand. En Flandre en France, nous parlons, selon la formule de Contador, de 0,0001 %. Cette histoire de Flandre et de Flamands francophones depuis le Moyen Âge est donc également utilisée comme une mauvaise excuse par celles et ceux qui sont trop paresseux pour apprendre la langue des Flamands.

Gepubliceerd

04.03.2025

Kernwoorden
Reacties