Op 14 april 1127 verleende de graaf van Vlaanderen, Willem Clito, een keure aan de stad Sint-Omaars. Deze tekst, opgesteld in het Latijn, is de oudste uitvoerige en originele keure die in de Nederlanden bewaard is gebleven. Het diende als model voor de keuren van andere Vlaamse steden.
Dit document is ontstaan uit de strijd om de opvolging van graaf Karel de Goede, die op 2 maart 1127 werd vermoord en geen erfgenaam achterliet. Verschillende kandidaten meldden zich en zochten de gunst van hun onderdanen en de steden. Willem Clito kon aanspraak maken op het graafschap via zijn grootmoeder Mathilde van Vlaanderen, die getrouwd was met Willem de Veroveraar. Hoewel hij enkele maanden aan de macht was, wist zijn meest hardnekkige tegenstrever, Diederik van de Elzas, uiteindelijk het pleit in zijn voordeel te beslechten, dankzij de steun van de Vlaamse steden. Diederik hield zich aan de keure van Sint-Omaars.
Met deze keure werd ondubbelzinnig vastgesteld dat de vorst de wetten moet naleven. De rechtbank van de stad kreeg voortaan, in geval van betwisting, de bevoegdheid om zaken te behandelen en te beoordelen, ook als de landsheer betrokken was.
Historicus Raoul C. van Caenegem merkt op dat in de twaalfde eeuw “een landsheer onderwerpen aan de rechtspraak van zijn eigen onderdanen moet bij vele tijdgenoten als opstandige taal zijn overgekomen.”
14.04.2025