Het hele proces van de verfransing in Frankrijk verdient een herziening. De verwijzing naar de ordonnantie van Villers-Cotterêt (1534) om aan te tonen dat Frankrijk al in de zestiende eeuw verfranst was, is misleidend. In werkelijkheid viel Frans-Vlaanderen in 1534 nog onder het gezag van Keizer Karel, niet onder dat van Frankrijk. In 1789, bij het uitbreken van de Franse Revolutie sprak slechts 15 van de 83 Franse departementen Frans. Meer dan 42% van de bevolking kende dus geen Frans. Toen was Frans-Vlaanderen eentalig Vlaams of Nederlandstalig. Ook de rest van de Franse Nederlanden, de huidige departementen Nord en Pas-de-Calais, sprak Picardisch in plaats van Frans. De uitzonderingen vormden de mensen die het stadsbestuur vertegenwoordigden: ambtenaren, politie, gerecht, enzovoort. Natuurlijk ook degenen die in hun beroep contact hadden met Franstaligen.
Cyriel Moeyaert* heeft aangetoond dat de beweging tot in de negentiende eeuw deels omgekeerd verliep. Veel mensen uit Artesië leerden, voor een latere carrière in het Vlaams/Nederlands sprekende deel, de taal van de Vlamingen in de scholen van Sint-Omaars. Een treffend voorbeeld is het seminarie van Sint-Omaars, waar toekomstige priesters afkomstig uit Artesië Vlaams/Nederlands moesten leren, met het oog op een toekomstige parochie in de Westhoek. Ook de meeste handelaars aan de grens met Vlaanderen, die contact onderhielden met de Vlaams/Nederlandssprekende en/of Vlaamse bevolking, waren tweetalig.
Over de taal van Frans-Vlaanderen wordt wel eens beweerd dat het volk lang de streektaal bleef spreken, terwijl de notabelen het Frans gingen gebruiken. Het verhaal luidt dat de burgerij de verfransing zou hebben ingezet als een soort verraad. Maar dat klopt niet. In Kaaster, waar ik vroeger woonde, spraken de notabelen die uit de streek afkomstig waren evenveel Vlaams als de andere inwoners. Dat was ook absoluut noodzakelijk om oude teksten te lezen en om de klanten te begrijpen. Wel is het zo dat deze notabelen vaak contact hadden met de Franse overheden en dus tweetalig waren.
Wie de streektaal niet konden spreken, waren meestal mensen die niet uit de Westhoek kwamen: juristen, ambtenaren, onderwijzers, douaniers, politieagenten, militairen, postbodes, enzovoort. Heb je de film ‘Bienvenue chez les Ch’tis’ gezien? Een van de hoofdpersonages is een postbode, nog niet vast benoemd, die vanuit het zuiden van Frankrijk wordt geplaatst in Sint-Winoksbergen.
Het ambtenarenkorps dat als verfransingsinstrument fungeert: denk vooral niet dat dit tot het verleden behoort. Dit jakobijnse systeem bestaat nog steeds in de Franse ambtenarij. Wie in Frankrijk ambtenaar wordt, krijgt tot op heden vaak een baan in een regio aan de andere kant van het land. Zoals Philippe, de postbode in ‘Bienvenue chez les Ch’tis’. Het systeem werd na de Eerste Wereldoorlog verfijnd in de Elzas: Duits werd verboden en alle Duitstalige leraren werden naar huis gestuurd. In plaats daarvan kwamen onderwijzers die alleen Frans spraken, uit andere Franse departementen.
Tot slot nog iets over de oppositie ‘taal van de elite’ versus ‘taal van het volk’. In Frans-Vlaanderen dook dat verhaal eind jaren ’70 op. Het maakte deel uit van de neomarxistische dialectiek van groepen als ‘Tegaere Toegaan’, die het Vlaamse volk graag reduceerden tot Vlaamse proletariërs. De streektaal, de taal van het proletariaat, werd voorgesteld als een onderdeel van de klassenstrijd: hoe vertaal je dat in het Frans-Vlaams ‘no passaran’?
17.08.2025