Wie mijn teksten leest, komt geregeld de begrippen jakobinisme en jakobijnen tegen. Meer dan eens krijg ik de vraag wat die termen precies betekenen en of men vandaag nog jakobijn kan zijn. Daarom volgt hier een beknopte geschiedenis van het jakobinisme.
Deze tekst schreef ik enkele jaren geleden voor Doorbraak. Voor mijn lezers heb ik hem nu bijgewerkt en aangevuld.
De geschiedenis van deze beweging begint al in april 1789, drie maanden vóór de bestorming van de Bastille, die geldt als het begin van de Franse Revolutie. Bretoense afgevaardigden verzamelen zich onder de naam ‘Club breton’. Wanneer de Nationale Vergadering in oktober naar Parijs verhuist, nemen zij de naam ‘Genootschap van de Vrienden van de Grondwet’’ aan. Hun vergaderplaats vinden zij in het voormalige dominicanenklooster van de jakobijnen in Parijs.
In 1792 worden zij, onder de naam ‘Genootschap der jakobijnen, Vrienden van Vrijheid en Gelijkheid’, de machtigste politieke drukkingsgroep van Frankrijk. In Parijs zijn zij niet de enige revolutionaire club. Hun rivalen, de Feuillants, vergaderen in een ander voormalig klooster.
De jakobijnen slagen er echter als geen andere groep in uit te groeien tot een geduchte politieke denktank en een uitstekend georganiseerd nationaal netwerk. Eind 1793 telt Frankrijk naar schatting meer dan 5.000 jakobijnse clubs.
De eerste terroristen
Vóór 14 juli 1789 geniet het gedachtegoed van deze revolutionaire agitatoren slechts beperkte steun. De club wordt voornamelijk bezocht door de gegoede burgerij, maar voedt zich tijdens verhitte debatten met de energie van de straatrevolutie.
Zelfs in hun zogenaamd gematigde fase waren de jakobijnen allesbehalve gematigd. Al in 1790 stoten zij geleidelijk hun minder radicale leden af. Wat overblijft, is de harde kern: Grégoire, Saint-Just, Fouché, Sieyès, Collot d’Herbois, Billaud-Varenne en hun leider Robespierre.
Wie deze namen opzoekt in de geschiedenisboeken, merkt dat zij een hoofdrol spelen in de bloedigste en meest barbaarse episodes van de Franse Revolutie.
Tijdens deze zogenaamde heroïsche periode bereiden zij een totalitair bewind voor. Dat mondt uit in het Schrikbewind van 1793-1794, zodra de jakobijnen de volledige macht naar zich toe trekken. De uitvoerders van deze Terreur worden als eersten letterlijk terroristen genoemd. Stalin en Pol Pot zouden later tot hun bewonderaars behoren.
Het ware totalitaire karakter
Het totalitaire karakter van de jakobijnse doctrine blijkt ook uit de oorspronkelijke versie van de leuze van de Franse Republiek: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap of de Dood.
Dat laatste deel — of de dood — werd later geschrapt om de Revolutie beter verteerbaar te maken voor een breder publiek. De formule verschijnt voor het eerst in 1790 in een Discours sur l’organisation des gardes nationales van Robespierre.
Reeds in haar oorspronkelijke vorm bevatte de jakobijnse ideologie enkele opvallende kenmerken:
De geschiedenis uitwissen
Het utopische denken is van bij het begin aanwezig. Een van de eerste radicale voorstellen om alle historische benamingen en indelingen af te schaffen, kwam in september 1789 van een zekere Thouret. Hij stelde een cartesiaanse, geometrische indeling van Frankrijk voor: tachtig gelijke, volmaakte vierkante departementen, elk verdeeld in negen vierkante gemeenten, die op hun beurt opnieuw zouden worden onderverdeeld in negen eveneens vierkante kantons.
Wat uiteindelijk werd ingevoerd, was nauwelijks minder revolutionair. Een van de stichters van de jakobijnen, de priester Sieyès, stond aan de wieg van het systeem van de huidige departementen. Het doel was niet alleen een administratieve herindeling van Frankrijk. Men wilde vooral alle historische benamingen definitief van de kaart vegen en daarmee ook het collectieve geheugen van de Fransen aantasten.
Een Artesiër verloor zijn identiteit om een anonieme inwoner van het departement Pas-de-Calais te worden. Mijn Vlaamse voorouders werden plots inwoners van le Nord. Zo moesten hun nakomelingen vergeten dat zij Vlamingen in Frankrijk waren.
Woke avant la lettre
De jakobijnen waren woke voordat het woord bestond. Familienamen met een adellijke connotatie werden geproletariseerd. De meest fanatieke revolutionairen gaven hun kinderen revolutionaire voornamen: Victoire, Liberté-Chérie, Amour-de-la-Patrie, en ook Potiron en Artichaut. De aanspreekvormen Monsieur en Madame werden verboden en vervangen door Citoyen en Citoyenne. In naam van de gelijkheid moest iedereen elkaar voortaan tutoyeren.
Ook duizenden plaatsnamen werden aangepast. Meer dan 3.000 gemeenten waarvan de naam verwees naar een heilige, een kerk of een religieuze traditie, kregen een nieuwe naam. Sint-Omaars werd Morin-la-Montagne, Duinkerke werd Dune-Libre.
Steden die zich niet voldoende schikten naar de eisen van de Revolutie werden symbolisch gestraft. Marseille werd Ville sans nom. Lyon werd, na de repressie en de massale executies, omgedoopt tot Ville affranchie.
De kampioen van deze semantische deconstructie was de journalist Marat in zijn blad L’Ami du peuple. De revolutionaire dialectiek verbood talloze woorden en introduceerde een hele reeks nieuwe termen. De tegenstander werd voortaan een antipatriote, affameur, accapareur, complotiste, despote, tyran, modérantiste, brigand, contre-révolutionnaire of anti-populaire.
Tijdens de Franse Revolutie werkten de zogenaamde actieve burgers (citoyens actifs) aan het gemeenschappelijk geluk (bonheur commun), al dansend rond de vrijheidsboom — of, wanneer het anders liep, rond de guillotine.
Het Frans verplichten
Een ander hardnekkig lid van de jakobijnen was eveneens priester: Henri Grégoire, beter bekend als Abbé Grégoire. Hij besefte dat de boodschap van de Revolutie nooit volledig zou doordringen zolang een groot deel van de bevolking haar niet begreep.
Frankrijk telde in 1790 ongeveer 28 miljoen inwoners. Slechts zes miljoen spraken Frans. Nog eens zes miljoen konden de taal verstaan zonder ze echt te spreken. De overgrote meerderheid gebruikte tientallen andere talen en dialecten.
Al in 1790 begon Grégoire een grootschalige enquête naar de talen die op Frans grondgebied werden gesproken. Niet om ze te beschermen, zoals sommige naïevelingen dachten, maar om ze efficiënter te bestrijden.
Op 4 juni 1794 publiceerde hij zijn beruchte ‘Rapport over de noodzaak en de middelen om de streektalen uit te roeien en het gebruik van de Franse taal universeel te maken’. Opvallend is het gebruik van het woord uitroeien, een term die in het revolutionaire vocabularium geregeld terugkeert.
Grégoire werd de vader van de mythe dat het Frans, als taal van de Revolutie, de enige taal van de Franse natie moest zijn en dat alle andere talen op het grondgebied moesten verdwijnen.
Dat verklaart mede waarom deze jakobijn van het eerste uur op het einde van zijn leven door Napoleon in de adelstand werd verheven. Het verklaart ook waarom de Franse president François Mitterrand, ondanks protesten, zijn stoffelijk overschot in 1989 naar het Panthéon liet overbrengen.
Alle macht aan Parijs
Mijn oude mentor Nicolas Bourgeois, jurist, historicus en oud-leerling van de École Normale Supérieure, schreef ooit spottend: “Het jakobinisme is een authentieke vrucht van Parijse bodem, zoals de vaudeville op de boulevards of de geest van Montmartre.”
Niet zozeer het koningschap als wel de Franse Revolutie heeft de Franse regio’s voor lange tijd verlamd. De fysieke liquidatie van de Girondijnen — de meer gematigde en regionalistisch geïnspireerde revolutionairen — maakte van Parijs het centrum van een dictatoriale macht die zich tegen de provincies keerde.
De Franse filosoof Michel Onfray noemt zichzelf in zijn strijd tegen het jakobinisme graag een erfgenaam van de Girondijnen.
De pretentie om vanuit de hoofdstad de provincies onder de revolutionaire knoet te houden, leidde al snel tot verzet en uiteindelijk tot burgeroorlog. De breuklijn liep niet altijd tussen monarchisten en republikeinen. Vaak lag de oorzaak in het verzet tegen de verplichte dienstplicht.
De repressie die daarop volgde, veroorzaakte een escalatie van geweld en mondde uit in een bloedige terreur in verschillende provincies. Vooral de Vendée werd zwaar getroffen.
Napoleon, het vrijgevochten geesteskind van de Franse Revolutie, zou deze centralistische politiek van de oude jakobijnen overnemen en verfijnen. Hij versterkte haar met een politioneel en controlerend staatsapparaat, waarin een oppermachtige prefect boven de verkozen vertegenwoordigers van het volk stond en zijn bevelen rechtstreeks ontving van de centrale macht.
Geweld en terreur: een ideologische voorgeschiedenis
Een vergeten voordenker van de Franse Revolutie is de priester-dichter Étienne-Gabriel Morelly (1717-1778), auteur van Code de la Nature ou le Véritable esprit de ses lois de tout temps négligé ou méconnu. Het werk verscheen in 1755, overigens in Nederland.
Deze méconnu des Lumières, zoals hij soms wordt genoemd, stelde onder meer voor om andersdenkenden te isoleren in speciale instellingen. In de voormalige Sovjet-Unie werden later zelfs scholen naar hem genoemd.
Morelly, van wie sommige critici beweerden dat hij een pseudoniem van Diderot was, kan worden beschouwd als een voorloper van het utopische socialisme — of, zo men wil, van het communisme.
Een van de voorzitters van de Club der Jakobijnen, Pierre-Antoine, markies d’Antonelle (1747-1817), verdedigde een égalité approximative des propriétés als fundament van de republiek. Daarvoor moest men volgens hem, ik citeer, “een derde van de bevolking doen verdwijnen”.
Dat ging voor de calvinistische dominee André Jeanbon Saint-André (1749-1813) nog niet ver genoeg. Hij wilde de helft van de Franse bevolking laten verdwijnen.
De onbetwiste winnaar van deze macabere competitie was echter Armand-Joseph Guffroy (1742-1801), die in Frankrijk slechts vijf miljoen inwoners wilde overlaten.
Geweld en terreur: enkele cijfers
Historici zijn het niet eens over het aantal slachtoffers van de Franse Revolutie. De schattingen lopen uiteen van 400.000 tot 1 miljoen doden. Dat komt overeen met ongeveer één tot drie procent van de totale Franse bevolking van die tijd.
Alleen al in Parijs spreekt men van 50.000 tot 75.000 slachtoffers in amper drie maanden tijdens de terreurperiode van 1793-1794.
Het ging niet uitsluitend om politieke tegenstanders. Onder de slachtoffers bevonden zich ook kinderen, adolescenten, geesteszieken, gewone gevangenen en prostituees. Velen werden gedood omdat de gevangenissen overvol zaten.
Voor deze slachtoffers was er vaak zelfs geen tijd meer voor een proces of voor de guillotine. Er werd op grote schaal gedood met bijlen, speren en andere wapens, vaak voorafgegaan door zware mishandelingen, verkrachtingen en andere vormen van geweld.
De Vendée en de verdrinkingen van Nantes
Vanuit Parijs werden ook de revolutionaire en militaire operaties in Lyon geleid, evenals de georganiseerde verdrinkingen in Nantes, waarbij ongeveer 4.000 mensen om het leven kwamen.
Nog bloediger was de repressie in de Vendée. Volgens sommige schattingen vielen daar ongeveer 250.000 doden, wat overeenkomt met 20 à 25 procent van de bevolking van de betrokken regio.
Volledige dorpen werden in brand gestoken. Vrouwen, kinderen en ouderen werden op vaak bijzonder gewelddadige wijze gedood. Volgens verschillende getuigenissen werden lijken zelfs gevild door legerchirurgen.
Generaal Turreau, bevelhebber van de beruchte Colonnes infernales, verklaarde later in een verslag aan de Nationale Vergadering: “Ik heb de kinderen verpletterd onder de poten van mijn paarden.”
Na de Terreur werd Turreau nauwelijks gestraft. Enkele jaren later stapte hij probleemloos over naar het keizerlijke leger van Napoleon. Zijn naam prijkt vandaag nog steeds op de Arc de Triomphe.
Frankrijk heeft de helden die het verdient.
Het jakobinisme vandaag
Het jakobinisme leeft vandaag nog steeds voort in Frankrijk, over de partijgrenzen heen. Men vindt het terug van extreemlinks tot extreemrechts. De bekendste kenmerken zijn de centralisatie van de macht in Parijs en het blokkeren van elke poging tot meer zelfbestuur voor de regio’s, volkeren, talen en culturen die samen de werkelijke diversiteit van de Franse staat vormen.
Ook elders in Europa, en binnen de afzonderlijke Europese staten, draagt elke poging om alles van bovenaf te organiseren, te sturen of op te leggen een jakobijnse erfenis in zich.
Ook de Vlamingen doen er goed aan zich blijvend af te vragen wat het betekent om van onder naar boven te werken in plaats van omgekeerd. Het Zwitserse model blijft in dat opzicht een interessante bron van inspiratie.
13.06.2026
Karl
27.07.2026 - 13:37En het Jacobijns denken in Schotland dan? Voor zover ik me herinner uit de boekjes leefde dat lang voor de Franse Revolutie (ergens begin 17e eeuw, rond 1603), en kwam ten einde met de zogenaamde Clearances (dat moet ergens rond 1768 geweest zijn) in het noorden van Schotland.