TUSSEN DE REGELS
Tussen de regels lezen staat u vrij;
Maar daar niet naar te luisteren staat aan mij.
Wat zwart op wit staat heeft betekenis;
Niet wat vermoeden, gissing, argwaan is.
Nicolaas Beets (1814-1903) was een Nederlandse dichter, schrijver, hoogleraar en predikant. Zijn bekendste werk is ‘Camera Obscura’, een verhalenbundel uit 1839 die hij schreef onder het pseudoniem Hildebrand.
09.12.2024
Op 8 november 1891 wordt Paul Lafargue verkozen tot volksvertegenwoordiger voor de kieskring Rijsel. Lafargue was allerminst een traditionele Frans-Vlaming: hij werd in 1842 geboren in Cuba, in een mulat-joodse familie.
Als onvermoeibaar prediker van het marxisme verdedigde Lafargue overal waar hij kwam de eis van de achturige werkdag. Dat was in een tijd waarin werkdagen van twaalf tot vijftien uur, tegen een hongerloon en in mensonwaardige omstandigheden, de norm waren. Hij pleitte herhaaldelijk voor deze eis in het stadje Fourmies, in Frans Henegouwen, waar talrijke textielbedrijven gevestigd waren.
Op 1 mei 1891 liep een arbeidersbetoging in Fourmies volledig uit de hand. Zo’n 1.500 stakende arbeiders van de fabriek Le Fourneau wilden hun collega’s van La Sans Pareille bij de staking betrekken. Het Franse leger opende meedogenloos het vuur op de weerloze menigte. Het bloedbad eiste tien dodelijke slachtoffers, onder wie twee kinderen, en liet een zestigtal gewonden achter.
In het politieke tumult dat daarop volgde, werd Lafargue aangeklaagd als vermeend mede-instigator van de opstand. Hij werd veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Vanuit de gevangenis werd zijn kandidatuur voor de parlementsverkiezingen in de kieskring Rijsel ingediend. Dat een gevangene werd verkozen tot volksvertegenwoordiger, maakte Lafargue op slag beroemd in heel Frankrijk.
Paul Lafargue had eerder contact gehad met Joseph Proudhon (1809–1865), de theoreticus van het anarchisme en het federalisme, en was ook beïnvloed door de revolutionaire communist Louis-Auguste Blanqui (1805–1881). Nadat hij Parijs moest ontvluchten en zich in Londen vestigde, maakte hij er kennis met Friedrich Engels (1820–1895) en Karl Marx (1818–1883). In 1868 huwde hij met (Jenny) Laura Marx (1845–1911), de tweede dochter van Karl Marx. Via haar werd hij mede-erfgenaam van het persoonlijke fortuin van Friedrich Engels, afkomstig uit een rijke Duitse industriëlenfamilie.
Lafargue publiceerde verschillende werken, maar zijn bekendste is zonder twijfel Het recht op luiheid. De provocerende titel verraadt nog het anarchistische gedachtegoed uit zijn studententijd. Het boek pleit geenszins voor nietsdoen, maar verdedigt de strijd voor de achturige werkdag. Lafargue keert zich tegen het principe “meer werkuren voor meer loon” en pleit daarentegen voor betere arbeidsvoorwaarden en hogere lonen binnen een verkorte arbeidstijd.
Laat men de marxistische dialectiek even buiten beschouwing, dan blijft de essentie overeind: de rechtvaardige strijd voor menselijke werkomstandigheden in een tijd waarin arbeiders nog als slaven werden behandeld.
08.12.2024
Op 21 november 2022 overleed in Waregem onze vriend Gijs van Ryckeghem, een uitmuntende kenner van Frans-Vlaanderen. Jarenlang was hij de reisgezel van Cyriel Moeyaert tijdens hun talloze tochten door de Nederlanden in Frankrijk.
Zijn brede belangstelling was mede het gevolg van zijn opleiding: Gijs studeerde politieke en sociale wetenschappen, wat voor een priester allerminst alledaags was. Daarnaast was hij bijzonder taalvaardig en had hij een grote liefde voor de Nederlandse taal.
Gijs was lid van talrijke Vlaamse en Heel-Nederlandse verenigingen, waaronder de Orde van den Prince, het ANV, het Komitee voor Frans-Vlaanderen, het Davidsfonds, de Michiel de Swaenkring, Euvo en de Andries Stevenkring.
Een familiale noot: als pastoor van de Sint-Janskerk in Poperinge zegende Gijs het huwelijk van mijn broer en schoonzuster, vanzelfsprekend in het Nederlands. Mijn broer was toen lid van de gilde van de kruisboogschutters van Godewaarsvelde. Er bestaan nog prachtige foto’s van de gildeleden die bij het verlaten van de kerk een erehaag vormen.
Gijs was ook de fotograaf van de iconische foto met het opschrift “Défense de parler flamand”, geschilderd op de muur van de speelplaats van de dorpsschool in Berten.
21.11.2024
Op 7 november 1800 (26 Brumaire, jaar IX) werd in Frans-Vlaanderen — en overigens in heel Frankrijk én in de bezette gebieden van de Zuidelijke Nederlanden — een nieuwe wet van kracht die vrouwen verbood een broek te dragen. De Franse revolutionairen doopten dit pareltje van regelgeving plechtig tot de “verordening betreffende de travestie van vrouwen”.
De tekst liet weinig ruimte voor mode-experimenten. Zo bepaalde de verordening dat “elke vrouw die zich als man wil kleden, zich vooraf moet melden bij de prefectuur van politie om daarvoor toelating te verkrijgen.” Met andere woorden: een broek dragen was geen stijlkeuze, maar een politionele aangelegenheid.
De wet hield verbazend lang stand en werd pas een eeuw later afgezwakt — niet door een feministische golf, maar door een technische innovatie: de fiets. In circulaires van 1892 en 1902 werd het vrouwen voortaan toegestaan een broek te dragen, op voorwaarde dat zij het stuur van een fiets of de teugels van een paard in handen hielden. Blijkbaar maakte deftig bewegen alles plots aanvaardbaar.
Aan de overkant van de Atlantische Oceaan was men al even waakzaam: in de Verenigde Staten werd het verbod op vrouwenbroeken pas in 1923 officieel afgeschaft.
07.11.2024
Vandaag, 6 november, is volgens de katholieke kalender de feestdag — en tevens sterfdag — van de heilige Winok (of Winoc), geboren tussen 640 en 650 en overleden op 6 november 716 of 717.
Volgens de christelijke traditie was Winok een Bretoense koningszoon die de heilige Bertijn kwam ondersteunen in het bisdom Terwaan en in diens abdij van Sithiu (het latere Sint-Omaars). Over de taal die Winok en zijn medebroeders spraken, bestaat geen zekerheid. Vast staat wel dat zij het Frankisch moesten beheersen om in de streek te kunnen prediken. Daarbij rijst de vraag of de aanduiding “Bretoen” moet worden begrepen als afkomstig uit Bretagne, dan wel uit Brittannië, en dus van over de Noordzee, waar in die tijd aan de kust eveneens Noordzeegermaanse talen werden gesproken.
Vanuit Sithiu werden monniken — onder wie Winok — uitgezonden om het nog grotendeels heidense Vlaanderen te kerstenen. Later trok Winok zich terug in het klooster van Woromhold, het huidige Wormhout. Na zijn dood in Wormhout werd zijn lichaam overgebracht naar Sint-Winoksbergen, de stad die tot op vandaag zijn naam draagt.
Waarom Winok zich precies naar de kuststreek begaf en op de Groenberg een bidplaats oprichtte die later zou uitgroeien tot de abdij van Sint-Winoksbergen, wordt in de christelijke hagiografie slechts sporadisch vermeld. Volgens de historicus Lodewijk de Baecker werd op deze heuvel door de plaatselijke bevolking een heidense god vereerd, die hij Baal noemt. Al snel denkt men daarbij aan Balder (of Baldr), de Germaanse god van het licht en de lente. De jezuïet Malbrancq sprak in de 16de eeuw echter over de Groenberg als de plaats van een “duivelse cultus” gewijd aan Wotan.
Diezelfde Wotan werd overigens niet ver van Sint-Winoksbergen vereerd, namelijk in Veurne. Op die heidense cultusplaats werd later de Sint-Walburgakerk gebouwd.
Men mag er rustig van uitgaan dat Winok en zijn confraters systematisch de heidense cultusplaatsen in de streek bezochten om de lokale bevolking tot het nieuwe geloof te bekeren. Veel van de eerste kloosters, kerken en kapellen werden immers opgericht op plaatsen waar eerder een heidense eredienst bestond. Dat patroon geldt zowel voor de abdij van Sithiu, het klooster van Wormhout als voor de abdij van Sint-Winoksbergen.
06.11.2024
Op 21 oktober 1650 werd in de havenstad Duinkerke de beroemde kaper en zeeheld Jan Bart geboren. Hij schreef zijn naam zelf als Jan Bart en niet als Jean Bart, zoals blijkt uit zijn handtekening en uit de akte van zijn tweede huwelijk.
Jan Bart stamde uit een befaamd geslacht van kapers, zeehelden en militairen, zowel langs vaders- als langs moederszijde. Zijn moeder, geboren Janssen — een familienaam die vaak voorkomt onder Duinkerkse kapers — was een afstammelinge van Michiel Jacobsen, bijgenaamd de sluwe Duinkerkse zeevos, viceadmiraal van de Zuidelijke Nederlanden in dienst van de Spaanse koning. Tot diezelfde familie behoorde ook Jan Jacobsen, die zich in 1623 tijdens een zeeslag met een Nederlandse vloot met schip en bemanning opblies, liever dan zich over te geven. Moed, gekoppeld aan een grote dosis lef, bleek het handelsmerk van dit geslacht zeehelden.
Jan Bart leefde in een bijzonder woelige periode, waarin de militaire en politieke situatie voortdurend veranderde, soms zelfs van dag tot dag. Zo ontwaakte de jonge Jan Bart — en met hem alle Duinkerkenaars — op één en dezelfde dag als Spaanse Vlaming, zat hij ’s middags aan tafel als Fransman en ging hij ’s avonds slapen als Engelsman. Dat gebeurde op 25 juni 1658, na de Slag bij de Duinen.
Deze grillige context verklaart wellicht waarom Jan Bart zonder problemen eerst kon worden opgeleid bij de Nederlandse zeemacht en later in dienst trad van de Franse kroon. Bovenal beschouwde hij zichzelf echter als een Duinkerkse kaper, die zich aanpaste aan de snel wisselende politieke omstandigheden van zijn tijd en dienst deed voor wie hem de middelen verschafte om uit te varen.
21.10.2024
Op 4 oktober 1880 overleed in het Frans-Vlaamse Eke Winok Bourel (1802-1880), door de Brugse heemkundige Antoon Lowyck ooit betiteld als “de vergeten rederijker en volkse schoonschrijver”.
Officieel heette hij Ignaas, maar hij gebruikte uitsluitend zijn tweede voornaam. Over zijn leven is weinig bekend; wel weten we dat hij handelaar en schilder van beroep was en ongehuwd bleef.
Bourel was de officiële Nederlandstalige dichter van “de Verblijders in het Kruis”, de plaatselijke rederijkerskamer van Eke. Deze kamer, officieel opgericht in 1542, zou volgens sommige bronnen al in de twaalfde eeuw hebben bestaan. De rederijkerskamer van Eke was de laatste nog bestaande in de Westhoek en verdween definitief in 1939, aan de vooravond van Wereldoorlog II.
In 1853 werd Winok vermeld als corresponderend lid van het Comité Flamand de France (CFF), waarschijnlijk vanwege zijn status als rederijker en omdat hij wel eens opdrachten kreeg van het CFF of van leden van de vereniging.
Gedichten van Bourel zijn tot op heden niet teruggevonden. Wel zijn enkele teksten en gelegenheidsverzen bewaard gebleven, geschreven ter gelegenheid van belangrijke momenten in het dorpsleven, zoals geboorten, huwelijken, vieringen en overlijdens. Als huisschilder kon hij zijn teksten bovendien verfraaien met volkse motieven, engeltjes, symbolen van liefde en hoop, bloemenkransen, boeketten en andere versieringen.
Een opmerkelijk werk van hem is een lijst met gelegenheidsverzen en versieringen ter gelegenheid van het 300-jarig jubileum (“driehonderd jaersche jubelfeest”) van de rederijkerskamer van Eke. Franstalige teksten van zijn hand zijn niet teruggevonden, wat wellicht aangeeft dat er in Eke toen weinig vraag naar was.
Het bloed kruipt waar het niet gaan kan: een zijtak van mijn stamboom leidt rechtstreeks naar Winok Bourel. Toch had ik, toen ik begon met Nederlands te studeren, zijn naam nog nooit eerder tegengekomen.
04.10.2024
Op 4 oktober 2022 overleed de Franse journalist en schrijver Paul Sérant op 80-jarige leeftijd in het Normandische Avranches.
Het minste wat men kan zeggen, is dat Sérant een atypisch parcours aflegde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij, nog op jonge leeftijd, lid van het verzet. Na de oorlog begon hij zijn carrière als perscorrespondent voor de BBC, om vervolgens journalist te worden bij de krant L’Aurore.
Zijn interesses gingen aanvankelijk uit naar de esoterische en mythische denkwereld, als aanhanger van zowel Gurdjieff als René Guénon. Over die laatste publiceerde hij in 1953 het boek René Guénon, met als ondertitel een traditionalist in de storm van de moderne wereld. Die omschrijving blijkt achteraf ook opvallend goed te passen bij Sérant zelf, als non-conformistisch essayist en schrijver.
Sérant schreef eveneens voor het tijdschrift Le XXe siècle fédéraliste, waar hij auteurs ontmoette als Thierry Maulnier, Bertrand de Jouvenel en Robert Aron. Als traditionalist ontwikkelde hij een eigenzinnige kijk op het politieke Frankrijk. Dat blijkt onder meer uit Gardez-vous à gauche (1956), en uit zijn kritische benadering van rechts in Où va la Droite ? (1958). Zijn onderwerpen en invalshoeken maakten van hem een intellectueel buitenbeentje, moeilijk in één vakje onder te brengen.
In Le romantisme fasciste (1960) — een titel die misschien niet helemaal gelukkig gekozen is — behandelt hij onder meer de fine fleur van de Franse intellectuele collaboratie, met figuren als Brasillach, Céline, Rebatet en Drieu La Rochelle. Later keerde hij naar dit thema terug, maar vanuit een andere invalshoek, in Les dissidents de l’Action Française (1978).
De Waalse literaire criticus Pol Vandromme (1927-2009) — Vlaams van naam maar allerminst een vriend van de Vlamingen — plaatste Paul Sérant in wat hij La Droite buissonnière noemde. Dat werd tevens de titel van een boek dat Vandromme in 1960 publiceerde. La droite buissonnière: letterlijk vertaald ‘spijbelrechts’.
Het beste bewaarde ik voor het einde. Paul Sérant behoort tot de relatief kleine groep Franse intellectuelen die zinvolle en onderbouwde teksten schreef ten gunste van de minderheden in zijn land. Hij liet zich daarbij inspireren door Simone Weil, de auteur van L’Enracinement (1949).
Zijn boek La France des minorités gold bij verschijnen in 1965 als een bestseller binnen het Franse regionalisme. Het werd fel aangevallen door zowel linkse als rechtse jakobijnen. Een jaar later zette Sérant zijn pleidooi voort met de gepubliceerde lezing Le réveil ethnique des provinces de France, gevolgd door La Bretagne et la France (1971). Stuk voor stuk werken die in de jaren zestig niet ontbraken in de bibliotheek van de doorsnee Franse regionalist of federalist.
Ik besluit met een citaat van Paul Sérant:
“Het echte heidendom, in de oorspronkelijke betekenis van het woord, bevat geen polemiek tegen het geloof. Het is de intieme, geheimzinnige verhouding van de mens tot de grond van zijn voorouders. Het is belangrijk dat wij deze vorm van heidendom koesteren. In de laatste jaren sprak ik met regionalisten van diverse religieuze en politieke obediëntie. Als deze mensen het ernstig menen, zijn zij heidens — al kan het woord hen misschien niet bekoren.”
04.10.2024
Op 30 augustus 1968 overleed Cyriel Rousseeu, Vlaams activist, pionier en initiatiefnemer van Pro Westlandia, een vereniging die zich vanuit Vlaanderen inzette om in Frans-Vlaanderen de Nederlandse taal en cultuur te doen herleven.
Cyriel Rousseeu was voor dit werk uitermate geschikt. Hij werd in 1882 geboren als boerenzoon in Watou, een dorpje aan de schreve, en kende ook de Westhoek in Frankrijk als zijn broekzak.
In 1906 verhuisde Rousseeu naar Antwerpen, waar hij het beroep van tramconducteur uitoefende (lijn 3!). In 1911 richtte hij, samen met August Borms, in de Scheldestad Pro Westlandia op. Aan het project werkten ook andere bekende en minder bekende figuren mee, zoals de Vlaamsgezinde tandheelkundige Hilaire Allaeys, de schrijver Abraham Hans en de Heel-Nederlander Willem van Es.
Het gezelschap trok al reizend van dorp tot dorp — per bus, maar ook met paard en kar — om via zang en voordracht de liefde voor de Nederlandse taal en cultuur over de schreve te wekken. Ondanks tegenwerking werden zeven tochten georganiseerd, ook in het Rijselse gebied. Onze betreurde vriend Ward Corsmit beschreef deze optredens plastisch en met de nodige relativering in het Jaarboek van de vereniging Zannekin (Jaarboek 4, 1982).
De activiteiten van de vereniging kwamen abrupt tot een einde met het begin van Wereldoorlog I in 1914. Frankrijk verkeerde in die jaren in een sfeer van revanchisme na het verlies van de Frans-Duitse oorlog van 1870-71, en ook Frans-Vlaanderen ontsnapte hier niet aan. Daardoor werden de pioniers van Pro Westlandia al snel als een vermeende ‘Duitse’ vijfde kolom gezien. Historicus Michiel Nuyttens toonde echter aan dat de Franse beschuldigingen van pangermanisme en irredentisme aan het adres van Pro Westlandia onterecht waren (in Jaarboek De Franse Nederlanden, 1982).
In de jaren ’40 was Cyriel Rousseeu actief in de Zannekin Werkgemeenschap, die de Frans-Vlaamse beweging vanuit een Heel-Nederlands perspectief financieel en materieel ondersteunde. Deze vereniging hielp onder andere Jean-Marie Gantois bij het geven van een reeks lezingen over de Nederlanden in Frankrijk.
Na Wereldoorlog II dook de naam van Rousseeu opnieuw op, als spreker op de Frans-Vlaamse Cultuurdagen in Waregem. Hij werkte ook mee aan de organisatie van de eerste ‘taal- en letterkundige dag’ in Steenvoorde, maar overleed helaas aan de vooravond van deze bijeenkomst.
30.08.2024
Op 25 juli 1909 vloog voor het eerst een vliegtuig over het Kanaal. Het was de luchtvaartpionier en vliegtuigbouwer Louis Blériot (1872-1936) die de circa 45 kilometer tussen Sangatte (Zandgate) en Dover in 37 minuten overbrugde.
Blériot steeg op in Baraques, een gehucht van Sangatte. In 1936 besloot de gemeenteraad van Sangatte dat Baraques voortaan de naam Blériot-Plage zou dragen. De ‘baraques’ waren in 1624 opgericht om pestlijders in isolatie te huisvesten.
De Londense krant Daily Mail had een prijs van £1000 uitgeloofd voor degene die als eerste over het Kanaal zou vliegen.
Louis Blériot werd geboren in de Franse Nederlanden, in het stadje Kamerijk, op 1 juli 1872.
25.07.2024

Het zijn de vragen die me in midden Vlaanderen regelmatig worden gesteld: is Rijsel nog een Vlaamse stad? Mogen de Rijselaars die al meer dan duizend jaar Picardisch/ Frans spreken, Vlamingen worden genoemd? En is de benaming Rijsels-of Romaans Vlaanderen een contradictio in terminis? Wie ze stelt – meestal een aanhanger van de leuze ‘de taal is gans het volk’ – heeft het antwoord al klaar: neen dus.
De Frans-Vlaamse historicus Eric Vanneuville (°1970) is een andere mening toegedaan. Hij is in Rijsel geboren uit een familie die al eeuwen in de Frans-Vlaamse hoofdstad is gevestigd en weet waarover hij spreekt. In zijn nieuw boek ‘Lille une histoire flamande’ overloopt hij de geschiedenis van Rijsel om ons te overtuigen dat zijn geboortestad nog Vlaams is.
Liederik is de legendarische stichter van Rijsel. Als eerste Vlaamse woudmeester geldt hij als de mythische voorvader van onze Vlaamse graven. In dit gebied, waar de stad Rijseldoor de Vlaamse graaf Boudewijn V werd opgericht, sprak men ooit neder Frankisch. De taalgrens die toen door de Rijselse regio liep zal later naar de Leie opschuiven. De toponymie rond Rijsel, met gemeenten als Loos, Hem of Verlingem, getuigt nog van deze Frankische aanwezigheid. De stad vond snel haar plaats in de top vijf van Vlaamse steden met Gent, Brugge, Ieper en Dowaai. Ze kende haar glorietijd in de tijd van de Bourgondiërs die Rijsel kozen als een van hun hoofdsteden. Hier, in Rijsel, hadden de eerste vergaderingen van het Gulden Vlies plaats en werd het prestigieus banket van de Fazant gehouden …
‘Lille, une histoire flamande’ is geen klassiek geschiedenisboek waarschuwt Vanneufville. Met verhalen, anekdotes en getuigenissen – die wel historisch correct zijn – vertelt de auteur over het verleden en heden van ‘zijn’ stad. Eigenlijk een boek zonder pretentie dat je rustig meeneemt op wandeltocht door de straten van Rijsel. Maar wel een met veel weetjes over mensen en dingen. Je leest over beroemde Rijselaars van Charles De Gaulle en Jeanne Maillote; over de Vlaamse architectuur: belfort, oude beurs, huizen en gebouwen uit de oude stad. Over het boeiend Vlaams kunstpatrimonium dat Rijsel rijk is. Enz.
Rijsel is in allerlei opzichten een boeiende en rijke stad, een Europees kruispunt in een grensgebied waar drie werelden elkaar ontmoeten: de Vlaamse/ Nederlandse, de Angelsaksische en de Romaanse cultuur. Maar de inborst is en blijft Vlaams, aldus Eric Vanneufville. Als historicus citeert hij graag Jean Callens, de vroegere eigenaar van de befaamde Rijselse boekhandel Le Furet du Nord: ‘de grenzen hebben ons gescheiden maar de geschiedenis verenigt ons.’
Alleen de huidige socialistische burgemeester van de stad, Martine Aubry, wil niet meer van een Vlaamse stad weten, betreurt Vaneufville. Tijdens haar beleidsjaren heeft ze alle leeuwenvlaggen die op officiële plaatsen de stad versierden systematisch laten verwijderen. Een breuk met een eeuwenoude traditie: alle grote burgemeesters van de stad, van Roger Salengro tot Pierre Mauroy, hebben met fierheid de Vlaamse leeuw boven Rijsel laten wapperen.
Naast zijn verdienstelijk wetenschappelijk werk over de Saksen en de Friezen rond de Noordzee, en rond de figuur van Karel de Grote, is Eric Vanneufville ook de auteur van lichtere boeken voor het groot publiek. ‘Lille une histoire flamande’ hoort bij deze categorie en verhaalt bevattelijk over heden en verleden van de Frans-Vlaamse hoofdstad. Het boek telt 128 blz. en is mooi geïllustreerd, met vele foto’s. Het verscheen bij Yoran Embanner, Bretoense uitgever gespecialiseerd in publicaties over de geschiedenis en cultuur van vergeten en bedreigde volkeren.
23.07.2024
Eric is niet geboren in 1970, maar in 1950
Hi!
Your website is your digital storefront, make sure it stands out. Our web design services offer custom solutions that blend creativity with functionality. We design websites that captivate visitors and convert them into customers.
Let us create a website that elevates your brand. Talk soon!
Best,
Thank you,
Sylvester Cobb
Hello,
Revitalize your brand with our Web Design rejuvenation. We breathe new life into your online presence, creating websites that are fresh, dynamic, and ready for growth.
*Digital Renewal: Experience a digital renewal with designs that reflect the vitality and energy of your brand.
*Dynamic Transformation: Our Web Design rejuvenation brings about a dynamic transformation for a modern and vibrant online look.
*Growth-Ready: Prepare your brand for growth with a website that aligns seamlessly with your evolving goals.
Ready to rejuvenate? Reply to this message, and let’s breathe new life into your brand’s online presence.
Best,
-Ed Frez | Web Designer
Hello,
Experience the synergy of functionality and style with our seamless Web Design. We specialize in creating websites that not only look good but also function seamlessly, ensuring a delightful user experience.
*Functional Harmony: Achieve a harmonious balance between functionality and style for a website that stands out in the digital realm.
*User-Friendly Elegance: Our Web Design seamlessly integrates user-friendly features with elegant aesthetics.
*Digital Delight: Delight your audience with a website that offers a seamless and enjoyable online journey.
Ready for seamless design? Reply to this message, and let’s craft a website where functionality meets style.
Best,
-Ed Frez
Freelance Web Designer
Op 11 juli 1302 vochten talrijke Zuid-Vlamingen mee in de Vlaamse gelederen tijdens de Guldensporenslag bij Kortrijk. Zij waren afkomstig uit alle uithoeken van dat deel van het oude graafschap Vlaanderen dat vandaag grotendeels in Frankrijk ligt.
Van een aantal van deze strijders zijn de namen tot ons gekomen. De adellijke familienamen uit die tijd verwijzen vaak naar hun herkomst en geven zo een geografisch beeld van de Vlaamse deelname. Onder hen bevonden zich onder meer:
Roger en Thomas van Rijsel; Baldwin, Jan en Diederik van Hondschote; Zeger van Belle; Michiel van Koudekerke; Baudouin d’Auberchicourt; Pierre d’Auchy; Jean de Bondues; Jean de Vimy; Wouter van Broekkerke; Jan van Bazingem; Godfried van Mergem; Willem van Kwaadieper; Jean de Linselles; Valentin en Bouchard van Niepkerke; de heer van Armentiers; Gilbert van Duinkerke; Gautier d’Halluin; de heer van Haverskerke; Baudouin en Guillaume de Mortagne; Simon de Neufville; Alard de Roubaix; Jean de Valenciennes.
Verschillende van deze namen zijn afkomstig uit het zogenaamde Rijsels Vlaanderen, het Romaanse deel van Vlaanderen, met plaatsen als Rijsel, Auberchicourt, Auchy, Bondues en Linselles.
Ook vandaag nog wordt 11 juli door trouwe Vlamingen in Frans-Vlaanderen herdacht als een symbool van gezamenlijke geschiedenis en identiteit.
11.07.2024
Op 23 juni 1305 werd de Vrede van Athis, ook wel het Verdrag van Athis-sur-Orge genoemd, gesloten tussen de graaf van Vlaanderen, Robrecht III van Béthune, en de Franse koning Filips de Schone. Athis-sur-Orge, tegenwoordig Athis-Mons genoemd, is een gemeente nabij Parijs.
Deze onderhandelingen volgden op de Slag bij Pevelenberg (1304), waarvan de uitslag onbeslist bleef. De Vlamingen waren slecht voorbereid op de onderhandelingen en werden bovendien gechanteerd, omdat de graaf van Vlaanderen op dat moment gevangen zat in Frankrijk.
Filips de Schone beloofde zogenaamd een algemene amnestie. Dat zou betekenen dat alle Vlaamse gevangenen vrijgelaten zouden worden, dat Robrecht van Béthune opnieuw graaf van Vlaanderen mocht worden, en dat de privileges van de Vlaamse steden gerespecteerd zouden worden.
Het voorstel bracht echter ook zware straffen met zich mee. Voor de zogenaamde misdaden van de Vlamingen werden hoge boetes opgelegd. Vlaanderen moest een jaarlijkse oorlogsvergoeding betalen, bovenop een eenmalige boete van 400.000 pond. Bovendien moesten de Vlamingen, als de Franse koning het vroeg, Frankrijk bijstaan met 600 gewapende ruiters. Voor de inwoners van Brugge kwam nog een extra straf: als sanctie voor de Brugse Metten zouden 3.000 Bruggelingen verplicht op bedevaart worden gestuurd. Deze laatste twee bepalingen werden echter nooit uitgevoerd, vooral omdat de volgende Franse oorlogen steeds tegen Vlaanderen waren gericht.
Om er zeker van te zijn dat de afspraken zouden worden nageleefd, nam Filips de Schone de steden Rijsel, Dowaai, Orchies en Betun in onderpand bij de Franse kroon. In alle Vlaamse steden werden de vestingen ontmanteld.
Toen alles door Franse juristen was vastgelegd, verbrak de Franse koning zijn belofte van amnestie. De Dampierres bleven opgesloten in de gevangenis van Compiègne. Gwijde van Dampierre, de oude graaf, zou in 1305 in Franse gevangenschap overlijden.
Toen het verdrag in Vlaanderen bekend werd, was de bevolking woedend over de vele vernederingen. Het verdrag van Athis legde de basis voor alle volgende opstanden en conflicten tussen Vlaanderen en Frankrijk.
23.06.2024
Op 17 juni 1944 verklaarde het IJslandse parlement het land onafhankelijk. Tot dat moment stond IJsland onder Deense heerschappij. Vandaag vieren de IJslanders daarom hun nationale feestdag.
Deense premier Vilhelm Buhl (1881-1954) vroeg aan de eerste IJslandse president, Sveinn Björnsson (1881-1952): “Waarom heb je het ons niet gevraagd? Je had het zo gekregen.” Het antwoord van de IJslandse president werd onvergetelijk:
“Onafhankelijkheid vraag je niet, die pak je.”
Aan deze onafhankelijkheid ging een lange voorgeschiedenis vooraf. Al in 1874, duizend jaar na de eerste vestiging door Denen op het eiland, kreeg IJsland van Denemarken zelfbestuur in de vorm van een eigen grondwet. In 1918 werd een verdrag tussen beide landen ondertekend, waardoor IJsland de status van volledig soevereine staat kreeg, verbonden met Denemarken onder dezelfde koning.
“Onafhankelijkheid vraag je niet, die pak je.” Misschien ook een boodschap voor de Vlamingen?
17.06.2024
VIENT DE PARAITRE !

Les secrets d’un culte oublié
Mon nouveau livre vient de paraître. Il sera envoyé la semaine prochaine à tous les souscripteurs.
Au cœur de la Flandre française, à Caestre, se trouve une très ancienne chapelle dont le nom intrigue : la chapelle des Trois Vierges. Autrefois, cette chapelle était le centre d’un culte populaire important. Elle attirait chaque année plus de 20 000 pèlerins lors de l’ommegang.
La légende chrétienne liée à la chapelle de Caestre nous ramène à l’époque païenne, à une nuit des temps où les femmes occupaient des fonctions divines.
Le voyage de l’auteur commence à Caestre, mais nous emmène aussi à travers l’Europe, jusqu’au panthéon indo-européen.
Edition bilingue néerlandais français en un seul volume. 124 pages, format 14x 26 cm avec 23 illustrations.
Le tirage de cet ouvrage est limité et il ne sera pas distribué en librairie. Il est uniquement disponible en exclusivité auprès de l’auteur. Chaque exemplaire sera signé.
Réservez dès aujourd’hui votre exemplaire via ma page Facebook, par mail à widopedia@hotmail.com ou sur mon blog www.widopedia.eu.
Op 25 mei 1871 ontsnapte prins Louis-Napoleon Bonaparte, de latere keizer Napoleon III, uit het fort van Ham. Hij was daar gevangen gezet vanwege zijn betrokkenheid bij een poging om het regime van de Franse koning Lodewijk Filips I omver te werpen.
Voor zijn ontsnapping vermomde Louis-Napoleon zich met de kleren van een metselaar genaamd Badinguet. Tegenstanders zouden later de naam Badinguet als spotnaam gebruiken toen hij aan de macht kwam.
Het fort of kasteel van Ham diende lange tijd als gevangenis, en Louis-Napoleon was de laatste gevangene die er verbleef.
Het fort ligt in een bocht van de Somme, aan het Zommekanaal, en dateert uit de negende eeuw. Het werd in de loop der eeuwen herhaaldelijk versterkt, onder meer in de vijftiende eeuw en, onder leiding van Vauban, in de zeventiende eeuw. In 1917 werd de burcht door de Duitsers grotendeels opgeblazen. Wat ervan overblijft, is vandaag een beschermd monument.
25.05.2024
Op 20 mei 1940 werden eenentwintig mensen uit een nog grotere groep zogenaamde verdachten, die lukraak in België werden gearresteerd en onwettig overgedragen aan de Franse autoriteiten, vermoord in Abbeville.
Deze arrestaties werden in België uitgevoerd in opdracht van auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch en administrateur-generaal voor de veiligheid van de staat Robert de Foy. Historicus Luc Pauwels vermeldt in zijn boek “Joris van Severen. Op leven en dood, letterlijk” dat “Ganshof zich later verdedigt door te verwijzen naar minister van Justitie Paul-Émile Janson, die hem het bevel zou hebben gegeven. En die schuift de hete aardappel door naar premier Hubert Pierlot.” Voor alle andere arrestaties citeert Pauwels Carlos Vlaemynck, die bevestigt dat “de verantwoordelijkheid van de Belgische gezagsdragers in 1940 werd erkend.”
De laffe daad in Abbeville werd gepleegd door dronken Franse soldaten, in paniek door de Duitse bombardementen. Onder de slachtoffers bevonden zich mensen van zeven nationaliteiten: vier Duitsers, één Canadees, één Hongaarse en één Tsjecho-Slowaakse Jood, vier Italianen en twee Nederlanders.
Van de vermoorde personen hadden er acht de Belgische nationaliteit: Louis Caestecker en Lucien Monami (communist); René Wéry (rexist); Maria Geerolf-Ceuterick; Jean Henri De Bruyn en Hector Vanderkelen (gelinkt aan de Abwehr); Jan Ryckoort en Joris van Severen (Verdinaso). Maria Geerolf-Ceuterick was gearresteerd in de plaats van haar Nederlandse schoonzoon.
De bekendste slachtoffers waren Joris van Severen, leider van Verdinaso, en diens rechterhand Jan Ryckoort. Beide werden in Abbeville begraven.
Twee Franse daders werden in 1942 veroordeeld tot de doodstraf: luitenant René Caron en sergeant François Mollet. Een derde, kapitein Marcel Dingeon, waarschijnlijk de hoofdverantwoordelijke, pleegde zelfmoord.
Het bloedbad had nog veel ernstigere proporties kunnen aannemen zonder de kordate tussenkomst van de toevallige Franse luitenant Jean Leclabart, die een einde maakte aan de slachtpartij. Schandalig genoeg is het niet de moedige Leclabart, maar de medeverantwoordelijke Caron die na de oorlog een straat naar zijn naam kreeg in Abbeville.
Nu er in België een Vlaams-nationalist premier is, rijst de vraag of er eindelijk een officieel eerherstel zal komen voor alle slachtoffers van het bloedbad bij de muziekkiosk in Abbeville.
20.05.2024
Op 25 april 1794 dringen Franse revolutionaire troepen het dorpje Stavele binnen. Ze plunderen de plaats en voeren er een wreed schrikbewind langs de IJzer, dat aan tientallen onschuldigen het leven kost. De Franse troepen stonden onder bevel van generaal Jean‑Charles Pichegru, opperbevelhebber van het Armée du Nord.
De boerenzoon Carolus De Rache uit Stavele getuigt:
“Ik klom op een boom. Langs alle kanten zag ik niets anders dan vuur; heel Stavele stond in brand. De kerk, met haar zware eikenhouten gewelven en zolderingen, stond in laaiende vlammen. Het was een prachtig gebouw van middeleeuwse bouwtrant, met een schone beiaard, mooie klokken en allerlei kunstwerken. De ridderlijke geslachten van Stavele, vroeger verwant aan de hoogste adeldom, hadden het rijk begiftigd – niets ervan bleef gespaard! Alle hofsteden langs de IJzer en in de omgeving ondergingen hetzelfde lot. De akelige gloed werd steeds groter. Nu was het de beurt aan de abdij van Eversam en de wijk of landing van Elzendamme. Het was waarlijk een zee van vuur, wel twee uren breed. Die aanblik vervulde het hart van de arme vluchtelingen met radeloze schrik!”
Dit brute geweld liet diepe wonden na in de Westhoek. Dorpen, abdijen en hofsteden werden verwoest, en de herinnering aan die vreselijke dag leeft voort als een triest symbool van het schrikbewind van de Franse revolutionaire troepen.
25.04.2024
De Vlaamsgezinde directeur van het College van Hazebroek, priester Dehaene (1809-1882), stelde ooit de vraag:
“Moeten wij onze voorouders vergeten? Zouden zij niet terecht verbaasd zijn als ze ons zouden zien dansen op hun beenderen bij het bezingen van hun schaamte?”
Deze woorden schreef Dehaene als protest bij het nieuws van de oprichting van het gedenkteken voor de drie veldslagen van Kassel.
Daar moest ik aan denken bij de inauguratie deze week van een tweetalig straatnaambord in Sint-Winoksbergen: “Voetbruggetje van den Zunnekeuning.”
Het is niet omdat dit bord een mengeling is van geschreven folklorevlaamsch en Nederlands, dat het daardoor acceptabel wordt. De Zunnekeuning bracht geen warmte, maar dood en bederf. De kronieken van de zeventiende eeuw vertellen dat de meeste inwoners waren gevlucht; wie bleef, werd ziek of stierf. De hele streek werd geplunderd, afgebrand of verwoest.
Naar de woorden van priester Dehaene: het is de schaamte voorbij om in Sint-Winoksbergen, Pietje XIV – zelfs met maar een voetbruggetje – deze figuur te eren.
De katholieken onder ons zouden kunnen zeggen: vergeef de initiatiefnemers, want ze weten niet wat ze doen. Maar ik ben een pantheïst. Dat bord ontsiert het stedelijk landschap van deze Vlaamse stad en mag wat mij betreft zo snel mogelijk worden verwijderd of overgeschilderd.
04.04.2024
nu beschikbaar!

Het verhaal van Frans-Vlaanderen
Tijdens de bekerwedstrijd voetbal tussen de Franse kampioen Parijs Saint Germain en het kleine Frans-Vlaamse stadje Kassel kleurden 35.000 supporters, getooid met evenveel Vlaamse leeuwen, het stadium volledig geel-zwart. We bevinden ons hier in het noorden van Frankrijk. En toch noemen de inwoners zich Vlamingen. Hoe Vlaams zijn die Frans-Vlamingen? Spreken ze nog de streektaal? Wat kunnen we leren uit de geschiedenis van deze streek? Hoe is de schreve – de staatsgrens – ontstaan? En wat is er gebeurd nadat de regio door Frankijk werd geannexeerd?
Wido Bourel schetst het verhaal van Frans-Vlaanderen door de eeuwen heen. Van de plaats en belang van de regio als rijk deel van het graafschap Vlaanderen, het hertogdom Bourgondië en de Nederlanden, tot het cultureel en economisch verval na de Franse aanhechting.
De auteur heeft het zelf beleefd: de onmogelijkheid om de eigen taal te kunnen leren, de censuur op de eigen cultuur en geschiedenis en de strijd voor het behoud van de Vlaamse/Nederlandse identiteit van de streek. Uit het verhaal van Frans-Vlaanderen, maar ook vanuit zijn eigen beleving, schetst hij enkele interessante uitdagingen voor de toekomst.
Jozef Deleu, gewezen hoofdredacteur van Ons Erfdeel – nu De Lage Landen – schreef ooit dat “Luc Verbeke in de Vlaamse Beweging van de twintigste eeuw thuishoort, in de nobele traditie van Vermeylen, Verriest en Demedts.”. Dit jaar is het 100 jaar geleden, op 24 februari 1924, dat Luc Verbeke werd geboren. Zijn naam blijft voor altijd verbonden met het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV) waarvan hij de sterke bezieler was.

De eerste maal dat ik Luc Verbeke ontmoette was in 1971, in het stadhuis van het Frans-Vlaamse stadje Steenvoorde. Ik volgde daar de eerste leergang Nederlands, een van de vele opleidingen georganiseerd door het KFV. Hij vroeg naar mijn motivatie om Nederlands te leren. Ik antwoordde kordaat: ‘we zijn Vlamingen en ik wil de taal van onze voorouders leren’. Er volgde prompt een uitnodiging op de volgende Frans-Vlaamse cultuurdag in Waregem. En wat ik toen niet kon weten: een netwerk ging voor mij open dat mijn verdere leven zou bepalen.
Luc Verbeke werd geboren in een boerenfamilie in het West-Vlaamse Wakken. Hij werd onderwijzer, vervolgens schooldirecteur en diocesaan inspecteur. Achter de bekwame pedagoog en organisator schuilde een gevoelige dichter. Zijn belangstelling voor poëzie deelde hij met zijn vriend en mentor, de schrijver André Demedts. Samen leidden ze de letterkundige afdeling van het Waregems Kunstverbond. Een beetje per toeval kwamen ze in contact met Frans-Vlaanderen. Luc Verbeke schrijft dat “het KFV niet werd opgericht, het is vanzelf gegroeid”. Dat was in 1946. Twee jaar later organiseerden Verbeke en Demedts een eerste Frans-Vlaamse begroeting dag in aanwezigheid van een vijftiental Frans-Vlamingen.
Deze begroeting dag kreeg een beetje later de naam Frans-Vlaamse cultuurdag. Het groeide geleidelijk aan tot een jaarlijks hoogstaand evenement in aanwezigheid van culturele en politieke vooraanstaanden. Zo evolueerde het KFV tot de draaischrijf voor alle initiatieven om en rond de Nederlanden in Frankrijk. Het lag tegelijk aan de oorsprong van gelijkaardige initiatieven in het Nederlandse Hulst en in het Frans-Vlaamse Ekelsbeke.
De cultuurdag in Waregem liep volgens een strak stramien. Het KFV was georganiseerd in werkgroepen die in de voormiddag vergaderden. Het domein van deze werkgroepen zei veel over de dragende thema’s van die tijd: geschiedenis-heemkunde- volkskunde, taal en media, economie en overheidspersonen, jeugd enz. Tijdens het plenum brachten de verschillende secties verslag van hun werkzaamheden en kwamen sprekers uit de culturele en politieke wereld uit Noord en Zuid aan het woord. Het was ook een slimme zet de Frans-Vlamingen aan het woord te laten, desnoods in gebrekkig Nederlands. Dat gaf de aanwezigen een gevoel van authenticiteit en, voor de jonge Frans-Vlamingen, de bevestiging dat hun engagement belangrijk was.
Wat leefde in en rond het KFV is decennialang gepubliceerd in Mededelingen, het bladje van de vereniging. Deze losse nummers lagen al jaren onaangeroerd en op een stapel in mijn bibliotheek. Tot ik van Lieve Devijver, weduwe van Willy Kuijpers, vijftien jaargangen van het blad cadeau kreeg. Netjes gebonden in drie boekdelen, een cadeau voor Willy, gesigneerd door Luc Verbeke. Na al die jaren ging ik er opnieuw in neuzen, terug in de tijd. Opvallend: alles wat bewoog om en rond de Nederlanden in Frankrijk werd in die Mededelingen vastgelegd. Excursies, bijeenkomsten, lezingen, muziek- en theateroptreden, boekrecensies, artikels uit allerlei publicaties, noem maar op. Een enorme rijkdom in kleine zaken.
Opvallend ook de diversiteit aan personen die in het netwerk van het KFV terechtkwamen. De publicatie is een repertorium van de vele Frans-Vlamingen, verenigingen en groepen die in Frans-Vlaanderen actief waren. Het werk van Luc Verbeke liet ook Noord en Zuid niet onberoerd. Uit de politiek trof je er in de periferie VU-verkozenen Walter Luyten en Willy Kuijpers; maar ook de CVP’ers Leo Vanackere en Rika de Backer; en de socialisten Hendrik Fayat en de Nieuwpoortse burgemeester Georges Mommerency. Uit Nederland had je de grote jurist Herbert P. Schaap, CDA-politicus Andries Postma, taalkundige Piet C. Paardekooper, de publicist Marten Heida, enz.
Nog enkele namen die iets betekenden in het netwerk van het KFV: Erik Defoort, in het begin van zijn carrière bibliothecaris van de bibliotheek de Franse Nederlanden aan de Kulak; Jozef Deleu, hoofdredacteur van het tijdschrift Ons Erfdeel, in de beginjaren voornamelijk gewijd aan Frans-Vlaanderen, Jozef van Overstraeten voorzitter van de Vlaamse Toeristenbond en sponsor van de Vlaamse Beweging.
In 1970 schreef Luc Verbeke ook het boek “Vlaanderen in Frankrijk”. Tot op heden hét standaardwerk voor de geschiedenis van de taalstrijd en de Vlaamse beweging in Frans-Vlaanderen. Het luidde het begin van een decennium in waar het KFV én Frans-Vlaanderen een grote bloei kenden. Dat kwam mede doordat Frankrijk, na mei ’68, definitief loskwam van de naoorlogse sfeer. Ook in Frans-Vlaanderen kregen ideeën rond federalisme, zelfbeschikkingsrecht en Europese gedachte een aanhang.
Een bijzondere melding verdient de initiatieven voor het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Ik durf het gerust het levenswerk noemen van Luc Verbeke en zijn KFV. Verbeke en vrienden kregen gedaan wat vandaag Taalunie en Vlaamse regering samen niet meer kunnen realiseren. Ik heb het over de organisatie van een heel netwerk aan vrije opleidingen Nederlands.
De lessen werden gegeven in vele Frans-Vlaamse gemeenten. Het KFV voorzag niet alleen in de financiering van deze cursussen. Het zorgde tegelijk voor bekwame lesgevers en voor de leerboeken en ander pedagogisch materiaal. Deze opleidingen zouden begin van de jaren 2000 overgaan in de werking van het Huis van Nederlands in Belle dat nog steeds actief is.
Hoe Luc Verbeke, in een tijd zonder computer, zonder internet en zonder IPhone, dit allemaal kon verwezenlijken kan men zich vandaag moeilijk voorstellen. Hij presteerde dit na de dagelijkse werktaak en onbezoldigd.
Een vereniging op deze wijze organiseren is niet meer van deze tijd. Al blijft een hedendaagse invulling een absolute noodzaak. Het kan vandaag digitaal, en steunend op een uitgebreid netwerk in Noord en Zuid, o. m. voor de collecte van noodzakelijke fondsen. Wie in Vlaanderen neemt de fakkel van Luc Verbeke over?
Wido Bourel
19.02.2024
Bonjour et merci.
👍
Mooi eerbetoon aan Luc Verbeke.
Heb destijds meegeholpen aan de opstart van zijn poëzie-blog. Was steeds bereid om.bij te lerende ons te laten delen in zijn rijke historische ervaring.
Dank voor de vriendelijke attentie. Ik herinner nog heel goed de blog van Luc Verbeke. Er stond heel wat interessante informatie op. Ik weet niet wat er met de inhoud is gebeurd. Ik hoop dat het bewaard is
16 februari 1128
In Gent vindt een volksvergadering plaats waarbij de burgers graaf Willem Clito ter verantwoording roepen wegens het schenden van bepaalde van hun rechten. Dit vormt een van de vroege fundamenten van volkssoevereiniteit in West-Europa, bijna een eeuw vóór het beroemde Magna Carta in Engeland. Het discours dat hier wordt gevoerd, is voor die tijd werkelijk revolutionair. Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, waarin de trouw aan de Spaanse koning wordt opgezegd, grijpt terug op ditzelfde principe: het volk heeft het recht zijn heer af te zetten wanneer deze zijn verplichtingen niet nakomt.
De gebeurtenissen in Gent leiden op 22 augustus 1128 tot het Privilegie van Sint-Omaars, ondertekend door negen baronnen, waarin opnieuw het recht van weerstand tegen een meinedige heer wordt bevestigd. Het gezag wordt hierdoor in feite overgedragen aan de stedelijke gemeenschap, wat een belangrijke rol speelt in de verdere ontwikkeling van de steden in West-Europa.
16 februari 1164
De Sint-Julianavloed treft Noord-Nederland en Duitsland en veroorzaakt duizenden slachtoffers.
16 februari 1568
Overlijden in Recklinghausen (Westfalen) van Hendrik, graaf van Brederode, lid van het Eedverbond der Edelen en aanvoerder van de Geuzen.
16 februari 1922
Felix Timmermans, schrijver van onder andere Pallieter en Pieter Bruegel, ontvangt de driejaarlijkse Staatsprijs voor Literatuur.
16 februari 1981
Overlijden in Kusel (Rijnland-Palts) van de Nederlandse filoloog, prehistoricus en musicoloog Herman Wirth (volledige naam: Herman Felix Wirth Roeper Bosch). Wirth (°1885, Utrecht) raakt al vroeg geïnteresseerd in de Duitse jeugdbeweging, de Wandervögel, en sticht later de Dietse Trekvogels. In 1910 promoveert hij met een proefschrift over de ondergang van het Nederlandse volkslied, wat hem in contact brengt met Eugeen van Oye en andere Vlaamsgezinden. Na een periode als docent filologie aan de Universiteit van Bern, verblijft hij in Vlaanderen, waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog het activisme steunt.
Wirth vertegenwoordigt de völkische stroming in de Nederlanden en later in Duitsland tijdens het interbellum. Zijn werk verschuift geleidelijk naar symbolenkunde; hij publiceert verschillende werken over de voorgeschiedenis en symboliek van Noordwest-Europa, met bijzondere aandacht voor het Friese volk. Ondanks deze betrokkenheid wordt hij door de nazi’s afgewezen en in 1938 ontslagen als hoofd van het Deutsches Ahnenerbe, een SS-onderzoeksproject dat hij in 1935 hielp oprichten. Na de Tweede Wereldoorlog verricht hij prehistorisch veldonderzoek in Zweden en publiceert onverdroten verder over symbolenkunde en oerreligie.
16 februari 1997
Overlijden in Cadzand van Lode Claes, politicus en socioloog. Hij wordt in 1968 senator voor Brussel, verlaat de Volksunie na het Egmontpact en sticht in 1977 de Vlaamse Volkspartij. Zijn visie op de Vlaamse en Belgische politiek komt onder andere tot uiting in zijn boeken De afwezige meerderheid (1985) en De afwendbare nederlaag (1986). Tegen het einde van zijn leven ziet hij alleen nog Vlaamse zelfstandigheid als uitweg. Lode Claes wordt beschouwd als een van de zeldzame Vlamingen met een heldere kijk op de rol van Frankrijk achter de schermen van de Belgische macht.
16.02.2024
Lees dit artikel ook in Uitpers: https://www.uitpers.be/frans-en-toch-vlaams/
Als je over de schreve bent dan rijd je Frankrijk binnen, maar de plaatsnamen die je passeert, klinken Vlaams met een lichte Franse vervorming (Kassel-Cassel, Sint-Omaars- Saint-Omer, Bonen-Boulogne-sur-Mer, Dowaai- Douai, enz). Kaaster is zo’n dorpje dat gelegen is op de oude heirbaan die van Belle naar Kassel loopt. Daar is de auteur van dit boek geboren. Hij ging er naar de dorpsschool en kreeg er onderricht niet alleen in het Frans, maar ook over de geschiedenis van Frankrijk, zoals ze door de Fransen werd geschreven dat vanaf de zeventiende eeuw dat oude stuk van het oude graafschap Vlaanderen had veroverd. Een van de eerste daden van de Franse bezetter was, naast de militaire bewaking van het gebied, de juridische zaken en het onderwijs naar zijn hand te zetten. Op de schoolbanken werd geleidelijk aan een andere geschiedenis onderwezen. Leerboeken werden vervangen door andere boeken. De volkstaal werd verboden en vervangen door het Frans. Straffen werden uitgedeeld aan wie op de speelplaats zijn moedertaal sprak. Tijdens zijn schooltijd aan het Lycée des Flandres in Hazebroek liep Wido Bourel rond met een schooltas die was versierd met een gele sticker met een zwarte leeuw. Naast de leeuw stond in grote letters ‘Pays-Bas français’, gevolgd door de historische provincies ‘Flandre-Artois-Hainaut-Picardie’ . Bovengenoemde regio werd in 2016 een superregio met als naam Hauts-de-France. De historische provincies verdwenen van de Franse landkaart.
Wido Bourel is een buitenbeentje die de historische link met zijn geboortestreek nooit heeft losgelaten. In 1974 – hij was toen 19 jaar – verliet hij Frans-Vlaanderen – om in Antwerpen Nederlands te gaan studeren. Een Fransman die Nederlands spreekt: klonk dat niet een beetje vreemd? In de Scheldestad werd hem vaak gevraagd wie hij was en waar hij vandaan kwam. Uit Frans-Vlaanderen, antwoordde hij dan in alle eerlijkheid en dat kwam dan nog eigenaardiger over, maar het is historisch correct, want Vlaanderen en dus ook het huidige Frans-Vlaanderen, behoorde ooit tot de Zeventien Provincies, samen met Henegouwen, Artesië en Picardië. Het is die geschiedenis die Bourel op een voortreffelijk manier in beeld brengt. Heel zijn leven is de man bezig om sporen op te zoeken van zijn Vlaamse verleden en van dat van zijn streekgenoten die in de loop van de voorbij eeuwen verfranst zijn geworden. Wordt er nog Vlaams/Nederlands gesproken in die regio? Dat is intussen een uitstervende taal. De laatste vertegenwoordigers van de generatie die de streektaal van thuis uit echt nog kan spreken zijn zeventig jaar of ouder. De meesten krijgen zelden de kans om een gesprek in het Frans-Vlaams te voeren nadat echtgenoten, partners familie en vrienden komen te overlijden. Er is nog wel een groep die het dialect verstaat. Maar hun kennis van de gesproken taal is beperkt tot flarden van woorden, zinnen of uitdrukkingen. En dat is alles. Wie nog Frans-Vlaams in Frankrijk wil horen, moet zich haasten. Je treft er nog de laatsten der Mohikanen, een handvol in elke Franse gemeente. Het zal geen tien jaar meer duren voor de allerlaatste sprekers zijn verdwenen.
‘Frans en toch Vlaams’ is de uitstekende titel van dit merkwaardige boek dat gelezen kan worden als een stukje biografie van een auteur die ‘Frans en toch Vlaams’ is, maar het is vooral een brede historische schets van een stuk van de Zeventien Provinciën waaruit België, Nederland en Frankrijk zijn ontstaan. Wie over de schreven rijdt en Frankrijk binnenkomt, wordt geconfronteerd met al die Vlaamse dorpsnamen. Een goede raad: neem Wido Bourel mee op je uitstap. Hij zal zeker een uitstekende gids zijn.
14.02.2024
Een opvallende nieuwkomer in Corsica is de metapolitieke denktank Palatinu. De vereniging wordt geleid door de jonge Corsicaanse activist Nicolaiu Battini. Met Palatinu pleit hij voor een reset van het identiteitsvraagstuk in Corsica. Verwacht werd dat Battini een nieuwe politieke partij zou oprichten met Palatinu als springplank. Dat is sinds deze week een feit met Mossa Palatina.

Nicolaiu Battini, 30 jaar oud, heeft een bewogen activistisch verleden in de nationalistische rangen. De man is een gewezen politiek gevangene, veroordeeld voor zijn aandeel in de aanslag op de onder prefectuur van Corte in 2012. Zes jaar gevangenis in de buurt van Parijs gaf hem de tijd om alles op een rij te zetten en om te studeren.
In de rangen van de Corsicaanse nationalisten leerde hij dat kritiek op volkeren en culturen uit de derde wereld uit den boze was. Maar tijdens zijn opsluiting werd hij geconfronteerd met wat hij noemt “de kracht van het Islamisme binnen de moslimcultuur”. Dit overtuigde hem dat het Corsicaans nationalisme dringend het geweer van schouder moet veranderen.
Battini kwam vrij in 2019. Hij stichtte een familie en werkte verder aan een doctoraat Corsicaanse taal en cultuur. In 2021 richtte hij de vereniging Palatinu op. Een jaar later volgde een nieuwe golf nationalistisch geweld op Corsica. Aanleiding was de moord op de nationalist Yvan Colonna, gepleegd door een Islamitisch terrorist in de gevangenis. Het was de spreekwoordelijke druppel. Battini gaf een beetje later zijn ontslag als kaderlid van de autonomistische partij Femu a Corsica. De moord op Colonna deed hem inzien dat er andere prioriteiten waren dan het straatgeweld en de permanente confrontatie.
In Vlaanderen zijn de Corsicaanse partijen en hun eisen voor meer autonomie onbekend terrein. Naast de traditioneel Franse partijen telt men in Corsica twee autonomistische politieke formaties nl. Femu a Corsica, een liberale centrumpartij, en de linkse Partitu di a Nazione Corsa (PNC). Er bestaan ook twee separatistische partijen nl. Core in Fronte en Corsica Libera, beide van extreemlinkse signatuur. Deze extreemlinkse partijen stellen zich graag voor als slachtoffers van het Franse kolonialisme. Hun militanten gaan regelmatig de symbolen van de Franse aanwezigheid te lijf en schuwen het geweld niet.
In een interview in de krant Corse Matin verklaart Nicolaeu Battini dat hij zich niet meer klem laat rijden tussen deze extreemlinkse partijen en de hoeders van het jakobijns verhaal. Hij voegt eraan toe: “we moeten de geschiedenis van Corsica nemen zoals ze is; onze voorouders waren geen slachtoffers maar helden.” En in de richting van de linkse en extreemlinkse nationalisten: “hoe kan het Corsicaans nationalisme rijmen met globalisme?”
Een ziekte knaagt aan het Corsicaans nationalisme, of het nu om de autonomistische dan wel om de separatistische vleugel gaat, vervolgt Battini. Hij voegt er aan toe: “het is de ontsporing naar een louter economisch discours afgestemd op de grote morele canons van de linkse, universalistische Parijse intelligentsia. Elke referentie naar een volk en zijn geschiedenis, naar een identiteit, naar een familiaal en gemeenschappelijk patrimonium is geschrapt.”
De vereniging Palatinu wil als nieuwe denktank hieraan verhelpen. Voor Battini en zijn vrienden moeten de Corsicaanse partijen terug naar de bron. Ze moeten zich opnieuw richten op de identitaire vraagstukken en inspiratie zoeken in de basiswaarden van de Corsicaanse samenleving: de familie, de clan, de dorpsgemeenschappen. En ook: de Corsicaanse taal en cultuur, de geschiedenis, de traditionele normen van het eiland.
Voor Palatinu is de nationalistische beweging richting wokisme en multicultuur ontspoord. Er ontstond een steeds diepere kloof tussen de politieke partijen en de kiezers, maar ook tussen de partijen en hun militanten. Nicolaiu Battini legt de klemtoon op de gevaarlijke sociologische spreidstand op het eiland: ‘Je hebt de ingewortelde mensen van het platteland die vraagstukken als de ongecontroleerde migraties op het eiland als levensbedreigend ervaren. En je hebt de kosmopolitische elites uit de stedelijke centra, dikwijls afkomstig uit gegoede kringen, die elke identitaire lezing als reactionair, al dan niet als fascistisch en racistisch wegduwen’. Palatinu ziet het anders: de normen, waarden en identiteit van een volk gaan vóór op het streven naar materieel comfort en universalisme. Hij schrijft ook: “Een woke boodschap in het Corsicaans geformuleerd blijft woke” .
Battini is erin geslaagd in vele lezingen, debatten, artikels en interviews de discussie rond migratie en de etnisch-culturele dimensie van het Corsicaans nationalisme te heropenen. De jeugd heeft aandacht voor zijn standpunten: in enkele maanden tijd is zijn Palatinu uitgegroeid tot meer dan 700 leden. Dat versterkte Nicolaeu Battini in zijn plan om een nieuwe politieke partij, Mossa Palatina, op te richten.
De partij houdt zijn officieel stichtingscongres in het congrespaleis van Ajaccio op 9 maart. Eerste doel wordt de volgende gemeenteverkiezingen van 2026 met als hoofdbrok de tweede stad van het eiland, Bastia. De linkse nationalisten zijn gewaarschuwd: Battini belooft dat ze het in Bastia zullen horen donderen.
“De nationalistische partijen hebben ons Corsica aan de Corsicanen beloofd, en ook, werk in Corsica en onderwijs in het Corsicaans. In de plaats daarvan werden we de gendertheorie en het inclusief verhaal geserveerd” zegt Nicolaeu Battini.
Er wordt al ijverig aan het programma gewerkt. Opvallend: eerste beginsel is een etnisch-culturele definitie van het Corsicaans volk. Noem het een reset van het identiteitsvraagstuk. De partij wil onder meer een betere sociale huisvesting voor de Corsicanen; en voorrang voor de Corsicanen op het eiland. Maar ook de strijd tegen het wokisme en tegen het geweld worden alvast punten van het programma.
Mossa Palatina belooft veeleisend te zijn op de identitaire én culturele vraagstukken en pragmatisch voor de institutionele kwesties. Het positioneert zich niet als een separatistische, maar als een autonomistische partij, economisch liberaal.
De andere nationalistische partijen zijn gewaarschuwd: de Corsicaanse identiteit is terug van weggeweest en wordt het storend element van de volgende verkiezingen. We zijn benieuwd!
09.02.2024
Lees dit artikel ook op https://www.de-lage-landen.com/article/heimwee-naar-de-heimat-fransman-wido-bourel-op-zoek-naar-zijn-vlaamse-wortels
In Frans en toch Vlaams schetst Wido Bourel het verhaal van zijn geboortestreek, Frans-Vlaanderen. Geregeld neemt hij daarbij het officiële Franse geschiedenisonderwijs op de korrel. De evolutie van het Frans-Vlaams vormt een rode draad in Bourels boek, dat eindigt met een pleidooi voor het heimatgevoel.
Begin 2023 speelde een kleine Frans-Vlaamse voetbalploeg voor de zestiende finale van de Franse beker tegen het grote en schatrijke PSG. Deze match groeide uit tot een feest waarop de Frans-Vlamingen aan heel Frankrijk hun eigen identiteit toonden. Tussen de duizenden supporters stond ook de Frans-Vlaamse publicist Wido Bourel. Voor hem was dit zonder twijfel een hoogdag.

Al een groot deel van zijn leven speurt Fransman Wido Bourel naar zijn Vlaamse wortels. Die heeft hij zelf moeten zoeken, want op school werd hem geleerd dat Frankrijk “un et indivisible” was. Vooral in de lessen geschiedenis was er geen ruimte voor nuancering. Pas op zijn veertiende kreeg de jonge Wido te horen dat zijn streek ooit tot Vlaanderen en de Nederlanden had behoord en groeide bij hem het besef dat wat hem op school werd aangeleerd een zeer eenzijdig verhaal was.
Zijn huidige passie voor geschiedenis is een inhaalbeweging, schrijft hij, en de zoektocht naar zijn wortels een levenstaak. In zijn nieuwste boek Frans en toch Vlaams. Het verhaal van Frans-Vlaanderen schetst hij het verhaal van zijn geboortestreek dat hij zelf op school had willen leren. Voor hem is de officiële Franse geschiedschrijving “op vele vlakken een hemeltergende, grove vervalsing”.
In tien hoofdstukken toont Bourel hoe rijk de geschiedenis van Frans-Vlaanderen is. Hij begint zijn verhaal bij de vroegste prehistorische stammen, waar hij resten vindt van Noordzeegermanen en door Karel de Grote verbannen Saksen. Wie niet goed oplet, waant zich op zeker ogenblik in Tolkiens Midden-aarde. Oromanzakken, Bolgs, Rutheiers en Diabinthen waren blijkbaar volksstammen die in deze gebieden hebben gewoond. Een paragraaf verder duiken zelfs Moerduivels en Boskerels op. Zijn verdere zoektocht naar sporen van de Noordzeegermanen brengt Bourel ook bij Saksen, bij de Broekers van Sint-Omaars en zelfs bij Saracenen. Deze benaming duikt in de buurt van Sint-Omaars wel vaker op. Ze werd blijkbaar gebruikt om ongelovigen aan te duiden, of Franstalige (Waalse) inwoners in de streek.
Wido Bourel toont de grote betekenis aan van deze streek voor de hele Nederlanden
Hoofdstuk na hoofdstuk bespreekt Bourel de rijke geschiedenis van de Franse Nederlanden. Zijn boek leest als een bloemlezing van hoogtepunten uit die geschiedenis en hij toont ook de grote betekenis aan van deze streek voor de hele Nederlanden. Een serie belangrijke figuren, veldslagen en verdragen passeren de revue.
De auteur kan het ook niet nalaten om geregeld het officiële Franse geschiedenisonderwijs op de korrel te nemen. Hij heeft het over een “eeuwenlange brainwashing door de overwinnaar” en geeft zelfs voorbeelden van “geschiedvervalsing”. In Franse geschiedenisboeken wordt bijvoorbeeld het Roelandslied voorgesteld als een Frans epos. Roeland is een Frankische ridder, zegt de auteur, uit de tijd dat er nog geen Fransen waren.
In het negende hoofdstuk ‘Hoop en wanhoop van Frans-Vlaanderen’ heeft Bourel het over het opkomend regionalisme in Noord-Frankrijk. Daarin komt Nicolas Bourgeois uitgebreid aan bod. Deze advocaat uit Hazebroek heeft een grote invloed gehad op de jonge Frans-Vlaming. In 2020 publiceerde Bourel nog een boek over Bourgeois, federalist en overtuigd Europeaan, die tussen de twee wereldoorlogen nauw betrokken was bij het radicale Vlaamsch Verbond van Frankrijk en zijn leider Jean-Marie Gantois. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zette het Verbond zijn activiteiten verder. Gantois koos ervoor om tijdens de oorlog cultureel actief te blijven.

Men kan zich, volgens Bourel, vragen stellen bij bepaalde keuzes van Gantois, maar “de situatie verplichtte hem om dubbel en zelfs tripel spel te spelen met het oog op beterschap voor Frans-Vlaanderen”. Dit is een vrij cryptische zin die op zijn minst wat meer uitleg had verdiend. Na de oorlog werden zowel Gantois als Bourgeois gearresteerd. Bourgeois werd volledig vrijgepleit, maar Gantois werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenschap en werd ook verbannen uit Frans-Vlaanderen. Volgens Bourel slaagden “de Franse jakobijnse inquisiteurs” erin “de Vlaamse beweging in Frankrijk in diskrediet te brengen en af te remmen”.
Je kan je afvragen of Gantois door zijn optreden en publicaties voor en tijdens de oorlog zijn belagers niet zelf alle argumenten heeft verschaft om hem in diskrediet te brengen en samen met hem, voor vele jaren, de Vlaamse beweging in Frans-Vlaanderen.
Uitstervend Frans-Vlaams
De evolutie van het Frans-Vlaams loopt als een rode draad door het verhaal. Veel plaatsnamen en toponiemen getuigen ook vandaag nog van de eeuwenlange aanwezigheid van deze taal. Maar de taalgrens schuift steeds meer naar het noorden op. Bourel toont zich hier dan ook geen optimist: het zal volgens hem geen tien jaar meer duren voor de allerlaatste sprekers zijn verdwenen. Hij stelt vast dat vandaag, tot voldoening van de Franse jakobijnen, de taalgrens en staatsgrens samenvalt. Tot zijn ergernis blijven de Vlaamse en Nederlandse overheid daar zeer onverschillig tegenover.
Wido Bourel: ‘Het is belangrijk dat het Nederlands als streektaal en als taal van de buren wordt erkend’
De auteur pleit ervoor om het Nederlands in Frans-Vlaanderen te promoten. Niet als een vreemde taal, zoals de Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele voortdurend voorstelt, maar als taal die er ooit geschreven en onderwezen werd. “Het is belangrijk dat het Nederlands er als streektaal en als taal van de buren wordt erkend”, schrijft Bourel. Hij pleit er ook voor dat de geschiedenis van de streek onderwezen wordt, want de kennis van de geschiedenis wordt “bepalend als onderscheidende factor van de Vlaams-Nederlandse identiteit aldaar”.

Aan het slot van zijn boek pleit Bourel zeer sterk voor het heimatgevoel. Voor hem is het de kern van alle dingen. Dat gevoel heeft te maken met onthaasting, samenhang, veiligheid en erkenning. Het is een heus programma en hij formuleert dat in een twaalftal punten. Eén daarvan is het stimuleren van grensoverschrijdende contacten, bijvoorbeeld op het gebied van werkgelegenheid, vervoer en dergelijke. Dat regionale besturen aan weerszijden van de grens daar vandaag al grote inspanningen voor doen, gestimuleerd door Europese subsidies, vermeldt Bourel niet. Heimat heeft dan ook meer met emotie te maken, en altijd meer met het verleden dan met het heden.
Frans en toch Vlaams. Het verhaal van Frans-Vlaanderen is geen algemene geschiedenis van Frans-Vlaanderen, maar het boeiende en zeer persoonlijke verhaal van een geëngageerde auteur op zoek naar zijn wortels.
30.01.2024
Beste Wido,
Ik heb uw boek “Frans en toch Vlaams” een maand of twee besteld en ontvangen.
Ik moet u mededelen dat ik het ondertussen voor de tweede keer aan het lezen ben.
Van harte, Jef BENOY uit Antwerpen
Leuk om te lezen. met dank voor de vriendelijke attentie
Wido
Onze belezen vriend, de dichter Hendrik Carette (°Brugge, 1946), vindt zijn Dietse inspiratie van Abbeville tot in Delfzijl. Hier een gedicht van hem als fijne kenner van onze Nederlanden in Frankrijk:
EEN (UTOPISCH?) VADERLAND OM TE BEMINNEN
Waarlijk er was geen grens tusschen
de Ems en de Somme.
H. van Byleveld, Nederland in Frankrijk
Gewoon de historisch verbonden zeventien provinciën samengehouden
als welpen onder de vacht van de Leeuw. Gewoon een drassig moederland
zonder vervelende en vermaledijde vaderen. Een zompige moerasdelta
met aan de golven ontwoekerde landouwen van het Blootland tot het Vriesland,
van de grijze Moordzee tot de groene wijngaarden aan de oever van de Moezel,
van het noordelijk gedeelte der Grietenij tot ver voorbij ’t mystieke Kolenwoud,
van het Waddenland en het land van Kleef tot aan de alsemkleurige mondingen
van de Kwinte en de Somme, au nom de Dieu et les anges dans les cieux.
25.01.2024

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/vlaanderen-gezien-door-een-frans-vlaamse-bril
Hoe kijken de Frans-Vlamingen naar Vlaanderen? Er leven nogal wat misvattingen: een Vlaams charmeoffensief richting Noord-Frankrijk kan wonderen doen.
Onbekend maakt onbemind. Wat weten de Vlamingen over wat leeft in Frans-Vlaanderen? En hoe kijken de Frans-Vlamingen naar Vlaanderen? Tijdens een informele ontmoeting aan de ‘schreve’ legden Vlaamse vertegenwoordigers van cultuur- en overheidsinstellingen en mensen uit het Frans-Vlaamse verenigingsleven de noden bloot. Een openhartig gesprek en suggesties die kunnen helpen bij het formuleren van een volwassen internationaal cultureel beleid in de toekomst.
Voor wie in Vlaanderen nog twijfelde aan het Vlaams gehalte van Frans-Vlaanderen: het aantal Vlaamse leeuwenvlaggen rond het veld bij de bekerwedstrijd Paris-St-Germain – Kassel vorig jaar werd zelfs door de VRT opgemerkt. Maar niet alles is er rozengeur en maneschijn. Een pijnpunt is het onderwijs van het Nederlands dat net zo evolueert als de processie van Echternach. Zo zijn universitaire docenten Nederlands niet vervangen, waardoor Frankrijk op dit ogenblik nul docenten Nederlands telt; er zijn gemeenten die leraarslonen niet tijdig betalen; culturele verenigingen in Vlaanderen en Nederland die passen voor de beloofde subsidies. En, moet het nog gezegd, er zijn de Franse onderwijsinstanties die de kat uit de boom kijken.
Het ordewoord achter de schermen blijft: zo weinig mogelijk ruimte geven aan het Nederlands. In plaats daarvan maakt Frankrijk de keuze om het plaatselijke Vlaamse dialect te ondersteunen. Je moet, in de catacomben van de Nederlandse taal en cultuur dat Frans-Vlaanderen is, niet hopen om te ondernemen noch te slagen om te volharden. Loslaten is Parijs aanmoedigen om onze taal en cultuur in de vergeethoek te duwen.
Kijken de Frans-Vlamingen onze richting uit, dan zien de meesten ‘België’, niet ‘Vlaanderen’. De grote meerderheid komt naar Vlaanderen voor triviale aangelegenheden: eten en drinken, koopjes in de winkelstraat. Een minderheid toont interesse voor toerisme en cultuur. En, niet vergeten, duizenden mensen steken dagelijks de grens over om te werken.
Een minimale kennis van de Vlaamse instellingen en verworvenheden is voor de overgrote meerderheid te hoog gegrepen, ook in Frans-Vlaanderen. Ik wed dat amper één procent van de bevolking zich er iets bij kan voorstellen.
Met de ‘Belgische’ taal bedoelen ze niet het Frans van Wallonië, maar het Nederlands dat ze ‘Vlaams’ noemen
Het loopt al fout bij het begrip dat België meertalig is. De doorsnee Fransman denkt dan dat elke ‘Belg’ drie talen spreekt. Dat elke gemeenschap een taalgebied omvat dringt niet door. Voor wie dat wel weet duikt een volgend obstakel: in Duitsland spreekt men Duits en in Engeland, Engels. België zou, volgens een gemiddeld Frans brein, ‘Belgisch’ moeten spreken. Met de ‘Belgische’ taal bedoelen ze niet het Frans van Wallonië, maar het Nederlands dat ze ‘Vlaams’ noemen. Een minderheid beseft dat het West-Vlaams van Poperinge tot De Panne verwant is aan hun ‘flamand occidental’. Nederlands wordt uitgerangeerd bij de classificatie ‘vreemde taal’.
Ze weten niet meer dat het Nederlands ooit de geschreven taal van de streek was. Niet het Frans-Vlaams dialect dat tot de orale overlevering behoort. Het verhaal gaat nog verder, want zelfs Nederlands als taal van Nederland, blijft ook een moeilijke. Want Nederland dat is voor Frankrijk liefst ‘la Hollande’. Daar in het land van de tulpen spreken ze ‘Hollands’, een andere taal dan het ‘Vlaams’ dat op z’n beurt een andere taal dan het Nederlands is.
Dat komt ervan als je in de Franse school alleen maar leert over de wonderen van de Franse taal, de Franse geschiedenis en de Franse cultuur. In de Franse geschiedenisboeken leren de jonge Frans-Vlamingen niets over Vlaanderen of over de Lage Landen. Tenzij om hen eraan te herinneren dat Vlaanderen altijd een vazal van Frankrijk was. De stukken Vlaanderen die Frankrijk terugwon – nu Frans-Vlaanderen – waren zogezegd Frans eigendom sinds het begin der tijden. De jakobijnse onderwijsmethode is er een met oogkleppen en woke avant-la-lettre.
Met de Vlamingen is voorzichtigheid geboden wegens racistisch, fascistisch en het extreemrechts gevaar
Nog een ander, niet te onderschatten fenomeen: de belangrijkste persgroep in Noord-Frankrijk, met het dagblad La Voix du Nord, is in handen van de Belgische mediagroep Rossel. De Frans-Vlaming leest nieuws over Vlaanderen gezien door de bril van de journalisten van Le Soir & co. Dit beïnvloedt de negatieve perceptie over Vlaanderen in Noord-Frankrijk. Wallonië is democratisch en links. Met de Vlamingen is voorzichtigheid geboden wegens racistisch, fascistisch en het extreemrechts gevaar. Je lacht je een bult, wetende dat bij de laatste Franse presidentsverkiezingen in de Hauts-de-France (HdF) 52,14 procent stemde voor Marine le Pen.
Wat hebben beide regio’s economisch aan elkaar? België is voor de HdF – en omgekeerd – een van de belangrijkste handelspartners. Enkele cijfers: België is het eerste exportland voor HdF. Het vertegenwoordigt meer dan 12 miljard euro en 19,5 procent van de export van de regio. De import van HdF uit België is zwakker en, met 10,5 miljard, goed voor plaats drie. Sprekend zijn ook de gegevens over de grensarbeid: tussen de 35.000 en de 40.000 Fransen komen dagelijks naar België om te werken. Opvallend, maar een derde van deze arbeidskrachten wordt in West- en Oost-Vlaanderen ingezet tegen twee derde in de provincies Namen en Henegouwen. Voornaamste drempel is uiteraard de taal.
Ik hoorde op deze informele bijeenkomst vallen: het onderwijs van het Nederlands in Frankrijk, dat is een Franse aangelegenheid. Vlaanderen kan er niets aan doen. Hoezo? Moet Vlaanderen dan niets doen aan de relatie met de Frans-Vlaamse buur, rekening houdend met de wederzijdse culturele én economische belangen? Heeft onze minister-president al nagedacht over de voordelen die de grensstreek kan bieden voor de werkgelegenheid uit tien maal meer Frans-Vlamingen die Nederlands zouden leren?
Een charmeoffensief van Vlaanderen in de HdF zou de Nederlandse taal en cultuur op de kaart kunnen brengen, zonder Waalse bril.
Zo’n campagne kan duidelijk maken wat onze taal en cultuur wel is; waarom het Frans-Vlaams een van de streektalen van het Nederlands is. En ze kan de erkenning van het Nederlands als ‘taal van de buren’ in de regio HdF bepleiten. Het kan de eis van de Frans-Vlamingen, om het Nederlands als regionale taal te laten erkennen, volwaardig steunen.
Werken aan een beter imago in Frans-Vlaanderen en de euroregio is ook de poort naar een volwassen internationaal cultureel beleid. De culturele akkoorden tussen beide zijn in de komende jaren aan herziening toe. De huidige teksten zijn namelijk, neem me niet kwalijk, een lege doos. Kruiperigheid naar de arrogante Franse buur is de weg naar een doorlopende nederlaag. Een volwassen Vlaams internationaal cultureel beleid moet meer empathie tonen en meer durven om het Vlaamse imago en aanwezigheid op te krikken. Wie die doos vult, heeft mijn stem.
23.01.2024

Lees dit artikel ook op Doorbraak: https://doorbraak.be/armeense-gemeenschap-in-jeruzalem-bedreigd
Eeuwenlang kon de christelijke Armeense gemeenschap zich in Oost-Jeruzalem handhaven. Maar tegenwoordig azen joodse projectontwikkelaars op hun historische gronden en bezittingen.
Zestien eeuwen lang leven er al Armeense Christenen in Jeruzalem. Vandaag zijn er zo’n 2.200. De christelijke Armeniërs zijn genesteld in Oost-Jeruzalem (Palestijns gebied, nvdr.) in de buurt van het Armeense patriarchaat van Jeruzalem. Dat is ook de plaats van de Sint Jacobuskathedraal en het Sint Jacobsklooster. De Armeense, de Joodse en de Islamitische wijk vormen de traditionele buurten in het gebied van de Oude Stad Jeruzalem. De Armeense gemeenschap woont al eeuwen op een strategische doorgang tussen de Joodse wijk en de Westelijke Tempelmuur. Een beetje verder liggen de berg Sion en de christelijke heilige plaatsen. De Armeniërs konden zich hier door de eeuwen heen handhaven door hun cultuur en hun religie trouw te beleven, en ook door uitsluitend binnen hun gemeenschap te trouwen.
Maar vandaag is er sprake van de bouw van een luxehotel in de Armeense wijk. Hoewel het Armeense patriarchaat van Jeruzalem eigenaar is van zijn gebouwen, huurt de gemeenschap ook terreinen in de Oude Stad Jeruzalem. Daar zijn kapers op de kust: een Australisch-Joods projectontwikkelaar die banden heeft met joodse kolonisten, wil deze historische gronden en gebouwen kopen om er een luxehotel te bouwen. De Armeense gemeenschap spreekt over een project van 16.000 m2. Het raakt naar schatting aan 13 % van de oppervlakte van de Armeense wijk en zou het voortbestaan van de gemeenschap bedreigen.
Het conflict escaleert rond een klein gebied, gekend als de ‘Koeientuin’. De naam wijst op een plaats waar in de oudheid vee werd gehouden. Vandaag zijn er zalen die de Armeense gemeenschap gebruikt voor culturele activiteiten. Maar het project bedreigt ook de tuin van de patriarch en huizen van vijf Armeense families.
Om de druk op de Armeense gemeenschap op te drijven wordt intimidatie niet geschuwd. In november jl. doken plots bulldozers op om ongevraagde opruimingswerken te verrichten. Leden van de Armeense Gemeenschap die het gebied bewaken probeerden dit te beletten. Eind december werden ze door gewapende mannen met gevechtshonden aangevallen. Bij die schermutselingen raakten enkele religieuzen en Armeniërs gewond. Ze nemen deze bedreigingen ernstig, en bereiden zich met de hulp van een advocaat voor op een moeilijke juridische strijd.
Volgens het Armeense Patriarchaat van Jeruzalem staat ‘de gemeenschap mogelijk voor de grootste existentiële bedreiging van haar zestiende-eeuwse geschiedenis’. Er is een precedent dat de ongerustheid van de Armeniërs ondersteunt. Twintig jaar geleden verkocht het Grieks Patriarchaat eigendommen aan buitenlandse bedrijven. Die bedrijven bleken later een dekmantel voor Joodse groepen. De Griekse patriarch ging eraan ten onder en de zaak veroorzaakte toen internationale verontwaardiging.
De vraag is wat echt schuilt achter deze immobiliënprojecten. De joodse investeerders wereldwijd die onroerend goed kopen in Oost-Jeruzalem, doen dat niet enkel om zakelijke redenen. Ook religie en politiek spelen een rol. Is voor Israël het moment aangebroken om de religieuze en gemeenschapsevenwichten in dit deel van de Westelijke Jordaanoever te doorbreken? De christenen vertegenwoordigden vroeger 20 procent van de bevolking van Jeruzalem, nu nog twee procent. Worden zij straks uit de Oude Stad Jeruzalem gedreven? Zal de Armeense gemeenschap na zestien eeuwen er verdwijnen?
15.01.2024
Op 12 januari 1584 presenteerde de geniale geograaf Peter Platevoet (1552–1622), beter bekend onder zijn Latijnse naam Petrus Plancius, bij de admiraliteit zijn plan voor een nieuwe zeeweg naar China via de Noordelijke IJszee.
Hij was de eerste die een tabel opstelde van de magnetische kompasafwijkingen en bracht bovendien de zuidelijke sterrenhemel in kaart. In 1602 werd hij benoemd tot cartograaf van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
Plancius werd geboren in Dranouter (zie ook het gedenkmonument bij de kerk), toen nog onderdeel van het Belle-ambacht. Zijn vader was eveneens burger van Belle geweest. In 1585 vluchtte hij naar Amsterdam vanwege dreiging van de inquisitie.
In zijn boek Rond de Kaap: Isaac Lemaire contra de VOC vertelt auteur Tom Dieusaert over de avonturen van een andere Zuid-Nederlander, Isaac Lemaire, afkomstig uit Doornik. Lemaire was aanvankelijk pionier en later tegenstander van de VOC. Hij ontdekte de doorgang tussen de Atlantische en Stille Oceaan via Kaap Hoorn.
Over Plancius schrijft Dieusaert (blz. 64):
“Het is niet duidelijk of Plancius nog in de leer was bij Mercator in Duisburg of dat hij iets dergelijks had gestudeerd.”
Hij voegt hieraan toe:
“Volgens de Frans-Vlaamse schrijver Wido Bourel is de kans groot dat Plancius in zijn jeugd de mathematische school van Westouter heeft bezocht, een school voor landmeters waaruit verschillende geografen zouden voortkomen.”
Notities
12.01.2024