Een van mijn eerste daden telkens ik in ons huisje in de Westhoek aankom? Muziek opzetten! En liefst meteen de eerste LP die ik ooit kocht van Alfred den Ouden (zie foto).
Ik leerde Alfred en zijn muziek kennen in de tijd van de Frans-Vlaanderenvereniging Hekkerschreeuwen. Ook deze LP is in die periode ontstaan.
Alfred den Ouden en Kristien Dehollander waren aanwezig op het eerste, kleinschalige folkgebeuren dat Hekkerschreeuwen organiseerde in het Sint-Sebastiaanshof in Steenvoorde. Kleinschalig… maar de zaal zat bomvol! Ook vriend Leo Camerlynck was erbij, samen met zijn folkgroep De Drogen Haring.
Wat mij toen zo aantrok in Alfreds repertoire, was dat hij als Nederlander de Westhoek omarmde, maar zich zeker niet tot onze streek beperkte. Hij bracht ook Friese dansen zoals Madlot en Gort met stroop. En natuurlijk mijn favoriete zeemanslied, afkomstig van het Friese eiland Terschelling: Zondagmorgen, toen kregen we de loods aan boord.
En uiteraard staan er op deze LP ook enkele klassiekers uit het Frans-Vlaamse repertoire. Alfred brengt ze met een heel eigen klank en stem — en precies dát maakt deze plaat voor mij zo bijzonder.
Nostalgie van de Westhoek? Zeker weten.
Maar tegelijk ook nostalgie naar een veel groter geheel: de Nederlanden rond de Noordzee.
Een LP die hier, in ons huisje in de Westhoek, nog altijd met veel plezier op de draaitafel belandt.
13.08.2026
In mijn archief duiken tussen oude paperassen enkele documenten op van Hekkerschreeuwen, een initiatief voor opbouwwerk en volkscultuur in Frans-Vlaanderen dat ik samen met Jan Pol Sepieter oprichtte.
Al in 1971-1972 smeedden Jan Pol Sepieter en ik plannen. We wilden het Frans-Vlaamse verenigingsleven wakker schudden.
Jan Pol liet zich inspireren door Robert Lafont (La révolution régionaliste) en door Simone Weil (L’Enracinement). Zelf las ik auteurs als Olier Mordrel, Yann Fouéré, Paul Sérant en Guy Héraud. Samen verdiepten we ons in het federalistische denken van Proudhon en Altusius.
We reisden om te leren. We zochten taal- en culturele inspiratie in Friesland, onder meer bij de Friese Academie. We volgden opleidingen over ecologie en over de Waddenzee in de Nederlandse volkshogescholen van Groningen en elders.
Ik bezit nog steeds de ontwerpen en schetsen van enkele basisconcepten die we toen op poten zetten, samen met de zelfklevers die we ontwierpen.
Daarbij hoorde ’t schoon Vlaamsch te klappen. Ook de bescherming van molens en van het Vlaams patrimonium. Construisons flamand — bouwen in Vlaamse stijl. En de strijd tegen de bouw van de kerncentrale van Grevelingen. Toen keerden we ons tegen de gevaren van zo’n mastodont aan de Frans-Vlaamse kust. Intussen beschouw ik de nieuwe generatie kerncentrales als een noodzakelijke oplossing in deze tijd.
De volksmuziek vormde een apart dossier. Dat vertaalde zich vooral in het organiseren van optredens, minder in publicaties. Later zou Jan Pol er wel een volledig boek aan wijden. Een boek, omdat hij zelf geen instrument speelde.
Aan de volksmuziek was ook het concept van Bruine Vlaamse cafés verbonden. Inspiratie vonden we in wat in Dranouter en omgeving al bestond. Daar hoorde ook het ontwerpen van traditionele bierpinten bij.
Zelf hield ik me daarnaast bezig met het dossier volkssporten. Het paste ook helemaal in het concept van de volkscafés. Dat omvatte onder meer de inventaris van de eigen volkssporten, de bescherming van traditionele volksportlocaties, het verzamelen van materiaal, en het ontwerpen en verhuren van een volkssportkoffer in Frans-Vlaanderen. Voor dit project ging ik meermaals te rade bij het team van prof. Roland Renson, van de Vlaamse Volkssportcentrale in Leuven, toen op het hoogtepunt van haar bloei.
Wij waren jong.
En we wilden wat.
02.02.2026
In februari 1975, precies vijftig jaar geleden, maakte ik in deze periode mijn voorbereidingen om naar Antwerpen te vertrekken. Het idee was om één jaar in Antwerpen te verblijven om mijn Nederlands te verbeteren.
De vereniging Hekkerschreeuwen gaf dat jaar een zelfklever uit met de tekst “In den Westhoek wil ik bluv’n”. Maar ik zag het anders: ik zou later meer kans krijgen om te ‘bluv’n’ als ik nu vertrok.
Eenvoudig was dat niet. Thuis vond niemand het een goed idee. Ik had geen inkomsten, moest gaan werken voor mijn kost en de schoolbanken vergeten. Met de voorspraak van de schrijver André Demedts kreeg ik een baan bij de Vlaamse Toeristenbond in Antwerpen. Gelukkig kwam ik in de boekhandel terecht, mijn biotoop.
Mijn verhuizing naar Antwerpen gebeurde met de kever van mijn chauffeur van dienst: Cyriel Moeyaert in hoogsteigen persoon. Mijn bagage bestond uit een rugzak, een tas met 20 kg boeken en een vooroorlogse typemachine. Eenmaal in Antwerpen kreeg Cyriel zijn koffer niet meer open. Vaarwel, mijn antieke Underwood. En ik zat daar met mijn spullen en boeken, een would-be-schrijver zonder gerief; geen student, maar wel op kot, tweehoog en eenzaam alleen.
Maar ik maakte snel kennis met ‘t Stad zonder bruggen, de Sinjoren met hun sympathiek-arrogante klep. Ik schreef terloops artikelen voor de Gazet van Antwerpen, vertaalde allerlei teksten naar het Frans om bij te verdienen. Ik opende een secretariaat van de Michiel de Swaenkring, met mijn kotmadam als secretaresse, maakte kennis met alle Vlaams- en studentikoze kroegen, en met de Vlaamse en Heel-Nederlandse beweging van toen.
Het was maar duizend stappen lopen tot aan de bioscoop, en dus ging ik drie keer naar mijn favoriete film van het jaar 1975 kijken: ‘The Man Who Would Be King’. Een inhaalbeweging voor negentien jaar zonder cinema.
Op de radio zong Reinhard Mey :“Als de dag van toen”. Maar er kwam geen dag van toen. Het werd me in Antwerpen zo druk dat ik geen tijd vond om, na één jaar, huiswaarts te keren. ’T kan verkeren zei Brabo.
10.02.2025
Prima werk.
Dank voor de vriendelijke attentie.
Vriendelijke groet van
Wido