Op 13 september 1896 schreef Guido Gezelle (1830-1899), na een van zijn vele bezoeken aan Frans-Vlaanderen, zijn beroemde gedicht Casselkoeien.
CASSELKOEIEN
Aanschouwt mij, hier en daar,
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zoveel blommen bloeien
in ’t gers en in de zon, die zinkend, henentiet:
die, rood, het rode veld vol rode vonken giet.
’t Is prachtig overal,
’t Is prachtig, hoe de huiden
dier koeien liefgetal
van vouwe en verwen luiden,
’t is prachtig, hoe ze staan, gebeiteld en gesneen,
lijk beelden, over heel die wijde weide heen.
Daar zijnder, rode als vier;
kastanjebruin geboende;
naar donkerbaaide bier,
naar bijkans zwart bier doende;
beglinsterd en beglansd: van vel en verwigheid,
gelijk en ongelijk, terwijl de zonne beidt.
Al langzaam langer speelt,
dwersdeur de weidegronden,
’t zij welker koe een beeld
van schaduw bijgebonden;
en, wangedrochtig groot, in ’t donker gers voortaan,
zie ‘k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.
Goen nacht! De zonne beet
ten neste neer: tot morgen,
is al dat verwe heet,
en ogen aast, verborgen:
de koeien zijn voorbij: gedelgd en uitgedoofd,
en… morgen weer, ontwekt ze ’t blinkend zonnehoofd.
De lezer merkt dat de geschreven taal van Gezelle, toch de grote verdediger van het West-Vlaamse particularisme, opvallend dicht aanleunt bij het Nederlands van zijn tijd. Dat belet hem niet om dit gedicht rijkelijk te kleuren met specifieke West-Vlaamse woorden, uitdrukkingen en klanken.
De Nederlandse hoogleraar en beroemde taalgeleerde Hendrik Kern (1833-1917) stelde volgens Gerard Brom al in 1875 uitdrukkelijk dat Gezelle geen dialect schreef, maar algemeen Nederlands met veel West-Vlaamse woorden.
Ook de Vlaamse politicus, schrijver en letterkundige August Vermeylen (1872-1945) schreef in 1903 in zijn essay ‘Particularisme?’ over Guido Gezelle, maar ook over Stijn Streuvels en Herman Teirlinck:
“Geen van de drie schrijft eigenlijk dialect.”
En ook Karel de Busschere (1912-1998), Vlaamse taalkundige en Gezellekenner, schreef later dat “Gezelle universeel Nederlands van eigen makelij” schrijft. Daarmee concludeerde hij dat Gezelles taal in essentie Nederlands was.
Toch blijf ik me de vraag stellen waarom sommige liefhebbers in Frans-Vlaanderen van het principe ‘eigen streektaal eerst’ niet dezelfde keuze maken als Guido Gezelle voor de geschreven taal. Waarom zich in allerlei kromme bochten wringen voor een archaïsche spelling die nooit werkelijk heeft bestaan en die uiteindelijk vooral een slechte oogst oplevert?
Misschien ligt juist daar een kans. Een keuze voor een natuurlijk en begrijpelijk geschreven Nederlands, naar het voorbeeld van Gezelle, zou het begin kunnen zijn van verzoening en van een nieuwe samenwerking tussen het Frans-Vlaams en het Nederlands.
Over taal, taalkeuzes en taalevolutie in Frans-Vlaanderen lees je meer in mijn boek TAALMOORD. OVER TAAL, IDENTITEIT EN GEMEENSCHAP.
TAALMOORD is nu te koop in de boekhandel. In Frans-Vlaanderen is het boek ook verkrijgbaar bij het Museum van de Slag in Noordpeene.
Wie graag een gesigneerd exemplaar wil ontvangen, kan rechtstreeks bij mij terecht.
13.09.2026