WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Mathilde

Als een wandtapijt even terug naar huis vaart

Het Wandtapijt van Bayeux is sinds september 2026 voor het eerst sinds bijna duizend jaar opnieuw in Engeland te zien. Het bijna zeventig meter lange middeleeuwse borduurwerk wordt tot juli 2027 tentoongesteld in het British Museum in Londen. Technisch gesproken is het overigens geen tapijt, maar een geborduurd linnen doek; toch is de Nederlandse benaming wandtapijt zo ingeburgerd dat we die hier maar beter behouden. Het werk vertelt het verhaal van de gebeurtenissen die uitmondden in de Slag bij Hastings van 1066 en de verovering van Engeland door Willem, hertog van Normandië. Zowel het British Museum als het Franse ministerie van Cultuur omschrijven het dan ook uitdrukkelijk als het verhaal van de Normandische verovering.

Toch is de tentoonstelling in Londen een goede aanleiding om een merkwaardige vraag te stellen: hoe Frans was de wereld die op het Wandtapijt wordt afgebeeld eigenlijk? Aan de vaartuigen die op het wandtapijt zijn afgebeeld alvast niet. Visueel is dit een Vikingenvloot en geen Franse. Het is een aanwijzing dat de Normandiërs nog altijd diep waren geworteld in de scheepsbouw, beeldtaal en maritieme tradities van hun Scandinavische voorouders, en niet in een Franse traditie.

Die vraag is niet alleen taalkundig of historisch interessant. Ze raakt aan de manier waarop middeleeuwse gebeurtenissen later door moderne natiestaten zijn toegeëigend. Want wanneer men spreekt over “de Franse verovering van Engeland” of over “de Franse invloed” die vanaf 1066 het Engels binnendrong, lijkt het alsof Frankrijk als politieke en culturele eenheid in Hastings een beslissende rol speelde.

Dat beeld verdient correctie.

NORMANDIË: FRANS OP PAPIER, ZELFSTANDIG IN DE PRAKTIJK

In 1066 maakte Normandië formeel deel uit van het koninkrijk van de Franken, het Frankrijk van de Capetingische koning. De hertog van Normandië was formeel vazal van de Franse koning.

Maar een middeleeuws hertogdom was geen moderne provincie.

De Normandische hertogen hadden in de praktijk een uitzonderlijk sterke positie. Zij bestuurden hun eigen gebied, beschikten over een machtige eigen adel en militaire organisatie en hadden een stevige greep op kerkelijke en wereldlijke instellingen. De feitelijke invloed van de Franse koning op Normandië was beperkt. Historici hebben dan ook benadrukt dat de Normandische hertog in de elfde eeuw een machtige territoriale vorst was, wiens verhouding tot de Franse koning veel minder eenvoudig was dan het moderne begrip “Franse provincie” suggereert.

Dat is van belang voor 1066.

De invasie van Engeland was dus geen onderneming van de Franse koning. Het was de onderneming van Willem, hertog van Normandië, en van een brede coalitie die hij rond zijn Normandische machtsbasis wist te verzamelen. De Franse koning Filips I organiseerde geen Franse invasie, en het was niet de Franse koning die na Hastings de Engelse kroon verwierf.

WILLEM EN NIEMAND ANDERS WERD KONING VAN ENGELAND

Op Kerstdag 1066 werd hij in Westminster tot koning gekroond. Daarmee ontstond een hoogst merkwaardige situatie. Willem bleef hertog van Normandië en was in die hoedanigheid formeel vazal van de Franse koning. Maar als koning van Engeland was hij een onafhankelijke vorst.

De Franse koning was dus Willems leenheer voor Normandië, terwijl Willem tegelijkertijd koning was van een zelfstandig koninkrijk. Precies die dubbele positie laat zien hoe weinig zin het heeft om Willem en zijn verovering met moderne nationale categorieën eenvoudigweg als “Frans” te bestempelen.

Het is moeilijk om dat in moderne nationale termen “Frans” te noemen. Behalve in Frankrijk natuurlijk.

Ook het dynastieke verhaal past slecht in een eenvoudige Frans-Engelse tegenstelling.

MATHILDE VAN VLAANDEREN

Willem was hertog van Normandië. Zijn vrouw was Mathilde van Vlaanderen, dochter van graaf Boudewijn V van Vlaanderen. Hun huwelijk verbond twee machtige gebieden van Noordwest-Europa. David Bates, een van de belangrijkste moderne biografen van Willem, benadrukt juist het belang van Mathildes Vlaamse afkomst voor Willems positie.

Het leger waarmee Willem naar Engeland trok was bovendien niet simpelweg een “Frans leger”. De contemporaine en bijna-contemporaine bronnen beschrijven een samenstelling uit verschillende delen van Noordwest-Europa. William of Poitiers noemt naast de Normandiërs onder meer Fransen, Bretons en mannen uit Maine en Aquitanië. Er is bovendien goede historische aanwijzing voor Vlaamse en Artesische deelname aan Willems onderneming. Nogmaals: vergeet niet dat de vrouw van Willem, Mathilde, een dochter van de Vlaamse graaf was. Aan het aantal ‘Flemings’ dat voor bewezen dienst grondbezit kreeg in Engeland, moet deze Vlaamse deelname van betekenis zijn geweest.

Het is daarom nauwkeuriger om van een Normandische onderneming te spreken dan van een Franse invasie.

ZELFS DE TAAL WAS NIET EENVOUDIGWEG FRANS

Ook op taalkundig gebied verandert het beeld zodra men nauwkeuriger kijkt.

De Normandiërs van Willem spraken een Noord-Romaanse volkstaal die we Oudnormandisch kunnen noemen. Die taal was geen afsplitsing van het latere standaard-Frans, maar een regionale Romaanse variant die zich in Normandië uit de plaatselijke Romaanse taalomgeving had ontwikkeld. Zij spraken geen Latijn als moedertaal en evenmin het moderne Frans zoals dat later uit het dialect van het Île-de-France zou ontstaan.

Het gaat hier om een bredere ontwikkeling. Uit het Volkslatijn ontstonden in verschillende gebieden regionale Romaanse taalvarianten. Het Normandisch en het Picardisch waren zulke regionale varianten, die zich elk in hun eigen taalgebied ontwikkelden. Zij stonden met elkaar in contact en vertoonden uiteraard gemeenschappelijke kenmerken, maar het is historisch en taalkundig onjuist om het latere Frans als de moeder van deze varianten voor te stellen.

De geschiedenis van die taal is juist buitengewoon interessant.

De eerste Normandische heersers waren afkomstig uit de Scandinavische wereld. Rollo en zijn opvolgers waren voortgekomen uit de Vikingexpansie van de negende en tiende eeuw. Hun oorspronkelijke taal was een Noord-Germaanse, Oudnoordse taal.

Maar de Scandinaviërs vestigden zich in een overwegend Romaanstalige omgeving. In de daaropvolgende generaties namen de Normandische elites geleidelijk aan de plaatselijke Romaanse volkstaal over. Zo ontstond in Normandië een eigen Romaanse taalvariant, waarin ook Scandinavische invloeden herkenbaar bleven.

Dat betekent dat het Normandisch tegelijkertijd het resultaat was van romanisering én van een Scandinavische erfenis. Onderzoekers hebben bovendien aangetoond dat de Scandinavische invloed op de Normandische cultuur en literatuur niet zomaar ophield toen de politieke banden met Scandinavië rond de elfde eeuw zwakker werden.

Het is daarom historisch juister om te zeggen:

Scandinavische kolonisten → romanisering onder Scandinavische invloed → Oudnormandisch → Anglo-Normandisch → invloed op het Engels.

Dat is een veel nauwkeuriger keten dan:

Frankrijk → Frans → Engeland.

“FRANSE INVLOED” OP HET ENGELS MET EEN KORRELTJE ZOUT

Natuurlijk staat het buiten kijf dat de Normandische verovering een enorme invloed op het Engels heeft gehad. Na 1066 werd de taal van de nieuwe heersende elite gebruikt aan het hof, in de aristocratie en in belangrijke bestuurlijke en juridische contexten. De Engelse woordenschat werd daardoor sterk verrijkt met Romaanse woorden.

Woorden als government, justice, parliament, royal, noble, court, prison, army en battle herinneren daar nog dagelijks aan.

Maar ook hier is “Franse invloed” een verkorting.

De eerste belangrijke taal van de nieuwe elite was Normandisch, later in Engeland Anglo-Normandisch genoemd. Anglo-Normandisch ontwikkelde zich in Engeland als een eigen Romaans idioom naast de Romaanse variëteiten die op het continent als Frans werden aangeduid. Het vertoonde eigen kenmerken en ontwikkelde zich onder invloed van de meertalige Engelse omgeving. De moderne taalkunde benadrukt dat men bij de “Franse invloed” op het Engels rekening moet houden met verschillende dialecten en variëteiten, waaronder Normandisch en Anglo-Normandisch. Het Parijse of Centraal-Franse dialect kreeg pas later een bijzonder prestige.

Het is dus niet verkeerd om te zeggen dat het Engels na 1066 veel “Franse” woorden kreeg, zolang men beseft dat “Frans” hier een brede historische en taalkundige verzamelnaam is. Het gaat daarbij niet om één uniforme taal die vanuit Parijs naar Engeland werd gebracht, maar om een geheel van verwante Romaanse variëteiten, waaronder het Normandisch en het Anglo-Normandisch. Het was niet de taal van de Franse koning die door een Franse verovering naar Engeland werd gebracht.

Het was in de eerste plaats de taal van de Normandische veroveraars.

DE VERGETEN GERMAANSE WERELD LANGS DE NOORDZEE

Daarmee komen we bij een aspect dat de moderne Franse nationale voorstelling nog dubieuzer maakt.

De huidige Frans-Nederlandse taalgrens bestond in deze vorm niet in de vroege middeleeuwen. Langs de Noordzeekust bestond een brede Germaanse wereld waarin verschillende kustdialecten met elkaar verbonden waren. Taalkundigen spreken onder meer over Noordzee-Germaans of Ingweoons, een geheel van kenmerken dat zichtbaar is in Oudengels, Oudfries, Oudsaksisch en bepaalde oude kustvariëteiten van het Nederlandse taalgebied. Het ging daarbij niet om één uniforme taal, maar om een netwerk van verwante dialecten en gedeelde innovaties rond de Noordzee.

Die wereld hield niet op bij de huidige Frans-Belgische grens.

Historisch en toponymisch onderzoek wijst erop dat het Germaanse taalgebied in het noordwesten van het huidige Frankrijk veel verder naar het zuiden reikte. In verschillende reconstructies loopt de vroegmiddeleeuwse Germaans-Romaanse taalgrens in het uiterste westen ongeveer vanaf de monding van de Kwinte/Canche richting Rijsel. Andere onderzoekers benadrukken dat het om een brede overgangszone ging die tot aan de Somme liep en niet om een messcherpe lijn.

Dat is van groot belang voor gebieden als Bonen (Boulogne), Kales (Calais) en Vlaams Artesië (tot Sint-Omaars).

Bonen was nog in de twaalfde eeuw nog Diets. Het platteland ten noorden van de stad vertoonde zelfs aan het einde van de dertiende eeuw een uitgesproken Nederlandse toponymie. In Kales was het gesproken dialect in de dertiende eeuw volgens taalkundig onderzoek onmiskenbaar Vlaams en nauw verwant met het West-Vlaams. Nederlandse elementen bleven daar nog eeuwenlang aanwezig.

Ook Saksische vestigingen langs de Noord-Franse kust spelen hierin een rol. Archeologisch en historisch onderzoek heeft Saksische groepen aangetoond langs de kust van Noord-Gallië, onder meer rond Bonen, de Sommebaai, de benedenloop van de Seine en de vlakte van Caen. De kust van het Kanaal vormde in de vroege middeleeuwen dus een veel hechtere Germaanse contactwereld dan onze moderne taalgrens doet vermoeden.

TOT AAN DE SOMME — OF NOG VERDER?

Het is taalkundig verdedigbaar dat de Germaanse invloed ten zuiden van de huidige taalgrens veel verder reikte, met de Canche als belangrijke geografische referentie in verschillende reconstructies. Ten zuiden daarvan vinden we Germaanse plaatsnamen en sporen van Saksische aanwezigheid, maar dat bewijst niet automatisch dat de hele bevolking in de elfde eeuw nog een Germaanse volkstaal sprak. Wel dat er Germaanse taaleilanden bestonden in de overgangszone.

Hetzelfde geldt voor Normandië. Ook daar bestaan duidelijke sporen van vroegere Germaanse en Saksische aanwezigheid, naast de latere Scandinavische kolonisatie. Onderzoek naar de Normandische toponymie toont verschillende lagen van Germaans, Saksisch en Scandinavisch taalcontact. Maar tegen de tijd van Willem was de gesproken taal van de Normandische elite Romaans geworden. Maar zeg niet zomaar Frans tegen dat Normandisch-Romaans.

Ik herhaal: kijk nog eens naar die drakars op het wandtapijt en zeg me of je daar Fransen ziet. Waarom zou dat met taal en cultuur anders zijn? Met de Romaanse en de Germaanse/Dietse talen die de elite van de coalitie spraken was er voldoende taalkennis aanwezig om elkaar te verstaan, richting de vijand te varen en hem in Hastings te verslaan.

De Engelsen schuiven met honderdduizenden deze dagen in Londen aan om het wandtapijt van Bayeux te zien. Gelijk hebben ze, want het is ook ‘hun’ wandtapijt, want steeds meer onderzoek wijst erop dat het werk in Engeland werd vervaardigd, mogelijk door Engelse borduursters in Canterbury, naar ontwerp of in opdracht van een Normandische opdrachtgever.

En het echte verhaal van deze geschiedenis, waarin het Normandische en het Engelse — en niet eenvoudigweg het latere Franse — verhaal centraal staan, dient opnieuw te worden geschreven.

Gepubliceerd

10.09.2026

Kernwoorden
Reacties