Nog maar de eerste dag rond de 30°C, en daar waren ze weer: de klimaatpredikers en politieke ecologen, als muggen bij valavond. Volgens de weerman was het meteen een wereldrecord, de warmste dag sinds het begin der metingen, en bovendien dreigde er verdrinkingsgevaar voor kinderen die in rivieren en kanalen gingen zwemmen. De weerkaarten kleurden rood tot donkerrood. Ik meende zelfs bruine tot donkerbruine kaarten te zien: donkerbruin voor gebieden waar alles zou verbranden, en de rest was blijkbaar op weg naar woestijnvorming.
Ik geef toe: ik kan niet goed tegen warmte. Maar van die uitleg alleen al begin ik te zweten. Zeker wanneer beroepsmatige onheilsprofeten deze week suggereren dat meer mensen met een zwakke gezondheid zullen sterven. Dat klopt natuurlijk, maar het is niet meer dan een vaststelling bij hoge temperaturen. Zonder die experten zouden we blijkbaar niet weten dat we meer moeten drinken, fysiek rustig moeten blijven, de schaduw moeten opzoeken en best geen bontmuts dragen.
Niemand ontkent dat er doorheen de geschiedenis klimaatcycli en verschuivingen zijn geweest. Mijn dagklapper staat vol historische stormen en tornado’s, verdronken polderlandschappen en verlaten dorpen aan de Noordzeekust. En men hoeft maar naar de schilderijen van Bruegel te kijken om te zien hoe een koude periode er in de 16de eeuw uitzag.
Door de eeuwen heen zijn er meer dan genoeg sporen van klimaatveranderingen en extremen terug te vinden om te besluiten dat de mens – laat staan enkel de blanke mens – niet de enige factor kan zijn in het huidige klimaatverhaal. Dat betekent niet dat de mens geen invloed heeft, maar wel dat enige historische redelijkheid op haar plaats is.
Eind vorige eeuw stonden de kranten wekenlang vol over het ‘gat in de ozonlaag’. De toon was vaak even apocalyptisch als vandaag. Er werd gesproken over verboden, drastische maatregelen en de dreiging van een steeds groter wordend gat. Wat mij vooral is bijgebleven, is hoe weinig nuance er toen was. Achteraf bleek dat er grote onzekerheden bestonden over de omvang en de evolutie van het probleem, terwijl die in het publieke debat nauwelijks aan bod kwamen. De les die ik daaruit trok, is niet dat milieuproblemen niet bestaan, maar wel dat absolute zekerheden en rampscenario’s soms sneller worden verspreid dan de feiten zelf. Ter zake trouwens, want ik ben oprecht benieuwd: waar is dat gat in de ozonlaag eigenlijk gebleven? Ik hoor er de laatste jaren merkwaardig weinig over.
Wie zich mijn jeugdjaren met Hekkerschreeuwen en andere activiteiten herinnert, weet dat ik altijd open heb gestaan voor milieuthema’s, zolang ze niet worden gekaapt door doorgedraaide kosmopolitische ecologen. Respect voor de natuur vindt voor mij zijn voedingsbodem in tradities, culturen, landschappen en volkeren die ergens geworteld zijn. Ik heb nooit goed begrepen waarom de zogenaamd groene medemens de mond vol heeft van biodiversiteit bij planten en dieren, maar tegelijk vindt dat alle mensen dezelfde moeten worden, behalve wanneer het over exotische volkeren en identiteiten gaat.
Het klimaatverhaal en de politieke ecologie zijn voor velen uitgegroeid tot een seculiere godsdienst. Een overtuiging die de apocalyptische angst voor het einde van de wereld gebruikt – en soms misbruikt – om mensen beter te sturen, te controleren en in de pas te laten lopen.
23.06.2026