WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor 2025

Voor een nieuwe culturele strategie – Met of zonder Vlaamse centen

De voorbije dagen schaam ik mij diep voor het cultuurbeleid van de huidige Vlaamse regering — en voor de N-VA in het bijzonder.

Professor Jan Demolin, bekend voor zijn marxistische sympathieën, vatte het in De Standaard (14 november 2025) perfect samen:

“Met die kortzichtigheid ondergraaft Vlaanderen niet alleen zijn taal-, cultuur- en wetenschapsbeleid, maar ook een deel van de intellectuele infrastructuur waarop dat beleid generaties lang steunde. Voor het grote publiek zijn ze misschien onbekend of stoffig, maar academies voor taal, kunst en wetenschap gaat terug tot de 17de eeuw, toen Europa kennis en cultuur begon te organiseren in instellingen als de Académie française en de Royal Society.”

Samen uit, samen thuis

De N-VA en co schuiven intussen de verantwoordelijkheid voor de recente “dronesaanvallen” op cultuursubsidies door naar coalitiepartner en minister Caroline Gennez. “Samen uit, samen thuis” lijkt geen leidraad voor deze regering.

Opmerkelijk is hoe de voormalige kameraden van de Vlaamse Volksbeweging — Jan Jambon, Matthias Diependaele en Peter De Roover — nu frontaal uithalen naar organisaties uit dezelfde historische achterban. De financiële vendetta die ze onderschrijven tegen de eigen oude Vlaamse familie zegt veel over de soms zielige arrogantie van politieke arrivisten.

Pieter Bauwens, hoofdredacteur van Doorbraak en uitgesproken conservatief, ziet vooral “linkse cultuurstrijd”. Volgens hem is “de experten commissie” — nota bene opgericht door toenmalig minister-president Jan Jambon — het probleem. Jambon zou, aldus Bauwens, “alle beslissingsmacht uit handen hebben gegeven” en zo “het perfecte recept voor een succesvolle linkse cultuurstrijd tegen al wat Vlaams is” hebben gecreëerd.

De conclusie luidt: de N-VA was slechts naïef, de schuld ligt bij links. Zo valt Bauwens zachtjes terug op zijn pootjes en spaart hij een deel van zijn lezerspubliek.

Een elite zonder cultuurcompas

De waarheid is dat de Vlaamse partijen én de Vlaamse elite — in alle kleuren en schakeringen — aan hetzelfde euvel lijden. Ze zijn vergeten dat de Vlaamse beweging in de 19de eeuw een culturele emancipatiebeweging was.
Die culturele wortels zijn intussen verwaarloosd. Macht draait vandaag rond economie, geldstromen en de bijbehorende vriendjespolitiek. Het zegt genoeg dat de N-VA cultuur in twee opeenvolgende regeringen herleidde tot bijzaak: in de vorige legislatuur maakte Jambon van cultuur een nevenpost onder zijn functie als minister-president; in de huidige regering is de bevoegdheid simpelweg uit handen gegeven en mag “sosse Caroline” het oplossen.

Een les van Gramsci

Tussen vendetta’s en onbekwaamheid is het makkelijk om naar “linkse schuldigen” te wijzen. Misschien kan de N-VA er baat bij hebben professor Jan Demolin, als volleerd marxist, uit te nodigen voor een spoedcursus over de Italiaanse denker Antonio Gramsci.

Gramsci beschreef hoe politieke macht pas kan worden veroverd als eerst de culturele macht wordt gewonnen. Zijn bekende inzicht blijft vandaag relevant:

“De strijd om culturele hegemonie gaat vooraf aan en bereidt de verovering van de staatsmacht voor.”
Wie de publieke opinie in Vlaanderen wil herwinnen, moet dus beginnen bij cultuur.

Daarom pleit ik voor een nieuwe culturele strategie — met of zonder Vlaamse centen — maar wel in de geest van Antonio Gramsci.

Gepubliceerd

16.11.2025

Kernwoorden
Reacties

Lette ouverte à l’association ‘Pour que vivent nos langues’

Votre collectif « Pour que vivent nos langues » (PQVNL) s’est réuni récemment à Bayonne pour se transformer en association ayant pour but la défense des langues minoritaires sur le territoire français. On ne peut que s’en féliciter.

Cependant, il est problématique qu’une nouvelle association prenne d’emblée un parti pris dans le débat linguistique de la Flandre, en rejetant la pluralité de sa représentation.

Deux associations flamandes qui défendent le néerlandais standard en plus du dialecte flamand se sont vues refuser l’audition des débats. Il s’agit des associations Euvo et Cercle Andries Steven / Andries Stevenkring.

Que la Flandre soit représentée par la seule association ANVT est révélateur de ce parti pris. Cette association est l’exact contraire de la pluralité linguistique flamande. Elle se limite au seul dialecte flamand occidental, en excluant le néerlandais, sa forme standard.

Quelques chiffres

Les chiffres parlant mieux qu’un long discours, je précise que l’ANVT représente – et on ne peut que s’en réjouir – un millier d’élèves des cours d’initiation au dialecte flamand occidental.

Les associations qui défendent le néerlandais standard en plus de ses variantes dialectales, sont les porte-paroles de 15 000 et 20 000 élèves apprenant le néerlandais, tous niveaux confondus. Il n’est pas difficile de conclure lequel des deux blocs est le plus représentatif de l’avenir linguistique de la Flandre en France.

Vous pouvez et devez donc faire mieux en assurant la représentativité de ces deux blocs au sein de votre association, afin de conforter la totalité des enjeux linguistiques en Flandre.

On peut également se poser la question de savoir comment, dans un contexte démocratique, il est possible de justifier le rejet d’associations flamandes sans même les entendre et sur la base des dires d’une seule personne, qui pratique le sectarisme et l’exclusion. PQVNL prend ainsi position dans un débat qui ressort du seul peuple flamand, et qui ne trouvera pas de solution tant que le néerlandais n’occupe pas la place qui lui revient.

Allemand et néerlandais: même statut

Cette exclusion est non seulement une atteinte à la pluralité de nos choix linguistiques, mais place également PQVNL en parfaite contradiction avec le positionnement de la représentation alsacienne, qui travaille, elle, à la promotion de l’allemand standard et de ses variantes dialectales sur le territoire alsacien.

Ce positionnement de nos amis alsaciens est un positionnement de bon sens dans un contexte européen. Il est exactement celui que les associations rejetées représentent en ajoutant le néerlandais standard à sa variante dialectale. Il suffit, par exemple, d’observer les travaux de l’association Euvo en faveur de l’affichage bilingue en Flandre pour s’en convaincre : des milliers de panneaux bilingues ont été posés par cette association, en néerlandais standard ou dans une variante dialectale flamande, dans le respect du choix des intéressés.

Comme en Alsace, le bilinguisme est un atout majeur pour le territoire de Flandre en France : une opportunité historique pour renforcer sa singularité, affirmer son identité et intensifier les contacts culturels, économiques et sociaux avec ses voisins flamands belges et néerlandais dans un cadre européen.

Ce bilinguisme passe par la reconnaissance officielle, logique et de bon sens, non seulement du flamand dialectal, mais aussi du néerlandais standard. Si tous les citoyens de ce pays sont égaux devant la loi, alors la Flandre a droit au même statut linguistique que nos amis alsaciens.

Le néerlandais langue régionale

Dans ce cadre, nos associations revendiquent également la reconnaissance, par les élus et les organismes officiels de la région des Hauts-de-France, du néerlandais standard comme langue régionale, en plus du flamand occidental et du picard. Ceci implique également une représentation de la langue néerlandaise au sein de l’Office Public en cours de création.

À l’image de Tijl l’Espiègle, notre langue est porteuse de notre identité, mais aussi de liberté et de dialogue. Elle n’est le monopole de personne. Nous invitons le PQVNL à revoir sa position et à élargir ses rangs en donnant une place représentative à toutes les composantes de la langue des Flamands.

Wido Bourel

Flamand de France

  • Auteur bilingue.
  • Membre des associations flamandes Euvo, Michiel de Swaenkring et Andries Stevenkring
  • Membre de l’Académie néerlandaise des Lettres (Pays-Bas)
  • Auteur du livre bilingue Olla Vogala, petite histoire de la langue des Flamands en France et ailleurs (éditions bretonnes Yoran Embanner)
Gepubliceerd

01.11.2025

Kernwoorden
Reacties

De Duitse schilder en illustrator Ludwig Richter

Op 28 september 1803 werd in Dresden Adrian Ludwig Richter geboren, de schilder, tekenaar en illustrator die zou uitgroeien tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Duitse Romantiek en het Biedermeier. Hij kwam uit een kunstenaarsfamilie: zijn vader, Karl August Richter, was graveur en kopergraficus en gaf hem zijn eerste opleiding.


Na zijn jeugd in Dresden trad Ludwig als jonge tekenaar in dienst van een Russische prins en reisde hij door Frankrijk. Enkele jaren later verbleef hij in Italië, waar hij onder de indruk raakte van de natuur en de ideeën van de Nazareners. Deze ervaringen bepaalden blijvend zijn kunstzinnige blik: landschappen en volksleven smolten in zijn tekeningen en schilderijen samen tot een ideaalbeeld van harmonie tussen mens en natuur.


In 1828 werd Richter tekenleraar aan de Porseleinmanufaktur in Meißen en vanaf 1836 was hij verbonden aan de Kunstacademie in Dresden. In 1841 werd hij daar benoemd tot professor. Gedurende decennia beïnvloedde hij een hele generatie kunstenaars en bleef hij zijn visie op kunst onderwijzen, totdat hij in de jaren 1870 door oogproblemen zijn werk moest neerleggen.


Richter werd vooral beroemd door zijn illustraties. Hij ontwierp honderden houtsneden voor sprookjes van de gebroeders Grimm, volksverhalen en gedichten. Zijn herkenbare stijl — helder, poëtisch en vol liefde voor detail — maakte zijn werk toegankelijk voor een breed publiek. Hij wist het alledaagse en het landelijke leven te verheffen tot iets tijdloos en romantisch. Werken als Brautzug im Frühling en Überfahrt am Schreckenstein tonen hoe hij de menselijke figuur en het landschap in een ontroerende eenheid wist samen te brengen.


Op 19 juni 1884 overleed Ludwig Richter in Loschwitz, bij Dresden. Hij liet een omvangrijk oeuvre na dat niet alleen getuigt van groot meesterschap in tekenen en illustreren, maar ook van een warme verbondenheid met de natuur en het Duitse volksleven.

Gepubliceerd

28.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Willem de Veroveraar klaar om Engeland te veroveren

Op 27 september 1066 verlaat Willem, hertog van Normandië en later bekend als Willem de Veroveraar, het kustplaatsje Saint-Valery-sur-Somme. Daar heeft hij wekenlang gewacht op gunstige winden en een indrukwekkende vloot verzameld: meer dan 700 schepen, volgeladen met soldaten, Vlaamse en Artesische ridders en ervaren boogschutters.


Het beroemde Tapijt van Bayeux, dat de gebeurtenissen in beeld brengt als een soort middeleeuws stripverhaal, toont deze vloot in al haar pracht. Dit uitzonderlijke kunstwerk geldt nog altijd als een onovertroffen tijdsdocument.


Na een overtocht over het Kanaal landt Willem met zijn leger bij Pevensey, in de buurt van Hastings. Zijn doel is duidelijk: hij wil de Engelse troon opeisen, waarop hij meent recht te hebben. Ondertussen is de Engelse koning Harold II al verzwakt. Slechts enkele dagen eerder heeft hij met zijn troepen een zware strijd geleverd bij Stamford Bridge, waar hij het Noorse leger van Harald Hardrada versloeg.


Op 14 oktober 1066 komt het tot een beslissende confrontatie bij Battle, vlak bij Hastings. Na een felle strijd sneuvelt koning Harold II, volgens sommige bronnen door een pijl in het oog. Willem behaalt de overwinning en schrijft geschiedenis. Op 25 december van datzelfde jaar wordt hij in Westminster Abbey gekroond tot koning van Engeland. Daarmee begint een nieuw tijdperk dat de Engelse samenleving blijvend zal veranderen.

Gepubliceerd

27.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Het gelijk van de hoogleraar en het ongelijk van de autodidact

Over het boek “Verboden Vlaams te spreken” van Jan Pekelder

Op de webstek De Lage Landen mocht professor Jan Pekelder de stellingen uit zijn boek Verboden Vlaams te spreken samenvatten. Een kans voor verdieping – en tegelijk de gelegenheid om te zien hoe status soms slordigheid camoufleert. Want wie hoog op de ladder staat, mag zich kennelijk foutjes veroorloven die een autodidact nooit vergeven zou worden.

Een paar kanttekeningen, Jan:

  • Duinkerke, Belle en Hazebroek: dat zijn de officiële namen volgens de Taalunie. Een hoogleraar taalkunde zou dat toch moeiteloos paraat moeten hebben? Of was het een slordigheid van de uitgever?)Klein geheugensteuntje bij Duinkerke(n): in den beginne was er maar één kerk in dat kapersgat.
  • Over het Picardisch in de steden: als de burgerij Picardisch sprak, wat sprak het volk dan? Of laten we die liever buiten beschouwing?
  • De ordonnantie van Villers-Cotterêts (1539): die haal je terecht aan, maar toen hoorden de Franse Nederlanden nog niet eens bij Frankrijk. Ik weet het: een taalkundige is geen historicus. Maar toch.
  • De cijfers over 50.000 à 60.000 streektaalsprekers: die stammen niet van het begin, maar van het eind van de 20ste eeuw. Een detail – maar detailkritiek is toch juist de kern van ons vak, Jan?
  • Niet alle Vlaamssprekende Frans-Vlamingen woonden in het ‘departement du Nord’. Cyriel Moeyaert heeft daar meermaals op gewezen in Ons Erfdeel (inmiddels De Lage Landen). Gratis leestip.
  • ‘Geen exclusieve sprekers van een streektaal meer in Frankrijk’: wat bedoel je precies? Als ik drie talen spreek maar er één dagelijks gebruik, ben ik dan exclusief, of juist niet?
  • Het argument dat Nederlands erkennen in Frankrijk onrealistisch zou zijn: kijk eens naar de Elzas. Daar heeft Duits dezelfde bescherming als het Elzassisch. Waarom zou Frankrijk bij ons plots selectiever in zijn realisme zijn?
  • En tenslotte: je vergeet een wezenlijke groep. Niet alleen particularisten of je zogenoemde ‘pandutchisten’, maar vooral mensen die begrijpen dat streektaal en standaardtaal elkaar versterken en samen een cultuur dragen.

Ik heb je meermaals uitgenodigd tot debat, Jan – via je uitgever, zelfs persoonlijk. Tot nu toe blijft het oorverdovend stil. Jammer, want een echte dialoog zou waardiger zijn dan het eeuwige groot gelijk van de hoogleraar tegenover het hardnekkige ongelijk van de autodidact. Ik kan wel lezen en schrijven Jan.

Gepubliceerd

25.09.2025

Kernwoorden
Reacties
Peter Muller
14.01.2026 - 12:47

Overschot van gelijk,hebt ge,waarde Wido !! de “amateur”-vorser is niet gebonden aan al die dogma’s;
Hier in onze Ardennen, waren er beroemde historici, zonder opleiding !

Groeten van Peter Muller

Beantwoorden

De subsidies voor de IJzertoren gehalveerd

“Je moet consequent zijn,” verklaarde N-VA-minister Ben Weyts vandaag, alsof hij net het warm water had uitgevonden. Met deze woorden gaf hij zijn zegen aan de halvering van de jaarlijkse subsidie voor de IJzertoren. Een staaltje politieke logica dat ongetwijfeld als muziek in de oren klinkt van socialistisch cultuurminister Caroline Gennez — die wellicht niet had durven dromen over zoveel Vlaams enthousiasme.

De IJzertoren, symbool van Vlaamse emancipatie, opgebouwd uit bloed, zweet en spaargeld van duizenden verenigingen en geëngageerde burgers, wordt dus vakkundig ontmanteld — niet door Belgische unitaristen, maar door een Vlaamse regering onder leiding van een partij die ooit beweerde de Vlaamse Beweging te belichamen. Ironie, iemand?

Blijkbaar is er in dit land wél geld voor allerhande ‘inclusieve’ projecten, identiteitsfluïde kunstinstallaties en het eeuwige zwarte gat genaamd Brussel. Maar voor de IJzertoren — het vlaggenschip van de Vlaamse strijd voor zelfbestuur — kon er plots geen 400.000 euro meer af. Dat is dus wat men bedoelt met prioriteiten stellen.

Laat ons hopen dat mijn N-VA-vrienden nu niet ineens in een kramp schieten om hun partij te verdedigen. Misschien zelfs, net als Ben, op tafel kloppen van overtuiging — hoewel ik eerder hoop dat ze kloppen van schaamte. Kleine tip: een partij die jaarlijks miljoenen aan partijfinanciering ontvangt uit naam van het Vlaamse volk, zou misschien 200.000 euro kunnen afstaan om de IJzertoren overeind te houden. In plaats van telkens weer de rug te rechten voor het partijbelang.

En als dat allemaal niet kan? Dan stel ik voor dat men de IJzertoren gewoon teruggeeft aan haar rechtmatige eigenaar: het Vlaamse volk.

Wie zich hier niet in kan vinden, mag zich vrij voelen om deze pagina te verlaten. Ook ik moet consequent zijn, nietwaar Ben?

Gepubliceerd

24.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Het belet en de val van Oostende

Op 22 september 1604 capituleerde de stad Oostende na een  drie jaar durend beleg door Spaanse troepen.

Gedurende die hele periode was Oostende, als enige stad in de Zuidelijke Nederlanden, nog in handen van de Staatse troepen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Het beleg duurde van 5 juli 1601 tot 22 september 1604 en was bijzonder bloedig. Naar schatting sneuvelden aan beide zijden in totaal ongeveer 77.000 soldaten.

De val van Oostende werd door tijdgenoten ook wel de Val van het Nieuwe Troje genoemd, vanwege de lange duur en hevigheid van het beleg.

Gepubliceerd

22.09.2025

Kernwoorden
Reacties

De winterdag, toen het jaar nog in twee seizoenen werd verdeeld

21 september stond lang geleden bekend als winterdag — het begin van de winter, in een tijd waarin het jaar nog werd verdeeld in slechts twee seizoenen: zomer en winter. De zomer begon met de avond van maart, de winter met die van september. Onze voorouders rekenden niet in kalenderjaren, maar van winter tot winter.

De avond vóór winterdag, ook wel Winternacht genoemd, gold als een mystieke nacht. In deze nacht konden jonge meisjes hun toekomst voorspellen, en dat ging als volgt:

In een kuip met water dreven twee kronen — een bloemenkroon en een kroon van stro. Het meisje werd geblinddoekt en moest er één uit het water halen. Trok ze de bloemenkroon, dan zou ze binnen het jaar trouwen. Trok ze de strokroon, dan werd het huwelijk met minstens een jaar uitgesteld.

Weinig mensen weten dat de symboliek van deze jaardeling in twee seizoenen nog steeds zichtbaar is op gebouwen in de Franse Nederlanden en de Lage Landen. Deze symbolen zijn vaak verwerkt in ankers, metselaarstekens op muren, bovenlichten van deuren, enzovoort. Ze behoren tot de oudste symboliek in onze streken.

Gepubliceerd

21.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Spraakverwarring / La confusion des mots

(Texte en français ci-dessous)

Het Frans-Vlaams dat door onze ouders werd gesproken, vormt een van de historische componenten van het Standaardnederlands. Sommige taalkundigen beschouwen zelfs de zuidelijkste Nederlanden als een van de bakermatten van het Middelnederlands, waarvan het Nederlands dat in Belgisch Vlaanderen en Nederland wordt gesproken een continuüm vormt.

De typisch Franse opvatting, namelijk dat Zwitsers het “Zwitsers” spreken, Oostenrijkers het “Oostenrijks”, en dus Vlamingen het “Vlaams”, getuigt van een simplistische, Franse kijk op de taalkundige werkelijkheid.

In feite spreken al deze landen met een Germaanse cultuur in familiale en sociale kring vaak hun lokale dialect, maar gebruiken zij uiteraard de standaardtaal voor mondelinge of schriftelijke communicatie om wederzijds begrip mogelijk te maken. De Oostenrijkers en Zwitserse Duitstaligen gebruiken daarvoor het Standaardduits, dat door de laatsten Schriftdeutsch wordt genoemd, letterlijk “geschreven Duits”. Voor de Vlamingen van het zogenoemde ‘Belgische’ Vlaanderen is het Nederlands die standaardtaal.

Elke fantasierijke benaming, hoe sympathiek ook, zoals bijvoorbeeld de uitdrukking “flamand littéraire”, slaat nergens op, behalve dat zij onbedoeld verwarring zaait. Zij draagt daarentegen wel bij aan de ambigue terughoudendheid om het Nederlands bij zijn naam te noemen als de standaardtaal van alle Vlamingen en Nederlanders, van Duinkerke tot Antwerpen en Delfzijl.

Het idee dat er op Frans grondgebied een andere standaardtaal dan het Frans aanwezig zou zijn, behoort in Frankrijk niet tot het domein van de taalkunde, maar tot dat van de geopolitiek. De Franse houding bestaat erin om de term “Nederlands” zo lang mogelijk te ontkennen en hem als “vreemd” te bestempelen, om de situatie nog erger te maken — met de medewerking van sommige Frans-Vlamingen. De rest is inderdaad niets anders dan literatuur… en slechte literatuur.

La confusion des mots

Le flamand occidental parlé par nos parents constitue l’une des composantes historiques du néerlandais standard. Certains linguistes qualifient même les Pays-Bas du sud comme l’un des berceaux du moyen néerlandais, dont le néerlandais parlé en Flandre belge et aux Pays-Bas constitue un continuum.

La vision très française, selon laquelle les Suisses parlent le suisse, les Autrichiens l’autrichien, et donc les Flamands le flamand, témoigne d’une perception hexagonale simpliste de la réalité linguistique.

En réalité, tous ces pays de culture germanique parlent volontiers le dialecte local en famille et dans leur milieu social, mais utilisent, bien entendu, la langue standard pour la communication orale ou écrite afin d’assurer l’intercompréhension mutuelle. Pour ce, les Autrichiens et les Suisses alémaniques emploieront l’allemand standard, appelé par ces derniers Schriftdeutsch, littéralement « l’allemand écrit ». Pour les Flamands de Flandre dite belge, c’est le néerlandais qui joue ce rôle.

Toute appellation fantaisiste, même sympathique, comme par exemple  l’expression« flamand littéraire », ne correspond strictement à rien, sinon qu’elle aide involontairement à semer la confusion dans les esprits. Elle contribue, par contre, à la crainte, très équivoque, d’appeler le néerlandais par son nom, en tant que langue standard de tous les Flamands et Néerlandais, de Dunkerque à Anvers et à Delfzijl.  L’idée même de la présence d’une autre langue standard que le français sur le territoire français relève en réalité pour ce pays, non pas de la linguistique, mais de la géopolitique. La position française consiste à réfuter le plus longtemps possible le terme « néerlandais »  et à  lui coller la mention « étranger » pour aggraver la chose,  avec la collaboration de certains Flamands de France. Tout le reste n’est, en effet, que littérature… et mauvaise littérature.

Gepubliceerd

19.09.2025

Kernwoorden
Reacties

De Geuzen in Kaaster

Op 18 september 1567 lagen de geuzen in een hinderlaag op het kapellekerkhof van Kaaster, dat toen nog bij de kapel lag. Dat gebeurde met de bedoeling de Drie Maagdenkapel te plunderen.

De torenwachter van Kaaster sloeg alarm en de geuzen werden afgeweerd. Enkele dagen later keerden ze terug, en ditmaal werd de kapel — samen met het mausoleum van de Drie Maagden — volledig verwoest. Ook het beeld van Onze-Lieve-Vrouw werd vernield. Het huidige beeld in de kapel vervangt het oorspronkelijke en draagt daarom het jaartal 1568. De schilderijen die het verhaal van de legende illustreren, werden gelukkig gered.

Meer over de kapel van de Drie Maagden van Kaaster leest u in mijn nieuwste boek De Drie Maagdekens van Kaaster, de geheimen van een vergeten cultus.

Meer info over dit tweetalige boek vindt u op mijn blog: widopedia.eu.

Op 4 oktober om 17 uur wordt mijn boek voorgesteld in de Kapel van de Drie Maagden van Kaaster. U bent van harte welkom!

Gepubliceerd

18.09.2025

Kernwoorden
Reacties

De Leeuw van Vlaanderen

Op 17 september 1322 overleed Robrecht van Béthune (1249–1322), graaf van Vlaanderen. Hij stierf in Ieper, in het Zaalhof — het grafelijk kasteel waar hij resideerde —, en werd begraven in de Sint-Maartenskathedraal van diezelfde stad.

Volgens zijn uitdrukkelijke wens mocht zijn lichaam pas worden overgebracht naar de abdij van Flines in Frans-Vlaanderen, waar ook zijn vader Gwijde van Dampierre en zijn eerste vrouw Mathilde begraven lagen, indien de Vlaamse steden Rijsel en Dowaai opnieuw tot het graafschap Vlaanderen zouden behoren. Deze steden waren toen in Franse handen, en zijn wens was dus meer dan louter persoonlijk — ze droeg ook een politieke boodschap in zich.

Het oorspronkelijke grafmonument in Ieper werd vernield tijdens de Beeldenstorm. In 1973 werd zijn gebeente teruggevonden in een loden kist tijdens archeologische opgravingen. Op die plek werd een nieuwe grafzerk aangebracht, die vandaag nog steeds te bezichtigen is.

Hoewel Robrecht van Béthune tijdens de Guldensporenslag fysiek niet aanwezig kon zijn — hij zat op dat moment gevangen in een Franse kerker — groeide hij uit tot een symbool van de Vlaamse ontvoogding. In de roman De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience treedt hij op als de verpersoonlijking van die strijd.

Historici plaatsen daar kanttekeningen bij — sommigen zelfs met enige spot. Toch blijft Robrecht, zowel in woord als in daad, een waardevolle vaandeldrager van het verzet tegen Frankrijk, dankzij zijn volgehouden inzet voor de zelfstandigheid van het graafschap. Of hij onze taal nu sprak of niet, doet daaraan niets af.

Ik voeg daar graag aan toe: een romanschrijver geniet de vrijheid van de pen — een vrijheid die de historicus niet altijd heeft.

Gepubliceerd

17.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Een Schotse  verpleegster brutaal verminkt?

Op 16 september 1914 verscheen in de Britse pers een sensationeel bericht over een gruweldaad die zich in het Belgische Vilvoorde zou hebben afgespeeld. Volgens het verhaal was Grace Hume, een Schotse verpleegster, op afschuwelijke wijze vermoord door Duitse soldaten.

De pers meldde dat haar borsten waren afgesneden door ‘wilde’ Duitse militairen, waarna ze doodbloedde op de vloer van het ziekenhuis waar ze als frontverpleegster werkzaam zou zijn geweest. In de dagen die volgden, doken steeds meer gruwelijke details op, onder meer met vermeende ooggetuigenverslagen.

Even later bleek echter dat het hele verhaal verzonnen was. Grace Hume was nooit in Vilvoorde geweest en verkeerde in uitstekende gezondheid. Op 28 december 1914 verscheen haar zeventienjarige zus, Kate Hume, voor het Hooggerechtshof in Edinburgh. Ze werd aangeklaagd voor het publiceren van twee vervalste brieven in een lokale krant.

De eerste brief, zogenaamd geschreven door Grace zelf, was een afscheidsbrief vanop haar sterfbed. De tweede kwam ogenschijnlijk van haar fictieve collega Mullard en beschreef in detail hoe Grace aan haar vreselijke einde was gekomen.

Er is weinig veranderd onder de zon: zowel toen als nu blijken feiten vaak niet te kloppen en ondergeschikt te zijn aan de sensatie van het moment.

Gepubliceerd

16.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Een missive van dichter Hendrik Carette

Van Hendrik Carette (°1946), dichter van de Nederlandse Gedachte,  ontving ik deze rijmende ‘Missive voor Wido Bourel’:

Wij zijn als twee dolende ridders op één dravend paard.
De witte monikken en ridders van een oude kruisvaart.
In Wormhout, Winnezele, in Kassel op de horst
Waren wij rond en drinken wij tot ver voorbij de dorst.
Geen heer op bisschop, ook niet de bisschop van Terwaan
Heeft recht over ons als sceptische fantasten van de waan.
Geen vrouw kan ons weerhouden aan de warme haard.
Geen wonde kan ons weerhouden van het harde zwaard.


Hendrik Carette

Voor wie van dichterlijk werk houdt, Hendrik Carette houdt ook een blog, te raadplegen onder https://www.de-dichter-hendrik-carette-blogt.be

Gepubliceerd

15.09.2025

Kernwoorden
Reacties

‘Heil aan de oude appelboom’

Zie op de foto’s een deel van de oogst – en ook wat ik nog moet plukken. Daarbij past dit oude liedje dat in Somerset werd gezongen:

Heil aan de oude appelboom,
Met stevige wortels en een weldragende kroon.
Bid God dat hij ons een overvloedige oogst mag schenken:
Aan elke twijg grote appels,
Aan elke tak appels in overvloed,
Hoeden vol, petten vol,
Tonnen vol, zakken vol.
Hoera, jongens, houzee!

En in de oorspronkelijke versie:

Hail to thee, old apple tree,
Stand fast root, bear well top,
Pray God send us a good howling crop,
Every twig apples big,
Every bough, apples enow,
Hats full, caps full,
Full quarters, sacks full,
Holla boys, huzzah!

(Vertaling WB)

Gepubliceerd

14.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Over een bezoek aan den Haag: ‘Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil”

François Decoster, de gewaardeerde ondervoorzitter van de regio Hauts-de-France, heeft aangekondigd dat hij binnenkort de relatie tussen Hauts-de-France en Nederland in Den Haag zal bespreken. Hij zal daarbij ook een oproep doen om het onderwijs van het Nederlands te faciliteren in Noord-Frankrijk.

Het is goed dat men elkaar ontmoet en het onderwerp van het onderwijs van het Nederlands ter sprake brengt. Echter: de bal ligt niet eerst bij Nederland of Vlaanderen. De vraag is eerst: wat doet Hauts-de-France en Frankrijk zelf voor het Nederlands? Een gesprek voeren tussen politieke notabelen over de voortgang van de processie van Echternach brengt geen zoden aan de dijk.

De erkenning en subsidiëring door Hauts-de-France van het gesproken Frans-Vlaams als streektaal, zonder dat het Nederlands, de geschreven standaardtaal, erkend wordt, is niet zomaar het gevolg van gebrek aan kennis. Het met forse Franse subsidies laten verspreiden dat het Frans-Vlaams een andere taal is dan het Nederlands en dat het Nederlands een vreemde taal is voor de streek, is de klassieke Franse truc om te verdelen en te heersen.

Dit is in het verleden met succes toegepast in de Elzas. Daar werd na de Tweede Wereldoorlog het Duits eerst verboden. Vervolgens werd door Parijs het Duits verruild voor het Elzassisch, om het Duits, de standaaardtaal, tegen te houden. Toen de Elzassers inzagen dat ze in Europa verder gingen met het Duits, werd deze taal eindelijk erkend als, letterkijk ‘een van de streektalen’ van Elzas, maar zonder het woord ‘Duits’ in de officiële tekst op te nemen. ‘Il faut le faire’, zeggen ze in het Frans.

Frans-Vlaanderen heeft dezelfde weg gevolgd, maar is nog niet aan het einde van zijn Latijn: eerst werd het Frans-Vlaams bestreden en verboden; eens zo goed als verdwenen, wordt de streektaal zogezegd beschermd. Het Nederlands wordt daarbij bewust buiten beschouwing gelaten. De laatste stap die nu eerst moet komen aan Franse zijde, is de erkenning van het Nederlands als bijkomende streektaal, net zoals dat het geval is met het Duits naast het Elzassisch.

Het debat over enkele opleidingen meer of minder is uiteraard relevant, maar Vlaanderen en Nederland moeten ook diplomatieke initiatieven nemen en actief op tafel kloppen. Het is van groot belang dat het Nederlands in Noord-Frankrijk eindelijk erkend wordt als regionale taal en als taal van de buren. Dit is de enige acceptabele route voor een streek die door sommige taalkundigen wordt gezien als de bakermat van de Nederlandse taal.

Momenteel is armoede troef. Enkele pijnpunten: het duurt jaren voordat de hoogleraren Nederlands aan de universiteiten worden vervangen, als ze al worden vervangen; de lessen ‘flamand occidental’ laten qua pedagogiek te wensen over vanwege gebrek aan deskundige docenten en gaan amper vooruit; de opleidingen Nederlands worden gegeven door bekwame en gekwalificeerde leerkrachten, maar moeten nu concurreren met de lessen Frans-Vlaams; de financiële steun vanuit Vlaanderen en Nederland laat te wensen over, terwijl bijvoorbeeld het Huis van het Nederlands in Belle elke kwartaal moet bedelen om de financiën rond te krijgen en andere initiatieven dreigen te worden stopgezet bij gebrek aan geld.

De Taalunie lijkt Frans-Vlaanderen al lang te zijn vergeten en richt zich liever op modieuze, multiculturele onderwerpen. Het historische taalgebied is al lang geen prioriteit meer en interesseert niemand meer.

Om met een Nederlands spreekwoord te spreken: wat baten kaars en bril, als de uil niet zien en wil.

Gepubliceerd

13.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Flamand et néerlandais, c’est tout un

SOS Blootland boycotte le néerlandais

Le journaliste Louis Nam, publie dans le « Journal des Flandres », un article intitulé « Le flamand, une langue vivante défendue par l’association SOS Blootland ». D’abord, il faut saluer le travail de toutes celles et ceux qui œuvrent à la défense et à la promotion de notre langue régionale, ainsi que l’intérêt que leur portee la presse locale.

Cependant, certains propos tenus dans cet article par les représentants de l’association SOS Blootland contiennent plusieurs inexactitudes et imprécisions qu’il convient de corriger.

  • Affirmer que « le flamand occidental est une langue germanique cousine de l’anglais, de l’allemand et du néerlandais » est inexact d’un point de vue linguistique. Le flamand occidental n’est pas simplement « cousin » du néerlandais comme le seraient l’anglais ou l’allemand. Le lien de parenté est beaucoup plus étroit, car notre flamand constitue une composante régionale historique du néerlandais. En d’autres termes : flamand et néerlandais, c’est tout un.
  • Affirmer que le flamand occidental « est la même langue qu’en Flandre occidentale belge, exactement la même » est une demi-vérité. Si le flamand parlé dans le Westhoek français est en ligne avec le dialecte west-flamand de la zone frontalière en Flandre belge, cette situation se dégrade rapidement en s’éloignant de la frontière. J’invite les flamandophones de SOS Blootland à venir converser à Roulers (Roeselare) ou à Waregem, villes de Flandre occidentale, et à me prouver combien de minutes ils pourraient dialoguer avec les autochtones dans le flamand qu’ils enseignent, avant de passer au français. Le flamand du Westhoek tel qu’il est enseigné et parlé actuellement par les Flamands de France ne permet même pas la compréhension mutuelle avec la majorité des habitants de la province de Flandre occidentale.
  • Deuxième demi-vérité : SOS Blootland oublie de préciser que le flamand parlé en Flandre occidentale belge relève principalement de la tradition orale locale. Comme dans tous les pays germaniques, la langue standard écrite, apprise dans les écoles, ainsi que la langue de l’audiovisuel, des journaux et des livres, est le néerlandais standard. Celui-ci constitue la seule langue d’intercompréhension entre les différentes régions des pays néerlandophones. Ce constat n’a rien d’exceptionnel ni de récent : il est comparable à celui d’autres régions comme la Suisse alémanique, l’Autriche ou certains pays où l’on parle volontiers le dialecte local, mais où l’on passe aussi au « Schriftdeutsch », c’est-à-dire à l’allemand écrit ou standard, pour communiquer hors du cadre familial ou local. Le néerlandais est la langue écrite et la langue d’intercompréhension, tandis que les dialectes flamands, brabançons ou limbourgeois sont utilisés principalement dans la communication orale à l’échelle régionale ou familiale.
  • Affirmer que « beaucoup savent parler le flamand mais pas l’écrire » soulève une question sur la signification de « beaucoup » pour SOS Blootland. S’ils ne savent pas écrire le flamand occidental, c’est simplement parce que cette langue est principalement orale. La variante écrite a toujours été le néerlandais, depuis l’invention de l’imprimerie par Gutenberg. La langue écrite de nos archives et publications des siècles passés est presque toujours du néerlandais, avec parfois des formulations régionales. La lecture des travaux de spécialistes comme Cyriel Moeyaert, Hugo Ryckeboer ou Frans Debrabandere en témoigne.
  • Affirmer aussi que « l’apprentissage du flamand occidental facilite l’apprentissage de l’anglais et de l’allemand » est une vérité partielle. Omettre de mentionner le néerlandais dans cette énumération relève de la désinformation ou de la bêtise.
  • En conclusion, abordons cette dernière assertion : peut-on, je cite, « favoriser les échanges transfrontaliers dans une région tournée vers la Belgique et les Pays-Bas » ? Le flamand occidental permet, avec beaucoup de bonne volonté, de se comprendre oralement dans une zone transfrontalière limitée à quelques kilomètres de la frontière. Il suffira pour commander une bière au café du coin ou de commenter le temps qu’il fait. C’est tout. La langue qu’il faut apprendre pour communiquer, vivre et travailler en Flandre belge ou aux Pays-Bas, c’est le néerlandais. Je crois être bien placé pour le dire, puisque j’y vis depuis cinquante ans. Prouver que la langue « peut encore rassembler », pour reprendre l’expression de Marie-Christine Lambrecht de SOS Blootland, consiste aussi à apprendre la langue du plus grand dénominateur commun : le néerlandais.

Pour terminer, je rappelle que, avec mon ami Jean-Paul Sepieter, j’ai été l’un des initiateurs du slogan « T is schoon Vlaamsch te klapp’n » et de l’autocollant « Notre flamand est un dialecte du néerlandais, langue de 25 millions d’Européens ». Je n’ai donc rien contre un enseignement de la langue régionale flamande, à condition qu’il soit associé à l’apprentissage indispensable du néerlandais

Gepubliceerd

11.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Uitnodiging op de voorstelling van mijn boek “De drie maagdekens van Kaaster”

Waar: Kapel van de Drie Maagden in Kaaster
Wanneer: Zaterdag 4 oktober om 17.00 uur. De toegang is vrij.

Ter gelegenheid van de publicatie van mijn nieuwste boek over de Drie Maagden van Kaaster, zal ik de vragen beantwoorden van Damien Top, voorzitter van de Andries Stevenkring, over de mysterieuze oorsprong en de bijzondere geschiedenis van deze eeuwenoude verering.

Vroeger was deze kapel het centrum van een belangrijke volksdevotie, en elk jaar trokken meer dan 20.000 pelgrims tijdens de processie. Naast de christelijke traditie duiken we in de oertijd, tot aan de periode van de heidense saga’s, waarin vrouwen goddelijke functies vervulden. Een onderzoek naar historische en legendarische gegevens brengt ons van Kaaster tot aan de uithoeken van Europa.

Aan het einde van de presentatie zal ik mijn boek signeren.

Deze lezing wordt georganiseerd door de Andries Stevenkring die de gemeente Kaaster en de Vrienden van het orgel en van de kapel bedankt voor hun medewerking.

De plaatsen zijn beperkt. Wie komt meldt zich best vooraf met een bericht via fb.

Gepubliceerd

10.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Mijn artikel in’ Schapnel’: de schrijver Celine in de Westhoek

Het driemaandelijkse tijdschrift Schrapnel, gespecialiseerd in de Eerste Wereldoorlog, publiceert in haar jongste nummer (derde kwartaal 2025) mijn artikel over de beroemde en omstreden Franse auteur Ferdinand Céline.

Enkele jaren geleden werden omvangrijke, verloren gewaande manuscripten van Céline opnieuw ontdekt. De Franse uitgeverij Gallimard vond deze teksten interessant genoeg om ze opnieuw en met succes uit te geven.

Mijn artikel gaat over het eerste deel, dat onder de titel “Guerre” verscheen en zich afspeelt in de Westhoek. Het verhaal van Céline is gebaseerd op zijn ervaringen als soldaat aan het front, tijdens de slag bij Ieper. Hij raakte zwaar gewond tijdens gevechten in Passendale en werd verzorgd achter het front, in het Frans-Vlaamse stadje Hazebroek. Daar werd hij zelfs even verliefd op een verpleegster.

Schrapnel wordt uitgegeven door de vereniging ‘Western Front Association’. In dit nummer lees je naast artikelen over de Eerste Wereldoorlog ook teksten over de Italiaanse futuristen tijdens de oorlog, over Charles Maurras, de Armeense genocide, en meer.

De tekst die in Schrapnel is verschenen, kun je ook volledig lezen op https://www.widopedia.eu/?s=CELINE&submit=Zoeken

Gepubliceerd

09.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Over Zuid-Tirol

Wat me is opgevallen in Zuid-Tirol:

Op taalgebied

Bijna nergens hoorde of las ik Engels – een ware verademing. Op straat spreekt men Duits, Ladinisch of Italiaans. De Zuid-Tirolers gebruiken in het dagelijks leven de plaatselijke Duitstalige dialecten. Op school leren ze uiteraard Standaardduits, dat ook gebruikt wordt in formele situaties en voor het geschreven woord. Italiaanse toeristen doen vaak moeite om een mondje Duits te spreken. Italiaanstaligen die er wonen hebben Duits geleerd en zich aangepast. Op de meeste plaatsen word je eerst in het Duits aangesproken, of in beide talen – maar dan nog meestal eerst in het Duits en pas daarna in het Italiaans.

Onze Vlaamse kust kan hier iets van leren: in de winkels van De Panne werd ik meermaals eerst in het Frans aangesproken, en pas daarna in het Nederlands. Veel Vlaamse handelszaken aan de kust lijken nog steeds niet goed te weten hoe zichzelf te zijn en hoe ze met Franstalige bezoekers moeten omgaan.

In de steden

De handelszaken zijn er uiterst verzorgd en dynamisch. Men zet volop in op de regionale identiteit – voor 150%. Vanaf 11 uur ’s ochtends krioelt het van de mensen in de winkelstraten en zitten de terrassen overvol. Er zijn veel lokale winkels met een zeer divers aanbod, en kleine kmo’s hebben er duidelijk de bovenhand op de grote ketens en supermarkten. In Vlaanderen zie je tegenwoordig overal dezelfde grote merken, met een verarming en standaardisering van het aanbod, en de dood van de echte kleinhandel tot gevolg.

Openbaar vervoer

We maakten regelmatig gebruik van de bus, die voor toeristen gratis is. De voertuigen zijn splinternieuw, het uurrooster dekt alle bestemmingen ruim, en de chauffeurs zijn vriendelijk. Ze schakelen vlot over van Duits naar Italiaans en omgekeerd, naargelang de gesprekspartner. Zeer opvallend: jonge mensen staan spontaan op om hun plaats af te staan aan ouderen of mensen met een beperking. Ook dat is in Vlaanderen niet meer vanzelfsprekend.

Jong en oud

Ik zag opvallend veel jonge mensen die alleen met één grootouder op stap waren – voor een wandeling of een koffiepauze op een terras. Het beeld van een jongere die teder de arm van zijn of haar grootmoeder of grootvader vasthoudt op straat, is iets wat in Vlaanderen helaas zeldzaam is geworden.

Samenstelling van de bevolking

Met uitzondering van de stad Bozen (waar je Pakistaanse- en enkele Afrikaanse medemensen tegenkomt) zie je in de meeste steden en gemeenten nauwelijks allochtonen. De afwezigheid van hoofddoekdragers in het straatbeeld is opvallend. Als ik dit met Vlaanderen vergelijk, moet ik – tegen beter weten in – concluderen dat er bij ons sprake is van maatschappelijke verhoudingen die in alle Vlaamse steden stilaan maar zeker de kern van onze samenleving in vraag stellen.

We kunnen iets leren van Zuid-Tirol.

Gepubliceerd

05.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Walther von der Vogelweide: de bewogen geschiedenis van een standbeeld  

Vandaag hebben we een bezoek gebracht aan de stad Bozen en aan het standbeeld van de Duitstalige minnezanger en dichter (ca. 1170-1230) Walther von der Vogelweide. Hij werd waarschijnlijk in deze stad geboren, waardoor Bozen ook wel de Waltherstad wordt genoemd.

Een standbeeld en de fontein ter ere van Walther, gemaakt van Laasmarmer, werden in september 1889 opgericht en geplaatst op het centraal gelegen Sint-Jansplein, naast de Dom van Bozen.

Bij de annexatie van Zuid-Tirol werd dit beeld het onderwerp van een anti-Duitse beeldenstorm, onder leiding en impuls van de beruchte Italiaans irredentist Tolomei. Reeds in 1923 was de verwijdering van dit standbeeld een van de 32 punten in zijn programma, in het kader van de onduitsing van Zuid-Tirol.

Uit vrees voor internationale kritiek, niet alleen uit Oostenrijk, maar ook uit Duitsland en Beieren, aarzelde Mussolini uiteindelijk. Hij beperkte zijn maatregelen voorlopig tot het omdopen van de Waltherplatz in Piazza Vittorio Emanuele III. Maar het standbeeld bleef, als zogenaamd Pangermaans symbool, voor Tolomei en zijn aanhangers aanstootgevend.

Uiteindelijk voegde Mussolini de daad bij het woord en werd het standbeeld in 1935 verwijderd. Het verhuisde naar het Rosseggerpark, in een uithoek van de stad.

Het zou nog tot 1981 duren voordat de Zuid-Tirolers erin slaagden het standbeeld terug op zijn oude plek te krijgen waar het vandaag nog steeds staat. In mei 1985 werden Walther en andere Oostenrijkse monumenten door Italiaanse activisten met zwarte verf besmeurd.

Gepubliceerd

02.09.2025

Kernwoorden
Reacties

Lezingen najaar 2025 en voorjaar 2026

Voor ik enkele dagen vrijaf neem, wil ik jullie mijn (voorlopige) programma met lezingen over Frans-Vlaanderen en mijn boek ‘Frans en toch Vlaams’ voor de komende maanden meedelen:

  • Op woensdag 17 september 2025, voor VLAS Koksijde, om 14.30 uur, in de Kerkepannezaal (Strandlaan 128, Koksijde St Idesbald)
  • Op maandag 6 oktober 2025, voor VLAS Roeselare, om 14.30 uur, in zaal Dom Bosco (Gravenstraat 14, Roeselare)
  • Op dinsdag 11 november 2025, voor Probus Eeklo Meetjesland, om 19.00 uur, in hotel Ter Heide (Tragelstraat 2, Lembeke)
  • Op maandag 19 januari 2026, voor de Orde van den Prince, om 19.00 uur, in restaurant Agapé (Oude Markt 26, Pelt)
  • Op 1 maart 2026, voor het Davidsfonds Beveren, om 10.30 uur, in de raadszaal van het gemeentehuis te Beveren (Gravenplein 8, Beveren)

Voor één afspraak moet ik jullie nog even een datum schuldig blijven: de presentatie van mijn boek ‘De Drie Maagdekens van Kaaster’. Deze zal waarschijnlijk eind september of oktober plaatsvinden in Kaaster. Meer nieuws hierover volgt binnenkort op mijn Facebookpagina.

Gepubliceerd

29.08.2025

Kernwoorden
Reacties

De Franse koning koel ontvangen in Rijsel

Op 28 augustus 1667 deed de Franse koning Lodewijk XIV, bijgenaamd Pietje Veertien, zijn intrede in Rijsel, na een belegering van drie weken. De overgave van de stad was getekend in de nacht van 27 op 28 augustus, rond middernacht, in een boerderij op de weg naar Lannoy.

Volgens de officiële Franse geschiedenisboeken werd hij triomfantelijk door de bevolking ontvangen. En wij dat maar geloven op de schoolbanken van de Franse Republiek.

De werkelijkheid was enigszins anders:

Volgens Maarschalk Vauban gedroeg de Rijselse bevolking zich in de eerste maanden na de verovering zeer vijandig. En de historicus Aristide Crapet schreef dat Pietje Veertien “door de Rijselaars zeer koel werd ontvangen”. Hij voegde eraan toe: “Ze toonden geen sympathie voor de Fransen.” (bron: Revue du Nord, mei 1920).

De Rijselse historicus Jean-Michel Lambin bevestigt dit in zijn indrukwekkende boek ‘Quand le Nord devenait français’, verschenen bij uitgeverij Fayard in 1980 (zie ook de foto). Hij schrijft:

In Rijsel heerst de droefheid die na de inname van de stad is ontstaan, maar deze verandert in verbijstering wanneer de bepalingen van het Verdrag van Aken bekend worden. In tegenstelling tot wat een groot deel van de bevolking had gehoopt, zal de stad niet terugkeren naar de koning van Spanje. Een burger uit Rijsel genaamd Chavatte schrijft: ‘Het was een vreedzame vrede zonder vreugde omdat men bij de koning van Frankrijk bleef.(…) De relaties tussen de garnizoen en de bevolking van Rijsel zijn gespannen. Er ontstaan vechtpartijen in de herbergen tussen Franse soldaten en burgers die weigeren te drinken op de gezondheid van de koning van Frankrijk en liever drinken op de koning van Spanje. Sommige inwoners moedigen de Franse soldaten zelfs aan om te deserteren (…) Een Rijselnaar wordt op 23 juli 1668 opgehangen omdat hij Franse soldaten die deserteren had geholpen te ontsnappen

Gepubliceerd

28.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Na de val van Antwerpen: de gevolgen

Op 27 augustus 1585 maakte de Spaanse generaal Alexander Farnese, hertog van Parma, zijn intrede in de stad Antwerpen. Dit gebeurde na een beleg dat bijna veertien maanden duurde. Tien dagen eerder hadden de Antwerpse burgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde en de stad zich overgegeven.

Deze gebeurtenissen hadden een blijvende invloed op de politieke en economische situatie van de Lage Landen. Ze leidden onder andere tot:

  • De tweedeling van de Nederlanden;
  • De leegloop van de stad als gevolg van de vlucht van de protestantse bevolking naar het noorden;
  • De sluiting van de Schelde, wat het verval van de haven van Antwerpen tot gevolg had.
Gepubliceerd

27.08.2025

Kernwoorden
Reacties

De taal van de andere leren in de negentiende eeuw  

Hier volgt een citaat van Graham Robb, een Engelse schrijver die opmerkelijke boeken over Frankrijk heeft geschreven. In zijn werk De ontdekking van Frankrijk, dat ook in het Nederlands is vertaald, doet hij interessante vaststellingen over de tweetaligheid in wat hij noemt ‘Noord-Frankrijk’ aan het begin van de negentiende eeuw. Ik neem de volledige passage over voor een goed begrip:

“In Noord-Frankrijk, waar het Vlaams zich volgens de cijfers geleidelijk terugtrok voor de vloedgolf van het Frans, wilden veel Franstaligen niet zo graag als de Vlaamse sprekenden de tweede taal leren. In stadjes en steden aan de grens van het Vlaamse gebied – zoals Rijsel, Dowaai, Kamerijk en Avesnes – was bijna iedereen tweetalig. In het departement Lys, dat in 1795 werd gevormd uit een deel van België, was al vóór de Revolutie een taalleerprogramma opgezet. Boeren en kooplieden stuurden hun kinderen naar elkaar toe als ze tussen de acht en tien jaar oud waren. Het doel was om de ene groep kinderen vertrouwd te maken met het Frans en de andere met het Vlaams. Deze uitwisseling duurde slechts enkele jaren, waarna ieder kind terugkeerde naar zijn eigen land. Volgens berichten zou deze praktijk na de Revolutie ook in de Elzas en Lotharingen zijn voortgezet.”

Graham Robb citeert hier geen bron. Ik heb nergens anders kunnen terugvinden dat bijna iedereen in de genoemde steden tweetalig was, en ik vind dat ook ongeloofwaardig. Wel kan ik me voorstellen dat voor handelaars en bepaalde beroepen kennis van de taal van de andere belangrijk was. Maar hoe was dit georganiseerd? Wie nam het initiatief? Alleen voor de grens van Artesië en Sint-Omaars bestaan goed gedocumenteerde studies, bijvoorbeeld van Cyriel Moeyaert. Over een taalleerprogramma tijdens de Franse Revolutie en in het begin van de negentiende eeuw om elkaars taal te leren, heb ik echter niets kunnen vinden. Weet iemand van mijn lezers hier meer over? Enkele jaren geleden heb ik deze vraag al eens gesteld, maar toen heb ik geen reactie ontvangen.

Alvast bedankt aan iedereen die me op het juiste spoor kan brengen!

Gepubliceerd

26.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Crecy, een van de zeven beslissende veldslagen uit de middeleeuwen

Op 26 augustus 1346 verslaat het Engelse leger, onder leiding van koning Edward III, de Fransen nabij Crécy (Picardië). Het Engelse leger bestond vooral uit Engelse en Welshe soldaten, samen met een aantal geallieerde Bretoenen, Vlaamse soldaten en Duitse huurlingen.

De Fransen verliezen ongeveer 20.000 man. Ze hadden geen lessen getrokken uit eerdere nederlagen tegen voetvolk, zoals die van de Guldensporenslag in 1302. De Franse ruiterij wordt afgemaakt door de Engelse boogschutters. In Crécy gebruiken de Engelsen voor het eerst buskruit, maar hun kanonnen hebben geen invloed op het verloop van de slag.

Historicus Joseph Dahmus telt de Slag bij Crécy mee als een van de zeven beslissende veldslagen in de middeleeuwen.

Gepubliceerd

26.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Simone Weil: ‘de verworteling is wellicht de belangrijkste en meest onderkende behoefte van de menselijke ziel’

Op 24 augustus 1943 overlijdt de Franse-Joodse marxistische schrijfster en filosofe Simone Weil op 34-jarige leeftijd aan tuberculose, in Ashford, Kent.

Weil studeerde aan de École Normale Supérieure bij de filosoof Alain en bekeerde zich later tot het christendom. In 1935 wilde ze het lot van de arbeiders delen en werkte enkele tijd in een fabriek.

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog vocht ze mee in de rangen van de anarchisten, waar ze bij een ongeluk zware brandwonden opliep.

Haar bekendste werk, L’Enracinement, schreef ze in 1943, vlak voor haar overlijden. Pas in 2022 werd het in het Nederlands vertaald onder de titel Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn, uitgegeven door Uitgeverij IJzer in Utrecht.

In dit boek bekritiseert ze op scherpe wijze de kwalen van de Franse staat. Ze schrijft:

“Als de staat moreel alles heeft vernietigd wat, territoriaal gesproken, kleiner was dan hijzelf, heeft hij ook de territoriale grenzen veranderd in gevangenismuren om de gedachten op te sluiten.” De ontworteling die het gevolg was, heeft Frankrijk veranderd in een soort culturele woestenij, en de Franse “bla bla” made in Paris heeft deze armoede nooit echt kunnen compenseren.

Gepubliceerd

24.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Gas als oorlogswapen: wie gebruikte het als eerste?

Op 23 augustus 1914 gebruikten de Fransen voor het eerst gasgranaten als wapen in een oorlogsconflict. De beslissing om gas als wapen in te zetten, werd genomen door de Franse generaal, later Maarschalk Joseph Joffre. Gas werd ook effectief ingezet tijdens de tweede slag om de stad Mülhausen (Mulhouse) in de Elzas. Reeds in 1905 was een Franse geheime commissie opgericht om te bepalen welke chemische stoffen geschikt waren voor gebruik in een militair kader.

De Duitsers waren verrast door deze aanval. Als reactie gaven ze de Duitse-Joodse chemicus Fritz Haber de opdracht om gifgas te ontwikkelen. Haber ontwikkelde eerst chloorgas, dat al in april 1915 in Ieper werd ingezet. Volgens de fel overdreven cijfers van de geallieerde propaganda stierven bij die eerste gasaanval 5.000 soldaten onmiddellijk, en nog eens 10.000 werden getroffen door het chloorgas. Tegenwoordig worden deze cijfers door onderzoekers genuanceerder weergegeven: ongeveer 1.000 tot 1.200 doden en 2.500 tot 3.000 gewonden. Hoe dan ook, het waren duizenden doden en gewonden te veel.

Haber was ook verantwoordelijk voor de productie van mosterdgas (Yperiet), dat vanaf 1917 in de Westhoek werd ingezet. Hij werd door de geallieerden als oorlogsmisdadiger beschouwd, volgens de afspraken tijdens de Vredesconferentie van Den Haag. Haber vluchtte tijdelijk naar Zwitserland, maar werd verder nooit vervolgd.

Opmerkelijk is dat zijn oorlogsactiviteiten geen obstakel vormden om in 1918 de Nobelprijs voor chemie voor zijn onderzoek rond de synthese van ammoniak in ontvangst te nemen. Haber overleed in 1934.

Joffre, de pionier van de inzet van gas aan het front, werd uiteraard nooit als potentiële oorlogsmisdadiger genoemd, maar beschouwd als een held van de Franse geschiedenis. Hij overleed in 1931. ‘De geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars’ is volgens sommigen een bekende uitspraak van Georges Orwell, terwijl anderen die toeschrijven aan Winston Churchill.

Gepubliceerd

23.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Taal en identiteit

De belangstelling voor de streektaal heb ik overgenomen van Cyriel Moeyaert, die nochtans een vurige verdediger was van het Algemeen Nederlands. Dr. Frans Debrabandere, specialist in het West-Vlaams en nog steeds actief op het gebied van de Frans-Vlaamse toponymie, bevestigt dat er geen oppositie bestaat tussen de belangstelling voor streektalen en die voor het Algemeen Nederlands.

De discussie over het onderwijs in de streektaal versus de standaardtaal bestaat sinds de negentiende eeuw in Frans-Vlaanderen. Na de Franse Revolutie heeft Frans-Vlaanderen geleidelijk de geschreven taal losgelaten, onder andere door gebrek aan onderwijsmogelijkheden, en daarmee ook het Nederlands. De orale traditie is blijven bestaan, met alle voor- en nadelen van dien. Het mondeling doorgeven van een taal verschilt natuurlijk van het leren lezen en schrijven, en van het bestuderen van de grammatica.

Dit is de feitelijke situatie die we de afgelopen vijftig jaar hebben meegemaakt: de streektaal wordt niet meer doorgegeven aan de jongere generaties; de generatie van onze ouders die streektaal nog sprak, is overleden of stervende. De streek is nu feitelijk verfranst. De laatste Vlaamssprekende Frans-Vlamingen veranderen niets aan deze algemene vaststelling. Het correct analyseren van de huidige toestand vormt daarom een belangrijke stap om de juiste conclusies te trekken.

Ik deel uiteraard de stelling van Dr. Debrabandere dat Frans-Vlaanderen, onder de gegeven omstandigheden, het beste voor het Nederlands kan kiezen. Deze stelling is, nogmaals, geen afwijzing van de streektaal, maar een pragmatische en noodzakelijke keuze voor de toekomst.

Wat ook niet klopt, is dat de aanhangers van elke strekking niet met elkaar spreken. Persoonlijk onderhoud ik nog steeds contacten met mensen die de voorkeur geven aan de streektaal. De voorkeur voor de streektaal betekent niet, in tegenstelling tot wat sommigen ons willen doen geloven, dat er geen plaats zou zijn voor het Nederlands.

Zelf geloof ik niet in een redding van het gesproken Frans-Vlaams, tenzij de geschreven taal, die altijd het Nederlands is geweest, wordt aangeleerd. Prof. Pekelder, die niet volledig op de hoogte was van de situatie ter plekke, zag de Frans-Vlaamse wereld verdeeld in ‘particularisten’ en verdedigers van het Nederlands; deze laatste verdeeld in ‘heel-Nederlanders’ en ‘neutralen’. Dat klopt uiteraard niet. Er bestaat niet zozeer een duidelijke scheidslijn tussen streektaal en standaardtaal, maar eerder tussen degenen die het Nederlands een plaats geven in Frans-Vlaanderen en degenen die het beschouwen als een vreemde taal. Alleen met deze laatsten is elk gesprek inderdaad zinloos.

Gepubliceerd

22.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Mercure de Flandre, een tijdschrift in het interbellum

Wie mij kent, weet dat ik plezier haal uit boeken. Door gebrek aan ruimte heb ik thuis, in een verdwaald moment, beloofd om voor elk nieuw boek een oud exemplaar weg te doen. Makkelijk gezegd dan gedaan.

Ik ben niet de enige in deze situatie. Deze week kreeg ik een bericht: een kennis was verhuisd en deed boeken weg. Hij stuurde een lijst met titels over de Franse Nederlanden en vroeg of ik interesse had. Ik had ze allemaal al in mijn bibliotheek, op enkele titels na: gebonden jaargangen van het Frans-Vlaamse tijdschrift ‘Mercure de Flandre’ (zie foto’s).

Dit kon ik niet laten passeren, en het zou zonde zijn als een unieke verzameling bij het oud-papier zou belanden. Dus, stuur het maar op!

De ‘Mercure de Flandre’ werd tijdens het interbellum uitgegeven door een bijna vergeten figuur, Valentin Bresle (1892-1978). Hij was een non-conformistische boekhandelaar, uitgever en schrijver. Zijn boekenantiquariaat in de rue Solferino in Rijsel heette ‘La Bouquinerie des Trois Rois Mages’.

Regionalistische figuren van allerlei slag waren er vaak te gast. Zowel de gematigde leden van ‘Les Amis de Lille’ als de meest radicale activisten van het Vlaams Verbond van Frankrijk, onder leiding van Jean-Marie Gantois, vonden er een plek. Bresle was politiek ongebonden en gebruikte zijn publicaties om een brug te slaan tussen de regionalisten, de federalisten en de Heel-Nederlanders.

Vergis u niet: de ‘Mercure de Flandre’ was grotendeels gewijd aan literatuur en kunst, en slechts sporadisch aan metapolitiek. Maar als verbindende figuur tussen verschillende sociale, politieke en religieuze stromingen slaagde Bresle er steeds in zijn verzoenende rol te vervullen, ten gunste van de regionalistische en federalistische bewegingen. Jean-Marie Gantois, onder diverse schuilnamen, en ook schrijvers als Nicolas Bourgeois en Jules Van Driessche publiceerden enkele teksten in de ‘Mercure de Flandre’.

Valentin Bresle was dus een brugfiguur, maar daarom nog geen gematigde. Hier zijn nog twee uitspraken van hem:

“Wij gebruiken de naam Frans-Vlaanderen om het hele Noord-Frankrijk aan te duiden: Vlaanderen, Artesië en Picardië.”

En ook de volgende uitspraak, dat vaak verkeerd wordt toegeschreven aan Gantois, maar door Bresle werd uitgesproken:

“Vlaanderen is één en driedelig: één in haar cultuur en in haar volk. Driedelig door haar verdeling in drie staten, een werk van de politiek en diplomatie.”

Dank voor de boeken aan de gulle schenker…

Gepubliceerd

21.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Nogmaals over taal en identiteit

Het debat over streektaal en standaardtaal leeft al lang in Frans-Vlaanderen. In tegenstelling met wat sommigen ons vandaag willen doen geloven – recent nog de Nederlandse prof. Jan Pekelder – waren er altijd stemmen om de twee visies te verzoenen zonder aan het essentiële te raken, namelijk de functie van de standaardtaal in twijfel te trekken. Hier volgt de mening van een ‘grijze eminentie’, de Frans-Vlaamse schrijver Nicolas Bourgeois (1896-1982), uit een brief gedateerd in augustus 1976:

‘Het is ongetwijfeld zo dat de streektaal, de volkstaal dus, in haar rijkdom oorspronkelijker, levendiger en smakelijker klinkt dan de standaardtaal van de zogenaamde verfijnde samenleving. Dit is geen specifiek Vlaams of Nederlands fenomeen, maar een universeel verschijnsel. Praktisch gezien is het echter niet te ontkennen dat de eenwording van onze taal door de eeuwen heen noodzakelijk werd gemaakt door spelling, scholing en de opkomst en ontwikkeling van geschreven- en audiovisuele media. Dit was nodig om een oneindige fragmentatie en uiteindelijk onbegrijpelijkheid te voorkomen. Het Vlaamse volk heeft te veel geleden onder de verfransing en de achterliggende gedachten van zijn ‘voogden’, waardoor het zich onder welk voorwendsel dan ook niet wil laten meeslepen in een strijd tussen volkstaal en standaardtaal.’

Een gelijkaardig standpunt publiceerde Nicolas ook in het KFV-mededelingen van maart 1977.

Gepubliceerd

20.08.2025

Kernwoorden
Reacties

De nieuwe ijzertoren

Op 19 augustus 1951 vond de 24ste IJzerbedevaart plaats, met als motto: ‘Vlaanderen herbouwt zijn toren.’ Tijdens deze gebeurtenis plaatste prof. Fransen symbolisch de eerste paal op de plek waar de nieuwe toren moest komen.

Het zou nog tot 1965 duren voordat de toren van 84 meter hoog voltooid was. De tweede IJzertoren werd officieel ingehuldigd tijdens de IJzerbedevaart van 22 augustus 1965.

Gepubliceerd

19.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Het verraad van de notabelen?

Het hele proces van de verfransing in Frankrijk verdient een herziening. De verwijzing naar de ordonnantie van Villers-Cotterêt (1534) om aan te tonen dat Frankrijk al in de zestiende eeuw verfranst was, is misleidend. In werkelijkheid viel Frans-Vlaanderen in 1534 nog onder het gezag van Keizer Karel, niet onder dat van Frankrijk. In 1789, bij het uitbreken van de Franse Revolutie sprak slechts 15 van de 83 Franse departementen Frans. Meer dan 42% van de bevolking kende dus geen Frans. Toen was Frans-Vlaanderen eentalig Vlaams of Nederlandstalig. Ook de rest van de Franse Nederlanden, de huidige departementen Nord en Pas-de-Calais, sprak Picardisch in plaats van Frans. De uitzonderingen vormden de mensen die het stadsbestuur vertegenwoordigden: ambtenaren, politie, gerecht, enzovoort. Natuurlijk ook degenen die in hun beroep contact hadden met Franstaligen.

Cyriel Moeyaert* heeft aangetoond dat de beweging tot in de negentiende eeuw deels omgekeerd verliep. Veel mensen uit Artesië leerden, voor een latere carrière in het Vlaams/Nederlands sprekende deel, de taal van de Vlamingen in de scholen van Sint-Omaars. Een treffend voorbeeld is het seminarie van Sint-Omaars, waar toekomstige priesters afkomstig uit Artesië Vlaams/Nederlands moesten leren, met het oog op een toekomstige parochie in de Westhoek. Ook de meeste handelaars aan de grens met Vlaanderen, die contact onderhielden met de Vlaams/Nederlandssprekende en/of Vlaamse bevolking, waren tweetalig.

Notabelen

Over de taal van Frans-Vlaanderen wordt wel eens beweerd dat het volk lang de streektaal bleef spreken, terwijl de notabelen het Frans gingen gebruiken. Het verhaal luidt dat de burgerij de verfransing zou hebben ingezet als een soort verraad. Maar dat klopt niet. In Kaaster, waar ik vroeger woonde, spraken de notabelen die uit de streek afkomstig waren evenveel Vlaams als de andere inwoners. Dat was ook absoluut noodzakelijk om oude teksten te lezen en om de klanten te begrijpen. Wel is het zo dat deze notabelen vaak contact hadden met de Franse overheden en dus tweetalig waren.

Wie de streektaal niet konden spreken, waren meestal mensen die niet uit de Westhoek kwamen: juristen, ambtenaren, onderwijzers, douaniers, politieagenten, militairen, postbodes, enzovoort. Heb je de film ‘Bienvenue chez les Ch’tis’ gezien? Een van de hoofdpersonages is een postbode, nog niet vast benoemd, die vanuit het zuiden van Frankrijk wordt geplaatst in Sint-Winoksbergen.

Het ambtenarenkorps dat als verfransingsinstrument fungeert: denk vooral niet dat dit tot het verleden behoort. Dit jakobijnse systeem bestaat nog steeds in de Franse ambtenarij. Wie in Frankrijk ambtenaar wordt, krijgt tot op heden vaak een baan in een regio aan de andere kant van het land. Zoals Philippe, de postbode in ‘Bienvenue chez les Ch’tis’. Het systeem werd na de Eerste Wereldoorlog verfijnd in de Elzas: Duits werd verboden en alle Duitstalige leraren werden naar huis gestuurd. In plaats daarvan kwamen onderwijzers die alleen Frans spraken, uit andere Franse departementen.

Taal van de elites en taal van het volk

Tot slot nog iets over de oppositie ‘taal van de elite’ versus ‘taal van het volk’. In Frans-Vlaanderen dook dat verhaal eind jaren ’70 op. Het maakte deel uit van de neomarxistische dialectiek van groepen als ‘Tegaere Toegaan’, die het Vlaamse volk graag reduceerden tot Vlaamse proletariërs. De streektaal, de taal van het proletariaat, werd voorgesteld als een onderdeel van de klassenstrijd: hoe vertaal je dat in het Frans-Vlaams ‘no passaran’?

Gepubliceerd

17.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Een standbeeld voor Arminius

Op 16 augustus 1875 werd het Hermannssdenkmal, ook wel Hermannsmonument genoemd, bij Detmold in Noordrijn-Westfalen ingewijd. Het monument werd gebouwd tussen 1838 en 1875 naar een ontwerp van de architect, beeldhouwer en kunstschilder Ernst von Bandel (1800-1876).

Het imposante standbeeld, dat 26,57 meter hoog is, en de totale hoogte inclusief de sokkel van 53,46 meter, herdenkt de Slag bij het Teutoburgerwoud in het jaar 9 na onze tijdrekening, toen Hermann (Arminius) de Romeinse legioenen onder leiding van Varus versloeg.

Gepubliceerd

16.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Johannes  Althusius: “Tegen een tirannieke overheid heeft het volk een recht op verzet”

Op 12 augustus 1638 overleed in Emden (Oost-Friesland) Johannes Althusius (1557-1638), een Duitse calvinistische rechtsgeleerde en denker. Althusius was de grondlegger van het subsidiariteitsprincipe en volkssoevereiniteit.

Hij verdedigde deze ideeën in zijn werk: ‘Politica methodice digesta, atque exemplis sacris et profanis illustrata’ (1603). Als bekwame raadsyndicus van de stad Emden, die vaak het “Genève van het Noorden” werd genoemd, paste hij zijn theorieën doortastend toe.

In 1584 was Althusius de eerste rechtswetenschapper die werd benoemd aan de Nassause academie van Herborn, een instelling die mede op aandringen van Willem van Oranje was opgericht.

Het is jammer dat Althusius in Vlaanderen en andere landen met een katholieke traditie relatief weinig bestudeerd wordt. In Frankrijk is er de laatste decennia echter een hernieuwde belangstelling voor zijn werk, mede dankzij publicaties van de filosoof en schrijver Alain de Benoist.

Gepubliceerd

12.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Boekbespreking: Nederlandse plaatsnamen in Noord-Frankijk.

Een nieuw boek van Dr. Frans Debrabandere

Het valt op dat taalkunde en plaatsnaamkunde activiteiten zijn die mensen actief houden, tot in hun oude dagen. Cyriel Moeyaert (1920-2020) bleef tot ver in de negentig publiceren en zijn pen kranig recht houden tot in zijn laatste dagen. De taal- en naamkundige Frans Debrabandere (°1933), 92 jaar oud, die ook een helpende hand bood bij de afwerking van Cyriel’s ‘Woordenboek van het Frans-Vlaams’, volgt dezelfde weg.

Zojuist heeft Frans Debrabandere een nieuw boek uitgebracht met de titel ‘Nederlandse plaatsnamen in Noord-Frankrijk’. Hiermee recidiveert hij, want in 2021 publiceerde hij al ‘Nederlandse plaatsnamen in Frans-Vlaanderen’. Net als de vorige uitgave verschijnt dit nieuwe boek bij de werken van de Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (nr. 34).

NEDERLANDEN IN FRANKRIJK

De nieuwe publicatie is geografisch breder opgevat. Het behandelt nl. het territorium van de Nederlanden in Frankrijk, oftewel de Franse Nederlanden, als de bakermat van onze taal.

Frans Debrabandere merkt op:

“Weet u dat in Kales in de dertiende eeuw nog Nederlands werd gesproken, dat in Sperleke/Eperlecques tot 1748 nog in het Nederlands gepreekt werd, en dat in de 19de eeuw in de buitenwijken van Sint-Omaars nog Vlaams gesproken werd?” Debrabandere vervolgt: “De rekeningen van de leprozerie van Marck (1306-1324) zijn wel in het Frans gesteld, maar bevatten heel wat Nederlandse woorden. In het handboek van de pastoor van Saint-Folquin (1637-38) wisselen Nederlands en Frans af. In de zeventiende eeuw was het Nederlands nog in gebruik in Polincove, en zo gaat het maar door.”

IN DE LEER BIJ KAREL DE FLOU

De rijkdom aan Nederlandse toponiemen, vaak vermomd in een Frans kleedje, is zo omvangrijk dat de West-Vlaamse taalkundige Karel De Flou (1853-1931) er achttien boekdelen aan heeft gewijd.

In zijn inleiding brengt Frans Debrabandere een ode aan zijn illustere voorganger, Karel De Flou, de grote West-Vlaamse pionier van de toponymie.

Tussen 1914 en 1938 publiceerde De Flou zijn levenswerk, met een titel die het bestudeerde gebied met veel precisie omvat: ‘Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guînes en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu’. Dit encyclopedisch werk behandelt niet alleen de gemeentenamen, maar ook straat-, huis-, veld- en waternamen.

In zijn nieuwe uitgave heeft Frans Debrabandere Nederlandse plaatsnamen uit die achttien delen van De Flou geselecteerd en alfabetisch geordend in een glossarium. Ook de plaatsnamen uit de streek van Kales, gepubliceerd door Dr. Maurits Gysseling (1963), heeft hij volgens dezelfde methodologie toegevoegd. De verzamelde selectie van Debrabandere is geordend en verklaard, en is uiteraard handiger en praktischer om te raadplegen dan achttien boekdelen.

AANBEVOLEN

Het boek is stevig gebonden, telt 250 pagina’s en kost 45 euro. Het is uitgegeven door uitgeverij Skribis. Voor meer informatie over Skribis en dit boek kunt u terecht op

.

Ik kan Nederlandse plaatsnamen in Noord-Frankrijk van harte aanbevelen aan iedereen die geïnteresseerd is in de rijke toponymie van de Franse Nederlanden.

Gepubliceerd

10.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Nederlandse plaatsnamen in Noord-Frankrijk

Een nieuw boek van Dr. Frans Debrabandere

Het is duidelijk dat taalkunde en plaatsnaamkunde een specialisme zijn dat goed conserveert. Cyriel Moeyaert (1920-2020) bleef tot ver in de negentig publiceren en hield zijn pen kranig recht tot in zijn laatste dagen. De taal- en naamkundige Frans Debrabandere (°1933), 92 jaar oud, die ook een helpende hand bood bij de afwerking van Cyriel’s Woordenboek van het Frans-Vlaams, volgt dezelfde weg.

Zojuist heeft Frans Debrabandere een nieuw boek uitgebracht met de titel Nederlandse plaatsnamen in Noord-Frankrijk. Hiermee recidiveert hij, want in 2021 publiceerde hij al Nederlandse plaatsnamen in Frans-Vlaanderen. Net als de vorige uitgave verschijnt dit nieuwe boek bij de werken van de Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (nr. 34).

Nederlanden in Frankrijk

De nieuwe publicatie is geografisch breder opgevat. Het behandelt namelijk het territorium van de Nederlanden in Frankrijk, oftewel de Franse Nederlanden, als de bakermat van onze taal. Frans Debrabandere merkt op:

“Weet u dat in Kales in de dertiende eeuw nog Nederlands werd gesproken, dat in Sperleke/Eperlecques tot 1748 nog in het Nederlands gepreekt werd, en dat in de 19de eeuw in de buitenwijken van Sint-Omaars nog Vlaams gesproken werd?” Debrabandere vervolgt: “De rekeningen van de leprozerie van Marck (1306-1324) zijn wel in het Frans gesteld, maar bevatten heel wat Nederlandse woorden. In het handboek van de pastoor van Saint-Folquin (1637-38) wisselen Nederlands en Frans af. In de zeventiende eeuw was het Nederlands nog in gebruik in Polincove, en zo gaat het maar door.”

In de leer bij Karel De Flou

De rijkdom aan Nederlandse toponiemen, vaak vermomd in een Frans kleedje, is zo omvangrijk dat de West-Vlaamse taalkundige Karel De Flou (1853-1931) er achttien boekdelen aan heeft gewijd.

In zijn inleiding brengt Frans Debrabandere een ode aan zijn illustere voorganger, Karel De Flou, de grote West-Vlaamse pionier van de toponymie.

Tussen 1914 en 1938 publiceerde De Flou zijn levenswerk, met een titel die het bestudeerde gebied met veel precisie omvat: Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guînes en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu. Dit encyclopedisch werk behandelt niet alleen de gemeentenamen, maar ook straat-, huis-, veld- en waternamen.

In zijn nieuwe uitgave heeft Frans Debrabandere de Nederlandse plaatsnamen uit die achttien delen van De Flou verzameld en alfabetisch geordend in een glossarium. Ook de plaatsnamen uit de streek van Kales, gepubliceerd door Dr. Maurits Gysseling (1963), heeft hij volgens dezelfde methodologie toegevoegd. De verzamelde selectie van Debrabandere is geordend en verklaard, en is uiteraard handiger en praktischer om te raadplegen dan achttien boekdelen.

Aanbeloven

Het boek is stevig gebonden, telt 250 pagina’s en kost 45 euro. Het is uitgegeven door uitgeverij Skribis. Voor meer informatie over Skribis en dit boek kunt u terecht op www.skribis.be.

Ik kan Nederlandse plaatsnamen in Noord-Frankrijk van harte aanbevelen aan iedereen die geïnteresseerd is in de rijke toponymie van de Franse Nederlanden.

Wido Bourel

Gepubliceerd

10.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Matthias de Vries: ‘met  genoegen volg ik den voortgang der Vlaamsche Beweging’

Op 9 augustus 1892 overlijdt in Leiden Matthias de Vries (1820-1892), taalkundige, hoogleraar en medeopsteller van het ‘Woordenboek der Nederlandsche Taal’, een encyclopedisch project dat in 1864 werd aangevangen en pas eind 1998 voltooid was. Het telt maar liefst 40 banden en is daarmee het grootste woordenboek ter wereld.

Samen met dr. L. A. te Winkel ontwikkelde prof. De Vries een spelling voor dit woordenboekproject, naar hen genoemd: de De Vries-te Winkelspelling (DVTW).

Deze spelling werd in 1863 bekend en was gebaseerd op de volgende beginselen*:

  • Schrijven wat je in de standaardtaal uitspreekt;
  • Gelijkvormigheid van taal: een woordstam wordt zoveel mogelijk op dezelfde wijze geschreven;
  • Woorden die op dezelfde wijze gevormd zijn, worden op dezelfde wijze geschreven;
  • Etymologisch beginsel: zoveel mogelijk de oervorm van een woord weergeven.

Deze DVTW-spelling werd snel de heel-Nederlandse spelling. Opvallend is dat ze eerst officieel in Vlaanderen werd ingevoerd in 1864, en pas in 1883 in Nederland.

De Vries onderhield nauwe contacten met de Vlaamse Beweging. In een brief uit 1862 aan Ferdinand Snellaert schrijft hij: “Met genoegen volg ik den voortgang der Vlaamsche Beweging.”

Voor deze DVTW-spelling bestond er in 1767 de zogenaamde Kommissiespelling, gebaseerd op de voorstellen van de uit Den Haag afkomstige historicus en grammaticus Jan des Roches (1740-1787), maar wonend in Brussel, die aansloot bij oudere Brabantse spellingnormen. De spelling van Des Roches bleef overigens nog van toepassing voor plaatsnamen tot 1936 (bijvoorbeeld Coxyde, Schaerbeek, Merxem). Men kan dus stellen dat Vlaamse plaatsnamen in het Frans nog gebaseerd zijn op deze spelling.

Na de Belgische onafhankelijkheid en de keuze van het Frans als enige officiële taal in België, werd de spelling van Des Roches nog toegepast om Vlaams en Nederlands van elkaar te onderscheiden.

Het Taalcongres van 1841 zou hierin verandering brengen door te kiezen voor en te streven naar een eenheidsspelling. Deze eenheidsspelling vormde de basis voor het opnieuw verkrijgen van een officiële plaats voor het Nederlands in België, gesteund op de heel-Nederlandse visie van vooraanstaande figuren uit de Vlaamse Beweging, en niet op het Belgisch-Vlaams taalreductionisme.

(*Deze informatie over het spellingvraagstuk vond ik in publicatie “De Vier van Breda” van Koenraad Elst, in 1995 uitgegeven door Stichting Deltapers. Nog steeds het lezen waard.)

Gepubliceerd

09.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Filip de Pillecyn: ‘de veerman en de jongvrouw’ nu in Franse vertaling

Op 7 augustus 1962 overlijdt in Gent de Vlaamse neoromantische schrijver Filip De Pillecyn, bekend van onder andere ‘Hans van Malmedy’ (1935) en ‘De soldaat Johan’ (1942). Tijdens de Eerste Wereldoorlog behoort de Pillecyn tot de leiding van de Frontbeweging in de loopgraven aan de IJzer. Na de Tweede Wereldoorlog belandt hij in de cel wegens “culturele collaboratie”. Na zijn vrijlating wordt hij lid van het IJzerbedevaartcomité, waarvan hij in 1920 een van de oprichters was.

Over zijn ervaringen in de gevangenis verscheen postuum zijn celbrieven onder de titel Face au mur (1980). Het boek werd in een nieuw jasje door uitgeverij Doorbraak opnieuw uitgegeven (2019), ditmaal met een Nederlandstalige titel: Tegen de muur. Ongecensureerd gevangenisdagboek (1944-1949).

In de gevangenis schreef de Pillecyn ook een roman, De veerman en de jongvrouw, die in 1950 werd uitgegeven. Dit boek is onlangs in het Frans vertaald, in een uitstekende vertaling van Doriaan Cumps, emeritus professor aan de Sorbonne. Het draagt in het Frans de titel Le passeur d’eau et la gente demoiselle.

Het boek is uitgegeven in de reeks Horizons néerlandophones van uitgeverij l’Harmattan.

Gepubliceerd

07.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Louis Napoleon Bonaparte: de neef van zijn keizerlijke oom

In de nacht van 5 op 6 augustus 1840 landt Louis Napoleon Bonaparte, neef van zijn keizerlijke oom, samen met 65 opstandelingen op het strand van Wimereux, bij Bonen. Dit is de tweede keer dat hij vergeefs probeert de macht over te nemen in Frankrijk. Op 6 augustus in de ochtend wordt hij nog aangehouden, veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en opgesloten in de vesting van Ham in de Sommevallei.

Zes jaar later ontsnapt hij door zich te verkleden als metser. Deze metser heette Charles-Auguste Pinguet, bijgenaamd Badinguet, en deze bijnaam werd ook de niet zo glorieuze spotnaam van Louis Napoleon. Via België vlucht hij opnieuw naar Groot-Brittannië.

In 1848 wordt Louis Napoleon de eerste verkozen president van Frankrijk, en later, na een regelrechte staatsgreep, keizer van 1852 tot 1870.

De Frans-Vlaamse historicus Nicolaas Bourgeois merkt op dat ‘in minder dan negentien jaar aan het bewind zijn keizerlijke expedities hem – of beter gezegd zijn legers en vloten – rond de wereld brachten, van de Krim tot Mexico, China en Cochinchina.’

Van de ene militaire mislukking volgde de andere. Het leek soms meer op een plundertocht, onder andere van het keizerlijke zomerpaleis in Peking. Het leverde de families van enkele hoge officieren aanzienlijke financiële rijkdom op, fortuinen die nog te traceren zijn tot in de 21 ste eeuw.

Badinguet probeerde nog vergeefs zijn wilde plannen door te voeren om België te annexeren, daarna het Groot Hertogdom Luxemburg, en waarom niet, ook de linkeroever van de Rijn.

Na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 en de nederlaag bij de slag van Sedan werd hij door Pruisen gevangengenomen en in Frankrijk definitief afgezet. Hij overleed, zoals hij was begonnen, in ballingschap in Groot-Brittannië in 1873.

Het tweede keizerrijk – le Second Empire – is de naam die Franse historici aan deze periode hebben gegeven. Het Franse volk wist beter en parafraseerde spottende deze naam in ‘le second tant pire’. De balans van het tweede keizerrijk was inderdaad nog hopelozer dan die van het eerste.

Gepubliceerd

06.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Open brief aan taalwetenschapper Jan Pekelder

Een Nederlandse taalkundige verdwaald in Frans-Vlaanderen

Jan Pekelder, Nederlandse taalwetenschapper en neerlandicus, emeritus hoogleraar taalkunde aan de Sorbonne, heeft een boek geschreven over de Nederlandse streektaal in Frankrijk. De titel is ‘Verboden Vlaams te spreken’. Naast interessante informatie over de geschiedenis van onze taal, probeert de gewaardeerde professor ook de Frans-Vlaamse kwestie uit te leggen vanuit zijn ivoren toren.

PARTICULARISTEN EN HEEL-NEDERLANDERS

Volgens hem zijn er in Frans-Vlaanderen twee groepen: de particularisten aan de ene kant en de Heel-Nederlanders aan de andere, die al 150 jaar met elkaar in conflict zijn. Tussen deze groepen bevinden zich, nog steeds volgens Pekelder, de ‘neutrale’ leraren Nederlands, die zichzelf als woordvoerders zien, en de mensen van Stichting Ons Erfdeel, nu bekend als De Lage Landen, die zich ‘ver houden van regionaal particularisme en politiek getint heel-Nederlandisme’.

HET IRREDENTISME

Dat Jozef Deleu van Ons Erfdeel ooit zijn privéwoning de naam ‘Oranje’ gaf, is uiteraard geen uiting van royalistisch heel-Nederlands nationalisme, maar eerder een illustratie van wat Pekelder ‘een voorzichtige koers’ noemt. Mijn huis heb ik niet ‘Oranje’ genoemd. Toch plaatst Pekelder me wel bij de Heel-Nederlandse irredentisten, en dat is niet als een compliment bedoeld. Irredentisten, weet je wel, dat zijn mensen die, volgens Pekelder, ‘dromen van een grote meertalige staat waarin alle gebieden die tot de historische Nederlanden behoren, worden verenigd.’

BOVEN HET HOOFD VAN JEAN-MARIE GANTOIS

Een misdaad tegen de menselijkheid, inderdaad. Want Jan heeft ontdekt dat ‘onder die Heel-Nederlanders vooral mensen zijn die systematisch Gantois een hand boven het hoofd houden.’

Pekelder heeft nog nooit met mij gecorrespondeerd of gesproken, maar hij weet, op basis van enkele korte teksten die ik in het verleden heb gepubliceerd, wat ik denk over Gantois en wat ik bedoel met de Nederlandse Gedachte. Je zou denken dat een taalwetenschapper als Pekelder belang zou hechten aan nieuwe feiten, zowel ter ontlasting als ter ontkrachting, in een onderzoek. Maar waarom zou dit per se een andere kijk op Gantois moeten opleveren? vraagt hij zich zelfs af. Volgens Pekelder moet je de vinger in de wonde blijven steken.

DE NEDERLANDSE GEDACHTE

Historisch gezien staat Jan Pekelder met de Nederlandse gedachte in Frans-Vlaanderen naast de kwestie. Het ‘irrendentisme’ heeft geen vader maar een volgeling aan Jean-Marie Gantois. Nog voordat dat woord werd uitgevonden, waren er in de tijd na de annexatie, dus in de zeventiende eeuw, bijvoorbeeld Michiel de Swaen, die in zijn gedichten nog droomde van het verloren vaderland. In de achttiende eeuw was er Andries Steven uit Kassel, die geen Vlaams, maar een ‘Nieuwen Nederlandsch Voorschrift-boek’ schreef. Tenslotte was er in de negentiende eeuw de schrijver Lodewijk de Baecker, wiens graf in Noordpene vermeldt, in zowel het Nederlands als het Frans, waarvoor hij stond: ‘trouw aan de Nederlandse Gedachte.’

Even nog een eminente taalkundige en kenner van Frans-Vlaanderen, Cyriel Moeyaert, erbij halen. Hij heeft in zijn lange leven laten zien dat je zowel een passie voor de streektaal kunt koesteren, als voor het Nederlands, en dat je een Heel-Nederlander kunt zijn.

IK ONDERZOEK WAT IK WIL.

Brute pech, beste Jan: als Vlaming én Franse staatsburger heb ik, ondanks alles, geleerd de waarde in te schatten van geschiedenisboeken geschreven door de overwinnaar. Ik heb geleerd de bronnen te onderzoeken, teksten zelf te lezen, te ontcijferen en te analyseren.

Verder onderzoek ik wat ik wil. Ik ben vooral geïnteresseerd in beroemde en beruchte mensen, zogenaamde schuldigen en veroordeelden, en in het waarom van hun daden. Ook mensen met een afwijkend gedrag, voorvechters voor een verloren zaak en vergeten helden spreken mij aan. Hiermee streef ik ernaar voor al deze mensen geen absolutie te geven, maar wel een historisch pardon voor degenen die tussen de mazen van de geschiedenis zijn gevallen.

REDUCTIO AD HITLERUM

Mijn kritische interesse gaat ook uit naar de technieken van scribenten die de reductio ad hitlerum als methode gebruiken om mensen in diskrediet te brengen. Uw poging om Maurits Cailliau te discrediteren door hem te verwijten dat hij voor zijn bibliotheek – met de daaropvolgende verdachte boeken – poseerde op een foto in Doorbraak, zegt meer over Jan Pekelder als intellectueel dan over de door vriend en vijand geprezen animator, die al bijna een halve eeuw het jaarboek ‘De Nederlanden extra-muros’ verzorgt. Ik ben ook benieuwd naar wat de auteur van deze twee boekdelen, mijn goede vriend en historicus Pieterjan Verstraete, eminent specialist op het gebied van de politieke figuur Staf Declercq, zal vinden van uw insinuaties.

BENELUX

Tenslotte nog dit: iedereen is vrij om het Frans-Vlaamse verhaal op te vullen als een plaatselijk Frans verhaal of als een stervende boerenfolklore. Persoonlijk ga ik voor het nastreven van een brede visie op de culturele, economische en sociale banden met landen en regio’s die op bepaalde momenten in de geschiedenis met elkaar verbonden waren. Ik geloof zelf inderdaad dat de landen van de Benelux het beste zoveel mogelijk met elkaar kunnen vinden en samenwerken binnen het kader van Europa.

Maar neen, ik ben niet zo naïef om te geloven dat Frans-Vlaanderen of het land van Kleve zomaar terug tot de Nederlanden zullen behoren. Wel geloof ik dat ze zich een plaats kunnen toe-eigenen als poort tot de Nederlandse taal en cultuur in de staten waar ze zich nu bevinden, binnen het kader van Europa.

DIALOOG?

Beste Jan Pekelder: de moed die u vooral nog niet hebt als intellectueel om eerst met mij te spreken, kunt u nog steeds goed maken. Bel me, schrijf me, zoals in het liedje, en kom tot een dialoog. Met uw boek bewijst u voorlopig alleen dat de zelfgenoegzaamheid en het politiek-correcte denken van het ‘neutrale’ taalleraarschap Nederlands in Frankrijk mede de reden is dat amper 0,001% van de leerlingen uit de Franse Nederlanden bereikt wordt, en dat is in schooltermen uitgedrukt, een ruim onvoldoende.

Gepubliceerd

05.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Jan Baptist Verlooij, vader van de Vlaamse en Nederlandse Gedachte

Op 4 augustus 1785 publiceerde de Kempische jurist Jan Baptist Verlooij – zogenaamd in Maastricht om de Oostenrijkse censuur te ontlopen, maar in werkelijkheid in Brussel – zijn ‘Verhandeling op d’onmacht der moederlijke tael in de Nederlanden’. Dit goed gedocumenteerde en stevig onderbouwde werk wordt, volgens Dr. Jozef Smeyers, beschouwd als “het eerste essay over de Vlaamse en algemeen-Nederlandse gedachte”. Het inspireerde de grondleggers van de Vlaamse Beweging, zoals Jan Frans Willems, Jacob Lodewijk Kesteloot en vele anderen.

In zijn boek “Nieuw licht op Jan Baptist Verlooij, vader van de Nederlandse beweging” (2001) stelt Paul de Ridder, doctor in de middeleeuwse geschiedenis en gespecialiseerd in de geschiedenis van het hertogdom Brabant en het taalgebruik te Brussel vóór 1794, het nog scherper. Hij schrijft:

“Door zijn aandachtige observatie en zijn indringende analyse staat Verlooij aan de oorsprong van de ‘Nederlandse beweging’. Pas later zal die beweging, vooral onder invloed van romantici als G. Gezelle en H. Conscience, verengd worden tot een ‘Vlaamse’ beweging.”

Op het gebied van taal en literatuur zocht Verlooij duidelijk aansluiting bij Nederland.

Jan Baptist Verlooij werd geboren in het Kempische Houtvenne in 1746 en overleed in Brussel in 1797.

Gepubliceerd

04.08.2025

Kernwoorden
Reacties

De begrafenis van Willem van Oranje

Op 3 augustus 1584 werd Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk van Delft ten grave gedragen. Hij was op 10 juli neergeschoten door de fanatieke katholiek Balthasar Gerards.

Volgens zijn testament had Willem in de Grote Kerk van Breda willen worden begraven, daar waar zijn eerste echtgenote Anna van Buren rustte. Dit was echter niet mogelijk omdat Breda op dat moment nog door de Spanjaarden was bezet.

Sinds die datum herbergt de Nieuwe Kerk van Delft de grafkelder van de Oranjes. Ook na de verovering van Breda in 1590 bleef Willem van Oranje in Delft.

Het oorspronkelijke grafmonument was bescheiden en gemaakt van ruwe steen en cement. Pas in 1615 werd het huidige praalgraf ontworpen, een werk van de beroemde Amsterdamse beeldhouwer en architect Hendrik de Keyser.

Gepubliceerd

03.08.2025

Kernwoorden
Reacties

Rijsel verjaagt Willem Clito

Op 1 augustus 1127 verjagen de burgers van Rijsel de indringer Willem Clito, een Normandische edelman aangesteld door de Franse koning, die aanspraak maakte op de titel graaf van Vlaanderen. Een groot aantal vijandelijke soldaten komt om in de moerassen langs de Deûle.

Willem keert enkele dagen later terug om Rijsel aan te vallen en legt de stad een enorme boete op. De Vlaamse steden—Gent, Brugge, Rijsel en Sint-Omaars—komen in opstand tegen Willem.

De stad Rijsel ontvangt op 23 april 1128 met open armen Diederik van den Elzas, de tegenstrever van Willem Clito. Op 27 juli overlijdt Willem, en Diederik van den Elzas wordt de nieuwe, rechtmatige graaf van Vlaanderen.

Gepubliceerd

01.08.2025

Kernwoorden
Reacties

De ‘onoverwinnelijke’ Armada

Eind juli, begin augustus 1588, probeerde de ‘onoverwinnelijke’ Armada — de bijnaam van de Spaanse oorlogsvloot — de haven van Duinkerke te bereiken. Daar had het Spaanse veldheer en hertog van Parma, Alexander Farnese, 40.000 manschappen verzameld om Engeland te veroveren. In het kanaal werd de Armada door de Engelsen, met steun van Hollandse en Zeeuwse schepen, verslagen.

De Armada bestond uit 130 schepen met een enorme slagkracht en telde 30.000 manschappen — een indrukwekkend leger voor die tijd. De overgebleven schepen trokken zich via Schotland en Ierland terug en werden geconfronteerd met stormen en gevaarlijke stromingen. De Engelse vloot trof hen opnieuw en richtte een zware ravage aan. Meer dan vijftig procent van de beroemde Spaanse vloot werd toen vernietigd.

De hertog van Parma kreeg voor deze zware nederlaag de volle schuld van de Spaanse koning Filips II.

Gepubliceerd

29.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Vincent van Gogh: een weg die doodliep in het rijpe graan

135 jaar geleden, op 28 juli 1890, lag de Nederlandse schilder Vincent van Gogh dodelijk verwond in Auvers-sur-Oise. Een dag eerder had de depressieve Van Gogh, op een plaatselijk korenveld waar hij zoveel inspiratie opdeed voor zijn werk, zichzelf met een pistool in de borst geschoten. Zijn broer Theo, die in Parijs verbleef, haastte zich naar het bed van zijn broer. Een dag later, op 29 juli, overleed Vincent aan zijn verwondingen.

De Amerikaanse zanger Don McLean maakte van zijn lied “Vincent” een groot succes in 1971. Het nummer werd ook in het Nederlands vertaald en prachtig gezongen door de Nederlandse zangeres Martine Bijl. Hier volgt nog de Nederlandse tekst:

VINCENT.

Warme zomerdag
Zinderend in blauw en geel
Sporen van een wild penseel
Gedreven door jouw rusteloze hand
In ’t wijde Franse land
Vond jij voor de eeuwigheid
De bron van je onsterfelijkheid
Maar niemand zag die rijke bron ontstaan
En ik zie je gaan
Schuilend in een feest van kleur
De waanzin loerend achter elke deur
Omdat het wonder nooit gebeurt
Dat ze je taal verstaan en dan, Vincent
Begrijpen wie je bent
Avond op het land
Eenzaamheid in blauw en grijs
Maaier met een zware zeis
De laatste vonken van een heilig vuur
Hemel van azuur
Die heel het franse land omspant
Cypres die als een zwarte hand
Zich uitstrekt naar een smalle bleke maan
En ik zie je gaan
Schuilend in een feest van kleur
De waanzin loerend achter elke deur
Omdat het wonder nooit gebeurt
Dat ze je taal verstaan en dan, Vincent
Begrijpen wie je bent
Wat jij had te geven
Nam niemand van je aan –
En in die warme zomernacht
Heb je ’t eindelijk opgebracht
Wanhopig van de wereld weg te gaan
Vincent, een man als jij
Kan in een wereld vol van onbegrip
Onmogelijk bestaan
Wolkeloze nacht
Ergens is nog jouw gezicht
Ingelijst en fraai belicht
Gekoesterd in een veel te mooie zaal
Zo hopeloos verdwaald
Een hart dat zoveel liefde had
Je schilderde je eigen pad
Een weg die doodliep in het rijpe graan
Zo zie ik je gaan
Schuilend in dat feest van kleur
De waanzin loerend achter elke deur
Omdat het wonder nooit gebeurt –
Toch zijn er meer nu dan je denkt, Vincent
Die weten wie je bent

Gepubliceerd

28.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Het begrip ‘regionale taal’ in Frankrijk

(version française ci-dessous)

In Frankrijk is het begrip ‘regionale taal’ misleidend en verhult het een andere realiteit: het Catalaans is geen regionale taal, het Baskisch is geen regionale taal, het Elzassisch/Duits is geen regionale taal, en het Vlaams/Nederlands is dat evenmin. Al deze talen zijn grensoverschrijdende talen die in meerdere staten worden gesproken. Ze worden minimaal in twee landen gesproken, soms zelfs in drie, zoals het geval is voor het Vlaams/Nederlands.

Parijs beschouwt deze grensoverschrijdende talen en de bijbehorende identiteiten als een bedreiging. Daarom streeft het al eeuwenlang naar het laten samenvallen van taalgrenzen en staatsgrenzen. Om de betrokken bevolkingsgroepen te laten slikken, heeft men de status ‘regionale taal’ geïntroduceerd. Dit is een politieke strategie van meewerken om het verder te onderdrukken. Op deze wijze worden talen en identiteiten gereduceerd tot acceptabele folklore.

De internationale realiteit dat deze talen geen grenzen kennen, vormt voor Frankrijk een doorn in het oog. Het idee dat deze talen door dezelfde volkeren, die in andere landen in de meerderheid zijn, worden gesproken, wordt stilzwijgend maar doelgericht bestreden als een bedreiging voor de eenheid van de Franse staat.

Ik had ooit gedacht dat Europa hierin een verzoenende rol kon spelen en de nationale staten zou wijzen op het hogere belang van het respect van de Volkeren. Maar het moreel kompas van Ursula en van vriend Emmanuel is naar elders gericht.

————————————–

La notion « langue régionale » en France

(Nederlandse versie hierboven)

En France, la notion de « langue régionale » est trompeuse et masque une réalité bien différente : le catalan n’est pas une langue régionale, le basque n’en est pas une, l’alsacien/allemand n’en est pas une, et le flamand/néerlandais ne l’est pas non plus. Toutes ces langues sont des langues transfrontalières qui sont parlées dans plusieurs États. Elles le sont au minimum dans deux pays, parfois même dans trois, comme c’est le cas pour le flamand/néerlandais.

Paris considère ces langues transfrontalières et les identités qui leur sont associées comme une menace. C’est pourquoi il cherche depuis des siècles à faire coïncider les frontières linguistiques avec les frontières étatiques. Afin d’affaiblir la résistance des populations concernées, le statut « langue régionale » a été introduit. Il s’agit d’une stratégie politique visant à coopérer dans la poursuite de leur suppression. Ainsi, ces langues et ces identités sont réduites à une folklorisation acceptable.

La réalité internationale, selon laquelle ces langues ne connaissent pas de frontières, constitue une épine dans le pied pour la France. L’idée que ces langues soient parlées par les mêmes peuples, qui dans d’autres pays sont majoritaires, est tacitement mais délibérément combattue comme une menace à l’unité de l’État français.

J’ai longtemps espéré que l’Europe joue un rôle de médiation et rappelle aux États-nations l’intérêt supérieur du respect de nos identités charnelles. Mais la boussole morale d’Ursula et de son ami Emmanuel est dirigée ailleurs.

Gepubliceerd

27.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Ferdinand Tönnies: een gemeenschap groeit organisch

Op 26 juli 1855 werd in Oldenswort (toen nog Denemarken, nu Sleeswijk-Holstein) Ferdinand Tönnies geboren. Hij was socioloog, filosoof, universiteitsprofessor en, in 1909, oprichter en voorzitter van de Duitse Sociologische Vereniging.

In zijn beroemde werk “Gemeinschaft und Gesellschaft”* dat in 1887 verscheen, maakt Tönnies een onderscheid tussen de organische wil (‘Wesenwille’) en de zogeheten gereflecteerde wil (‘Kürwille’), en projecteert dit op gemeenschap en maatschappij.

De kern van zijn denken:

een gemeenschap (‘Gemeinschaft’) groeit organisch, heeft wortels en onderscheidt zich door een eigen cultuur en stabiliteit in de tijd. Een maatschappij (‘Gesellschaft’), daartegenover, is gemaakt en kan worden ‘herroepen’. Een gemeenschap is solidair met elkaar: centraal staat het “zijn”. In een maatschappij daarentegen, nemen eigenbelang, belangengroepen — en daarmee het “hebben” — de overhand.

Definities:

  • Gemeenschap = familie, stam, volk, enz.
  • Maatschappij = handelaars, beroepsverenigingen, politieke partijen, enz.

Tönnies voegt daaraan toe: “De handelaars of kapitalisten zijn de natuurlijke meesters en heersers van de ‘Gesellschaft’ of ‘maatschappij’. De maatschappij bestaat voor hen. Het is hun instrument.”

In 1933 werd Ferdinand Tönnies door de Nazi’s, vanwege zijn kritische geschriften, uit zijn functies gezet. Hij overleed in Kiel op 9 april 1936. Zijn zorgen over de afbraak van sociale banden, onder invloed van de opkomst van het individualisme, blijven actueel.

*Een Nederlandse editie werd in 1990 bij Acco in Leuven uitgegeven, getiteld: “Gemeenschap en Maatschappij.”

Gepubliceerd

26.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Mijnstakingen: respect voor de werkende mens

Op 25 juli 1872 werd in Anzin (Frans Henegouwen, bij Valencijn) een grote mijnstaking bloedig onderdrukt. Dit gebeurde in opdracht van de Franse president Adolphe Thiers (1797-1877), die persoonlijk het bevel gaf. Het was nog nooit vertoond dat een Franse president zo het eigen belang met dat van de Franse staat vermengde. Thiers was namelijk een belangrijke bestuurder van de koolmijnen van Anzin.

Thiers ging nog verder: hij feliciteerde de prefect van het departement Pas-de-Calais voor de kracht van zijn repressieve optreden. In die tijd aarzelde de macht niet om te schieten op stakende mijnwerkers. Aan de andere kant konden de mijnwerkers altijd rekenen op respect en steun van het volk. Ik herinner me nog dat ik in de jaren ’60 van de vorige eeuw, telkens wanneer er een conflict was met mijnwerkers, het hele verhaal urenlang op de radio volgde. “Respect voor het harde labeur van de werkende mens” noemde mijn vader dat. Hij had dat van zijn vader overgenomen, die het op zijn beurt van zijn vader had meegekregen. En zo landen we in de 19de eeuw, in de tijd van de grote, repressieve stakingen.

‘Respect voor de werkende mens’: dat klinkt misschien van lang geleden, maar zo ben ik opgevoed.

Gepubliceerd

25.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Götz von Berlichingen: de ridder met de ijzeren vuist

Op 23 juli 1562 overleed op Slot Hornberg in Baden-Württemberg Götz von Berlichingen (°± 1480), de ridder met de ijzeren vuist. Götz vocht eerst tegen de Turken en de Fransen in het Keizerlijke leger. In 1504, bij de belegering van Landshut, werd hij door een kanonkogel geraakt en verloor hij zijn rechterhand. Er werd hem een mechanische voorarm gemonteerd, die hem zijn legendarische bijnaam gaf.

Later speelde hij een leidende rol in de Boerenkrijg, de zogenaamde “Süddeutscher Bauernkrieg”. Deze was tussen 1524 en 1526 een volksopstand tegen de prinsen en de geestelijkheid. Het speelde zich voornamelijk af in Thüringen, Saksen, maar ook in Franken, Tirol, Zwitserland en de Elzas. Het landvolk kwam in verzet tegen de machthebbers en Götz koos de kant van de verdrukten. Motieven waren sociaal, economisch en ook religieus. Hij was daarin niet alleen: ook Frans von Sickingen, de zogenaamde “machtigste ridder van Duitsland”, met 24.000 manschappen onder zijn bevel, steunde de opstand. Naar schatting kostte de ‘Bauernkrieg’ tussen de 70.000 en 75.000 mensen het leven.

Ooit kocht ik, ergens in het Zwarte Woud, een grote poster (zie eerste illustratie) met de naïeve voorstelling van een zestiende-eeuwse boer die dapper een vlag draagt met erop geborduurd: “FREYHEIT”. De strijd van de boeren en de onderdrukten als symbool voor de vrijheid, en de legendarische ridder met de ijzeren vuist als vendeldrager van het verzet. Götz von Berlichingen werd als vrijheidsstrijder onsterfelijk gemaakt door Goethe, die in 1773 een theaterstuk over hem schreef dat geldt als een hoogtepunt van de Sturm und Drang-literatuur.

Beroemd gebleven zijn de woorden die Goethe aan zijn held toeschreef:

“Von Ihro kaizerliche Majestät hab ich, wie immer, schuldigen Respect. Er aber, sag’s ihm, er kann mich am Arsch lecken.”

“Voor uw keizerlijke majesteit heb ik, als steeds, schuldig respect. Maar zeg hem, hij kan mijn aars likken.”

Gepubliceerd

23.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Jacques Claes: de geborgenheid van de moedertaal

Op 22 juli 1929 werd prof. Jacques Claes, classicus, filosoof en psycholoog, uit een Franstalig gezin, en van Luxemburgs komaf via zijn moeder, in Antwerpen geboren.

In zijn boek “Mijmeringen over de twintigste eeuw: Een verhaal over een veranderde aanwezigheid” schrijft over de taal van zijn moeder:

“ik moet nog in de wieg gelegen hebben en dus niet in staat om te verstaan, maar nooit vergeet ik – het is natuurlijk meer dan niet vergeten – de rustige, bergende, bijna koesterende klanken in het spreken van mijn moeder met haar moeder.(…) De taal was Luxemburgs – als kind groei je daar vlug in – en als mij nu overkomt, af en toe, nog eens Luxemburgs te horen, dan ruik ik weer de balsem van geborgenheid.”

Treffend: dat gevoel heb ik ook met het Vlaams van Frans-Vlaanderen.

Jacques Claes overleed op 17 mei 2023 in Heverlee.

Gepubliceerd

22.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Over de soevereiniteit in eigen kring

Meer dan een half eeuw geleden, in juli 1973, verbleef ik kort in Groningen om mijn Nederlands te verbeteren. Tijdens mijn verblijf maakte ik ook een uitstapje naar Emden, waar ik kennismaakte met de figuur en het denken van de calvinistische denker Johannes Althusius (1583-1638).

In het toenmalige centralistische Frankrijk was Althusius totaal onbekend. Johannes Althusius wordt beschouwd als de vader van het begrip ‘soevereiniteit in eigen kring’. Hij stelde dat “de soevereiniteit bij het volk ligt, niet bij de vorst” en pleitte daarom voor sterke, autonome lokale overheden.

Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw werd de notie van soevereiniteit in eigen kring geïntegreerd in het gedachtegoed van de Nederlandse neocalvinistische staatsman en oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper beschreef het als volgt:

“zonder soevereiniteit in eigen kring is de staatsmacht onbepaald gebiedend; beschikkend over de personen, over hun leven, over hun rechten, over hun consciëntie, tot zelfs over hun geloof.”

Prof. Matthias E. Storme verwoordde dit in 2000* zo:

De soevereiniteit moet opnieuw uitgaan van de eigen kring. In een wereld waarin het nihilisme steeds toeneemt moeten we wellicht onze prioriteit inderdaad leggen bij kleine kringen en gemeenschappen waarin de traditie levend kan worden gehouden.

De gedachtegang van soevereiniteit in eigen kring is nog altijd toepasbaar. In Frans-Vlaanderen en voor alle onderdrukte minderheden en groepen kan het in de toekomst een krachtig instrument vormen tegen het absolutisme en de onderdrukking door de centrale staat. Ook in Kern-Vlaanderen, dat wordt overspoeld door diverse bevolkingsgroepen, biedt het model van soevereiniteit in eigen gemeenschap perspectieven om onze identiteit te behouden.

*citaat van Prof. Matthias E. Storme, uit zijn “dankrede”, uitgesproken bij de ontvangst van de André Demedtsprijs op 26 november 2000.

Gepubliceerd

20.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Godfried van Bonen overleden

Op 18 juli 1100 overlijdt te Caesarea, nabij Jeruzalem, Godfried van Bonen (°1060), die dus niet “van Bouillon” was. Men weet dat hij gedoopt werd in het bisdom Terwaan, omdat hij wellicht in Bonen (Boulogne-sur-Mer) of in de buurt van Bonen in de Zuidelijke Nederlanden geboren was.

Godfried was een afstammeling van Karel de Grote en ook van de legendarische Zwaanridder. Dit verklaart ook de zwaan in het blazoen van de stad Bonen.

Godfried was de voornaamste leider van de Eerste Kruistocht. Hij werd in deze positie gekozen omdat hij zowel Diets als Romaans (Picardisch) sprak.

In augustus 1096 sloot hij zich, samen met zijn broers Eustaas en Boudewijn (de latere Boudewijn I van Jeruzalem), aan bij de Eerste Kruistocht. Hij vertrok met een leger van 40.000 man. Onderweg werden nog edellieden en allerlei vrijwilligers aangevuld, waaronder veel avonturiers, tot een troepenmacht van ongeveer 100.000 man.

Drie jaar later, op 15 juli 1099, plantte hij de standaard van de kruisvaarders op de muren van Jeruzalem.

Vergis u niet, deze kruistocht was aanvankelijk een reis van ontberingen, gevolgd door een bloedige verovering van de Arabieren. Er was weinig christelijks aan: Jeruzalem en haar inwoners — moslims, joden en oosterse christenen — werden vernield, geplunderd, verkracht en vermoord. De strategie om de vijand van angst te verlammen is niet nieuw: ook toen werd terreur gebruikt.

Godfried weigerde de titel ‘Koning van Jeruzalem’. Hij werd uitgeroepen tot ‘Beschermer van het Heilige Graf’. Zijn koninkrijk bestond ongeveer uit het grondgebied van het huidige Israël, inclusief de Gazastrook en Libanon, en strekte zich uit tot aan het vorstendom Antiochië, aan de Turks-Syrische grens.

In 1100 breidde hij zijn macht verder uit en plande hij nog meer veroveringen, maar hij stierf datzelfde jaar. De kroniekschrijver Albert van Aachen beschrijft dat Godfried van Bonen vergiftigd werd door tijdens een maaltijd een cederappel te eten die hem door de emir van Caesarea werd aangeboden.

Op zijn sterfbed gaf Godfried opdracht aan zijn broer Eustaas, die naar huis wilde terugkeren, drie relikwieën van het Heilig Bloed van Jezus mee te nemen. Hij wilde deze schenken aan de Frans-Vlaamse steden Bonen en Lens, en aan Antwerpen.

Zijn stoffelijk overschot werd begraven in de Heilig Grafkerk op Golgotha. Dat grafmonument is daar inmiddels verdwenen, maar in de crypte van de basiliek van Bonen kan je nog een replica van zijn cenotaaf zien op ware grootte (zie rechts op de foto).

Gepubliceerd

18.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Artevelde: een Vlaamse staatsman

Op 17 juli 1345, tijdens een oproer van de Gentse wevers onder leiding van Gerard Denijs, werd Jacob van Artevelde, bekend als “de Wijze Man van Gent,” in zijn huis aan de Kalandeberg door Thomas Denijs vermoord.

Met zijn dood verloren de Nederlanden een belangrijk boegbeeld van de eenmaking. Artevelde slaagde erin Vlaanderen te verenigen tegen de Franse koning door de stedenalliantie Brugge-Gent-Ieper. Later bracht hij ook Vlaanderen, Brabant en Henegouwen samen in één verbond.

Daarnaast speelde Artevelde een belangrijke rol in de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Toen de Franse koning een verbod op de handel met Engeland afkondigde, kwam Gent in de problemen. Artevelde zette zich in om de handel voor zijn stad te redden, ondanks de Franse richtlijnen. Een opvallende episode in dit verhaal is dat hij in 1340 de Engelse koning Edward III liet bekronen tot koning van Frankrijk op de Gentse Vrijdagmarkt.

Gepubliceerd

17.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Willem de Kleermaker: Een liedjesmaker onthoofd

Op 16 juli 1530 werd een liedjesmaker en wederdoper uit de Westhoek Willem Cousture — ook bekend als Willem de Cleermaker — na martelingen onthoofd. De terechtstelling vond plaats op de Ravensberg, langs de oude heerweg tussen de gemeenten Nieuwkerke en Belle. Met zijn liedjesteksten had Willem de machthebbers op de tenen getrapt.

Dertig jaar later werden zijn liederen nog door bewonderaars in Antwerpen gezongen. Zijn levensverhaal maakte destijds veel indruk en werd bezongen in het Antwerps lied: Herdooperslied van Willem de Cleermaker (zie tekst hieronder).

Willem Cousture, of de Kleermaker, geldt als de eerste bekende liedjesmaker en zanger in de Europese geschiedenis die ter dood werd veroordeeld vanwege zijn muziek en teksten.

WB

HERDOOPERSLIED WILLEM DE KLEERMAKER (1560)

1

Een nieuwe liet,
Vat dit bediedt,
TAntwerpen geschiet
Al in den jare
Van tsestich, siet,
En verwondert niet,
Een man voorware
Met groter schare
Van diefleyders, hoort,
Gebracht werd voort
Van die Steenpoort
In de vierschare.

2

Willem hiet hy:
Hy was so bly,
Cleermaker vry
Binnen der stede.
Als hy nu by
Den heeren, fy,
Quam, ende sy
Hem vraechden mede:
‘Sijt gy herdoopt?
Ons hier ontcnoopt
Waer gy op hoopt
Met recht en rede!’

3

Hy sprac tot haer:
‘Wat vraecht gy daer
Naer mijnen doop claer?
En niet naer mijn leven?
Op dat voorwaer
Ghy al te gaer
Een oordeel daer
Naer soudet gheven?
Ic ben een roof
Naer mijn gheloof,
Der werelt doof,
Die my doet sneven.’

4

Die schout gemeen,
Hert als een steen,
Was niet te vreen
En vroeg met lagen.
Willem sprac: ‘Hoort reen!
Ghebt my voorheen
Gevraecht alleen:
Mach ic ooc vragen?’
Die schout sprac: ‘Beydt!
Gheeft eerst bescheyt
Al van u feyt;
Dan sal ict wagen.’

5

Willem, sonder vaer:
‘In Marcus claer
Int sestiend daer
Daer moecht ghijt lesen:
Wie ghelooft voorwaer
En gedoopt is eenpaer
Die sal hier naer
Eens salich wesen.’
Die schout sprac fijn:
‘Men vraecht, hoort mijn,
Op dit termijn
U niet naer desen.’

6

Terstont, verstaet
Die heeren quaet
Met haren raet
Quamen te voren.
Willem sprac: ‘Vaet1,
Mijn heeren, u baet!
Wijst niet naer ’t placcaet;
Het ware verloren.
Denck toch op den dach
Dien men voorby niet mach,
Als ghy sult roepen: ach,
Ach ware ic herboren!’

7

Sy hebben terstont,
Ghelijc in het ront,
En met eenen mont,
Hem toen verwesen.
O Heere, doet cont
Haer quaden vont,
Dat sy werden gesont
Ende schrifture lesen!
Maect dat haer hert,
Hard als een bert,
Toch soeter wert,                                                                                     
Dat biddic met desen!

8

Smorgens, vroechtijt,
Op de marct wijd,
Met cleender jolijt,
Sy Willem brachten:
Aen den staec, sonder strijdt,
Sy hem met nijt,
Sonder langer respijt,
Gingen versmachten.
Och Godt, o Heer!
Siet toch eens neer
Op u leden teer,
Die sy nu verachten!

9

Ghy, prince jent,
Mijn liedt bekent
Is nu ten ent
Voor u ghesongen.
Ick wasser present
En hem omtrent,
Als hy was ghesent
Voor ouden en jongen,
Daer hy, gereet,
Zijn gheloof beleet
Voor d’overheet.
God loven alle tonghen!

Gepubliceerd

16.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Een foute strategie:  zoeken wat de anderen ook willen

Na Isabelle A, die op 11 juli de Vlaamse leeuw passend bezingt met ‘eh lekker beest’, en de zelfvoldane stemmen van onze Vlaamse ministers aan de macht, volgt in Vlaanderen traditioneel komkommertijd.

Voor een minister met welverdiende vakantie vertrekt worden nog enkele beslissingen vluchtig genomen: de aankondiging tijdens de schoolvakantie van extralessen – met of zonder leerkrachten – voor wie het niveau van onze scholen naar beneden haalt; de welgekomen miljardenfactuur van vriend Donald, al is het me niet duidelijk of dit hoort bij de 5%; en wat dan met de resterende extra 30%, of misschien 50%, uiteraard allemaal voor de vrienden.

Maar de Vlaamse apotheose moest nog komen: de Franstaligen zoeken en vinden een “oplossing” voor de Vlaamse vertegenwoordiging in Brussel. Een beschamende, maar steeds voorspeelbare Vlaamse apotheose.

Als Frans-Vlaming, en dus als geboren vrijbuiter, bemoei ik me niet met de platvloerse politiek in dit land. Ook niet in Frankrijk, trouwens. Ik pas niet in de traditionele maffia’s of camorra’s, met partijkaart, vriendjespolitiek en dergelijke. Toch bestaat er bij ons een spreekwoord dat zegt: ‘nog krupp’n noch stupp’n’ (niet kruipen en ook niet stuipen).

Ik wil me dus hier en nu beperken tot opmerkingen over de gevolgde strategie:

Als de Vlamingen niet willen wat de Franstalige Brusselaars niet willen, en deze laatste dat weten, zullen ze nooit willen wat wij willen – en zelfs dat nooit begrijpen.

Hierbij past dit citaat van politicus Lode Claes (1913-1996):

‘Het volstaat voor de niet-Vlamingen in dit land mee te delen wat ze niet willen, om de Vlamingen ertoe te brengen te willen wat zij (de niet-Vlamingen) willen. Dit betekent afstand doen van hun bewegingsvrijheid, van hun macht als meerderheid, en daarna van de legitimiteit van die macht.’

Wat de, nochtans diep verdeelde, Franstaligen in dit land verenigt, is de eeuwige handhaving van hun historische voorrechten en macht. Al moeten ze hiervoor nieuwe kamikaze-allianties bedenken met vertegenwoordigers van de feitelijke Brusselse meerderheid van zogenaamde nieuwe Belgen.

En ook om te eindigen met Lode Claes:

Wij (de Vlamingen) zoeken iets dat anderen ook willen. En er verandert dus niets.

Gepubliceerd

15.07.2025

Kernwoorden
Reacties

14 juli, en wat je niet leest in geschiedenisboeken

Voor de verjaardag van de jonge Franse republiek werd door de revolutionairen, en met terugwerkende kracht, 14 juli gekozen. Dit was de datum van de inname van de Bastille in Parijs. In werkelijkheid werd de Franse republiek officieel uitgeroepen op 22 september 1792. Vóór die datum werd Frankrijk vaak beschreven als een hel, en vanaf dat moment als een paradijs op aarde.

Fervente republikeinen willen nooit toegeven dat de inname van de Bastille minder glorieus was dan vaak wordt voorgesteld, namelijk door een bende zatlappen en krapuul. De officiële geschiedschrijving vertelt slechts de gekuiste versie van het verhaal. In werkelijkheid waren de gevechten bloediger en het verzet harder dan wat de aanhangers van de koning hebbenaverteld. De Zwitserse garnizoen van het regiment van Salis-Samatte, die de burcht bewaakte, telde nochtans niet meer dan 32 grenadiers en 82 invaliden. Ze hield, trouw aan hun opdracht, moedig stand—totdat ze allemaal werden uitgemoord.

Voor de chauvinistische Parijzenaars waren dat maar “vreemde troepen”, en daarom maken ze deel uit van het ‘onzuivere bloed’ dat in La Marseillaise wordt bezongen.

Napoleon I, ook een kind van de Revolutie, vroeg zich later af of de Franse koning toen niet te laks was geweest. Volgens hem had Lodewijk XVI kordaat en repressief moeten optreden. De conclusie van de keizer over Lodewijk XVI was dan ook niet mals: “Qe coglione” (wat een idioot), zei Napoleon in de enige taal die hij vlot beheerste.

Gepubliceerd

14.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Karel Buls, Een Brusselse Burgemeester met een hart voor de Vlamingen

Op 13 juli 1914 overlijdt in Elsene Karel Buls, oud-burgemeester van Brussel en Vlaamsgezind liberaal boegbeeld.

In een stad die snel verfranste, bood Buls weerwerk en bouwde hij een Nederlandstalig onderwijsnet uit. Als lid van de Tweede Hogeschoolcommissie zette hij zich ook actief in voor de vernederlandsing van het hoger onderwijs.

Tijdens zijn burgemeesterschap eiste Karel Buls van alle openbare ambtenaren dat zij zowel Nederlands als Frans beheersten. Onder zijn mandaat werden ook de tweetalige naamborden in Brussel geïntroduceerd. Voordien was alles eentalig Frans.

Karel Buls was ook de oprichter van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel.

Ter ere van Karel Buls werd in 1999, op de Grasmarkt in Brussel, een fontein met zijn standbeeld geplaatst. De fontein staat op de plek waar vroeger de juwelierszaak van zijn vader was gevestigd. Het is een werk van de Brusselse beeldhouwer Henri Lenaerts.

Gepubliceerd

13.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Johannes Thomasset, Bourgondische  paleontoloog, dichter en boer

Op 12 juli 1973 overleed de Bourgondische schrijver, specialist in prehistorische archeologie en paleontologie, Johannès Thomasset. Nog vrij jong maakte hij naam met zijn onderzoek naar de prehistorische site ‘Camp de Chassey’ in Bourgondië.

Tijdens het interbellum publiceerde hij zijn eerste literaire teksten, waaronder gedichten. Opvallend is zijn interesse voor de Bourgondische identiteit en voor de gebroken droom van Karel de Stoute. Zijn afkeer van het Parijse centralisme bracht hem in contact met Vlaamse, Lotharingse, Elsassische en Bretoense regionalisten en federalisten.

Thomasset was de auteur van boeken als ‘Paysages et Cités’ (1932) en ‘Pages Bourguignonnes’ (1938). In 1937 richtte hij het tijdschrift ‘La Bourgogne d’or’ op.

Zijn regionalistische en Europese visie, evenals zijn belangstelling voor Germaanse culturen, brachten hem in contact met Duitsland.

De Ahnenerbe toonde interesse in Thomasset als paleontoloog. Zo engageerde Thomasset zich resoluut in de collaboratie, wat na de oorlog leidde tot zijn status als paria. Hierdoor behoort hij tot de categorie van non-conformistische figuren, dwarsliggers en vrijbuiters—mensen met een eigenzinnige kijk, die ik graag bestudeer.

Ook de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois toonde al vroeg interesse in Thomasset’s werk. In 1935 wijdde hij er een brochure aan met de titel ‘Johannès Thomasset, historien et poète de la Bourgogne’.

Na de oorlog werd Gantois veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Al in oktober 1948 kreeg hij amnestie en was hij weer vrij. Alleen mocht hij nog niet verblijven in 15 Franse departementen. In afwachting dat ook die straf werd opgeheven, koos hij Bourgondië als verbanningsoord. Daar mocht hij eerst verbleven bij… Johannès Thomasset. Later vond hij een definitief onderkomen in Brachay (Haute-Marne).

Gepubliceerd

12.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Over Gerard Walschap, Walskapel en Deps

Op 9 juli 1898 werd in Londerzeel de romanschrijver Gerard Walschap geboren. Dat de wortels van de auteur van onder andere Houtekiet in Frans-Vlaanderen liggen, heeft Walschap ooit zelf uitgelegd. Dat deed hij in zijn artikel “Hoe ik Frans-Vlaming werd,” dat verscheen in jaargang 5 (1961-62) van het tijdschrift Ons Erfdeel.

In deze tekst verwijst Walschap naar een verre voorouder, ridder Rogerus de Walonis Capella uit 1218. Van deze Rogerus stammen onder meer het eerste bisdom van Namen, François de Waloncapelle, en ook zijn broer Pierre, benedictijnenabt in Sint-Winoksbergen. De Walschappen uit Londerzeel zouden eveneens afstammen van deze Rogerus.

In de archieven van Londerzeel vond hij twee akten over Henric van Walsschappele, die in 1559 en 1568 telkens een stukje bos kocht. Zijn zoon werd ingeschreven als Cornelis Walschap. Hieruit bleek duidelijk dat de naam Walschap een afgeleide is van Walskapel, het nu Frans-Vlaamse dorpje dat ligt op vijf kilometer van Hazebroek en ongeveer twintig kilometer van Sint-Omaars.

Gerard Walschap heeft ooit het dorp van zijn adellijke voorouders bezocht. Het is niet bekend of hij daar inspiratie heeft gevonden voor Deps, het oerdorp dat door Houtekiet werd opgebouwd.

Gepubliceerd

09.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Clemens V. Trefois bestudeerde de landelijke architectuur in de Lage landen

Op 8 juli 1894 werd in Gent Clemens V. Trefois (1894-1984) geboren. Hij was architect, onderzoeker en volkskundige met een internationale reputatie.

Met onder meer de aanmoedigingen van Henry van de Velde, Pol de Mont en Jozef Goossenaerts specialiseerde Trefois zich in de studie van de landelijke architectuur in Vlaanderen, de Nederlanden en Zuid-Afrika. Hij was een van de eersten die de aandacht vestigde op het belang van de ‘stoffelijke’ of materiële volkskunde.

Vanaf 1932 was hij onderzoeker bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Dankzij de rector van Gent, August Vermeylen, kreeg hij een studiebeurs om zijn onderzoek naar de landelijke hoeven uit te breiden. Ook in 1932 was hij een van de oprichters van de Zuidnederlandsche Centrale voor Folkloreonderzoek.

Zijn onderzoek naar de landelijke architectuur bracht hem ook naar Frans-Vlaanderen, Artesië, Normandië, Zuid-Engeland en de Nederlandse provincies.

In de jaren zestig onderzocht Clemens Trefois ook de Nederlandse architectuur in Zuid-Afrika, op verzoek van de Stigting Simon van der Stel. Hij schreef meerdere artikels en publicaties, onder meer over de Kaapse Landelijke Architectuur.

Een belangrijke samenvatting van zijn werk in drie delen werd in 1978-80 door uitgeverij Danthe in Sint-Niklaas uitgegeven. De boeken zijn rijk geïllustreerd met vele foto’s en schetsen van de auteur.

De titels van elk boekdeel:

  • Het boerendak
  • Landelijk architectuur
  • Van vakwerk tot basteenbouw
Gepubliceerd

08.07.2025

Kernwoorden
Reacties

De Franse revolutionairen en de Joden

Op 5 juli 1794 liet de revolutionair Laurent, volkscommissaris bij het Leger van het Noorden, in Bergen, Henegouwen, dit bevel uitgaan:

Het is Joden verboden het leger te volgen, op straffe van de dood. De generaals, commandanten van legerposten en de Commissie van Toezicht van Bergen staan klaar om overtredingen te melden en zullen de overtreders onmiddellijk arresteren en binnen 24 uur terechtstellen.

Volgens de officiële geschiedschrijving heeft de Franse Revolutie de “Joden in Frankrijk geëmancipeerd en gelijke rechten gegeven.”

Mijn voorbeeld toont aan dat niet alle revolutionairen deze visie deelden.

Gepubliceerd

05.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Volgens vive le velo passeerde de tour de France vandaag op de Mont-Cassel

Op zondag 5 juli werd ons de eerste rit van de Tour de France geserveerd. Karl Vannieuwkerke, Vlaamse sportverslaggever van dienst, is goed geplaatst om de juiste dingen te vertellen als de Ronde van Frankrijk in de Westhoek passeert. Je zou dit tenminste veronderstellen van iemand die in Ieper is geboren.

Maar Karl kwam vandaag moeilijk los van het Franse programma made in Parijs. Hij had het dus niet alleen over Rijsel, en ook niet over Lille en Flandre (de officiële naam) of Lille Flandres (volgens de Franse spoorwegen) maar over de platte ‘Lille Métropole’.

Vive le vélo werd uitgezonden vanuit de tuin van de villa Cavois in ‘Roubaix’. Karl, die nochtans alles weet over de wielrennerij, is blijkbaar vergeten dat zijn illustere voorganger, de sportreporter Karel van Wijnendale, in de jaren 1930-40 steevast sprak over de wielerwedstrijd ‘Parijs-Robaais’.

Het straffe was die twee renners die vielen bij de sprint op de ‘Mont-Cassel’, op de kasseien van de ‘Kasselberg’ dus. En, niet te geloven, kreeg Karl zelf even de ‘Mont-Noir’ over de lippen. Vive Charlot de Neuvéglise et pour les Flamands la même chose.

Ps: ik vergat nog even de vaststelling dat de overwinnaars van een wedstrijd voor de Vlaamse Radio en Televisie sportredactie zelden ‘Vlaamse’ overwinnaars mogen zijn maar ‘Belgische’.Voor andere sporten maakt ze ook gretig gebruik van een inflatie aan Engelse benamingen, soms door sponsors gedicteerd, als er zijn: de Red Flames, de Belgian Cats, de Red Panthers, de Red Dragons, de Yellow Tigers, de Belgian Barbarians (mijn favoriete), de Belgian Tornadoes, de Belgian Cheetahs, de Belgian Rockets, de Belgian Falcons, de Belgian Ice Bears, de Belgian Lynxes, en gaat zo maar door. De mening van Gaya over al dat dierenleed is niet bekend.

Gepubliceerd

05.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Over archieven en hun bewakers  

Mijn betreurde Nederlandse vriend, Marten Heida, vertrouwde me kort voor zijn dood persoonlijk archiefmateriaal toe met betrekking tot de Nederlanden in Frankrijk. Hij zei me letterlijk: “Mijn kinderen hebben geen belangstelling voor alles wat ik heb verzameld. Het zal verloren gaan. Jij bent de enige die ik nog ken die daar iets mee kan doen.”

Dat is ook, samengevat, wat me te wachten staat. De waarde van mijn archief is trouwens voor derden relatief. Stukken over Frans-Vlaamse verenigingen en tijdschriften die ik heb opgericht, zoals Hekkerschreeuwen, Michiel de Swaenkring, Tijl, nieuwsbrief De Lage Landen, enzovoort. Daarnaast persoonlijke briefwisseling met vooraanstaande figuren: Nicolaas Bourgeois, André Demedts, Cyriel Moeyaert, enzovoort. Ook omvat het een vrij volledig archief van alle publicaties van de Vlaamse Volkspartij van Lode Claes, toen ik vrijgesteld was van de VVP; diverse items uit de oprichtingsjaren van het tijdschrift TeKos. Verder papierendocumentatie over de Nederlanden in Frankrijk en de totstandkoming van mijn boeken, ooit alfabetisch geordend, maar sinds het internettijdperk traag maar zeker uitgegroeid tot stapels papieren waar ik geen begin meer in zie.

Wat me ook te wachten staat als ik niet ga opruimen: een late scheiding😉

Kinderen of kleinkinderen, stel dat ze interesse zouden tonen, leven in het digitale tijdperk. Officiële instellingen zijn niet altijd meer te vertrouwen. In Frans-Vlaanderen heb je het CFF, maar daar is er een ‘F’ te veel aan. Aan de Kulak in Kortrijk is de bibliotheek De Franse Nederlanden het toonbeeld van totaal desinteresse voor het onderwerp waarvan ze de naam dragen. In Antwerpen heb je het ADVN. Daar stel ik me veel vragen over het woke wetenschappelijke comité dat in de schaduw van deze instelling opereert. Neem eens het verwante blad Wetenschappelijke Tijdingen in handen. Big brothers Bruno, Nico en hun vrienden woken er graag op los. Ze bepalen met universitaire diploma’s en wetenschappelijke ernst de nieuwe, eenzijdige koers van de geschiedschrijving. Ze noemen dat demythologiseren. Een minimum aan empathie voor de gulle gevers en voor de mensen en feiten uit het verleden lijkt niet meer op het programma.

Ik wil zeker niet veralgemenen, en de ADVN beschikt ook over waardevolle mensen. Maar er ontstaat toch een vertrouwensprobleem wanneer elk vorm van fair play in de geschriften van sommigen ontbreekt.

Voor mezelf ben ik er nog niet uit. Maar als mijn kinderen of kleinkinderen niet geïnteresseerd blijken te zijn, zal ik bij mijn overlijden wellicht mijn persoonlijke archief in een groot vreugdevuur laten verdwijnen. Het belang hiervan voor het nageslacht hangt af van de mate van empathie voor de gedachten en context van uw dienaar.

Nietzsche zei: alles vergaat, alles keert weer”. Een definitie van decadentie is ook wanneer het ‘weerkeren’ onmogelijk wordt gemaakt.

Mijn vriend Marten Heida dacht er niet anders over.

Gepubliceerd

04.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Over taal en identiteit (2)

In de zomer begon ik met het schrijven aan mijn nieuwe boek over taal en identiteit. De warme overpeinzingen die zo’n onderneming meebrengt, wil ik graag regelmatig met mijn lezers delen.

Ze kunnen zowel historisch als actueel van aard zijn. Hier gaan we:

Bewonderenswaardig zijn de mensen die de Frans-Vlaamse streektaal willen leren. Het is geen eenvoudige oefening als je de taal van je ouders niet meer spreekt. Of alleen passief meekreeg.

Als niemand in je omgeving de taal nog spreekt, kunnen alleen talent en volharding je redden. Ik ken mensen die dat al jaren proberen, met vallen en opstaan. Na decennia slagen ze niet altijd in zelfstandig een pint te bestellen in de taal die ze zo graag willen leren. Hoe komt dat?

Ik herhaal: het is bewonderenswaardig om de streektaal te leren spreken. Het is nog sterker om ook standaard Nederlands te leren. Sommige mensen vinden dat je alle verschillen met het Nederlands moet oplijsten en cultiveren om Frans-Vlaams te leren. Het koesteren van een schrijftaal in archaïsche spelling hoort daarbij. Onwetend zijn ze dat de geschreven taal van de Westhoek al 500 jaar het Nederlands is. Zelfs Guido Gezelle schreef niet dialectisch, tenzij om klanken na te bootsen.

Ik wil geen eminente Frans-Vlaamse professoren tegenspreken, maar ik wil mijn persoonlijke ervaring delen.

Ik leerde eerst Nederlands op basis van passieve kennis van de streektaal. Uit natuurlijke luiheid, eigen aan de mens, lijstte ik eerst alle gemeenschappelijke woorden en uitdrukkingen op. Pas daarna interesseerde ik me voor de verschillen, niet andersom. Dat is het bekende verhaal van het halfvolle versus het halflege glas, toegepast op taal.

Het verschil ligt eerst in de denkwijze, maar ook in het resultaat. Met mijn aanpak leerde ik een taal in al haar facetten en diversiteit spreken. Maar ik leerde de taal vanuit wat ons verbindt, niet vanuit wat ons scheidt. Mijn doel was kunnen communiceren van Sint-Omaars tot in Delfzijl. Daarvoor ben ik uit mijn comfortzone gestapt en heb ik de Nederlandssprekenden opgezocht.

De verschillen opzoeken en vastleggen is een leuke bezigheid op zich, maar ook een bijzonder vakgebied. Noem het taalgeschiedenis of etymologie. Daarmee kan je in Frans-Vlaanderen praten over de taal en toponiemen ontcijferen. Maar dat is niet hetzelfde als ‘een taal leren’ en spreken.

Gepubliceerd

03.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Bert Decorte, het wonderkind van de Vlaamse poëzie

Op 2 Juli 1915 werd in het Kempens Retie de dichter Bert Decorte geboren. Marnix Gijsen noemde hem ooit het “wonderkind in de Vlaamse poëzie.”

Hier een kort gedicht van Bert Decorte:

NON-CONFORM

Aan elke lering heb ik lak;
in elk systeem vind ik een lek;
omdat ik niemands zolen lik
en met gevlei geen machtigen lok,
is ’t dat ik niet als andren luk.

Gepubliceerd

02.07.2025

Kernwoorden
Reacties

De maand juli is een heidense maand

In zijn boek “Van simpele menschen”, met naturalistische verhalen over het proletariaat in de streek van Gent, noteert Gustaaf D’Hondt een volksrijmpje uit Deinze:

In juli komt meestal
De duivel van de zolder
En brengt hij in de stal
Het schurft en de kolder.

(Kolder is een paardenziekte die, volgens het bijgeloof, aan de duivel wordt toegeschreven).

Ook John Flanders schrijft in zijn boek “Over folklore” dat ‘juli een heidense maand is’. Hij citeert de Antwerpse schrijver Lebret, die vertelde dat Lange Wapper in de warme julinachten met maneschijn met kinderen op de Paardenmarkt schuilevinkje speelde. Kiliaan noemt dat ‘schuylwinckelspel’.

Natuurlijk won Lange Wapper altijd het spel, totdat de medespelers door hadden dat hij geen schaduw had en dus met Lange Wapper te maken hadden. Gauw zetten de kleuters het op een lopen, maar dan werd het spook woedend en haalde allerlei boevenstreken uit, zolang de nacht duurde.

Na juli verliet het spook de volksbuurten en ging tijdens de oogstmaand op het platteland feestvieren. Ook in Württemberg bestaat het verhaal van mensen die in de zevende maand van het jaar zeven dagen lang zonder schaduw rondlopen.

Juli wordt vaak gezien als de maand van de oogst- en vruchtbaarheidsduivels. Denk aan de ‘korenmoeders’ of ‘korenwuven’, die soms ook zonder schaduw voorkomen.

Ook dieren spelen een rol, zoals de ‘roggewolf’ of de ‘roggebok’. Ook honden, hanen en hazen worden erbij betrokken.

Gepubliceerd

02.07.2025

Kernwoorden
Reacties

Een vergeten tijdschrift: Le Beffroi de Flandre

Op 1 juli 1919 werd het Frans-Vlaams tijdschrift ‘Le Beffroi de Flandre’ gelanceerd. Het zou zeven jaar lang maandelijks verschijnen onder de hoofdredactie van de Duinkerkse journalist en historicus Gaspard Van den Bussche.

De Duinkerse Van den Bussche startte met dit blad op de dag van zijn verjaardag – hij was geboren op 1 juli 1880. Het was voor zichzelf niet alleen een mooie verjaardaggeschenk, maar ook voor de hele Frans-Vlaamse gemeenschap. Het blad zorgde nl.voor de eerste pennenvruchten van een nieuwe generatie jonge regionalisten. Hun namen zullen later in het verenigingsleven zullen opduiken.

De West-Vlaming uit Kortrijk, Edmond Gijselinck, was in die jaren met Van den Bussche in contact. Hij schreef: “ Dat maandschrift verschijnt te Duinkerke onder leiding van Gaspard Van den Buscche, lid van het Comité Flamand de France, een gewaardeerd journalist en voordrachtgever, een nederige, welke boven ijdele plechtigheden en krachtdadige, doeltreffende werking verkiest. Reeds twintig jaar schrijft hij, apostel van het regionalisme, steeds eenvoudig maar diep doordacht rn fijn gevoeld, over zijn klein vaderland.”*

En Gijselinck voegt er nog aan toe dat Van den Bussche verdedigt in dagbladen en tijdschriften:

  1. De administratieve, sociale, literaire en artistieke decentralisatie ;
  2. De restauratie van de natuurlijke en historische provincies, aangepast aan de hedendaagse situatie en het nationale kader.

Gaspard Van den Busche schreef ook onder pseudoniem, onder meer als Jan des Dunes in het weekblad ‘La Vie du Nord’. Hij overleed in Armentiers op 19 december 1961.

Gepubliceerd

01.07.2025

Kernwoorden
Reacties

De zwarte hand, Frankrijk en Wereldoorlog één.

29 juni 1914. We zijn één dag na de moord op Aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie Chotek in Sarajevo. Hun moordenaar Gravilo Princip verklaart dat hij geen enkele medeplichtige had. Hij voegde er aan toe dat zijn daad niet was uitgevoerd op vraag, of met medeweten van de Servische autoriteiten.

Toch was de gekozen datum voor de aanslag geen toeval. Op 28 juni vieren de Serviërs een belangrijke feestdag, Vidovdan. Dat is de feestdag van Sveti Vit, een orthodoxe heilige die liever de marteldood stierf dan aan zijn geloof te verzaken.

In zijn boek ‘Over die oorlog’ heeft germanist en historicus Luc Vanacker het verder over ‘het puzzelstukje dat in de meeste ontstaansgeschiedenissen van de Eerste Wereldoorlog ontbreekt’. Reeds in januari 1914 vergaderden leden van Jong-Bosnië, ‘Mlada Bosna’ in het Servisch, in de Franse stad Toulouse. De aanslag op de Oostenrijkse-Hongaarse kroonprins werd dus in Zuid-Frankrijk besproken en voorbereid. ‘Dan al werd de naam Princip naar voor geschoven”, aldus Vanacker.

Gavrilo Princip (1894-1918), was lid van de geheime Bosnische-Servische nationalistische beweging de Zwarte Hand ( Servisch: ‘Crba Ruka’). Deze samenzwerende groepering, in Toulouse aangeduid om de klus te klaren, was in Servië niet toevallig gekend als ‘zij die Frans spreken’. Haar doel was alle Serven onder één land te verenigen.

De nauwe banden tussen Servië en Frankrijk dateren uit de negentiende eeuw. Duizenden Franse studenten studeerden voor Wereldoorlog I in Belgrado. Ik laat Luc Vanacker nogmaals aan het woord: ‘sinds 1911 bestond er een Franse ‘Office central des nationalités’ dat via vrijmetselaarsloges contact hield met de radicalen in Servië’. ‘Servië was het meest francofiele land ter wereld’ bevestigt de Servische historicus en diplomaat D. T. Batakovic.

75 jaar later, tijdens de Bosnische oorlog in 1992-1995, zullen sommige Fransen nog nadrukkelijk de Servische kant kiezen.

Gepubliceerd

29.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Nederlands moet

(texte en français ci-dessous)

de Andries Stevenkring vergadert in het stadhuis van Kassel. Van links naar rechts Etienne Schryve, Damien Top en Wido Bourel

In de krant Le Monde van 19 april jl. schetst zijn correspondent voor Benelux, Jean- Pierre Stroobants,. het verhaal van Simon, een jonge Bretoen die internationaal recht in het Engels wilde studeren aan de prestigieuze Universiteit Leiden. De correspondent is verbaasd dat de lessen in het Engels plaats moeten maken voor lessen in het Nederlands en noemt het Nederlands “een zeer vreemde taal.” Dit artikel deed me terugdenken aan een interessant gesprek dat ik in 2019 voerde met Annette M. B. de Groot, emeritus hoogleraar experimentele taalpsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Voor haar afscheidscollege koos ze de opvallende titel: ‘Nederlands moet’*.

Momenteel zijn er maar liefst 5.000 Franse studenten ingeschreven aan Nederlandse hogescholen en universiteiten. Je zou denken dat deze studenten hun verblijf in Nederland gebruiken om de taal van het land te leren. Voor een Vlaming lijkt dat vanzelfsprekend, maar voor een Fransman is het een heel ander verhaal. Student Simon deelt zijn teleurstelling: “Men heeft me vriendelijk, maar beslist, gevraagd om na te denken. In de toekomst moeten we rekening houden met minder cursussen in het Engels en meer in het Nederlands.” De correspondent van Le Monde voegt er sarcastisch aan toe dat Simon “een beetje bang is om een ‘zeer’ vreemde taal te leren.” Hij suggereert dat Simon misschien zal afzien van zijn studie door het beperkte aanbod van Engelse cursussen in Nederland.

Stel je voor: je wilt in Nederland studeren, maar je hebt geen interesse in de taal van het land. Dan blijf je toch gewoon thuis! Of studeer in Engeland. Deze ‘zeer’ vreemde taal, zoals het Nederlands hier denigrerend wordt genoemd, wordt gesproken door 25 miljoen Europeanen in Nederland en Vlaanderen. Dit plaatst het Nederlands zelfs binnen de top tien van de meest gesproken talen in Europa.

Van deze feiten lijkt de correspondent van Le Monde zich niet bewust. Hoe zou het ook, want de Franse overheid geeft het slechte voorbeeld. Zij negeert deze taal al decennialang in het onderwijs, ondanks dat het nog steeds als streektaal in het Noorden van Frankrijk wordt gesproken.

De correspondent van Le Monde kan het niet laten om de Nederlandse maatregelen om opleidingen terug naar het Nederlands te brengen te schetsen als maatregelen van de rechtse coalitie in Nederland. Blijkbaar zijn vergelijkbare maatregelen in Frankrijk goed, maar in Nederland slecht omdat ze door een ‘populistische’ regering komen. Logisch, toch?

Los van deze discussie is het verheugend dat de Nederlandse regering eindelijk de rampzalige situatie van de eigen taal aan de universiteiten aanpakt. Het Engels aan de universiteit was een lucratief businessmodel voor instellingen die buitenlandse studenten aantrokken. In het afgelopen decennium is het aantal Nederlandstalige opleidingen met twee derde verminderd. De Universiteit van Amsterdam (UA) ging zelfs zo ver om alle opleidingen in het Nederlands stop te zetten. Het resultaat? Alleen al aan de UA volgen 40.000 studenten een master in het Engels.

Deze situatie kon niet blijven voortduren. De afgelopen jaren klonken er uit het onderwijs regelmatig gezaghebbende stemmen die deze belachelijke situatie aanklaagden, en terecht. Ik vond het passend om de titel van het afscheidscollege van één van die voorname stemmen, prof. Emeritus Annette M. B. de Groot, te gebruiken voor mijn stuk.

Wido Bourel.

*Nederlands moet. Over meertaligheid en de verengelsing van het universitaire onderwijs. Afscheidscollege van Annette M. B. de Groot. 27 september 2017.

———————–

Dans le journal Le Monde du 19 avril dernier, son correspondant pour le Benelux, Jean-Pierre Stroobants,. raconte l’histoire de Simon, un jeune Breton qui souhaitait étudier le droit international en anglais à l’Université de Leiden, prestigieuse institution néerlandaise. Le correspondant s’étonne que les cours en anglais doivent laisser la place aux cours dans la langue du pays, et qualifie la langue néerlandaise de « langue très étrangère ». Cet article m’a également remis en mémoire une conversation intéressante que j’ai eu en 2019 avec Annette M. B. de Groot, professeur émérite de psychologie expérimentale du langage à l’Université d’Amsterdam. Pour son cours d’adieu, elle avait choisi le titre très remarqué : « Le néerlandais : un impératif* ».

Actuellement, pas moins de 5.000 étudiants français sont inscrits dans des établissements d’enseignement supérieur néerlandais.

On pourrait penser que ces étudiants profitent de leur séjour aux Pays-Bas pour apprendre la langue du pays. Pour un Flamand, cela semble évident, mais pour un Français, c’est une toute autre histoire. L’étudiant Simon raconte sa triste histoire : « om m’a gentiment, mais fermement, conseillé de réfléchir. Parce qu’à l’avenir les cours en anglais seront moins nombreux et le néerlandais plus répandu, parait-il. » Le correspondant du Monde ajoute de manière sarcastique que Simon « est effrayé à l’idée d’apprendre une langue ’très’ étrangère. » Il suggère que Simon pourrait même renoncer à ses études en raison de l’offre limitée de cours en anglais aux Pays-Bas.

Imaginez : vous souhaitez faire vos études aux Pays-Bas, mais vous n’avez aucun intérêt pour apprendre la langue du pays. Dans ce cas, restez chez vous ! Ou inscrivez-vous dans une université anglaise. Cette langue ’très’ étrangère, comme le néerlandais est qualifié ici, est parlée par 25 millions d’Européens aux Pays-Bas et en Flandre. Cela place le néerlandais parmi les dix langues les plus parlées en Europe. Il semble que le correspondant du Monde ne soit pas du tout conscient de cette réalité. Comment pourrait-il en être autrement dans un pays ou les autorités donne le mauvais exemple ; Elles ignorent le néerlandais depuis toujours dans l’éducation, bien que cette langue soit encore parlée comme langue régionale dans le nord de la France.

Le correspondant du Monde ne peut s’empêcher de dépeindre les mesures néerlandaises visant à plus de formations dans la langue du pays comme des actions de la coalition de droite aux Pays-Bas. Des mesures similaires en France sont qualifiées de souhaitables, mais aux Pays-Bas, elles sont mauvaises parce qu’elles proviennent d’un gouvernement « populiste ». Logique, non ?

Au-delà de cette discussion, il est réjouissant que le gouvernement néerlandais s’attaque enfin à la situation problématique des formations en langue néerlandaise dans les universités du pays. L’anglais à l’université est un modèle économique lucratif pour les établissements attirant des étudiants étrangers. Au cours de la dernière décennie, le nombre de programmes en néerlandais a diminué de deux tiers. L’Université d’Amsterdam (UA) a même suspendue tous les programmes en néerlandais. Résultat, rien qu’à l’UA, 40 000 étudiants suivent un master en anglais.

Tout ceci ne pouvait durer. Au cours des dernières années, des voix autorisées dans l’éducation ont régulièrement dénoncé cette situation ridicule, et ce à juste titre. J’ai trouvé approprié de reprendre le titre du cours d’adieu de l’une de ces voix éminentes, la prof. émérite Annette M. B. de Groot, pour mon article.

Wido Bourel

*Le néerlandais: un impératif. Sur le multilinguisme et l’anglicisation de l’enseignement universitaire. Cours d’adieu d’Annette M. B. de Groot, 27 septembre 2017. Texte en néerlandais.

Gepubliceerd: in de Nieuwsbrief van de Andries Stevenkring (2 -2025) 27 06 2025

Gepubliceerd

27.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Een Waalse school genoemd naar de vijand

Op 26 juni 1794 vond de slag bij Fleurus plaats. De Franse revolutionaire troepen, onder leiding van generaal Jean-Baptiste Jourdan (1762-1833), vielen de Zuidelijke Nederlanden binnen en versloegen het Oostenrijkse leger. Deze nederlaag leidde tot de Franse bezetting van de volledige Zuidelijke Nederlanden.

Ongelooflijk maar waar: het Koninklijk Atheneum van Fleurus draagt vandaag officieel de naam Athénée Royal Jourdan. Deze naam kreeg het in 1994, ter gelegenheid van de 200e verjaardag van de slag.

Kennen mijn lezers nog een land dat een nederlaag viert en een van zijn scholen naar de vijand noemt? Een extreme vorm van collaboratie, als je het mij vraagt, van de Waalse kameraden. In dit land is het surrealisme niet alleen een kunststroming. Wanneer zal dit ongedaan worden gemaakt?

Gepubliceerd

26.06.2025

Kernwoorden
Reacties
leo taveirne
16.07.2025 - 21:59

In de vroegere In de orangistische stad Antwerpen is er een straat genoemd naar de Franse maarschalk Gerard. Deze Maarschalk viel een 1e maal , nl. in 1815 #Belgie# binnen met teruggekeerde Napoleontische troepen , viel een 2e maal nl. in 1831 nog eens aan om de veldtocht van koning Willem I te stoppen en een 3e maal de piepjonge staat Belgie aan om Nederlandse troepen uit de citadel van Antwerpen te verdrijven.
Deze invallen waren pro-Belgique en anti-Nederland gericht, om geoolitieke redenen , en verstevigden de machtsgreep in Belgie van de Franstaligen over de Nederlandstaligen.

Beantwoorden

De echte D’Artagnan was geen romanheld

Ik bezoek regelmatig Maastricht, een stad die voor de Fransen onuitspreekbaar is als Maastriche. In Grand Café d’Artagnan dronk ik wel eens een smakelijk biertje. De papieren onderlegger onder mijn glas vertelde over het leven van Charles de Batz-Castelmore, beter bekend als Charles d’Artagnan.

Wat heeft d’Artagnan met Maastricht te maken? Wel, deze kapitein van de Franse musketiers – de echte d’Artagnan – werd op 25 juni 1673 in Maastricht getroffen door een Nederlands musketschot. Dit gebeurde tijdens een stormaanval door Franse troepen om de stad in te nemen. D’Artagnan kwam daarbij om het leven. Ik lees verder op de onderlegger: in het Waldeckpark, nabij het Tongerse Plein, markeert een standbeeld de plek waar Charles d’Artagnan om het leven kwam.

Weten de Limburgers niet dat de echte d’Artagnan niet de vriendelijke romanheld was uit de boeken van Alexandre Dumas? Dat men in Maastricht een standbeeld heeft opgericht voor iemand die, aan het hoofd van zijn musketiers, talloze plunderingen, verwoestingen, moorden en verkrachtingen in de Zuidelijke Nederlanden op zijn actief had? En dat was trouwens niet alleen in de Nederlanden zo. D’Artagnan was ook betrokken bij de bloedige en misdadige repressie van de opstand van de Roure in de Franse Languedoc.

Waar vind je in Frankrijk een standbeeld ter ere van de vijand van toen? En wie schreef ook alweer: “Geschiedenis is een hoer die slaapt met de overwinnaar”?

Ik doe niet mee aan de trend om standbeelden neer te halen. Maar in het geval van d’Artagnan in Maastricht zou ik er wel voor pleiten dat er een passende tekst bij het standbeeld komt, die de ware historische context van deze figuur duidelijk maakt.

Gepubliceerd

25.06.2025

Kernwoorden
Reacties

De slag bij Sluis

Op 24 juni 1430 vond de belangrijke zeeslag bij Sluis plaats tussen Engeland en Frankrijk. Deze slag gebeurde in een vroege fase van de Honderdjarige Oorlog.

Koning Eduard III van Engeland zocht de steun van Vlaanderen voor zijn plannen om Frankrijk binnen te vallen. Op dat moment stond Vlaanderen onder Franse controle. De Fransen stuurden een sterke vloot om de Engelse invasie te proberen tegen te houden.

De confrontatie vond plaats aan de monding van het Zwin en wordt daarom de Slag bij Sluis genoemd. Meer dan tweehonderd schepen waren bij de gevechten betrokken. Ondanks dat de Franse vloot numeriek in de meerderheid was, behaalde de Engelse vloot een klinkende overwinning.

De Franse vloot werd tot zinken gebracht. Admiraal Béhuchet, die de Franse vloot leidde, werd opgehangen, en een andere Franse admiraal, Hugues Quiéret, werd onthoofd.

De Slag bij Sluis was een overtuigende overwinning voor de Engelsen. Hiermee kregen zij niet alleen de controle over de zee, maar versterkten ze ook de positie van koning Eduard III in de strijd om de Franse kroon. Daarnaast verstevigden ze de banden tussen Engeland en Vlaanderen.

Gepubliceerd

24.06.2025

Kernwoorden
Reacties

André Belmans: voor een  verdere opbouw van Benelux

Op 22 juni 2008 overleed in Brussel notaris André Belmans. Ik had het genoegen hem enkele jaren voor zijn overlijden te mogen leren kennen. Het waren boeiende gesprekken, al was ik niet met alles eens — verre van.

Hij was de man van de werkgroep E Diversitate Unitas en gaf het tijdschrift ‘De Federalist’ uit.

In André Belmans herkende je de oude Verdinaso-denkwijze, die hij volgde. Deze mogelijke uitweg voor Vlaanderen en België is vandaag vrijwel volledig verdwenen.

Belmans was een vurige voorvechter van provinciale decentralisatie. Volgens hem was het driedelige federalisme in België rampzalig. Zo’n driedelig federalisme, dat per definitie Vlaanderen feitelijk minoriseert in een verhouding van twee tegen één.

André Belmans pleitte niet voor de vlucht vooruit, maar voor de verdere opbouw van de Benelux als stabiliserende factor binnen de EU. Een Europese constructie die volgens hem “toelaat dat Fransen en Duitsers Europa misbruiken om samen de touwtjes in handen te krijgen.” Dat dit nergens toe leidt, en zeker niet tot een sterk Europa, merken we dagelijks steeds meer.

We waren het er wel over eens dat het idee dat de grens tussen Vlaanderen en Frankrijk ooit door het Zoniënwoud zou lopen, catastrofaal zou zijn voor de Vlamingen.

André Belmans was op 12 augustus 1915 in Sint-Gillis geboren. Zijn ouders waren Kempenaars uit Balen-Neet afkomstig. En dat verklaart zijn vele initiatieven voor en in de Kempen.

Gepubliceerd

22.06.2025

Kernwoorden
Reacties

21 juni: een gedicht over de zomerzonnewende

Zomerzonnewende

Donkere bossen en korenvelden,
ronden zich rond in brede kernen.
Weiden, struiken, bomen klaar,
wachten op het hoogste jaar.
Wegen gaan in grijze verte,
boven wolken en gesternte,
in de zomernacht.
Gods zon met vreugd en kracht,
heeft haar machtige baan gebracht,
om de eeuwige wil te volbrengen,
en ons naar de herfst te wenden.
De rijpe graanaren buigen neer,
ze tonen het leven, keer op keer,
vanaf het begin.
Reik je handen uit, en snel!
we vieren de zonnewende wel.
Steek samen het vuur aan,
Ver in het land, zo ver, zo gaan.
Gloeit als dank de moeder Aarde,
licht dat het hele huis bewaarde,
door de loop van het jaar.

Vrij vertaald naar het Duitstalig gedicht “Sommer – Sonnewende” van L. Stengel.
(Vertaling Wido Bourel)

Gepubliceerd

21.06.2025

Kernwoorden
Reacties

De Drie Maagdekens van Kaaster

Dit is de titel van mijn nieuwe boek dat zojuist is verschenen. Wie reeds intekende ontvangt het met de post in de loop van volgende week. Meer info op deze blog bij de rubriek boeken.

Gepubliceerd

20.06.2025

Kernwoorden
Reacties

De vernietiging van Terwaan

Op 20 juni 1553 wordt de stad Terwaan door de troepen van Keizer Karel ingenomen door de Fransen. In de dagen die volgen, wordt de volledige stad, inclusief de kathedraal uit de 13e eeuw, met de grond gelijk gemaakt. Vervolgens wordt zout gestrooid over de ruïnes van de verwoeste stad, zodat er nooit meer iets zou kunnen groeien.

Cyriel Moeyaert schrijft dat de stad Terenburg werd verwoest “op verzoek van de bevolking uit de omgeving, die het slachtoffer was geworden van plundertochten en brandstichtingen door Franse troepen uit de stad, die toen in het bezit was van de Franse koning.”

En in de Annalen van West-Vlaanderen klinkt het zo:

Terwanen was gewonnen / Alsoo elck sach / In wedemaant den twintichsten dach;

En ook:

In junio twee tienen / Hebben Keyser Carolus engienen / Seer net gemonteert / Terwanen sterck en plysant, / Gewonnen vechtender hant / En gantsch geraseert.

Gepubliceerd

20.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Twee recensies in Neerlandia

Zojuist bracht de postbode het nieuwste nummer van Neerlandia (02 2025). Neerlandia is een Nederlands-Vlaams tijdschrift. Het bestaat al 129 jaar. Het publiceert over taal, cultuur en maatschappij van De Lage Landen.

In dit nummer bespreek ik twee boeken van Nederlandse auteurs over Frans-Vlaanderen:

  • Verborgen taal van Erik Driessen
  • Verboden Vlaams te spreken van Jan Pekelder

Het boek van E. Driessen is zonder meer een aanrader. De auteur is ter plaatse geweest en heeft met mensen gesproken. Dat maakt zijn verhaal boeiend en authentiek.

Het boek van J. Pekelder is sterk op het gebied van historische taalkunde.Maar de schrijver verdwaalt jammerlijk in het labyrint van Frans-Vlaamse verenigingen en toestanden. Pekelder bewijst dat je een uitstekende vakman kunt zijn. Maar dat betekent nog niet dat je een goede mensenkenner en analist bent.

Beide auteurs laten zien, ieder op eigen wijze, dat je Frans-Vlaanderen eerst moet leren kennen. Pas daarna kun je erover praten of schrijven. Niet andersom.

Gepubliceerd

18.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Maistre de la Pasture werd Meester van der Weyden

In juni 1464 overleed in Brussel de schilder en belangrijkste meester van de Vlaamse Primitieven, Rogier van der Weyden. Sommige bronnen melden 8 juni als overlijdensdatum, terwijl andere 16 en 17 juni aangeven.

Vanaf 1435 wordt hij vermeld als Brusselaar, maar Rogier werd geboren in Doornik rond 1400. In een document uit 1426 wordt hij nog genoemd met zijn echte familienaam: ‘Maistre de la Pasture’. Een van zijn leermeesters was Robert Campin, beter bekend als ‘Meester van Flemalle’.

Beroemde werken die aan hem worden toegeschreven, hangen in de belangrijkste musea ter wereld:

  • de Kruisafname en de Kruisiging in het Escorial in Madrid;
  • de Lucas-Madonna in het Museum of Fine Arts in Boston;
  • een portret van Karel de Stoute in de Gemäldegalerie in Berlijn;
  • Enzovoorts.

Rogier van der Weyden werkte ook ooit aan het hoofdaltaar van St-Aubert in Kamerijk, dat in 1459 werd opgeleverd. Helaas is dit werk niet bewaard gebleven.

Dat van der Weyden de schilderkunst van zijn tijd heeft veranderd, werd ook erkend door de Vlaamse schilder en schrijver Karel van Mander (1548-1606): “Zo in stellingen, als ordineren, met uytbeeldinghe der menschlijcker inwendighe begheerten, of gheneghentheden.”

Gepubliceerd

17.06.2025

Kernwoorden
Reacties
leo taveirne
16.07.2025 - 11:24

civitas menapiorum eerst in Cassel ingesteld later tijdens romeinse rijk overgebracht naar Doornik–
bisdom Doornik voor het jaar 1555 bestreek vooral een gebied van het graafschap Vlaanderen —
Doornik eerste hoofdstad van het eerste (ons gekende ) Frankenrijk–
Doornik in naamvorming gelijkaardig met Kortrijk, Zellik, …–

Laten we Rogier van der Weyden dan als Vlaming identificeren ongeacht zijn geboorteplaats of latere leefomgeving.
In de 15e eeuw was Brussel trouwens een stad in het Dietse taalgebied. Doornik had toen ook veel affiniteit met het graafschap Vlaanderen. Het claimen van Rogier van der Weyden als Brusselaar (Bruxellois) kan iedereen, daarom is
het nog niet zo. We weten immers dat Karel de Grote door meer dan 1 land ,in exclusiviteit, wordt geclaimd.

Beantwoorden

Gayant beschermt Dowaai tegen de Fransen

Op 16 juni 1479 dwongen de inwoners van Dowaai de Franse legers van Lodewijk XI om het beleg van hun Vlaamse stad te verbreken.

Vroeg in de ochtend probeerden de Fransen Dowaai binnen te dringen via de Atrechtpoort. Een alerte portier kon tijdig alarm slaan.

Om deze overwinning te vieren, werd in 1480 de reus Gayant in het leven geroepen. ‘Gayant’, wat ‘reus’ betekent in het Picardisch, is bedoeld als beschermer van de inwoners van Dowaai. Hij verbeeldt wellicht Sint-Maurontius, zoon van een plaatselijke ridder. Sinds 1530 wordt Gayant jaarlijks in de plaatselijke reuzenommegang gedragen. Een niet eenvoudige taak, gezien zijn hoogte van 7,5 meter.

In 1564 kwam Marie Gagenon, Mevrouw Gayant, en werden haar drie nakomelingen geïntroduceerd: Jacquot, Fillon en Binbin.

In 1770 kregen de Fransen, die Dowaai in 1667 hadden veroverd, door dat deze ommegang anti-Frans bedoeld was. De bisschop van Atrecht werd ingeschakeld om de traditie te verbieden. Sindsdien vinden de jaarlijkse festiviteiten plaats op de zondag na 5 juli.

Dowaai is, hoewel er Picardisch werd gesproken, een door en door Vlaamse stad en heeft daarom ook een historisch Nederlandstalige naam.

Gepubliceerd

16.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Liederik en Fienaert

Op 15 juni 640 heeft het “godsoordeel” plaats tussen Liederik, de legendarische voorvader van de Vlaamse graven, en de reuze Finaert of Finard. De reus werd door Liederik verslagen op de Finsbrug in Rijsel.

Omdat er geen bronnen of vondsten gevonden zijn die het bestaan van deze figuren bevestigen, gaan historici ervan uit dat ze niet hebben bestaan. Men beschouwt daarom de geschiedenis van de Vlaamse graven vanaf Boudewijn met de IJzeren arm (840?-879). Ook die Boudewijn had echter een vader en een moeder. Maar wat niet (meer) kan worden bewezen, wordt voor onze Cartesiaanse wetenschappers als niet bestaand beschouwd. Voor die periode van de geschiedenis betekent dat we 95 % van het historisch verhaal missen. Wat zijn die resterende 5 % dan waard?

Om te mediteren: de Franse dichter, toneelschrijver en filmmaker Jean Cocteau schreef: “mijn voorkeur gaat steeds uit naar de mythen, meer dan naar de geschiedenis, want de geschiedenis wordt gemaakt uit waarheden die leugens worden, terwijl de mythen worden gemaakt uit leugens die waarheden worden.”

Gepubliceerd

15.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Alleen de heer van Westouter wou Frans blijven

“Den 13 juny 1780 is Westoultre, met alle de geïnclaveerde heerlijkheden, immers soo veel als het geestelik bestrekt gekeert naer Maria-Theresia, Koninginne van Hongariën.”

Dat schreef kroniekschrijver Cuvelier uit Reningelst nadat er opnieuw aan de grens werd gesleuteld. Na 112 jaar annexatie bij Frankrijk mocht Westouter opnieuw het kamp van de Adelaar vervoegen. Westouter werd geruild voor een groot gebied van Watou, gebied dat zich toen uitstrekte tot in het centrum van Steenvoorde.

Alleen de heer van Westouter had het niet begrepen op de Oostenrijkse Nederlanden en wou Frans blijven. Dezelfde Cuvelier schrijft spottend:

“Den heere van Westoultre was vertrocken uyt syn casteel. Gelyk hy wat in’t hoofd geslegen was, hy conde niet gelooven dat Westoultre conde keeren aen de koninginne; men tragte op alle manieren hem dit te doen geloven, op ’t lest, hy zeyde, dat se doen dat se willen, Westoultre can wel keeren, maer alwaer myn casteel Fransch blyven.”

De dag van 13 juni werd bezegeld met een sobere plechtigheid in de kerk van Westouter.

Gepubliceerd

13.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Een taalkundige op bezoek…

Na ’t succes van “Frans en toch Vlaams” kwam mijn uitgever Karl Drabbe van uitgeverij Ertsberg met de suggestie om te schrijven aan een nieuw boek over taal en identiteit.

In dat verband ben ik alvast in mijn archief gedoken om artikels die ik ooit schreef, en ook in mijn documentatie en nota’s rond taal. Ik vond ook dit:

Op 12 juni 2022, vandaag drie jaar geleden, schreef ik over een tekst van Cyriel Moeyaert die het had over de taal van mijn ouders, ’t Vlaamsch van Kaaster, dus.

Cyriel kwam geregeld bij ons thuis op bezoek. De nota die volgt, schreef hij in 1974, een half eeuw terug dus. Ze verwijst naar zijn vele gesprekken met mijn vader in de periode 1972-1974, en ook naar mijn bescheiden taalwaarnemingen die ik Cyriel regelmatig meedeelde. Wat ik niet (meer) wist, en herontdekte, is dat deze tekst ooit werd gepubliceerd in Ons Erfdeel (jaargang 17, 1974).

Ik laat nu Cyriel aan ’t woord:

“Wido Bourel uit Kaaster is nu ook een gewaardeerd medewerker geworden. Z’n vader (en ook z’n moeder) spreken uitstekend z’n streektaal.

Dat Wido goed weet waar te nemen, blijkt duidelijk uit z’n aantekening: ‘Chuum pagelór’ met een misprijzende ‘ch’ voor: ‘gij’n knoeier’, met dat merkwaardige ’n na gie, hier uitgesproken als ‘chuu’.

‘Koekemoond’ is een levendige weergave van een tandeloze mond, en is een van de gevallen waarin in die streek ‘oo’ gehoord wordt in plaats van ‘oe’: ‘stool’ (stoel), ‘woonsdag’ (Steenvoorde), enzovoort. Dus vaak voor een ‘n’. Ons ‘noen’ komt ook van ‘nonae’, en het Boonse zegt nog altijd ‘après-noon’, ook in ’t Engels volgens de oorspronkelijke uitspraak ‘after-noon’ gespeld… Gezelle heeft ‘koekemond’ (uitgesproken als ‘koekemoend’) aangetekend in Zonnebeke, en hij verwijst naar het Kortrijkse ‘mokkemond’.

In Kaaster krijgen we ‘op’ i.p.v. ‘met’ in: ‘e lietje op e keeë’. ‘E bitje op e keeë’ zeggen ze alleen van brood, bijvoorbeeld (dus het oorspronkelijke ‘beetje’). In Winnezele is het eveneens het voorzetsel ‘op’: ‘je ku(t) gin tweeë (h)ózen slieëten op e keeë’ (je kunt geen twee hazen tegelijk schieten = geen twee klusjes tegelijk doen).

Nog in Kaaster: ‘je kiekt lik e sjuui’ betekent: je ziet eruit als een vogelverschrikker (schuw), gezegd tegen slordige langharigen bijvoorbeeld.

Het merkwaardigste uit Kaaster is het plaatselijk woord voor hagedis: ‘egetatse’. Het woord komt als ’t ware rechtstreeks uit het Middelnederlands Woordenboek, nl. ’egetetse’. Verdam schrijft ’egetisse’. Gezelle noemt het ook uit Poperinge, waarschijnlijk beïnvloed door het West-Vlaamse ‘lokketesse’, nl. ‘heketesse’, ten onrechte met begin-h, zoals De Vries in z’n Etymologisch Woordenboek laat vermoeden. In Broksele noemen ze dat dier vreemd genoeg ‘slangje’ (slangetje). De Vries zegt dat het eerste deel van dat woord, nl. ‘egi’, misschien verwant is met het Oudindisch ‘ahi’, en het Grieks ‘ophis’ = ‘slang’.”

In Kaaster ‘bachten de kapalle’ waren er toen genoeg zegslieden om Cyriel blij te maken. Als hij mijn vader hoorde zeggen: ‘j’het assan stouthalzen!’, kroop Cyriel meteen in zijn pen om dat middeleeuws woord ‘stouthals’, hier in de betekenis van ‘waaghals’, te noteren.

En de dag van Cyriel kon niet meer stuk als de Kaasternaars deze prachtige woorden voor hem toverden: “Koude kasse” voor koelkast; “kattieverik” voor vuil, gemene kerel; “verfbustelaore” voor verfkwast; “de buteweg kriigen” voor weggejaagd worden.

Dat was in de tijd dat het hele dorp nog Vlaams sprak. Lang vervlogen, maar onvergetelijke tijden.

Gepubliceerd

12.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Een heidense plant: de dunderblomme of dunderblaren

Vorig jaar op 11 juni noteerde ik dat het huislook of donderbaard spectaculair aan het schieten was. Dat is dit jaar nog niet het geval, maar de groei is wel forser dan andere jaren. Hier in de Kempen heb ik nog enkele poten staan met donderbaard die uit Frans-Vlaanderen komt. Ooit kreeg ik de plantjes van mijn moeder met de boodschap dat ze afkomstig waren van het dak van een oude schuur bij haar grootouders in Eke. En de voornaamste boodschap was: het zal jullie geluk brengen!

Mijn moeder, die in Terdegem was geboren, noemde donderbaard “dunderblomme”. Mijn vader was van Kaaster en had het meestal over ‘dunderblaren’, uitgesproken als ‘dunderblâan’. Dunderblaren, aldus mijn flora uit 1896*, was ook de naam voor donderbaard in Belle, Berthen, Meteren, Merris, St.-Janskappel, Vleteren, Wormhout en omstreken.

Ik lees verder in mijn flora: “Sempervivum tectorum, joubarbe des toits, Jovis barba, Jupitersbaard: oude mythologische plant”. De donderbaard is gewijd aan Donar = Thor. Donderbaard groeide vroeger op vele daken als beschermer tegen blikseminslag. Volgens moeder weerde de plant ook alle kwaad. Er werd me aangeraden altijd een pot niet te ver van de voor- of achterdeur van ons huis te plaatsen. Wat ik ook prompt deed. Want met die dingen werd bij ons in de familie niet gelachen.

Donderbaard heeft ook geneeskrachtige eigenschappen. De dikke, vlezige bladeren nemen veel water op. Volgens moeder genas dat water alle mogelijke knobbels en gezwellen. Reeds in de tijd van Karel de Grote was huislook gemeld als bijzondere plant. In zijn “Capitulare de villis” liet hij donderbaard opnemen met als opdracht: “de tuinman moet donderbaard op zijn huis hebben”. Ik heb dat ooit geprobeerd maar op de mechanische pannen van de 21ste eeuw is dat niet vanzelfsprekend.

*IETS OVER MIJN FLORA UIT 1896

Het boek vond ik ooit in een uitverkoop in Antwerpen, op een vergeten boekenrek. Dat was de vondst van het jaar.

Let op de titel: “De Vlaamsche volksnamen der planten van België, Fransch-Vlaanderen en Zuid-Nederland.” De ondertitel luidt: ‘Met aanduiding der toepassingen en der genezende eigenschappen der planten’. De auteur is E. Paque, een jezuïet, professor Plantenkunde aan de faculteit van wetenschappen te Namen.

Het boek deed beroep op een veertigtal specialisten die in elke regio, in totaal in 271 gemeenten, op zoek gingen naar de volkse benamingen van planten. Specifiek voor Frans-Vlaanderen waren dat V. de Breyne en H. Opsomer, ik vermoed twee West-Vlamingen, maar dit moet ik nog verder opzoeken. Weet iemand van mijn lezers meer over deze twee plantdeskundigen? In de negentiende eeuw, met de bescheiden middelen van toen, was men niet te beroerd om een onderzoek te voeren over planten, en dat niet aan de grens stopte. Daar kunnen de academici van nu nog iets van leren.

Het boek telt 722 blz. en is versierd met 675 tekeningen. De uitgever is Wesmael-Charlier in Namen.

Gepubliceerd

11.06.2025

Kernwoorden
Reacties

De eerste  Nederlandse vestiging op Manhattan

Op 10 juni 1610 vestigen de eerste kolonisten uit de Nederlanden zich op Manhattan. De Halve Maen is het eerste schip van de Verenigde Oost-Indische Compagnie dat, onder leiding van Henry Hudson, Manhattan bereikt. Ook de plaatselijke rivier krijgt zijn naam.

In 1626 wordt Peter Minuit de nieuwe gouverneur van wat toen Nieuw Nederland heette. Hij koopt Manhattan van de Indianen in ruil voor een partij rode stoffen, koperen knopen en glazen parels, met een totale waarde van 60 gulden.

Peter Minuit of Minnewiet stamde uit een Waalse familie uit Doornik die was gevlucht voor de religieuze repressie in zijn streek. Hij was als zoon van protestantse vluchtelingen geboren in het Rijnlandse stadje Wesel. Later zou hij ook diaken worden van de Waalse kerk.

Gepubliceerd

10.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Een citaat over Jean-Marie Gantois

Het is vandaag een gewoonte om de Vlaamse Beweging in Frankrijk van de jaren ’30 van de vorige eeuw aan te klagen met alle zonden van de mensheid. Het kwaad wordt dan gepersonaliseerd door Jean-Marie Gantois als boeman. Maar is dat terecht?

In het blad Courrier des Pays-Bas Français van juni 1988 lees ik dit citaat in een artikel over de twintigste verjaardag van het overlijden van Gantois, geschreven door de bekende Frans-Vlaamse publicist en reisleider Georges de Verrewaere:

“In 1939 antwoordden alle leden van het Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF) op de mobilisatie voor het Franse leger. Niemand ontbrak op het appel. Tijdens de lange jaren van de bezetting was het VVF niet betrokken bij collaboratie, of deze nu militair, administratief of economisch was. Niemand van het VVF leverde voedingswaren aan het Duitse leger, of bouwmaterialen voor het bouwen van de Atlantikwall.”

Natuurlijk was Gantois een Heel-Nederlander die tegen het Franse jacobinisme vocht. Natuurlijk zijn er denkwijzen uit die periode die in onze tijd niet te vatten zijn. Natuurlijk werden er fouten gemaakt. Maar een minimum aan empathie helpt om een en ander in zijn context te plaatsen.

Le Courrier des Pays-Bas Français was een regionalistisch en Europees tijdschrift onder leiding van de Frans-Vlamingen Gérard Landry en Alain Walenne, waaraan ik ook meewerkte. Het verscheen maandelijks acht jaar lang, tussen 1983 en 1991.

Gepubliceerd

09.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Marguerite Yourcenar: ‘mijn eerste thuis waren de boeken’

Op 8 juni 1903 werd de Frans-Vlaamse romanschrijfster Marguerite Yourcenar in Brussel, Louisalaan 193,geboren. Haar moeder Fernande de Cartier de Marchienne, 31 jaar oud, overlijdt tien dagen na de geboorte van Marguerite. Tot in 1912 leeft Marguerite met haar vader Michel Cleenewerck de Crayencour op het domein van haar grootmoeder langs vaderskant, op de Zwartberg. De familie Cleenewerck behoorde tot de patriciërs van Kaaster en van het Belleambacht in de zestiende eeuw.

Twee citaten van Marguerite Yourcenar:

Het geheugen van de meeste mensen is een verlaten kerkhof, waar zonder eer doden liggen die ze niet meer liefhebben.

De ware geboorteplaats is die waar men voor het eerst een slimme blik op zichzelf heeft geworpen: mijn eerste thuis waren de boeken.

Gepubliceerd

08.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Karel Biddeloo, de tekenaar van de Rode Ridder

Op 7 juni 2004 overlijdt in Gooreind de Vlaamse striptekenaar Karel Biddeloo. Biddeloo kwam in 1966 in dienst bij studio Vandersteen en tekende voor de series Biggles, Karl May en Safari.

Hij maakte vooral naam als de tekenaar van de Rode Ridder, waaraan hij vanaf nummer 37 van 1968 “De wilde jacht” werkte. Een jaar later nam hij de volledige reeks van De Rode Ridder over en werkte hij voortaan niet alleen aan de tekeningen, maar ook aan de scenario’s.

Gepubliceerd

07.06.2025

Kernwoorden
Reacties

De strijd tussen de Dampierres en de Avesnes

Op 6 juni 1251 overleed Willem III van Dampierre, ook bekend als Willem II van Vlaanderen. Tijdens een riddertornooi in Trazegnies (Henegouwen) werd hij dodelijk vertrapt door de paarden van een groep ruiters. De nabestaanden van Willem waren van mening dat dit geen ongeluk was, maar een aanslag die kaderde in de familiale twisten tussen de Dampierres en de Avesnes, rond de Vlaams-Henegouwse successieoorlog.

Jan van Avesnes en Willem van Dampierre, kinderen uit respectievelijk haar eerste en tweede huwelijk, waren de twee kemphanen in een verschrikkelijk en ingewikkeld conflict. Vanaf juli 1246 werd Willem mederegent over het graafschap Vlaanderen, samen met zijn moeder Margaretha van Constantinopel.

Jan van Avesnes zou zes jaar na zijn halfbroer overlijden.

Margaretha, die de sleutel van het verhaal in handen had, overleefde haar zonen en stierf in 1280. Ze werd begraven in het klooster van Flines, bij Rijsel, dar ze had laten bouwen.

Willem van Dampierre was geboren in 1225, dit jaar precies 800 jaar geleden.

Gepubliceerd

06.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Sporen van onze taal in Polinchove

In wat volgt gaat het niet over Pollinkhove als deelgemeente van Lo-Reninge in West-Vlaanderen. Het gaat om Polincove (Pollinkhove), een dorpje met amper 700 inwoners, tegenwoordig in het departement Pas-de-Calais.

Polincove behoorde historisch tot Artesië, en meer bepaald tot het land van Bredenaarde. Andere gemeenten in de omgeving zijn het stadje Audruicq (Ouderwijk), Nortkerque (Noordkerke) en Zutkerque (Zuidkerke).

Daar in Polincove en omgeving hebben de bewoners heel lang hun Oudvlaams blijven spreken.

Een bewijs? De klerk van het dorp gebruikte in 1612 nog onze taal voor een kwitantie uit de stadsrekening. De tekst zegt dat:

Jehan de Malynnes den Ouden een zekere somme gelds heeft ontvangen van Andries Loete vor te hebben ghetymmert den tore vande de proche (parochie) van Pollynchove.

Ik lees dit in het boek Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands, uitgegeven in 2003 bij Prometheus Amsterdam door Jan W. de Vries, Roland Willemyns en Peter Burger.

Polincove sprak inderdaad nog onze taal in de zeventiende eeuw, en is pas twee eeuwen later geleidelijk aan verfranst. In zijn boek ‘De Nederlanden in Frankrijk’ schrijft Jozef van Overstraeten dat Polincove ‘het laatste Vlaamssprekende dorp bezuiden de A was’? en dit tot in het begin de twintigste eeuw.

Men weet verder van negentiende-eeuwse reizigers dat er nog Vlaamssprekende mensen voorkwamen in het Land van Bredenaarde in die tijd.

De gesproken Vlaamse taal van het Land van Bredenaarde was wellicht nog meer beïnvloed door het Noordzee-Germaans of Ingveoons dan de andere gebieden die West-Vlaams spraken.

Ik hoop dat al die oude teksten ergens in archieven veilig zijn bewaard. Maar ik stel me veel vragen bij het bijhouden van oude teksten in een taal die men niet meer beheerst in een land als Frankrijk.

Gepubliceerd

05.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Henri Grégoire wilde alle streektalen en patois uitroeien

Op 4 juni 1794 (16 prairial van het jaar II) hield de revolutionaire priester en politicus Henri Grégoire (1750-1831), bekend als abbé Grégoire, een brandrede in het Franse revolutionaire parlement tegen de vele talen en streektalen die Frankrijk rijk is. Zijn rede droeg de veelzeggende titel:

“Rapport sur la nécessité et les moyens d’anéantir les patois et d’universaliser la langue française “(Rapport over de noodzaak en de middelen om de dialecten uit te roeien en de Franse taal te universaliser)

Let op het woord ‘anéantir’: Grégoire wilde de talen die op het Franse grondgebied werden gesproken ‘uitroeien’, dus.

In zijn beruchte rapport somt Grégoire dertig ‘patois’ op die in het land worden gesproken. Ik som ze in het Frans even op:

« bas-breton, normand, picard, rouchi ou wallon, flamand, champenois, messin, lorrain, franc-comtois, bourguignon, bressan, dauphinois, auvergnat, poitevin, limousin, provençal, languedocien, velayen, catalan, béarnais, basque, rouergat, gascon ».

En hij voegt het Italiaans gesproken in Corsica en het Duits in de Elzas nog toe. Ook deze zijn volgens hem geen “talen” maar “patois”. Voor Grégoire is blijkbaar alleen het Frans een taal.

Wie sprak Frans in Frankrijk?

Opmerkelijk maar al lang vergeten: in Frankrijk sprak men, in de tijd van de Franse Revolutie, vlot Frans in amper 15 van de 83 departementen die het land op dat moment telde. Op een bevolking van toen 28 miljoen inwoners konden 6 miljoen Franse staatsburgers geen Frans spreken, en nog eens 6 miljoen Fransen konden het Frans alleen maar begrijpen maar niet spreken. In totaal waren dat 12 miljoen Fransen die in de tijd van de Franse Revolutie geen of onvoldoende kennis hadden van de Franse taal. Dat is meer dan 42% van de bevolking.

Onbegrijpelijk maar waar: in 1989 werd de beruchte jakobijn abbé Grégoire, op initiatief van de socialistische president François Mitterrand, bijgezet in het Franse Panthéon. De hoogste eer die een overledene kan krijgen in de Franse Republiek, voor een rabiate jakobijn en de initiatiefnemer van de Franse linguicide.

Gepubliceerd

04.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Over de wedermaand

In 1586 “Den derde wedermaent (3 juni) hevet gemaect te Hazebroek een groot tempeest van donder, en daer vielen haghelsteenen van de grote van henne eyeren die bedorven alle de coornen rugghe en de boomen.”

Spijtig genoeg ben ik vergeten de bron van dit citaat te noteren. Weet iemand van mijn lezers vanwaar die tekst komt?

WEDDERMAAND of WEDERMAAND is een andere naam voor juni. De naam zou wijzen naar de vaststelling dat in juni en ook in juli de meeste onweren voorkomen.

Dit citaat bevestigt de zienswijze van de Zuid-Nederlands taalgeleerde en dichter Kiliaan (ca 1529 – 1607), die schrijft dat de wedermaand of weddermaand zo is genoemd omdat juni samen met juli de maand is waarin de meeste onweders ontstaan.

Er is ook een andere mogelijke betekenis voor de naam: het kan gaan over de ‘wede’ of het gras of grasveld dat gemaaid wordt.

Andere namen voor juni zijn zomermaand, wiedemaand, gerstmaand, hoeimaand, braakmaand, rozenmaand en doolmaand.

En nog twee Frans-Vlaamse spreekwoorden die bij juni passen:

Juni koud en nat,
wenig koorn in ’t vat,
wenig zeem in de korven,
’t hele jaar is bedorven.

En bij droog weer:

Juni meer droge of nat
Vult met goên wyn het vat

Gepubliceerd

03.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Miljoenen en nog miljoenen soldaten

Begin juni 1914, geen twee maanden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, verscheen in de Britse krant The Times een overzicht van de troepensterkte van de verschillende Europese landen.

Het Duitse leger voorzag dat het tegen 1915 over ongeveer 5,4 miljoen soldaten zou beschikken. Frankrijk had de driejarige dienstplicht ingevoerd en telde 3,5 miljoen manschappen. Parijs geloofde nog steeds in negentiende-eeuwse verdedigingstechnieken en versterkte de grenzen met Duitsland. Dat de Duitsers ook via België zouden kunnen en willen binnenvallen was bij de Franse militaire leiding geen optie.

Rusland kon in 1914 ‘maar’ 1,7 miljoen eenheden mobiliseren, maar het maakte zich sterk dat dit snel kon groeien tot ongeveer 6,5 miljoen manschappen. Oostenrijk-Hongarije en Italië waren bezig met het versterken van hun militaire vloot. Zweden, Nederland, België en de Balkanlanden gaven meer geld uit aan militaire zaken.

De redacteur van The Times was vooral bezorgd omdat Groot-Brittannië zelf geen bijkomende initiatieven nam en de Britse landmacht aan de kant bleef staan. De Britten genoten blijkbaar van de voordelen van de Entente met grote militaire mogendheden, maar waren (nog) niet van plan extra inspanningen te leveren. Het was nog allemaal in de beginfase.

Elke gelijkenis met de huidige situatie in Europa is geen louter toeval.

Gepubliceerd

02.06.2025

Kernwoorden
Reacties

Noord-Berkijn, waar de taalgrens het dorp in twee verdeelde

Vandaag, precies één jaar nadat ik erover schreef, wil ik mijn Franstalig artikel over het Frans-Vlaamse dorpje Noord-Berkijn (Vieux-Berquin) in het Nederlands aanvullen.

Het dorpje Noord-Berkijn krijgt geen vermelding in toeristische gidsen. De reden is dat de gemeente tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig werd verwoest. Mijn interesse voor Noord-Berkijn komt door onze familiegeschiedenis. Sinds 1797 woont onze familie in Kaaster, maar ze zijn eigenlijk afkomstig uit Noord-Berkijn. Waarom verhuisden ze? Was het liefde? Of de kost? Of de gevaren van de revolutionaire tijden? Niemand kan het nog precies vertellen. Wat zeker is: toen mijn voorouder verhuisde, was zijn moedertaal het Frans-Vlaams.

In die tijd vormde de Leie, op vier km van Noord-Berkijn, de taalgrens. Een gedenkplaat op de kerk van Herzele bevestigt dat. Daar staat een Nederlands grafschrift uit de 18e eeuw, voor de pastoor van Herzele, die onze familienaam draagt en in onze stamboom voorkomt. Ook hij was afkomstig uit Noord-Berkijn. Hij koos voor een Nederlandstalig opschrift omdat Frans-Vlaams zijn moedertaal was.

De Grote Oorlog verwoestte grotendeels de gemeentearchieven van Noord-Berkijn. Toch blijven enkele documenten uit de 16e eeuw bewaard. Schepenen, waaronder één met onze familienaam, schreven in die periode vlotte Oud-Nederlandse verslagen. Ook de baljuw van het lokale bosgebied, Pierre of Pieter Bourel, deed dat.

De taalgrens verdeelde de gemeente

Het is moeilijk te reconstrueren wanneer de dorpen in de Leiestreek verfransten. Voor Noord-Berkijn zijn er echter twee interessante getuigenissen.

De eerste komt van Albert Quille, een industrieel uit Mergem (Merville). In 1929 schrijft hij dat halverwege de 19e eeuw Noord-Berkijn op taalgebied in tweeën was gesplitst. De hoofdstraat fungeerde als taalgrens. Noordelijk van de straat was alles Vlaams, ten zuiden alles Frans.

Deze situatie bleef bestaan in de tweede helft van de 19e eeuw. Jules Lemire (1853-1928), een bekende priester-politicus uit Noord-Berkijn, getuigde in het tijdschrift Biekorf over hoe het eraan toe ging. Hij schreef dat de pastoor zijn parochianen voor de zondagsmis telkens in twee groepen splitste. Tijdens de mis sprak hij in het Frans-Vlaams tot de links gezeten parochianen, en in het Frans tot de rechts gezeten groep.

Volgens de Amerikaanse specialist van de Franse negentiende eeuw, Jozef Weber, bleef de taalsituatie in de Leiestreek tot het begin van de Eerste Wereldoorlog bestaan.

Gepubliceerd

01.06.2025

Kernwoorden
Reacties
Pol Herman
03.11.2025 - 18:19

Voor mijn studie over romaanse doopvonten zoek ik informatie over de twaalfde-eeuwse doopvont die zich in de kerk van Neuf-Berquin bevond. Weet u soms wie mij hierbij kan helpen ? Ze werd beschreven in “Le Nord Monumental en Artistique” in 1897, maar ik vind er geen enkel spoor van. Dank bij voorbaat. Pol Herman, Paulusstraat 34, 1570 Galmaarden

Beantwoorden

Willem Elsschot: “bitter, bitter grieft het mij.”  

Op 31 mei 1960 overlijdt in Antwerpen de schrijver en dichter Willem Elsschot.

Elsschot was geen veelschrijver, maar zijn romans ‘Lijmen’, ‘Het been’ en ‘Kaas’ behoren tot de beste bladzijden uit de Vlaamse en Nederlandse letterkunde.

Ook zijn dichtwerk is beperkt in omvang, maar meesterlijk. Elsschot had geen vrede met onrecht. Met zijn gedichten was hij bereid zijn roemrijke schrijversloopbaan en reputatie in de weegschaal te leggen, zoals met zijn gedicht Borms.

Dit gedicht was uit verontwaardiging geschreven nadat het Belgische gerecht een kreupele man, in de persoon van de Vlaamse voorman August Borms, wegens collaboratie op 12 april 1946 had gefusilleerd. Sommige vrienden van Elsschot waren hierover verontwaardigd. Ze vergaten nogal snel dat Elsschot, reeds in de jaren dertig, met dezelfde verontwaardiging een gedicht had geschreven, gewijd aan Marinus van der Lubbe, die ter dood was veroordeeld en in 1934 was onthoofd als vermeende brandstichter van het Duitse Rijksdaggebouw.

De laatste strofe van zijn Bormsgedicht luidt als volgt:

Gij dacht, o lijdzaam volk, dat ’t gruwelijk getij
der oude tirannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoort,
Zolang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.

Telkens als ik twijfel of het gevoel heb dat ik het niet meer aankan, herhaal ik deze twee laatste regels.

Gepubliceerd

31.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Jeanne d’Arc:  een Franse mythe

Op 30 mei 1431 stierf Jeanne d’Arc volgens Franse geschiedenisboeken op de brandstapel. Maar klopt dat wel?

Het is onjuist dat Jeanne een herderin van bescheiden afkomst was, zoals vaak wordt beweerd. De eerste Jeanne was mogelijk een bastaarddochter van koningin Isabeau van Beieren en Lodewijk van Orléans. Dit verklaart waarom ze de ridderlijke gevechtstechnieken en het paardrijden perfect beheerste, zoals een ridder.

Ze speelde een leidende rol bij de bevrijding van het Franse Koninkrijk in de oorlogen van die tijd.

Kort na haar verbranding verspreidde het gerucht dat Jeanne niet op de brandstapel was gestorven, maar ontsnapt. Verschillende figuren die zich voor Jeanne d’Arc uitgaven, liepen toen rond en voedden deze theorie.

Een andere Jeanne?

Vreemd is dat in de kerk van het oud wijndorp Pulligny in Lotharingen (département Meurthe-et-Moselle) een graf bestond.

Daar stond te lezen:

ci gît hautle et honorée Dame Jehanne du Lis…

In het Nederlands klonk het opschrift ongeveer als volgt:

Hier ligt de hoogwaardige en geëerde Dame Jehanne des Armoises, gezegd du Lis, Maagd van Frankrijk…

Deze Jeanne des Armoises stierf waarschijnlijk rond haar twintigste jaar, in 1451 of 1452, ongeveer twintig jaar na de episode van de brandstapel. Voor de Lotharingers van Pulligny was er geen twijfel: Hier was de enige echte Jeanne begraven, de Maagd van Frankrijk, die de brandstapel had overleefd.

Verdwenen en heiligverklaard

Later verdween Jeanne d’Arc lange tijd uit de Franse geschiedenisboeken en raakte ze bijna vergeten.

Ze kwam pas in de negentiende eeuw weer in beeld, vooral na haar zaligverklaring in 1874.

Deze zaligverklaring volgde niet toevallig kort na de Franse nederlaag in de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871. Door deze oorlog verloor Frankrijk Lotharingen samen met de Elzas en aan Duitsland.

De mythe van Jeanne als Lotharingse herderin kwam dus opnieuw van pas om het Franse revanchisme tegen Duitsland aan te wakkeren. Het werd gebruikt om de Fransen te laten zien dat Lotharingen Frans bleef, ondanks de Duitse verovering en annexatie.

Jeanne d’Arc werd pas in 1920 officieel heilig verklaard, na de Franse overwinning in de Eerste Wereldoorlog. Ze had zogezegd opnieuw Frankrijk gered.

Echte of valse Jeanne d’Arc

Even vreemd als opvallend: het opschrift op het graf van Jeanne in Pulligny werd door de kerkelijke autoriteiten in 1909 verwijderd, waarschijnlijk in opdracht van derden.

Dat was niet toevallig tussen haar zalig- en heiligverklaring. Sporen van andere pretendenten die de nieuwe Franse mythe konden verstoren, waren duidelijk niet meer gewenst.

Toch kunnen de oudere inwoners van Pulligny je vandaag nog wijzen op de plaats waar Jeanne, de Maagd van Frankrijk, was begraven…

Gepubliceerd

30.05.2025

Kernwoorden
Reacties
leo taveirne
16.07.2025 - 12:37

Wat men zo niet al doet om een gebied te claimen.
Toepasselijk op de 20e en 21e eeuw. Waar orthodox-christenen zich benadeeld weten laat de tsaar weten dat Rusland voor die gelovigen moet opkomen. Waar Russischtaligen worden gevraagd zich te schikken naar hun gastland, daar staat Rusland klaar om hen te verdedigen ongeacht de souvereiniteit van het gastland en ongeacht de niet-Russische nationaliteit ( verkregen in of verleend door het gastland) van die Russischtaligen
En Tsaar Vladimir Vladimirovitsj Poetin II zei onlangs. Als een Russische soldaat voet zet op een stuk grond in het buitenland dan wordt dat stuk grond een deel van Rusland. Vandaar dat Rusland zich oostwaarts uitbreidde en Siberie koloniseerde tot in Vladivostok (Vladi=beheers en vostok= het Oosten, of Beheers het Oosten) en Vladimir (Vladi=beheers en mir = vrede of wereld, zeg maar wereld bij deze naamgeving)

Beantwoorden

Oswald Spengler:  ‘de geest wikt, het geld beschikt’

Op 29 mei 1880 werd de Duitse conservatieve geschiedfilosoof en cultuurhistoricus Oswald Spengler in Blankenburg (Harz) geboren.

In 1918 en 1922 werden zijn magnum opus, ‘De ondergang van het Avondland’, in twee delen uitgegeven. Spengler schreef aan dit werk tijdens de Eerste Wereldoorlog. De titel op zich droeg al een krachtige boodschap. Het werd snel gezien als een profetische voorspelling van wat Europa inmiddels is overkomen.

Het cultuurpessimisme en fatalisme van Spengler vielen niet in de smaak bij het toen opkomende nationaalsocialisme. Als ik me niet vergis, was het Joseph Goebbels zelf die sprak over Spengler als de ‘Untergangsmelodramatiker’.

Een opmerkelijk initiatief was in 2017 de nieuwe Nederlandstalige uitgave van De ondergang van het Avondland, opnieuw uitgegeven door Boom Uitgevers. Een prachtige uitgave in twee delen, samen goed voor 1.200 pagina’s.

Oswald Spengler overleed in München op 8 mei 1936, amper 56 jaar oud, aan een hartaanval. Zijn bekende voorspelling dat ‘er tien jaar later geen Duits Rijk meer zou bestaan’ was even treffend en raak als de titel van zijn magnum opus.

Een citaat van Oswald Spengler om op Hemelvaartsdag te mediteren:

Wie God definieert, is al een atheïst.

Gepubliceerd

29.05.2025

Kernwoorden
Reacties

De Drie Maagdekens van Kaaster

vers van de pers!

De geheimen van een vergeten cultus

Dit is de titel van mijn nieuwe boek dat zojuist is verschenen. Wie reeds intekende ontvangt het met de post in de loop van volgende week.

Wie zijn de drie maagden?

In het hart van het Frans-Vlaamse Kaaster ligt een eeuwenoude kapel met een intrigerende naam: de Kapel van de Drie Maagden.

Deze kapel was ooit het centrum van een belangrijke volksverering. Tijdens de ommegang trokken meer dan 20.000 bedevaarders er jaarlijks naartoe.

De christelijke legende die aan de kapel van Kaaster verbonden is, voert ons terug naar de heidense tijden. Toen vervulden vrouwen goddelijke functies.

De reis van de auteur begint in Kaaster. Maar het leidt ons ook naar Europa en het Indo-Europees pantheon.

Technische gegevens

Het boek is een tweetalige uitgave in het Nederlands en Frans. Het telt 124 pagina’s. Het formaat is 14 x 26 cm. Het bevat 23 illustraties.

De oplage is beperkt. Het boek wordt niet in de boekhandel verkocht. Het is exclusief verkrijgbaar bij de auteur. Elk exemplaar wordt gesigneerd. Reserveer vandaag nog uw exemplaar via deze Facebook-pagina, per e-mail op widopedia@hotmail.com, of via mijn blog www.widopedia.eu.

Titel
De Drie Maagdekens van Kaaster
Tweetalige uigave Nederlands-Frans
Aantal pagina’s
124 p. met 23 illustraties
Formaat
14 x 26cm
Afwerking
Paperback
Verschijningsdatum
15 juli 2025
Prijs
€ 21.95 + € 5 verzendkosten voor België
Andere landen: contacteer ons
Exclusief bij de auteur te verkrijgen

Krijgen de Bretoenen een gedenkplaat in hun eigen taal?

Het is wachten op het antwoord van de stad Diksmuide

Koun Breizh is een Bretoense vereniging die het geheugen van Bretagne hoog in het vaandel draagt. In januari jl. had de vereniging de burgemeester van Diksmuide, de heer Koen Coupillie, geschreven om een verdwenen gedenkplaat, ter nagedachtenis aan de Bretonse mariniers die in 1914 in de strijd waren gesneuveld, opnieuw een plaats te geven. Maar deze gedenkplaat was in het Bretons geschreven, en daar wringt het schoentje.

Ik citeer uit de brief van Yvon Ollivier, voorzitter van Koun Breizh:

“In 2006 werd in Ieper een gedenkplaat in het Bretons aangebracht ter ere van de Bretonse strijders die in 1914 omkwamen, terwijl ze de Belgische strijdkrachten ondersteunden om de havens van Duinkerke en Kales te beschermen.

De ongeveer 6.600 manschappen die deel uitmaakten van de door Admiraal Ronarc’h geleide brigade van mariniers, waren grotendeels Bretoenen en spraken Bretons. Tegen de Duitsers, die vijf keer zoveel waren, en naast de Belgische bondgenoten, hebben zij dapper gestreden. Bijna de helft van hen kwam om het leven tijdens de strijd. Hun moed werd legendarisch.

Deze plaat vermeldde in het Bretons: “Enor d’ar Vretoned marv e Diksmuide evit ar frankiz d’ar 16 a viz Du 1914” (Eer aan de Bretons die in Diksmuide stierven voor de vrijheid op 16 november 1914).

Het plaatsen van een gedenkplaat in een andere taal dan het Frans stoorde sommigen. Het protest werd georkestreerd door toedoen van sommige Franse oud-strijdersverenigingen, mogelijk onder invloed of met de steun van de Franse ambassade.

In 2008 werd de plaat verwijderd nadat deze was beschadigd. Sindsdien is ze nooit meer gezien, ondanks meerdere verzoeken. De toenmalige burgemeester liet weten ‘dat het niet bij iedereen in de smaak viel!’ ” (…)

Is er in de Westhoek, waar je alle mogelijke gedenkplaten tegenkomt ter ere van mensen, groepen en volkeren, geen plaats voor de Bretoenen in hun eigen taal? Je kunt bij onze Bretoense vrienden niemand uitleggen dat een gemeente waar een Vlaamse nationalist de burgemeesterssjerp dragen, dit zou weigeren. En ook niet dat de Franse autoriteiten druk uitoefenen op en in een Vlaamse gemeente.

Ik steun de vraag van de vereniging Koun Breizh omdat deze gedenkplaat in het Bretons opnieuw een plaats krijgt in Diksmuide.

Heb ik ook jou steun, beste fb-vriend?

En Bretagne wacht al zes maanden op een reactie van de stad Diksmuide. Ik ben ook benieuwd.

Gepubliceerd

27.05.2025

Kernwoorden
Reacties

Charles de Croocq vertaalde de Vlaamse Leeuw in het Frans

Op 26 mei 1950 overleed in het Frans-Vlaamse Winnezele Charles de Croocq. De Croocq was een leraar en schooldirecteur, vooral actief als Vlaamsvoelende, regionalistische historicus, archivaris en bibliothecaris van de stad Sint-Winoksbergen, en bekwame heemkundige en dichter.

Hij was ook de vertaler van de Vlaamse Leeuw in het Frans, en dat klinkt in zijn versie als volgt:

LE LION DE FLANDRE.
(hymne national flamand)
I.
Il demeure indomptable,
Le fier Lion flamand :
Toujours libre, intraitable,
Avec acharnement.
Il demeure indomptable
Comme les vrais Flamands
Et montre, formidable,
Ses griffes et ses dents.
REFRAIN
Il demeure indomptable,
Comme les vrais Flamands
Et montre, formidable,
Ses griffes et ses dents.
Et montre, formidable,
Ses griffes et ses dents.
II.
Les trônes et les villes
Croulent avec fracas.
Les armes sont fragiles :
La Flandre ne meurt pas.
L’ennemi nous assaille
Mais sans jamais faiblir,
Courons à la bataille,
Le Lion va sévir.
Refrain.
III.
Depuis mille ans il lutte
Pour Dieu, pour son pays,
Toujours jeune il culbute
Ses plus fiers ennemis :
Et le croit-on sans force,
Méprisable et niais,
Il redresse son torse,
Plus puissant que jamais.
Refrain.

Gepubliceerd

26.05.2025

Kernwoorden
Reacties

George van Cauwenvergh: “ een lange vrijagie tussen een stadsgids en de maagd van Antwerpen”

Op 25 mei 2007 overleed de legendarische Antwerpse stadsgids George van Cauwenbergh. Meer Antwerps kon zijn familienaam niet klinken: want de Kauwenberg, groot en klein, verwijst naar twee nog bestaande toponiemen in de oude stad.

Toen ik nog op mijn studentenkot in Antwerpen woonde, maakte ik verschillende wandelingen mee onder leiding van George om Antwerpen beter te leren kennen. In ’t Stad kende George Jan en Klein Piertje, waardoor vele deuren en binnenhoven voor hem alleen opengingen.

De meest memorabele wandeling die ik me met George herinner, was een Hanzewandeling. Ondanks het feit dat er maar weinig overbleef van de Hanzeperiode in Antwerpen, slaagde hij erin een boeiende wandeling te maken en zijn publiek volledig mee te nemen in zijn verhaal.

George van Cauwenbergh wist gewoon alles over Antwerpen en over de Sinjoren. Hij schreef tientallen boeken over de Scheldestad. Als ik vandaag iets moet weten over het architecturaal patrimonium van de oude stad, raadpleeg ik nog steeds eerst zijn virtuoos geschreven “Gids voor Oud Antwerpen”, uitgegeven door uitgeverij Ontwikkeling. Ik bezit en koester nog steeds de vierde herziene en aangevulde uitgave, die verscheen en gekocht werd in 1975 — exact het jaar dat ik van Frans-Vlaanderen naar Antwerpen verhuisde.

Zijn collega-gids Roger Binnemans schrijft in de inleiding: “Het wakker houden van rechtgeaard Antwerps chauvinisme blijft het doel. Dat deze ‘Gids’ daar aardig in slaagt, mag als bewezen worden beschouwd.”

Gepubliceerd

25.05.2025

Kernwoorden
Reacties