Mijn kleinzoon, die in Nederland woont, hoorde onlangs dat Vlaanderen vanaf mei 2027 een wegenvignet wil invoeren. Zijn eerste vraag aan zijn ouders was: “Kunnen jullie dat nog betalen? En kan ik dan nog naar oma en opa?” Kindermond, waarheid in de mond.
Als ik in Nederland rijd, denk ik telkens: voor zo’n wegennet wil ik gerust betalen. Alles ligt er netjes bij. Dan kom ik Vlaanderen binnen en word ik door elkaar geschud op onze betonnen snelwegen, vol scheuren, putten en verdwenen wegmarkeringen. De vraag is dus niet óf we moeten betalen, maar waarvoor. En zal de opbrengst naar degelijk wegenonderhoud gaan? Of verdwijnt ze gewoon in de bodemloze put van onze financiën? De vraag stellen is ze beantwoorden.
België is bovendien een klein land. Je botst hier om de haverklap op een grens. Een algemeen wegenvignet, zonder onderscheid tussen snelwegen en gewone wegen, is dan ook een bijzonder ongelukkige maatregel. Voor West-Vlaanderen dreigt dit een stevige klap te worden: minder Nederlanders en Fransen die de grens oversteken, minder weekendtoerisme, meer hinder voor grensarbeiders en gezinnen met kinderen die over de grens naar school gaan.
En ja, ik hoor het al: “In Frankrijk betaal je toch ook tol?” Dat klopt. Maar daar betaal je op de autosnelweg. Wie dat niet wil, kan meestal nog kiezen voor de gewone wegen. Hier lijkt die keuze stilaan te verdwijnen.
Ook de verschillende tarieven zijn moeilijk te verdedigen. Wie zich een elektrische wagen kan veroorloven, betaalt minder. Wie met een oudere diesel of benzinewagen rijdt, betaalt meer. Allemaal onder het mom van het milieu. Maar die auto’s zijn ooit perfect legaal gekocht volgens de toen geldende normen en vervolgens jaarlijks gekeurd. Hun eigenaars betaalden btw, accijnzen, verkeersbelasting en dure boetes op alles wat beweegt. Ze hebben hun bijdrage al ruimschoots geleverd. Ondertussen blijven onze overheden kwistig premies uitdelen en vriendjes bedienen. Uiteraard niet met hun eigen geld.
Zelf heb ik een eenvoudige regel: steden waar ik allerlei toegangsheffingen en milieutaksen moet betalen, bezoek ik niet meer met de wagen. Het gaat niet alleen om het geld, maar ook om de administratieve rompslomp. Vorig jaar reed ik naar Zuid-Tirol en mijn voorruit leek haast een stickeralbum: Zwitserland, Oostenrijk, tolwegen, tunnels, milieuzones… Nog even en je hebt een handleiding nodig om op vakantie te vertrekken.
Nog een bedenking. Stel dat Nederland en Frankrijk binnen enkele jaren ons “briljante” idee kopiëren en ook een wegenvignet invoeren op alle wegen. Dan betaalt de modale Vlaming niet alleen 100 euro per jaar in eigen land, maar ook nog eens 100 euro in Nederland en 100 euro in Frankrijk. Dat is 300 euro per jaar, gewoon om je buren te bezoeken. Gelukkig kom ik niet elke week in Duitsland of Luxemburg, anders brengen we onze beleidsmakers misschien nog op ideeën.
De Vlaming behoort nu al tot de zwaarst belaste burgers van Europa. Toch blijven onze overheden – van de federale overheid tot de provincies en steden – steeds nieuwe belastingen, heffingen en vignetten bedenken. Zelfs maatregelen die achteraf juridisch niet houdbaar blijken.
De creativiteit van onze overheden lijkt onuitputtelijk: telkens weer een nieuwe taks, een nieuw vignet of een extra heffing. Voor grensbewoners zouden er minstens vrijstellingen moeten bestaan, zeker op secundaire wegen.
In België wordt stilaan niet meer bestuurd, maar gefactureerd.
16.07.2026