WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Denen de, Eduard

Eerste april: van Duinkerke over Sint-Winoksbergen tot Kassen

De eerste vermelding van 1 april in de Nederlanden dateert van 1539. De vrolijke Brugse rederijker Eduard de Dene (1505–1576) schreef toen onderstaand gedicht, waarin hij een knecht opvoert die door zijn baas op een onmogelijke boodschap wordt gestuurd.

De Dene was factor, dat wil zeggen secretaris, van de rederijkerskamer “De Weerde Drie Santinnen”. Beroepshalve was hij klerk van de Vierschaar, een beëdigde functie die te vergelijken is met die van een notaris. Blijkbaar had De Dene een drankprobleem en kwam hij daardoor in contact met het gerecht. Zijn levensverhaal vertelt niet of dit drankprobleem een verklaring is voor zijn voorliefde voor 1-aprilgrappen.

Dit gedicht is overgeleverd in zijn handschrift “Testament Rhetoricael”, een omvangrijke verzamelbundel waarin De Dene zijn refreinen, toneelteksten en andere stukken bijeenbracht.

In de tekst betrekt hij ook dat deel van het Westkwartier dat we vandaag kennen als Frans-Vlaanderen. De Dene prijst de konijnen van Duinkerke, de drinkers van Sint-Winoksbergen en de vechtende benden van Kassel. In zijn tijd waren de Nederlanden, zonder grenzen, de vanzelfsprekende biotoop van een Vlaamse rederijker.

Hier volgt de tekst in de oorspronkelijke spelling:


Refereyn Vp verzenderkens dach
Twelck den eersten April te zyne plach

Tsa LichtVoet myn lyfCnaepe fraey ende fier
met beel beraus houd ick myn bruloft schier
dies moet ie den boonacker up ghaen pleyen
Eerst wil ick hu zenden naer twestquartier

Te Curtrycke zult ghy doen backen Pasteyen
om Conynen moet ghy te dunkercke Reyen
om drynckers te winnocxberghe der naer
in thilleghembusch zult ghy hauwen de meyen
Cappoenen moet ghy coopen te meessene zwaer

te moerbeke vyndt ghy goe Room voorwaer
bestiert my dit / ghy zult de bruloft wenden
wel meester ghy zeght wel / maer daers een maer
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden


Neen Ick kir ick zond een quack Liefuer waer ick dood
Reyst toosthende om mostaert / zou wordter noodt

te dentelghem zult ghy de PapEters spreken
bezoorght oock zout van biervliet in een sluussche boot
laet my musselkens van Brugheers oock niet ghebreken
noch blanckebergsche gheernaert Voor een paer weken

brynght peperlooc van eecloo dat de bruud wel mach
bespreict te Coolkercke waermoes Rasch onbezweken
Raepen vyndt ghy in brabandt zoot voortyds plach

tian meester ick waen ick noyndt tsghelycx en zach
end hier gheseyt / eer ick wil wech belenden
met dat iuiste nv es verzenderkens dach
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden


Voorwaer / neen Ick lichtvoet houd dat in pachte
meent ghy dat ick de lueghenaers van ardenburch slachte
neen ick niet Twaere emmers quaelick ghedaen

Dus hoort noch tmynder bruloft by daeghe by nachte
en vvil ick hekelaers van Ofstaede ontfaen
Laet de slaepers van vuerne / oock an deen zyde staen
noodt oock gheen drooghaerts van Werueke Niet

Tuusschers van theemseke Laet die voor by ghaen
oock de platte ghezellen van sledynghen ziet
Douermoedeghe van Ronsse ooc voor by schiet
zultie lichtvoet / en Casselsche vechtende Benden

maer meester / in al wat ghy my te doene ghebiedt
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden


Prinche

Kir LichtVoet trect duere / ghewillich wilt schoyen
te meenen daer zult ghy gheloyden Cnol poyen
en van danen zult ie Reyen dit moet ie weten

dat de kynders van ypre tghars commen stroyen
de blootvrauwen Vyndt ghy in tstoue ghezeten
Daryncbarners vanden vryen / Bidt die int vermeten
gheen grootsprekers van thoroudt ofze maecten gheschil

de Reppelmondsche tholnaers / zeght vry myn secreten
om tsbrulofts thol ontfanghen / elck als hy wil

tian meester doet dat zelue / vvant zonder Bril
zaegh ick niet / hoe ick dit last zou vulhenden
dat meer es / Tes nv deersten dach van April
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden

Gepubliceerd

01.04.2026

Kernwoorden
Reacties