Vandaag vermeldt mijn dagklapper twee vredesverdragen die intussen grotendeels in de vergetelheid zijn geraakt:
Volgens de Rijselse historicus Jean-Michel Lambin in zijn boek Quand le Nord devenait français (1980) mogen we ons niet vergissen in de gevoelens van de bevolking bij deze annexaties. De Franse machthebbers, die oorlog, plundering en verwoesting met zich meebrachten en onze voorouders zwaar troffen, waren meestal niet welkom.
In de tijd van Albrecht en Isabella was de harde periode onder Alva al lang vergeten. Onze voorouders beleefden in het begin van de zeventiende eeuw, onder de Habsburgers, een tijd van vrede en vooruitgang.
Lambin schrijft:
“Het leven was relatief aangenaam op de hellingen van de Vlaamse bergen, aangezien de oogsten over het algemeen goed waren en soldaten uit het straatbeeld verdwenen waren. De welvaart van Vlaanderen uitte zich in de heropbouw van kerken en stadhuizen, in belangrijke culturele investeringen zoals de oprichting van colleges en zondagsscholen, en in zorg voor de armen via de oprichting van hospitalen en kloosters.”
Ook in het nabijgelegen Henegouwen, toen rijksgebied, kende men een gelijkaardige periode van rust na de oorlog met de Fransen — “de erfelijke vijand”, aldus Lambin.
Vredesverdragen die boven de hoofden van de bevolking worden gesloten, maken daarom nog geen vrienden.
02.05.2026