28 april 1918. In een ziekenhuis nabij de gevangenis van Theresienstadt sterft Gavrilo Princip aan tuberculose. De jonge Bosnisch-Servische nationalist, amper 23 jaar oud, was veroordeeld tot de maximumstraf voor minderjarigen — twintig jaar dwangarbeid — voor de moord op aartshertog Franz Ferdinand en diens echtgenote op 28 juni 1914 in Sarajevo. Die aanslag, uitgevoerd met een Belgisch FN-pistool, zou de directe aanleiding worden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Achter de aanslag ging een complex netwerk schuil van nationalistische bewegingen en geheime contacten. Gavrilo Princip maakte deel uit van Jong-Bosnië (Mlada Bosna), een revolutionaire beweging die streefde naar de bevrijding van Zuid-Slavische gebieden. Tegelijk waren er nauwe banden met leden van de Servische geheime organisatie Crna Ruka, beter bekend als de Zwarte Hand, die logistieke steun verleenden.
Minder bekend — en volgens sommige historici onderbelicht — is dat een deel van de voorbereidingen buiten de Balkan plaatsvond. In januari 1914 zouden leden van Jong-Bosnië samengekomen zijn in de Occitaanse stad Toulouse. Daar viel de keuze op Princip als uitvoerder van de aanslag.
De Zwarte Hand, een samenzwerende nationalistische organisatie met wortels in het Servische leger, stond bekend om haar streven naar een Groot-Servië. In bepaalde kringen werd zij ook omschreven als “zij die Frans spreken”, een verwijzing naar culturele en politieke connecties die verder reikten dan de Balkan alleen. Tegen het voorjaar van 1914 was de aanslag in grote lijnen voorbereid. Over de herkomst van de wapens en de precieze internationale betrokkenheid bestaan uiteenlopende lezingen, al staat vast dat het gebruikte wapen afkomstig was uit België.
Ook de datum van de aanslag was symbolisch geladen. Op 28 juni vieren Serviërs Vidovdan, de feestdag van de heilige Vitus (Sveti Vit), die volgens de traditie de marteldood verkoos boven geloofsafval.
De banden tussen Servië en Frankrijk gaan terug tot de 19de eeuw en waren bijzonder hecht. Voor de Eerste Wereldoorlog studeerden talrijke Serviërs en Fransen in elkaars landen. Volgens historicus Luc Vanacker*D bestond er sinds 1911 een “Office central des nationalités”, dat via netwerken, waaronder vrijmetselaarsloges, contacten onderhield met radicale groepen in Servië. De Servische historicus en diplomaat D.T. Bataković omschreef Servië zelfs als het meest francofiele land ter wereld. Die verbondenheid zou decennia later nog nazinderen: tijdens de Bosnische oorlog (1992-1995) kozen sommige Fransen nadrukkelijk de Servische zijde.
Na de aanslag probeerden de Servische autoriteiten en hun bondgenoten afstand te nemen van de gebeurtenissen en tegelijk controle te krijgen over de betrokken netwerken. In 1917 vond in Thessaloniki een proces plaats tegen de leider van de Zwarte Hand, Dragutin Dimitrijević, bijgenaamd Apis. Hij nam de verantwoordelijkheid voor de aanslag op zich, maar werd alsnog geëxecuteerd. Over de internationale druk en de rol van bondgenoten, waaronder Frankrijk, lopen de interpretaties uiteen.
Volgens Luc Vanacker zagen sommige Servische kringen na de oorlog in de Franse president Raymond Poincaré een van de politieke krachten die het conflict hadden aangewakkerd. Poincaré (1860-1934), afkomstig uit Lotharingen, droeg de erfenis van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) met zich mee. De annexatie van Elzas en Lotharingen door Duitsland voedde in Frankrijk een sterke revanchegedachte die decennialang het politieke klimaat bepaalde.
Een veelzeggende anekdote illustreert die mentaliteit: de hond van Poincaré droeg de naam ‘Bismarck’.
Tussen 1871 en 1918 werd in Frankrijk het verlies van Elzas-Lotharingen levendig gehouden in onderwijs en publieke opinie. In klaslokalen hing een kaart van Frankrijk met een lege plek waar de verloren gebieden lagen. Schoolkinderen leerden liederen die de herovering bezongen:
Vous n’aurez pas l’Alsace et la Lorraine,
Et malgré vous nous resterons Français.
Het revanchisme maakte integraal deel uit van de opvoeding van generaties Fransen. De herovering van de verloren gebieden werd een nationale ambitie. In dat klimaat werd ook de jeugd voorbereid op een toekomstig conflict: op vele scholen maakten schietoefeningen deel uit van het dagelijkse ritme op de speelplaats.
Omdat Frankrijk militair niet sterk genoeg werd geacht om dit alleen te realiseren, zette Poincaré in op allianties, met name met Rusland — de traditionele bondgenoot van Servië — en Groot-Brittannië. In 1914 gingen de Britten nog uit van een defensieve Franse houding. Later werd dat beeld bijgesteld. De Britse premier David Lloyd George stelde in 1938, in een sterk door de context van het interbellum gekleurde analyse, dat Poincaré had bijgedragen aan de spanningen in Europa door een harde politiek tegenover Duitsland te ondersteunen.
De gevolgen van de oorlog waren ingrijpend en blijvend. Europa werd hertekend: Duitsland werd vernederd, Oostenrijk-Hongarije viel uiteen en het Ottomaanse Rijk werd ontmanteld. Tegelijk ontstonden nieuwe machtsverhoudingen, met de opkomst van het communisme, het nazisme en de Verenigde Staten als wereldmacht.
Gavrilo Princip haalde de trekker over met een Belgisch pistool — maar de geschiedenis had Europa al op scherp gezet.
Bovenkant formulier
* Luc Vanacker/ Over die oorlog. Bedenkingen bij een eeuw geschiedschrijving over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog/ Uitgeverij Aspekt/ 2019
28.04.2026