Op 8 november 1891 wordt Paul Lafargue verkozen tot volksvertegenwoordiger voor de kieskring Rijsel. Lafargue was allerminst een traditionele Frans-Vlaming: hij werd in 1842 geboren in Cuba, in een mulat-joodse familie.
Als onvermoeibaar prediker van het marxisme verdedigde Lafargue overal waar hij kwam de eis van de achturige werkdag. Dat was in een tijd waarin werkdagen van twaalf tot vijftien uur, tegen een hongerloon en in mensonwaardige omstandigheden, de norm waren. Hij pleitte herhaaldelijk voor deze eis in het stadje Fourmies, in Frans Henegouwen, waar talrijke textielbedrijven gevestigd waren.
Op 1 mei 1891 liep een arbeidersbetoging in Fourmies volledig uit de hand. Zo’n 1.500 stakende arbeiders van de fabriek Le Fourneau wilden hun collega’s van La Sans Pareille bij de staking betrekken. Het Franse leger opende meedogenloos het vuur op de weerloze menigte. Het bloedbad eiste tien dodelijke slachtoffers, onder wie twee kinderen, en liet een zestigtal gewonden achter.
In het politieke tumult dat daarop volgde, werd Lafargue aangeklaagd als vermeend mede-instigator van de opstand. Hij werd veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Vanuit de gevangenis werd zijn kandidatuur voor de parlementsverkiezingen in de kieskring Rijsel ingediend. Dat een gevangene werd verkozen tot volksvertegenwoordiger, maakte Lafargue op slag beroemd in heel Frankrijk.
Paul Lafargue had eerder contact gehad met Joseph Proudhon (1809–1865), de theoreticus van het anarchisme en het federalisme, en was ook beïnvloed door de revolutionaire communist Louis-Auguste Blanqui (1805–1881). Nadat hij Parijs moest ontvluchten en zich in Londen vestigde, maakte hij er kennis met Friedrich Engels (1820–1895) en Karl Marx (1818–1883). In 1868 huwde hij met (Jenny) Laura Marx (1845–1911), de tweede dochter van Karl Marx. Via haar werd hij mede-erfgenaam van het persoonlijke fortuin van Friedrich Engels, afkomstig uit een rijke Duitse industriëlenfamilie.
Lafargue publiceerde verschillende werken, maar zijn bekendste is zonder twijfel Het recht op luiheid. De provocerende titel verraadt nog het anarchistische gedachtegoed uit zijn studententijd. Het boek pleit geenszins voor nietsdoen, maar verdedigt de strijd voor de achturige werkdag. Lafargue keert zich tegen het principe “meer werkuren voor meer loon” en pleit daarentegen voor betere arbeidsvoorwaarden en hogere lonen binnen een verkorte arbeidstijd.
Laat men de marxistische dialectiek even buiten beschouwing, dan blijft de essentie overeind: de rechtvaardige strijd voor menselijke werkomstandigheden in een tijd waarin arbeiders nog als slaven werden behandeld.
08.12.2024