De belangstelling voor de streektaal heb ik overgenomen van Cyriel Moeyaert, die nochtans een vurige verdediger was van het Algemeen Nederlands. Dr. Frans Debrabandere, specialist in het West-Vlaams en nog steeds actief op het gebied van de Frans-Vlaamse toponymie, bevestigt dat er geen oppositie bestaat tussen de belangstelling voor streektalen en die voor het Algemeen Nederlands.
De discussie over het onderwijs in de streektaal versus de standaardtaal bestaat sinds de negentiende eeuw in Frans-Vlaanderen. Na de Franse Revolutie heeft Frans-Vlaanderen geleidelijk de geschreven taal losgelaten, onder andere door gebrek aan onderwijsmogelijkheden, en daarmee ook het Nederlands. De orale traditie is blijven bestaan, met alle voor- en nadelen van dien. Het mondeling doorgeven van een taal verschilt natuurlijk van het leren lezen en schrijven, en van het bestuderen van de grammatica.
Dit is de feitelijke situatie die we de afgelopen vijftig jaar hebben meegemaakt: de streektaal wordt niet meer doorgegeven aan de jongere generaties; de generatie van onze ouders die streektaal nog sprak, is overleden of stervende. De streek is nu feitelijk verfranst. De laatste Vlaamssprekende Frans-Vlamingen veranderen niets aan deze algemene vaststelling. Het correct analyseren van de huidige toestand vormt daarom een belangrijke stap om de juiste conclusies te trekken.
Ik deel uiteraard de stelling van Dr. Debrabandere dat Frans-Vlaanderen, onder de gegeven omstandigheden, het beste voor het Nederlands kan kiezen. Deze stelling is, nogmaals, geen afwijzing van de streektaal, maar een pragmatische en noodzakelijke keuze voor de toekomst.
Wat ook niet klopt, is dat de aanhangers van elke strekking niet met elkaar spreken. Persoonlijk onderhoud ik nog steeds contacten met mensen die de voorkeur geven aan de streektaal. De voorkeur voor de streektaal betekent niet, in tegenstelling tot wat sommigen ons willen doen geloven, dat er geen plaats zou zijn voor het Nederlands.
Zelf geloof ik niet in een redding van het gesproken Frans-Vlaams, tenzij de geschreven taal, die altijd het Nederlands is geweest, wordt aangeleerd. Prof. Pekelder, die niet volledig op de hoogte was van de situatie ter plekke, zag de Frans-Vlaamse wereld verdeeld in ‘particularisten’ en verdedigers van het Nederlands; deze laatste verdeeld in ‘heel-Nederlanders’ en ‘neutralen’. Dat klopt uiteraard niet. Er bestaat niet zozeer een duidelijke scheidslijn tussen streektaal en standaardtaal, maar eerder tussen degenen die het Nederlands een plaats geven in Frans-Vlaanderen en degenen die het beschouwen als een vreemde taal. Alleen met deze laatsten is elk gesprek inderdaad zinloos.
22.08.2025
In een recente stuk schreef ik het over soldaat en schoolmeester Philippus Boone die in de negentiende eeuw in keurig Nederlands van toen over zijn avontuurlijke reisverhalen schreef. Idem in de zeventiende eeuw met als voorbeeld Andries Steven, schrijver van het ‘Nieuwen Nederlandschen Voorschriftboek’. Of, op het einde van de zestiende eeuw, met de grote Duinkerkse dichter Michiel de Swaen.
Cyriel Moeyaert, dé specialist van het Frans-Vlaams, heeft in zijn talloze artikels over de schrijftaal van de Franse Westhoek overvloedig aangetoond dat de Frans-Vlamingen, net als de rest van Vlaanderen of Brabant, de standaardtaal hanteerden in al hun geschriften. Standaardtaal ja dan neen gekleurd met regionale woorden of syntaxis. Uiteraard spraken Philippus Boone, Andries Steven en Michiel de Swaen op straat en in de familiekring het West-Vlaams van hun stad of streek.
Laat me toe hier mijn stelling te herhalen: het promoten van de gesproken taal alleen, en met forse Hauts-de-France subsidies ondersteund, verdient taalkundig een certificaat van onkunde. Men dient uiteraard tegelijk de geschreven taal, het Nederlands, naast de orale taal te erkennen. Een specifieke spelling fantaseren voor de spreektaal is een dwaalspoor.
Niet geholpen door kennis van zaken verkoopt een vereniging als de AVNT dat de archaïsmen in de spelling van de geschreven taal van de vorige eeuwen geschreven dialect zijn. Dat klopt uiteraard niet: het was het geschreven Nederlands van zijn tijd, net als in Vlaanderen, Brabant of Limburg.
De verhouding tussen dialecten en standaardtaal beantwoordt aan wat de taalkundigen een diglossie noemen. Gesproken dialecten en geschreven standaardtaal zijn niet specifiek voor het Nederlands taalgebied. Het is de normaliteit in veel Germaanssprekende landen.
De Duitssprekende Zwitsers hebben daar een expliciete naam voor: ze noemen hun geschreven standaardtaal Schrifdeutsch. Let op: de meesten spreken dagdagelijks hun respectievelijke streektalen (Muntart). Hun geschreven standaardtaal is het Schweizer Hochdeutsch, een Zwitserse variante van wat ze noemen de ‘pluricentrisch Deutsche Sprache’. De vele dialecten worden gekoesterd, precies omwille van hun diversiteit. De standaardisering van dialecten is in Zwitserland een contradictio in terminis. Niet de gesproken dialecten maar het Schriftdeutsch overkoepelt het geheel.
In de Zwitserse terminologie omgezet: het Frans-Vlaams is een van de dialecten van het standaard Zuid-Nederlands, een variante van de pluricentrische Nederlandse taalgroep. Als de Taalunie het laat afweten wordt de ‘pluricentrische Nederlandse taal’ de nieuwe definitie van de toekomst voor onze standaardtaal.
04.02.2025