WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Stakingen

De schietpartij  van Fourmies: de arbeidsters droegen meidoorn als symbool van de lente

Op 01 mei 1891, in de Frans-Henegouwse textielstad Fourmies, op acht kilometer van de schreve. Het had, aldus het programma (zie illustratie), een waardige en vreedzame feestdag moeten worden. Een staking, een protestdag, met als voornaamste eis de achturige werkdag. Een rechtvaardige eis, als je het mij vraagt – een eis die ook mijn voorouders ondersteunden.

In Fourmies liepen de arbeidsters voorop, met een tak meidoorn in de hand: symbool van de lente, van hoop.

Wat vredelievend begon, liep uit de hand. Hier en daar kwamen er schermutselingen, woorden vlogen heen en weer, en er werd met stenen gegooid. De gendarmen hadden versterking gekregen van een dertigtal soldaten, uitgerust met het toen splinternieuwe Lebel-geweer.

Over wat daarna precies gebeurde, lopen de meningen uiteen. Maar commandant François Chapus voelde zich in het nauw gedreven. Volgens veel getuigen gaf hij zonder duidelijke waarschuwing het bevel te schieten – met zijn nieuwe geweren – op de jonge demonstranten die niet wilden wijken.

Het plein veranderde plots in een schietveld. Negen jonge levens gingen verloren, de jongsten amper 11 en 14 jaar oud. Onder hen ook vier meisjes tussen 16 en 20 jaar. Daarnaast vielen er een dertigtal tot ruim 35 gewonden.

Tussen de doden: de jonge Maria Blondeau, 18 jaar, arbeidster in een katoenfabriek in Fourmies. Ze ging de dood in met de meidoorn in haar handen en werd zo het symbool van dit bloedbad. Het beeld van Maria en haar verloofde Kléber verscheen de volgende dag in vele Franse kranten als emblematische figuren voor de strijd voor menselijke arbeidsvoorwaarden.

Maar zelfs na de dood wordt er gemanipuleerd: naar verluidt droeg Kléber een rode vlag, terwijl de Parijse pers er een driekleur van maakte – en zo werd het verhaal ingekleurd als deel van het “één en ondeelbaar” vaderland van vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Gepubliceerd

01.05.2026

Kernwoorden
Reacties

Over staken: je klasse niet en wel verraden

Mijn vader, die helaas niet meer bij ons is, werkte als treinwisselwachter bij de Franse spoorwegen. Maar diep van binnen bleef hij de arbeider die hij in zijn jeugd was. “Je klasse verraadt je niet,” herhaalde hij vaak. Zo bleef hij zijn leven lang een overtuigd socialist, een echte, die geen vertrouwen had in de huidige salon- en universiteitssocialisten. Tegen het einde van zijn leven had hij, net als veel van zijn kameraden, ‘kaviaarlinks’ definitief de rug toegekeerd. In vrede met zijn geweten zocht hij de andere politieke pool op.

Bij de Franse spoorwegen waren de vakbonden de ware machthebbers. De communistische CGT, waar mijn vader bij was aangesloten, vormde het onbetwiste bastion van de macht. In die tijd was het een indrukwekkend goed geoliede machine die met een simpele vingerknip het land kon verlammen.

Thuis heb ik talloze discussies meegemaakt over de rechten van de arbeidersklasse en het staken. Daarbij hoorde ook een retoriek over plichten. Er bestond toen nog een ethiek van de arbeid, een vorm van plichtsbewustzijn die deze militanten evenzeer konden uitstralen.

Als ik terugdenk aan die tijd, realiseer ik me dat de sociale strijd mijn eerste lessen in politieke opvoeding vormde. Mijn vader schreef soms mee aan de pamfletten van de plaatselijke vakbondsafdeling, en ik mocht de teksten nalezen op fouten. Op den duur had ik de vakbondsdialectiek eigen gemaakt en mocht ik verbeteringen voorstellen. Vader leerde me dat elk pamflet moest eindigen met de zin: “Wij zullen strijden tot het einde.”

Op een stakingsdag, wat regelmatig voorkwam, mocht ik als kind mee de stakersposten in Duinkerke bemannen. Ik hielp met het aanbrengen van paletten en het zagen van hout om een vuurtje te stoken in een ton. Ook genoot ik van een snoepje of koekje van de kameraden en schudde ik stevig de hand van de stoere mannen voor één dag. De organisatie was onberispelijk: Jan bakte de worsten, en Pieter bracht een grote pot mosterd mee.

Onder de Vlaamse kameraden werd er stevig in het Frans-Vlaams gediscussieerd. Verschillende spoorwegwerkers kwamen uit de streek tussen Wormhout en Hazebroek. Ik herinner me nog dat mijn vader in het seinhuis van de Zeven Planeten in Koudekerke de luidsprekers gebruikte, die over veertig sporen heen weergalmden, om in het Frans-Vlaams het einde van de stakingsdag aan te kondigen.

Dit verhaal kon niet eeuwig duren. Op een dag kwam ik in ons dorp een andere spoorwegman tegen. In plaats van hem te groeten met “goeie dag,” vroeg ik: “En nog eens aan het staken, zeker?” De man, een vriend van mijn vader, besloot onmiddellijk om hem op te zoeken om zijn beklag te doen.

Ik werd geroepen en moest me bij de kameraad van dienst verontschuldigen. Uiteraard weigerde ik, en zo kwam er een einde aan mijn begrip voor stakingen en stakers. Salvador Dalí schreef ooit: “Je moet altijd je klasse verraden.” En hij voegde er, even provocerend aan toe: “Vandaag ben ik een aristocraat.”

Gepubliceerd

14.02.2025

Kernwoorden
Reacties