WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Kort Manifest

Wies Moens: ‘reken mij rustig tot het gild der narren’

Op 28 januari 1898 wordt de dichter en Groot-Nederlands voorman Wies Moens geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde. Al vroeg sluit hij zich aan bij het AKVS. Hij studeert Germaanse filologie aan de vernederlandste Universiteit Gent en engageert zich in het activisme. Na de Eerste Wereldoorlog wordt hij daarvoor veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Tijdens zijn detentie schrijft hij de Celbrieven, die hem ruime bekendheid bezorgen.

Moens komt vervroegd vrij in 1921, maar de gevangenisjaren laten diepe sporen na. Ze maken hem uitgesproken anti-Belgisch en versterken zijn Groot-Nederlandse overtuiging. Vanuit de gevangenis werkt hij mee aan het cultureel tijdschrift Ter Waarheid, uitgegeven door Joris van Severen. Samen zullen zij later het Verbond van Dietse Nationale Solidaristen oprichten, beter bekend als het Verdinaso.

In 1934 neemt Moens afscheid van het Verdinaso wanneer Van Severen zijn Beneluxiaanse ‘nieuwe marsrichting’ aankondigt. Vanaf dan verdiept hij zijn Dietse visie in het maandblad Dietbrand. In 1941 krijgt hij de redactionele leiding over Zender Brussel, maar in 1943 neemt hij ontslag wegens toenemende Duitse inmenging. Voor zijn collaboratie wordt hij bij verstek ter dood veroordeeld.

Moens vlucht naar Nederlands Limburg, waar hij leraar wordt en later directeur van een volkshogeschool in het Limburgse Geleen. Prof. dr. Piet Tommissen situeert Wies Moens ideologisch binnen “de brede konservatief-revolutionaire stroming” van de twintigste eeuw (Wies Moens 1898–1982. Gedenkboek, samengesteld door Erik Verstraete, 1984).

Wies Moens overlijdt in Geleen op 5 februari 1982.

Mijn lievelingsverzen van de dichter Wies Moens:

KORT MANIFEST

Niets van wat overal de velen noemen
geluk en welvaart, heeft me ooit bekoord.
Slechts op die éne wil ik gaarne roemen:
Geen enkle macht te hebben toebehoord,
Die ’t mensenhart houdt voor een koopbaar ding.


Reken mij rustig tot het gild der narren,
gij die om d’uitkomst gnuift van mijn gedrag.
Ik volg mijn ster. Ik laat me niet verwarren
door schijnsel dat maar wisselt, dag op dag,
van stand en kleur, gestalt’ en flonkering.


Twee sneden brood, twee kleine, smalle vissen,
Daarmee ben ik den donker ingegaan.
Bericht van mij zal zijn als in de lissen
het windgeruis. En fluistren af en aan,
dat ik nog levend ben, somtids ook zing.


(Uit “De Verslagene”)

Gepubliceerd

28.01.2026

Kernwoorden
Reacties