Mijn afkomst als Frans- of Zuid-Vlaming heeft mijn leven bepaald. Ik ben geboren in een bescheiden milieu waar Vlaams nog de volkstaal was. Letterlijk, de taal van ons Volk.
‘Bescheiden’ betekent dat we niet elke dag van de week vlees aten. Dat was toen niet voor het redden van de planeet, geloof me.
Arm dus. Maar fier. En niet arm van geest.
Aan tafel werd met vader en broer stevig gedebatteerd over ideeën, politiek en actualiteit. Mijn vader was een actief syndicalist bij de Franse spoorwegen. Zijn enige diploma was zijn ‘certificat d’études primaires’.
Al de rest, en dat was heel wat, had hij als autodidact verworven.
Elke twee dagen las hij één nieuw boek. Dat veel lezen heb ik dus van hem. En het opkomen voor mijn zaak tegen de stroom in ook.
Als de keizer-filosoof Marcus Aurelius ben ik enkele van zijn principes altijd trouw gebleven:
en de fils à papa met diploma’s die zich links of marxistisch noemen op afstand houden.
Vader geloofde nochtans niet in het socialistische, utopische verhaal van het beloofde paradijs voor de proletariërs na het einde van de geschiedenis.
Hij liep veel meer – zonder het zelf precies zo te noemen – in de lijn van de Franse socioloog en theoreticus Pierre-Joseph Proudhon:
en de economische democratie.
Geen klassenhaat. Hij wou niet dat de ‘exploiterende klasse’ een kop kleiner werd gemaakt.Hij was dus geen jakobijn maar eerder een girondijn.
Ik herinner me de momenten dat ik probeerde hem uit te leggen dat hij in feite geen marxist was. En dat ook het anarchisme van Proudhon uiteraard niets te maken had met bommen leggen.
En evenmin met het federalisme en andere vormen van zelfbestuur waar ik mij toen al mee bezighield.
Ontgoocheld maar vooral bevrijd is hij dan op zoek gegaan naar de boeken van Proudhon. En hij heeft er veel kritisch gelezen.
Hij kon ze niet vinden in de boekenrekken van zijn vakbond. Want Proudhon was al lang door Marx verbannen als ‘kleinburgerlijk socialist’.
Mijn verhaal eindigt zo.
Toen ik thuis vertelde dat ik Nederlands aan de universiteit ging studeren, zei vader: dat kunnen we niet betalen.
Mijn antwoord kende hij al vanuit zijn principes:
‘ik zal gaan werken om dat te bekostigen’.
De universiteit is er niet van gekomen.
Werken wel. Sinds mijn achttiende tot mijn 65 jaar, dag op dag.
Dertig jaar geleden, een beetje per toeval, werd ik tot directeur van mijn bedrijf gebombardeerd.
Ik wist niet goed hoe ik dit aan mijn vader moest brengen.
Het voelde bijna als de provocatie van Salvatore Dalí:
“Men moet altijd zijn klasse verraden.”
16.03.2026