“Grijs, beste vriend, is alle theorie,
en groen is de gouden boom des levens.”
— Johann Wolfgang von Goethe
Mijn grootvader was een buitenmens. Van hem leerde ik de maan en de zon lezen, het gedrag van dieren en vogels observeren als voorbode van regen en storm. Van hem erfde ik mijn belangstelling voor weer en klimaat. Later verslond ik talloze boeken over weersfenomenen en klimaatschommelingen door de eeuwen heen.
Op school, in het Lycée des Flandres in Hazebroek, was ik medeverantwoordelijk voor een klein weerstation. Wekelijkse metingen, controles en registraties maakten deel uit van mijn takenpakket.
Wat later, als medestichter van de vereniging voor opbouwwerk en volkscultuur Hekkerschreeuwen, werd ook het milieu – in de betekenis van “wat de aarde ons heeft bewaard” – een belangrijk aandachtspunt. Mensen als Alfred den Ouden of mijn vriend Luc Janssens, die die periode nog hebben meegemaakt, kunnen bevestigen dat ons actieprogramma niet uitsluitend draaide rond taal, volksmuziek en bouwkundig erfgoed.
We hadden ook een heus milieuplan: het beschermen en aanplanten van inheemse bomen en traditionele hagen, het gratis ter beschikking stellen van fietsen in Frans-Vlaamse steden – een idee dat we in Nederland hadden gezien en dat toen nog vrijwel nergens bestond.
Er moeten nog ergens vergeelde krantenfoto’s bestaan van Hekkerschreeuwers die demonstreerden tegen de geplande kerncentrale van Grevelingen, de grootste van Europa, in onze achtertuin. Toegegeven: dat laatste zou me vandaag wellicht niet meer overkomen. Maar we waren jong en wilden de wereld behouden. En verbeteren, zoals dat gaat.
Ik geef ook toe dat ik met de jaren steeds kritischer ben geworden voor de apocalyptische en soms ronduit hysterische communicatie rond het klimaat. Een communicatiestijl die geregeld meer weg heeft van een slecht geschreven rampscenario dan van een wetenschappelijk debat. De manipulatieve technieken lagen er vaak zo dik bovenop dat ze groter leken dan het gat in de ozonlaag zelf.
Prof. dr. Jan Dumolyn, historicus aan de UGent, voelde zich deze week geroepen om naar aanleiding van mijn vorige stuk in de pen te kruipen. Als ridder van de Wetenschap beschreef hij mijn woorden en die van enkele instemmende lezers als – ik citeer – “cafépraat” en “domheid”. Blijkbaar beheerst Jan als mediëvist ook de klimaatwetenschap tot in de finesse. Dat siert hem.
GROEN EN CONSERVATISME
Als volleerde marxist rook Jan bloed aan de cafétoog. Groen, klimaat en milieu: de plaats is bezet door links, net zoals zijn universiteit en zijn stad. De verdediging is simpel: noem de tegenstander een klimaatontkenner en suggereer dat hij ongeletterd is.
En nu een beetje theorie voor wie de tegenstander graag afzet als een dommerik.
De conservatieve ecologie doet een beroep op de Britse filosoof Roger Scruton.
Scruton heeft dat kernachtig samengevat:
“Conservatisme en behoud zijn twee aspecten van hetzelfde langetermijnbeleid.”
De gedachte daarachter is dat een conservatief niet alleen instellingen en tradities bewaart, maar ook landschappen, ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen voor toekomstige generaties.
Scruton schrijft ook:
“Conservatief zijn betekent onze erfenis in bewaring houden en haar doorgeven aan onze nakomelingen. Natuurbeschermer zijn betekent hetzelfde doen met ons ecologisch erfgoed.”
Zie daar een definitie van ecologie als conservatieve houding.
Scruton baseert milieuzorg op wat hij “oikophilia”, de liefde voor het eigene, noemt: liefde voor huis, streek, landschap en leefomgeving.
Milieubescherming moet voortkomen uit liefde voor de eigen omgeving, het besef dat we zorg dragen voor wat ons vertrouwd en dierbaar is.
Samengevat: we beschermen wat we liefhebben.
Nog een bekende uitspraak van Scruton:
“Goede dingen zijn gemakkelijk te vernietigen, maar niet gemakkelijk te scheppen.”
Toegepast op de natuur:
• een eeuwenoud bos kun je in een week kappen;
• een verdwenen soort krijg je niet terug;
• een vernield landschap herstel je niet zomaar.
Dat is een typisch conservatief argument vóór natuurbehoud.
De groene gedachte is in wezen een conservatieve gedachte. Zij vertrekt van de overtuiging dat wat waardevol is – bossen, soorten, landschappen en leefmilieus – niet achteloos mag worden vernietigd, maar bewaard en doorgegeven aan volgende generaties.
Groen is ouder dan links.
Als gewone sterveling – Wido-die-Zwiet, zeg maar – onthoud ik mij verder van grote wetenschappelijke uitspraken. Maar dat wilde ik nog even kwijt, Jan.
BROODGELEERDEN
Deze discussie raakt ook aan een ander favoriet onderwerp: de verhouding tussen de verlichte amateur en de gecertificeerde expert.
De autodidact beroept zich vaak op inzicht, ervaring en onafhankelijk denken. De academicus op methode, erkenning en institutionele legitimiteit. Beide hebben hun waarde. Het probleem ontstaat wanneer een van beide categorieën denkt een monopolie op de waarheid te bezitten.
Bij wijze van voorlopige afsluiting haal ik nog drie citaten uit mijn spreekwoordelijke citatentrommel.
Friedrich Nietzsche (1844–1900):
“Men vergist geleerdheid voor wijsheid.”
Leszek Kołakowski (1927–2009), gewezen marxist:
“Ideologie begint waar vragen verboden worden.”
En ten slotte Arthur Schopenhauer (1788–1860):
“De waarheid heeft zelden iets gewonnen bij de professorale filosofie.”
Schopenhauer koesterde een bijna obsessieve afkeer van universiteitsprofessoren. Zijn favoriete scheldwoord was Brottgelehrte – in het Nederlands doorgaans vertaald als “broodgeleerden”: mensen die niet denken in dienst van de waarheid, maar in dienst van hun salaris. Bij sommigen gebeurt dat ook in dienst van een dogma of een ideologie.
Misschien was Schopenhauer onrechtvaardig. Misschien ook niet helemaal.
Dat laat ik graag over aan Jan en zijn geleerde collega’s.
25.06.2026