Op 3 maart 1616 overleed in Highgate (Londen) de arts en plantenkundige Mathias de Lobel, ook bekend als Lobelius. Hij werd geboren in Rijsel in 1538.
Tussen 1571 en 1587 verbleef De Lobel als geneesheer in Antwerpen, Middelburg en Delft. Zijn faam als arts maakte dat hij werd benoemd tot lijfarts en raadsheer van Willem van Oranje.
De Lobel verliet de Zuidelijke Nederlanden in de context van de godsdiensttroebelen van de tweede helft van de 16de eeuw. Hoewel hij zich nooit expliciet uitsprak over zijn geloofsovertuiging, wijzen zijn vlucht, zijn netwerk en zijn loopbaan erop dat hij vermoedelijk sympathiseerde met het protestantisme. Hij past daarmee in een bredere beweging van geleerden en ambachtslieden uit het huidige Frans-Vlaanderen die aanvankelijk uitweken naar Engeland en later vaak opnieuw in de Nederlanden actief werden.
Later trad De Lobel in dienst als lijfarts van Jacobus I van Engeland, die hem aanstelde als koninklijk botanicus. Het plantengeslacht Lobelia werd naar hem genoemd.
Mathias de Lobel publiceerde verschillende werken, waaronder het befaamde Kruydtboeck oft beschrÿuinghe van allerleye ghewassen, kruyderen, hesteren ende gheboomten, uitgegeven in 1581 in Antwerpen bij Plantijn.
De zuidelijke Nederlanden namen in de 16de eeuw een voorname plaats in binnen de ontwikkeling van de plantkunde. Naast De Lobel speelden ook Clusius, geboren in Atrecht, en Rembert Dodoens uit Mechelen een sleutelrol in de uitbouw van deze wetenschap.
03.03.2026
Vorig jaar op 11 juni noteerde ik dat het huislook of donderbaard spectaculair aan het schieten was. Dat is dit jaar nog niet het geval, maar de groei is wel forser dan andere jaren. Hier in de Kempen heb ik nog enkele poten staan met donderbaard die uit Frans-Vlaanderen komt. Ooit kreeg ik de plantjes van mijn moeder met de boodschap dat ze afkomstig waren van het dak van een oude schuur bij haar grootouders in Eke. En de voornaamste boodschap was: het zal jullie geluk brengen!
Mijn moeder, die in Terdegem was geboren, noemde donderbaard “dunderblomme”. Mijn vader was van Kaaster en had het meestal over ‘dunderblaren’, uitgesproken als ‘dunderblâan’. Dunderblaren, aldus mijn flora uit 1896*, was ook de naam voor donderbaard in Belle, Berthen, Meteren, Merris, St.-Janskappel, Vleteren, Wormhout en omstreken.
Ik lees verder in mijn flora: “Sempervivum tectorum, joubarbe des toits, Jovis barba, Jupitersbaard: oude mythologische plant”. De donderbaard is gewijd aan Donar = Thor. Donderbaard groeide vroeger op vele daken als beschermer tegen blikseminslag. Volgens moeder weerde de plant ook alle kwaad. Er werd me aangeraden altijd een pot niet te ver van de voor- of achterdeur van ons huis te plaatsen. Wat ik ook prompt deed. Want met die dingen werd bij ons in de familie niet gelachen.
Donderbaard heeft ook geneeskrachtige eigenschappen. De dikke, vlezige bladeren nemen veel water op. Volgens moeder genas dat water alle mogelijke knobbels en gezwellen. Reeds in de tijd van Karel de Grote was huislook gemeld als bijzondere plant. In zijn “Capitulare de villis” liet hij donderbaard opnemen met als opdracht: “de tuinman moet donderbaard op zijn huis hebben”. Ik heb dat ooit geprobeerd maar op de mechanische pannen van de 21ste eeuw is dat niet vanzelfsprekend.
*IETS OVER MIJN FLORA UIT 1896
Het boek vond ik ooit in een uitverkoop in Antwerpen, op een vergeten boekenrek. Dat was de vondst van het jaar.
Let op de titel: “De Vlaamsche volksnamen der planten van België, Fransch-Vlaanderen en Zuid-Nederland.” De ondertitel luidt: ‘Met aanduiding der toepassingen en der genezende eigenschappen der planten’. De auteur is E. Paque, een jezuïet, professor Plantenkunde aan de faculteit van wetenschappen te Namen.
Het boek deed beroep op een veertigtal specialisten die in elke regio, in totaal in 271 gemeenten, op zoek gingen naar de volkse benamingen van planten. Specifiek voor Frans-Vlaanderen waren dat V. de Breyne en H. Opsomer, ik vermoed twee West-Vlamingen, maar dit moet ik nog verder opzoeken. Weet iemand van mijn lezers meer over deze twee plantdeskundigen? In de negentiende eeuw, met de bescheiden middelen van toen, was men niet te beroerd om een onderzoek te voeren over planten, en dat niet aan de grens stopte. Daar kunnen de academici van nu nog iets van leren.
Het boek telt 722 blz. en is versierd met 675 tekeningen. De uitgever is Wesmael-Charlier in Namen.






11.06.2025