Historicus Eric Defoort noemde hem ooit “een van de belangrijkste figuren uit het Franse regionalisme tussen de twee wereldoorlogen.”
Op 28 maart 1982 overleed in Hazebroek mijn goede vriend Nicolas Bourgeois.
Zijn ouders waren Frans-Vlamingen. Door het beroep van zijn vader – muzikant en dirigent van militaire muziekkorpsen – bracht Nicolas zijn jeugd op verschillende plaatsen in Frankrijk door. Toch bleven de Vlaamse wortels stevig verankerd. Hij groeide op in het volle besef van zijn afkomst.
Zijn voorouders waren ooit eigenaars van een kleine vloot marktschepen, waarmee ze langs de Leie handel dreven. Die erfenis verklaart zijn levenslange liefde voor het water: Bourgeois was een gepassioneerd zeiler. Dat was ook zichtbaar in zijn sober ingerichte kantoor, waar enkel foto’s van zeilschepen de muren sierden.
Hij was een briljant intellect, oud-leerling van de befaamde École Normale Supérieure in Parijs, waar hij studeerde naast toekomstige schrijvers, ministers en presidenten.
Over zijn school spotte hij graag: “Hoe kan men ‘normaal’ zijn en tegelijkertijd ‘superieur’?” vroeg hij zich af.
Hij volgde rechten en geschiedenis en verwierf al vroeg naam met zijn doctoraat, gepubliceerd onder de titel Les théories du droit international chez Pierre-Joseph Proudhon, le fédéralisme et la paix (1927). Daarmee profileerde hij zich als specialist van het Proudhoniaanse federalisme.
Hij werd adjunct-secretaris van Jean Charles-Brun, de ‘paus’ van het Franse regionalisme en bezieler van de regionalistische federatie. Rond 1924 sloot Bourgeois zich als een van de eerste leken aan bij het Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF), opgericht door Jean-Marie Gantois.
Als intellectuele evenknie van Gantois bracht hij nieuwe accenten binnen, met zijn visie op federalisme en Proudhoniaanse autonomie. Zijn uitgebreide netwerk – zowel in regionalistische kringen als binnen de Franse elite, gevormd door zijn studiegenoten – gaf hem extra gewicht.
Beroepshalve bevond Bourgeois zich dicht bij het hart van de macht.
Tussen 1919 en 1939 was hij secretaris van het presidentschap van de gemeenteraad van Parijs. In die functie fungeerde hij als ghostwriter voor talrijke notabelen en politici. Later noemde hij zichzelf ironisch “de gewezen papegaai van de stad Parijs”.
Bij het uitbreken van de oorlog werd deze functie onder het regime van Philippe Pétain afgeschaft. Voor Bourgeois was dat het moment om Parijs achter zich te laten en zich definitief in Frans-Vlaanderen te vestigen.
Hij ging wonen in Hazebroek, in het Olmkasteel, een statig herenhuis van de familie van zijn echtgenote. Daar kon hij zich ten volle wijden aan de Vlaamse zaak. Als advocaat vestigde hij zich in de streek en werd hij door zijn confraters zelfs tot stafhouder van de balie Hazebroek-Duinkerke verkozen.
Schrijven was zowel zijn beroep als zijn passie. Bourgeois was een productief en snel schrijver.
Reeds in de jaren 1920 verscheen zijn naam in talrijke tijdschriften: Action Régionaliste, Le Beffroi de Flandre, Mercure de Flandre, Le Lion de Flandre, La Vie du Nord en ook in De Standaard. Deze opsomming is verre van volledig.
Daarnaast publiceerde hij meerdere boeken, waaronder L’Hôtel de Ville de Paris (1931), de roman Le berceau sous le beffroi (1935), de satirische geschiedenis Les Hexagons (1970 en 1979) en zijn memoires Comment avoir une patrie à aimer (1979).
Symbolisch voor zijn rijke leven is dat hij in zijn laatste dagen nog druk bezig was met de correctie van de proeven van zijn geromanceerde verhaal La vie légendaire et véridique de Tisje Tasje. Dit werk, tijdens de oorlogsjaren als feuilleton verschenen, werd postuum – in het jaar van zijn overlijden – in boekvorm uitgegeven.
Als leidende figuur van het VVF ontsnapte Bourgeois na de oorlog niet aan vervolging. Franse inlichtingendiensten omschreven hem als “een van de belangrijkste animatoren van een separatistische en antinationale beweging”. Aanvankelijk werd zelfs “collaboratie met de vijand” ten laste gelegd.
Vrienden uit zijn tijd aan de École Normale Supérieure, actief in het verzet, kwamen echter voor hem getuigen. De jacobijnse aanklacht hield geen stand en Bourgeois keerde uiteindelijk als vrij man naar huis terug.
In zijn latere jaren werd hij – enigszins tegen zijn zin – de grijze eminentie en raadgever van jonge Frans-Vlamingen. De Michiel de Swaenkring benoemde hem tot erevoorzitter. Op de Frans-Vlaamse dag in Waregem werd hij in 1979 bekroond met de Vital Celenprijs.
Mijn vele gesprekken met hem in het Olmkasteel vormden de basis voor een boek dat ik enkele jaren geleden schreef over deze boeiende en geestige man – een van de meest markante persoonlijkheden die ik ooit heb ontmoet.
Hij was allerminst de karikatuur die sommige historici van hem maakten: geen “dikke nek”, noch de reactionair waarvoor hij soms werd versleten. Als jonge telg uit een proletarische familie heb ik urenlang met hem gedebatteerd over Vlaanderen, de Nederlanden en Europa.
Ook over de ideeën van Johannes Althusius en Proudhon, over federalisme, autonomie, zelfbestuur en de opbouw van een zo beperkt mogelijke staat – van onderuit, niet van bovenaf.
28.03.2026