Aan mijn Frans-Vlaamse roots heb ik te danken dat ik graag in de tuin werk. Dat heb ik van mijn vader, die het op zijn beurt van zijn vader had.
De zonnige dagen van september zijn voor mij de ideale periode om in de tuin aan de slag te gaan. Ik kan niet zo goed tegen warmte, maar de voorbode van de Sint-Michielszomer vind ik misschien wel de aangenaamste tijd van het jaar.
Heimwee naar september: genieten van de koelte van het ochtendgloren, maar ook van de mooiste en meest draaglijke zonnige dagen van het jaar. Van de appelpluk met de kleinkinderen, van het snoeiwerk dat ik nog altijd graag zelf doe, al wordt het elk jaar wat lastiger. En van het roodborstje dat van dichtbij de werkzaamheden gadeslaat.
En dan besef je weer waarom september zo’n mooie maand is.
Zoals Paul van Vliet het dichtte in zijn liedje September: “het is mijn feestelijk afscheid van de groene bomen.”
Wido.
SEPTEMBER
Een rode zon
Een stille zee
De nevels in de morgen
Een vogel neemt de zomer mee
De toekomst ligt verborgen
Afscheid van de groene bomen
Heimwee en een nieuw begin
September:
Tijd om thuis te komen.
Paul van Vliet (1935-2023)











27.09.2026
Op 26 september 1345 vond bij Warns een veldslag plaats die een bijzondere plaats inneemt in de geschiedenis van Friesland.
De Hollandse graaf Willem IV trok met zijn leger Friesland binnen om zijn gezag over de Friezen te vestigen. De Friezen kwamen daartegen in verzet en brachten het Hollandse leger een zware nederlaag toe.
Warns was in mijn jeugd de eerste plaats die ik bezocht toen ik als Frans-Vlaming kennismaakte met Friesland.
Ik herinner me vooral de betekenis die aan deze plek werd gegeven. Op het Rode Klif bij Warns staat een grote zwerfkei met daarop de woorden:
“LEAVER DEA AS SLAEF”
Liever dood dan slaaf.
Als jonge Frans-Vlaming raakte die gedachte mij. Zo werd ik verliefd op Friesland – en dat ben ik gebleven.
Want ook in Frans-Vlaanderen kennen we het verlangen van een volk om zijn eigen taal, cultuur, identiteit en vrijheid te bewaren.
De Slag bij Warns werd later dan ook veel meer dan een gebeurtenis uit 1345. Ze groeide uit tot een symbool van het Friese streven naar zelfstandigheid, eigen rechten en vrijheid. De Friezen verdedigden hun eigen gemeenschap en hun eigen manier van leven tegen een macht die van buitenaf haar gezag wilde opleggen.
Of men die geschiedenis nu bekijkt als Fries, als Vlaming of gewoon als liefhebber van geschiedenis: Warns herinnert ons eraan dat vrijheid en eigenheid voor mensen en volkeren een diepe betekenis kunnen hebben.
LEAVER DEA AS SLAEF.
Een paar woorden die eeuwen geschiedenis dragen en voor enkelen als levenshouding bepalend zijn.
Misschien is dat ook waarom die eerste kennismaking met Friesland mij altijd is bijgebleven.
Over mijn eerste bezoeken aan Friesland en Groningen lees je meer in mijn boek TAALMOORD, over taal, identiteit en gemeenschap, uitgegeven bij Ertsberg en overal te vinden in de boekhandel.
Voor een gesigneerd exemplaar kan je uiteraard bij mij terecht.
26.09.2026
Op 25 september 1328 onderwerpt Duinkerke zich aan het gezag van de Franse koning en van de pro-Franse Vlaamse graaf Lodewijk II van Nevers.
De stad Sint-Winoksbergen volgt een dag later, de haven van Grevelingen op 28 september en Kassel op 10 november.
Dat alles was een gevolg van de nederlaag bij Kassel van de Kerels onder leiding van Nicolaas Zannekin, op 23 augustus 1328.
DE SLAG BIJ KASSEL
Hoewel het volksleger van Zannekin minder talrijk was, bevond het zich aanvankelijk in een uitstekende positie. De Kerels wisten zich goed te handhaven en Zannekin forceerde persoonlijk een weg door de vijandelijke linies. Hij geraakte zelfs dicht bij de tent van de Franse koning.
Helaas maakten de Kerels vervolgens de fatale fout om hun sterke positie te verlaten. Daardoor kwamen zij in het open veld tegenover de veel grotere Franse overmacht te staan. De gevolgen waren rampzalig: het leger van Zannekin werd uiteindelijk verpletterd.
De nederlaag van 23 augustus 1328 betekende het einde van de opstand, maar niet van de strijd. Wat volgde was een harde repressie tegen de opstandelingen, hun families en de steden en dorpen die hen hadden gesteund.
Begin 1329 moesten de schepenen van Kassel en Duinkerke in Hazebroek verschijnen om hun vonnis te horen uitspreken.
De stad Kassel, waar de gevechten hadden plaatsgevonden en waar Zannekin zich had verschanst, moest een boete van 20.000 pond betalen. Duinkerke kreeg een boete van 8.000 pond, Sint-Winoksbergen 5.000 pond, de kastelrij 20.000 pond en Grevelingen 600 pond.
Dit zijn slechts enkele voorbeelden van een lange lijst repressieve maatregelen tegen de opstandelingen en hun families.
Er werden toen duizenden gijzelaars gevangengenomen, voor de stad Brugge alleen al meer dan 500. De bezittingen van de opstandelingen werden verbeurd verklaard. Mensen werden gefolterd, gedood of verbannen.
Dit alles is te lezen bij H. Pirenne*, die vermeldt dat de opstandelingen afkomstig waren uit 49 dorpen in West-Vlaanderen en 36 gemeenten uit het huidige Frans-Vlaanderen.
Deze laatste kwamen uit Rijsel, Zuidpene, Noordpene, Kapel (welke Kapel wordt niet vermeld), Arneke, Hazebroek, Ruischeure, de kastelrij van Belle, Sint-Winoksbergen, Gijvelde, Uksem, Killem, Houtkerke, Hondschote, Spijker, Broekkerke, Bambeke, Warrem, Kwaadieper, Wormhout, Bierne, Koudekerke, Terdegem, Pitgam, Klein-Synten, Bissezele, Groot-Sinten, Herzele, Rexpoede, Oostkapel, Westkapel en Zuidkote.
Kortom: de revolte van Nicolaas Zannekin was algemeen en trof de hele Westhoek.
EEN GEDENKTEKEN VOOR ZANNEKIN?
In 2028 zal het 700 jaar geleden zijn dat Nicolaas Zannekin sneuvelde tijdens de Slag bij Kassel.
Hoewel de precieze plaats waar Zannekin het leven liet niet met zekerheid bekend is, wordt zijn dood ook in verband gebracht met het grondgebied van Hardevoorde (het huidige Hardifort). Een Franse erfgoedinventaris vermeldt dat koning Filips VI in 1328, tijdens de strijd tegen de Vlaamse milities van Zannekin, korte tijd verbleef op een plaats die “le Bunder” wordt genoemd, op het grondgebied van Hardifort.
Het lijkt mij dan ook de moeite waard om na te gaan of dit oude toponiem “het Bunder” nog kan worden gelokaliseerd en of de historische plaats ervan kan worden bepaald. Bevond deze zich op het grondgebied van Kassel of van Hardevoorde? En zou het mogelijk zijn om zo de plaats waar de laatste fase van de strijd zich afspeelde, en misschien zelfs de plaats waar Zannekin sneuvelde, dichter te benaderen?
Misschien is de herdenking van 700 jaar Zannekin in 2028 wel het geschikte moment om deze zoektocht aan te vatten.
En als de historische plaats inderdaad kan worden gelokaliseerd, rijst vervolgens een andere vraag:
Waarom zou daar geen gedenkteken voor Nicolaas Zannekin kunnen komen? Een zinvolle plaats van herinnering, op of nabij de plek waar 700 jaar geleden de leider van de Kerels sneuvelde
* H. Pirenne, Geschiedenis van België, deel 2.
25.09.2026
Op 24 september 1405 overleed in Dijon de beeldhouwer Klaas (Claes) Sluter, een van de grootste kunstenaars van de late middeleeuwen. Hij werd rond 1350 geboren in Haarlem, in het toenmalige Graafschap Holland.
In de jaren 1379–1380 verschijnt hij in Brussel, waar hij als Claes de Slutere van Herlam wordt vermeld in het gilde van steenhouwers en beeldhouwers. Vanaf 1385 trad hij in dienst van Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, eerst als assistent van Jean de Marville en vanaf 1389 als hof beeldhouwer. In Dijon groeide hij uit tot de belangrijkste beeldhouwer van de Bourgondische hertogen.
ZIJN VOORNAAMSTE WERKEN
• Het portaal van de Chartreuse de Champmol. Met monumentale beelden van Filips de Stoute, Margaretha van Vlaanderen, Johannes de Doper, Catharina van Alexandrië en Maria met Kind.
• De Mozesput. Een zeshoekige sculpturale kolos met de profeten Mozes, David, Jeremia, Zacharia, Daniël en Jesaja — een mijlpaal in het Europese realisme rond 1400.
• Het praalgraf van Filips de Stoute. Sluter ontwierp het geheel en begon aan de beroemde beweners, de rouwfiguren die later door zijn neef Claus van de Werve werden voltooid.
ZIJN BETEKENIS
Sluter brak met de internationale gotiek door levensechte, psychologisch geladen figuren te maken. Zijn sculpturen tonen een ongeziene aandacht voor individualiteit, emotie en naturalistische plooival. Hij werd zo een directe voorloper van het realisme van de Vlaamse Primitieven.
EEN KUNSTENAAR UIT DE LAGE LANDEN.
Hoewel hij zijn grootste werken in Bourgondië maakte, bleef Sluter herkenbaar als een man uit de Lage Landen: zijn naam, zijn stijl en zijn werkwijze tonen een kunstenaar die zijn Hollandse en Brabantse wortels nooit verloor. Zijn oeuvre is een van de mooiste voorbeelden van hoe kunstenaars uit onze streken de Europese kunstgeschiedenis hebben gevormd. Bart van Loo noemt Sluter ‘de vergeten Michelangelo van De Lage Landen.’
24.09.2026
Op 23 september, de dag van de herfstequinox, noteerde heemkundige Herman Van Dommele in de Eeuwigdurende Natuurkalender voor de Nederlanden de oude spreuk:
“Ik ben des hersts begin
en ook des zomer laetste,
mits ik vruchten breng
ben ik niet van de quaeste.”
Deze regels herinneren aan een vergeten tijdrekening waarin het jaar niet in vier seizoenen werd verdeeld, maar slechts in twee.
TWEE SEIZOENEN
In de vroegste Germaanse en Frankische traditie kende men enkel zomer en winter. De equinoxen vormden de natuurlijke grensdagen waarop beide seizoenen elkaar raakten. De spreuk van 23 september verwoordt precies dat oeroude besef: de zomer loopt af, de winter begint, en de natuur schenkt haar laatste vruchten. In de heidense tijdrekening was dit een kosmisch kantelpunt dat het ritme van het jaar bepaalde.
SYMBOLIEK VAN HET JAAR
In mijn publicatie ‘Het meten van de tijd’ toon ik hoe deze tweedeling van het jaar niet alleen in teksten voortleeft, maar ook in symboliek op huizen en gebouwen in Frans Vlaanderen en elders. Daar vindt men nog steeds tekens die verwijzen naar het oude jaar met twee seizoenen: metselaarstekens die zomer en winter als tegenhangers aanduiden, en ook gevelankers en andere huismerken die de equinox of het solstitium markeren. Deze visuele sporen vormen een stille erfenis van een wereldbeeld waarin de mens het jaar zag als twee grote levenscycli: de tijd van groei en de tijd van rust.
Voor wie interesse heeft: ik beschik nog over enkele exemplaren van deze rijk geïllustreerde publicatie, waarin tal van deze symbolen uit Frans Vlaanderen en de Nederlanden zijn opgenomen. De kostprijs bedraagt 9 euro + 5 euro verzendkosten.
23.09.2026
Sommige Vlaamse academici en universiteitsprofessoren gedragen zich weleens als intolerante kwezels. In naam van het vrij onderzoek, uiteraard. Tegelijk treden ze op als verdedigers van het kosmopolitische mercantilisme wanneer het gaat over het gebruik van onze taal aan onze universiteiten.
Ik herinner me nog het betoog van de toenmalige rector van de KU Leuven, Luc Sels, van ongeveer drie jaar geleden, rond deze periode. Om zijn pleidooi voor méér Engels kracht bij te zetten, had hij het plots over het “identitair denken dat de ontwikkeling van Vlaanderen niet mocht hinderen”. In Nederland wordt dat soort kritiek op verengelsing tegenwoordig weggezet als “nativisme”.
Je moedertaal als hinder en als ernstige pathologie. Stel je voor.
Als aanval op het gebruik van onze taal aan de universiteit kan dat tellen. Een cordon sanitaire rond de taal van 25 miljoen Vlamingen en Nederlanders ontbreekt er nog aan.
De achterkleinkinderen van de taalstrijders van weleer lijken er ondertussen in te slagen de Nederlandse taal in versneld tempo van de universitaire campus te vegen. In naam van de diversiteit, uiteraard. En met de zegen van een imam aan de katholieke universiteit.
Vanuit mijn eigen afkomst weet ik wat het betekent om Nederlands te leren. Daarom stel ik me weleens de vraag hoe het komt dat hoogopgeleide, briljante intellectuelen uit het buitenland blijkbaar niet in staat zouden zijn onze taal te leren.
Gediplomeerde en niet-geconventioneerde artsen in onze ziekenhuizen, gastprofessoren en andere knappe koppen die hier komen werken en lesgeven: waarom zou dat voor hen onmogelijk zijn?
In mijn ogen heeft dat in de eerste plaats te maken met een complete onverschilligheid tegenover de gemeenschap die hen omringt. Een onverschilligheid die mede wordt veroorzaakt door een Vlaamse overheid die er onvoldoende in slaagt onze taal en cultuur aantrekkelijk en zelfbewust uit te dragen. Het heet dat nieuwkomers moeten integreren, maar de elite niet.
Deze internationale elite van zelfverklaarde wereldburgers — ik reken daar ook de rijkelijk betaalde Europese verkozenen, ambtenaren en andere expats toe — leeft grotendeels in een ivoren toren.
In afgeschermde villa’s, beveiligd met camera’s en gesloten poorten. De kinderen gaan naar internationale scholen. Men vliegt voortdurend heen en weer: voor een zonnebehandeling naar Saint-Tropez, een bergwandeling in het Himalayagebergte of een middagje shoppen in Parijs, Londen of New York.
Maar ik was begonnen bij de hoogleraren. Uit mijn goedgevulde citatenboek wil ik daarom nog één passend citaat van Gerard Walschap bovenhalen. In het Nieuw Vlaams Tijdschrift (jaargang 25) schreef hij:
“We signaleren met strakke ernst dat al de sensationele slogans, hetzes, drijverijen en gewelddadigheden van onze dagen gepredikt en gepatroneerd worden door hoogleraren. Deze schande moet schuldiger worden geacht naarmate ze met groter talent en reputatie wordt bedekt.”
Walschap schreef dit in 1972. Meer dan een halve eeuw later klinkt het citaat, helaas, nog altijd opvallend actueel.
Meer hierover in mijn boek TAALMOORD. Nu in elke boekhandel. Voor een gesigneerd exemplaar kan je bij mij terecht.
22.09.2026
Op 21 september 1832 overleed Walter Scott (1771–1832), 194 jaar geleden, in Abbotsford.
De beroemde Schotse dichter en schrijver van historische romans werd geboren in Edinburgh en groeide uit tot een van de invloedrijkste auteurs van de 19de eeuw. Hij ligt begraven op de gronden van de oude Dryburgh Abbey, in de Scottish Borders.
Scott schreef talrijke historische romans die wereldwijd bekend werden, waaronder Ivanhoe, Kenilworth, Quentin Durward, The Heart of Mid-Lothian en The Bride of Lammermoor. Ook als dichter verwierf hij grote faam met werken als The Minstrelsy of the Scottish Border, The Lay of the Last Minstrel en The Lady of the Lake.
Daarnaast vertaalde Scott werk van buitenlandse auteurs, onder meer van Johann Wolfgang von Goethe, zoals diens toneelstuk Götz von Berlichingen.
Scott had een bijzondere belangstelling voor de Schotse geschiedenis, tradities en volkscultuur. Beroemd is ook zijn verzameling van allerlei Schotse voorwerpen, wapens, boeken, curiosa en herinneringen, die hij bijeenbracht in zijn woning Abbotsford House. Een groot deel van deze verzameling is daar nog altijd te bewonderen en geeft een bijzondere kijk op Scotts fascinatie voor het historische Schotland.
DE HISTORISCHE ROMAN ALS GEHEUGEN VAN SCHOTLAND
Voor Scott was de historische roman veel meer dan een verhaal dat zich toevallig in het verleden afspeelde. Hij zag hoe snel de traditionele Schotse samenleving veranderde en wilde de gebruiken, gewoonten en levenswijze van die verdwijnende wereld bewaren voor het nageslacht. In Waverley keek hij bewust terug naar het Schotland van vóór de grote maatschappelijke veranderingen van de 18de eeuw.
Een moderne Scott-kenner, Ian Duncan, vat zijn betekenis mooi samen: Scott maakte de roman bijzonder ontvankelijk voor de geschiedenis — niet alleen voor de grote gebeurtenissen en historische figuren, maar voor de hele maatschappelijke wereld waarin mensen leefden. Zijn romans brengen daardoor niet alleen het verleden tot leven, maar laten ook zien hoe mensen, gewoonten en samenlevingen door de geschiedenis veranderen.
ABBOSFORD, SCOTTS DROOMHUIS
Abbotsford was veel meer dan alleen zijn woning. Scott kocht het oorspronkelijke landgoed in 1811 en liet het vervolgens stap voor stap uitbreiden en verbouwen. Hij maakte er een indrukwekkend landhuis van, met torentjes, kantelen en andere elementen die herinneren aan de middeleeuwse Schotse architectuur. Zo creëerde hij als het ware zijn eigen romantische beeld van het historische Schotland.
Ook de tuinen en het omliggende landschap werden zorgvuldig aangelegd en vormden een belangrijk onderdeel van het geheel. Het resultaat is een bijzonder ensemble van huis, interieur, verzameling, tuin en landschap dat de persoonlijkheid en interesses van Scott sterk weerspiegelt.
Ik bezocht Abbotsford drie jaar geleden en was bijzonder onder de indruk van zowel het huis als de prachtige tuinen. Enkele foto’s van mijn bezoek voeg ik hieronder toe.
Scott was geen Schotse nationalist in de moderne politieke betekenis van het woord, maar wel een uitgesproken Schotse patriot. Hij koesterde de geschiedenis en eigenheid van Schotland, terwijl hij tegelijk de politieke unie met Engeland en het Verenigd Koninkrijk aanvaardde.
Scott speelde een belangrijke rol in de hernieuwde belangstelling voor de Schotse identiteit. Hij droeg bij aan de herwaardering van de tartan en de kilt. Na de Jacobitische opstanden werden deze kledingstukken in 1746 door de Britse overheid aan banden gelegd; in de 19de eeuw kregen ze opnieuw een prominente plaats in het Schotse culturele beeld.
Zijn invloed reikte ver buiten Schotland. Een hele reeks schrijvers liet zich door hem inspireren, onder wie Victor Hugo, Alexandre Dumas en, uiteraard, onze eigen Hendrik Conscience.
Walter Scott geldt dan ook als een van de grondleggers van de historische roman. Zijn werk droeg niet alleen bij aan de ontwikkeling van dit genre, maar had ook een diepgaande invloed op de manier waarop Schotland zijn eigen verleden en culturele identiteit ging verbeelden.










21.09.2026