Op 13 maart 1567 verslaan Spaanse regeringstroepen een geuzenleger bij Oosterweel, een polderdorp ten noordwesten van Antwerpen. De opstandelingen staan onder leiding van Jan van Marnix, heer van Toulouse en broer van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. Hij sneuvelt tijdens de gevechten.
Het geuzenleger telde ongeveer 2.000–2.500 man en bestond uit vrij ongeorganiseerde calvinistische vrijwilligers uit Antwerpen, Vlaanderen, Brabant en Henegouwen. Ze worden aangevallen door 3.000–3.500 beter getrainde, professionele regeringstroepen. De strijd eindigt in een zware nederlaag voor de geuzen, met naar schatting 700 tot 800 doden of geëxecuteerden. De troepen hoopten uiteindelijk door te trekken naar de Henegouwse stad Valencijn, waar protestanten zich tegen de Spaanse overheid verzetten.
Vanuit Antwerpen kijken veel inwoners machteloos toe hoe het geuzenleger wordt vernietigd.
Volgens een kroniekschrijver bidt een katholieke prediker twee dagen later in het openbaar dat alle geuzen mogen worden vernietigd, “zoals die bij Oosterweel bij Antwerpen zijn doodgeslagen of verbrand”.
De slag bij Oosterweel wordt vaak beschouwd als een van de eerste gewapende confrontaties van de Opstand die zal uitgroeien tot de Tachtigjarige Oorlog, afgesloten met de Vrede van Münster in 1648.
13.03.2026