WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 41, 2026

Gummarus: op het kruispunt van heidendom en christendom

11 oktober geldt traditioneel als de sterfdag van de heilige Gummarus van Lier. Gommaar, zoals hij ook wordt genoemd, leefde in de zevende en achtste eeuw. Volgens de overlevering was hij ridder aan het hof van Pepijn van Herstal, hofmeier van het Frankische rijk. Hij zou geboren zijn in Emblem en geldt als de grondlegger van Lier, waar zijn relieken worden vereerd.

De jaarlijkse Sint-Gummarusprocessie vindt plaats op de eerste zondag na 10 oktober. Dit jaar vandaag dus. Zestien leden van het Genootschap van de Kasdragers dragen dan het indrukwekkende zilveren reliekschrijn van meer dan 800 kilogram door de stad. Sinds 2019 is de processie opgenomen in de Vlaamse Inventaris van het Immaterieel Cultureel Erfgoed.

De verering leeft nog sterk. Volgens de stadsgegevens dragen in 2026 in Lier en Koningshooikt samen 238 personen de voornaam Gummarus, Gummara of een variant zoals Goemmer en Gommaar. Ook de bekende Lierse schrijver Felix Timmermans vernoemde zijn jongste zoon naar de patroonheilige van zijn stad.

DE HEIDENSE HEILIGE?

In het levensverhaal van Sint-Gummarus duiken motieven op die herinneren aan voorchristelijke natuurverering en oudere religieuze gebruiken. Achter de christelijke heiligenlegende schuilen oudere geloofsuitingen. Het is echter niet eenvoudig om de voorchristelijke wortels te onderscheiden van de latere christelijke inkleding.

Een niet-exhaustief overzicht van opvallende elementen.

  • De omgehakte boom. In de legende van Gummarus wordt een eik omgehakt. Sommige bronnen vermelden dat Grimmara, de als boosaardig beschreven vrouw van Gummarus, de boom laat omhakken; andere schrijven haar die rol niet toe. Dit motief doet denken aan de praktijk waarbij vroege christenen heilige bomen velden om de machteloosheid van de oude goden te tonen. Mogelijk werd een oudere boomcultus op die manier gekerstend en aan de nieuwe christelijke beschermheilige verbonden.
  • De wonderbaarlijke genezing van de boom. Gummarus zou de omgehakte boom opnieuw tot leven hebben gewekt door zijn gordel rond de stam te binden. De boom hernam zijn groei en kwam weer tot bloei. Het motief roept associaties op met de verering van bomen en de levenskracht van de natuur.
  • De wonderstaf en de heilige eik. Volgens een andere overlevering schoot Gummarus’ wandelstok wortel en groeide hij uit tot een grote eik, verbonden met de plaats Santeeik in Duffel. Opnieuw verandert een voorwerp door een wonder in een levende boom.
  • De wonderstaf en de heilige bron. In bepaalde versies laat Gummarus met zijn staf een bron ontspringen. Dit sluit aan bij het motief van heilige personen die de levenskracht van de natuur ontsluiten. Heilige bronnen spelen immers ook in voorchristelijke religieuze tradities een belangrijke rol.
  • De miraculeuze bron van Emblem. De bron bleef een plaats van verering. De Sint-Gummaruskapel herinnert aan die traditie. Bedevaarders kwamen er genezing zoeken en dronken van het water, dat heilzaam zou zijn tegen onder meer koorts en oogziekten. Het geloof in de genezende kracht van bronnen komt ook in oudere religies voor.
  • Het ritueel rond de kapel en de bron. Volgens de overlevering liepen bedevaarders driemaal rond de kapel en dronken ze van het heilige water. Die combinatie doet denken aan oudere rituelen van reiniging en bescherming.
  • De slang en het geredde kind. In een versie van de legende redt Gummarus een kind waarin een slang in de mond is gekropen. De slang is een oeroud, veelzijdig symbool. In onder meer de Germaanse en Keltische tradities uit onze streken wordt ze verbonden met genezing, leven, dood en wedergeboorte.
  • De stichting van Lier. Gummarus zou zich aan de Nete hebben gevestigd en de grondslag hebben gelegd voor de latere stad. Lier ontstond in een waterrijk landschap, waar natuur en menselijke bewoning nauw verweven waren. Soms wordt de stadsnaam in verband gebracht met de Keltische god Lir. Die etymologische verklaring is echter niet afdoende bewezen en blijft een hypothese.
  • Emblem en de Germaanse mythologie. De oude naamvorm Emblehem is in verband gebracht met Embla, de eerste vrouw uit de Noordse scheppingsmythe. Een intrigerende gedachte, maar een rechtstreeks taalkundig verband staat niet vast. Zonder bijkomende bewijzen blijft het speculatie.
  • Prehistorische vondsten, offergaven en het magische water. In de alluviale gronden langs de Kleine Nete vonden archeologen prehistorische vuurstenen werktuigen. Er wordt ook melding gemaakt van offergaven die in de omliggende moerassen zouden zijn teruggevonden. Volgens de legende dreef de doodkist van Gummarus vanzelf over de Nete, van Emblem naar Lier. Het verhaal benadrukt de bijzondere, bijna magische betekenis van water en rivier en roept vragen op over hun mogelijke rol in voorchristelijke religieuze voorstellingen.

EEN CHRISTELIJKE HEILIGE MET OUDERE WORTELS?

Tijdens de noveen rond zijn feestdag trekken bedevaarders van heinde en verre naar de Sint-Gummaruskerk in Lier. Ze vragen genezing voor breuken en andere lichamelijke kwalen en roepen de heilige aan om gevrijwaard te blijven van botbreuken.

Bij de zegening legt de priester de gordel van Sint-Gummarus op de schouders van de pelgrim. Deze bandoplegging verwijst naar de legende waarin Gummarus met zijn gordel een omgehakte boom genas, waarna die opnieuw tot bloei kwam.

Zo leeft een wonderverhaal voort in een religieus gebruik. De gordel, oorspronkelijk een alledaags voorwerp, kreeg een bijzondere beschermende en genezende betekenis.

Misschien ligt precies daar de fascinatie voor Sint-Gummarus als oervader van de stad Lier: op het kruispunt van christelijk geloof, volksdevotie, wonderverhalen en echo’s van oudere religieuze tradities die mogelijk als verre volksherinneringen zijn blijven voortleven.

Waar begint de heiligenlegende? Waar liggen de oudere wortels van ons religieuze erfgoed? En omgekeerd: hoeveel van wat we vandaag als christelijke traditie beschouwen, draagt nog sporen van een veel ouder verleden?

Gepubliceerd

11.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Franse vrienden, ongewenste gasten in Gent

Op 10 oktober 1830 arriveert de Fransman Louis-Adolphe le Doulcet de Pontécoulant in Gent. Hij voert het bevel over een legioen van buitenlandse vrijwilligers, onder wie republikeinse Parijzenaars en oudgedienden van Napoleon. Ze zeggen de Belgische zaak te steunen, maar hun aanwezigheid roept ook vragen op over hun eigen politieke ambities en de buitenlandse invloed op de jonge Belgische staat.

De Belgische Omwenteling is immers meer dan een strijd tussen Belgen en Nederlanders. Ook buitenlandse vrijwilligers, politieke ballingen en Franse republikeinse kringen proberen hun stempel op de gebeurtenissen te drukken.

GENT: EEN VIJANDIGE ONTVANGST

Gent is in oktober 1830 een belangrijk centrum van het orangisme, de beweging die de band met het Huis van Oranje en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden wil behouden. De aanwezigheid van Pontécoulant en zijn manschappen wordt er niet door iedereen op prijs gesteld.

Op 15 oktober komt het tot een gewelddadige confrontatie tussen leden van het legioen en de Gentse burgerwacht. Daarbij vallen zes doden. Twee dagen later, op 17 oktober, capituleert de Nederlandse bezetting van de Gentse citadel.

De buitenlandse vrijwilligers spelen daarmee een rol in de militaire gebeurtenissen die de Belgische afscheiding helpen bezegelen. Hun optreden verloopt echter niet zonder spanningen met de plaatselijke bevolking en de autoriteiten.

VAN GENT NAAR BRUGGE EN DE KUST

Pontécoulant trekt vervolgens met zijn manschappen naar Brugge, waar onrust heerst. Ook daar moet hij zich een weg banen in een gespannen politieke situatie. Het nieuwe Belgische gezag heeft de buitenlandse vrijwilligers nodig, maar hun aanwezigheid en hun moeilijk te beheersen optreden vormen tegelijk een probleem.

Pontécoulant krijgt daarna militaire opdrachten in Vlaanderen. Zijn manschappen worden onder meer ingezet voor de bewaking van de kuststreek. Ook in Zeeuws-Vlaanderen raken de vrijwilligers betrokken bij militaire operaties. Op 1 november 1830 loopt een confrontatie bij Oostburg uit op een nederlaag die een einde maakt aan een deel van hun militaire avonturen.

Het is een opmerkelijke episode: een Franse officier en zijn buitenlandse vrijwilligers helpen mee de macht van het Nederlandse gezag te breken, maar moeten tegelijk opereren in een gebied waar de Belgische staat nog nauwelijks vaste voet aan de grond heeft.

FRANSE BELANGEN ACHTER DE BELGISCHE OMWENTELING

Hier wordt het verhaal bijzonder interessant.

In Frankrijk bestaan verschillende politieke stromingen die de Belgische Omwenteling met grote belangstelling volgen. Republikeinen zien in de gebeurtenissen een nieuwe stap in de strijd tegen het conservatieve Europa. Sommige Franse sympathisanten willen de Belgische onafhankelijkheid steunen; anderen zien mogelijkheden om de Franse invloed in de regio uit te breiden.

Ook generaal Lafayette speelt een rol in de contacten met Belgische revolutionairen. Maar steun aan de Belgische zaak betekent niet automatisch dat alle betrokkenen hetzelfde doel nastreven. Sommige Belgische revolutionairen willen nadrukkelijk een onafhankelijke staat, terwijl in bepaalde Franse en Belgisch-Franse kringen ook annexatiegedachten leven. Het zou daarom te eenvoudig zijn om alle Franse vrijwilligers als belangeloze vrienden van België te beschouwen.

De aanwezigheid van Pontécoulant en zijn legioen toont hoe nauw de Belgische onafhankelijkheidsstrijd verweven is met de Europese politieke verhoudingen.

WIE WAS PONTÉCOULANT?

Louis-Adolphe de Pontécoulant (1794-1882), die zich doorgaans Adolphe liet noemen, stamde uit een Normandische adellijke familie. Hij diende als officier onder Napoleon, nam deel aan de veldtocht naar Rusland en vocht tijdens de Honderd Dagen, waaronder de Slag bij Waterloo.

Na Napoleons nederlaag vertrok hij naar Brazilië. Daar raakte hij betrokken bij de revolutionaire gebeurtenissen in Pernambuco in 1817. Die episode past in een bredere geschiedenis van politieke ballingen, revolutionaire complotten en de internationale netwerken die na de val van Napoleon bleven bestaan.

In 1830 duikt hij opnieuw op, ditmaal in België, waar hij een korps vrijwilligers organiseert om de Belgische revolutionairen bij te staan.

Zijn militaire loopbaan in België blijkt uiteindelijk van beperkte duur. Eind januari 1831 moet hij op bevel van het ministerie het hoofdkwartier van het Maasleger verlaten.

Daarna bouwt hij een heel andere loopbaan uit, als schrijver, musicus en musicoloog. Hij publiceert verschillende werken over muziek en muziekinstrumenten.

HOE BELGISCH WAS DE BELGISCHE REVOLUTIE?

De gebeurtenissen van 1830 tonen hoe moeilijk het is om een nationale onafhankelijkheidsstrijd los te zien van buitenlandse belangen. Franse vrijwilligers kunnen de Belgische zaak daadwerkelijk helpen, terwijl sommige Franse politieke kringen tegelijk hopen hun invloed uit te breiden.

Dat spanningsveld maakt de figuur van Pontécoulant zo interessant. Hij was een Franse officier die zich in dienst stelde van de Belgische Omwenteling. Maar niet zo maar: zijn optreden speelde zich af in een politiek landschap waarin militaire noodzaak en geopolitieke belangen voortdurend door elkaar liepen.

Gepubliceerd

10.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Sint-Omaars: zoek niet naar de toren van Sint-Aldegonde

Op 9 oktober 1800 verwoestte een tornado de toren van de Sint-Aldegondekerk in Sint-Omaars.

De toren was het laatste overblijfsel van de kerk. Het gebouw zelf was in 1793, in opdracht van het jakobijnse revolutionaire bestuur, met de grond gelijkgemaakt.

Vandaag herinnert alleen de Sint-Aldegondestraat, vlak bij de markt, nog aan de verdwenen kerk.

Het was een mooi gotisch gebouw, opgetrokken in 1515. De naam verwijst naar de familie Sint-Aldegonde, die de kerk liet bouwen.

Maar er is nog één tastbare herinnering aan de kerk.

Op de Place Victor-Hugo staat de fontein Sint-Aldegonde. Ze werd gebouwd tussen 1754 en 1758 en stond oorspronkelijk tegen het koor van de kerk.

De fontein maakte deel uit van het waternet van Saint-Omaars en diende als reservoir. Ze herinnert ook aan de opening van het kanaal van Neufossé (Nieuwegracht) in 1756, dat de A met de Leie verbond.

Het kanaal werd aangelegd op de ‘Dyk tegen de Fransen’. Dat was een vroegere verdedigingsgracht op de grens tussen het oude graafschap Vlaanderen en het graafschap Artesië. De verdedigingslinie liep tussen de Aa en de Leie en moest, zoals de naam al aangeeft, vijanden uit het zuiden helpen tegenhouden.

De twee figuren op de fontein stellen de A en de Leie voor.

Toen de kerk verdween, bleef de fontein staan. Vandaag is ze het enige zichtbare overblijfsel van de voormalige Sint-Aldegondekerk.

DE NAAM SINT-ALDEGONDE

De naam doet ook denken aan Filips Marnix van Sint-Aldegonde (1540–1598), schrijver, diplomaat en vertrouweling van Willem van Oranje.

Zijn moeder, Marie, stamde uit een Henegouws adellijk geslacht. De familie de Haméricourt bezat een kasteel in het graafschap Binche, in Mont-Sainte-Aldegonde.

Maar waar komt de naam Aldegonde vandaan?

Hij verwijst naar een Frankische heilige: Aldegundis of Aldegonda (639–684). Zij leefde in de zevende eeuw in deze streek.

Aldegonde werd geboren in Cousolre, in het huidige Franse Henegouwen. Ze werd vooral vereerd in Mabuse, het huidige Maubeuge.

Volgens  filologen, onder wie pater Desideer Stracke, was de moedertaal van Aldegonda het Westfrankisch. Henegouwen sprak in die tijd nog geen Romaanse taal, laat staan Frans.

De Franse taal bestond toen eenvoudigweg nog niet.

Gepubliceerd

09.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Recensie in De Lage Landen en les Plats-Pays

Recension sur le site De Lage landen et Les Plats-Pays

“Opzienbarend, soms radicaal en niet bang om de koe bij de horens te vatten: zo laat Taalmoord zich het best omschrijven.”

“Surprenant, parfois radical et ne craignant pas de prendre le taureau par les cornes : voilà comment on pourrait sans doute le mieux décrire le nouveau livre de Wido Bourel, Taalmoord.”

Elise Van Assche

Zie hier nog een recensie van mijn boek:

Encore une recension de mon livre:

TAALMOORD over taal, identiteit en gemeenschap

IN HET NEDERLANDS: https://www.de-lage-landen.com/…/hij-noemde-zijn-boek…

EN FRANCAIS: https://www.les-plats-pays.com/…/son-livre-sintitule…

Gepubliceerd

08.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Tevfik Esenç, de laatste stem van het Oebych – en —  en de geleerde die haar wilde bewaren

Op 7 oktober 1992 stierf in het Turkse dorp Hacıosman Tevfik Esenç. Met hem verdween niet alleen een mens, maar ook een taal: het Oebych, een van de merkwaardigste talen van de Kaukasus. Esenç was de laatste levende spreker van deze taal.

Het verhaal begint echter veel eerder, aan de andere kant van de Zwarte Zee.

De Oebychs waren een klein volk uit de noordwestelijke Kaukasus. In de negentiende eeuw werden zij, samen met andere Kaukasische bevolkingsgroepen, door de Russische verovering uit hun woongebied verdreven. Velen kwamen terecht in het Ottomaanse Rijk, onder meer in Anatolië. Daar raakten hun taal en cultuur geleidelijk in de verdrukking.

Tevfik Esenç groeide op bij zijn grootouders, die nog Oebych spraken. Hij beheerste daarnaast Turks en Adyghe. Zonder dat hij daarvoor had gekozen, werd hij uiteindelijk de laatste drager van een taal die eeuwenlang binnen zijn gemeenschap was doorgegeven.

Een merkwaardige taal bovendien.

Het Oebych telde slechts drie klinkers, maar naar schatting maar liefst 84 medeklinkers. Voor taalkundigen was het een fascinerend laboratorium van menselijke spraak. En omdat de taal op het punt stond te verdwijnen, werd de nood om haar vast te leggen steeds groter.

Daar kwam Georges Dumézil in beeld.

Dumézil, die leefde van 1898 tot 1986, was een van de grote filologen en comparatisten van de twintigste eeuw. Hij was gespecialiseerd in Indo-Europese talen en mythologie, maar beheerste en bestudeerde ook tal van andere talen, waaronder verschillende Kaukasische talen.

Het Oebych liet hem niet meer los.

Dumézil ontmoette Esenç en werkte jarenlang met hem samen om de taal zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen. Woorden, grammatica, verhalen en vooral de uitzonderlijke klanken werden geregistreerd en bestudeerd. Er kwamen fonetische schema’s en technische onderzoeken aan te pas om zelfs de meest bijzondere klanken van het Oebych te kunnen beschrijven.

Dumézil publiceerde er verschillende belangrijke studies over, waaronder ‘La Langue des Oubykhs’ en later ‘Contes et légendes des Oubykhs’ en ‘Études oubykhs’.

De ontmoeting tussen de wereldgeleerde en de eenvoudige dorpsman heeft mij altijd gefascineerd.

Georges Dumézil heeft mij ooit zelf verteld over zijn ontmoetingen met Tevfik Esenç en over de bijzondere samenwerking tussen hen beiden. Dat verhaal ben ik nooit vergeten.

Ik kende Dumézil ook via zijn vriendschap met de Frans-Vlaamse voorman Nicolas Bourgeois, met wie hij aan de École Normale Supérieure had gestudeerd. In het Olmkasteel in Hazebroek, waar Bourgeois woonde, hoorde ik zijn gepassioneerde verhaal over Esenç en de verdwijnende taal van de Oebychs.

Decennia later keerde dat verhaal terug via Burcu Esenç, de kleindochter van Tevfik.

In 2019 maakte zij een documentaire over haar grootvader, de Oebychs en de taal die met hem verdween. De titel is veelzeggend: “I Had a Dream You Won’t Understand Even If I Tell.”

Ik had een droom die je niet zult begrijpen, zelfs als ik hem je vertel.

En dan is er nog de grafsteen van Tevfik Esenç.

Daarop staat, in het Turks, dat dit het graf is van Tevfik Esenç, de laatste die de taal die men Oebych noemde, kon spreken.

Meer hoeft er eigenlijk niet te staan.

Op 7 oktober 1992 zweeg de laatste stem van het Oebych.

Gepubliceerd

07.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Mijn antwoord aan Geraard Goossens

Cultuur van de elite, cultuur van het volk

Je antwoord brengt mij eigenlijk bij een fundamentelere vraag dan die van de cultuur- subsidies alleen: van wie is cultuur eigenlijk?

Je mag gerust lachen met mijn gebrek aan academische eerbied. Maar ik blijf erbij: cultuur is van het volk, niet van een caviarcategorie. Ook niet van experten, universitaire en academici.

Dat is voor mij geen populisme.

Wat jij anti-elitarisme, populisme, essentialisme en achterhaald schwärmen over het organische en het volkse noemt, zou ik vandaag rustig benoemen als basis, lokale verankering en localisme. Daarmee hoef je helemaal niet terug te vallen in een romantische voorstelling van het Volk als een homogeen en onveranderlijk wezen. Het gaat veel eenvoudiger om de vraag waar cultuur daadwerkelijk leeft: in plaatsen, talen, smaken, gewoonten, ambachten, verhalen, muziek en manieren van samenleven.

En daar komt Goethe om de hoek kijken:

„Grijs, beste vriend, is alle theorie,
en groen de gouden boom des levens.”

Dat lijkt mij hier een nuttige waarschuwing. Theorie kan cultuur natuurlijk analyseren, benoemen en becommentariëren. Maar zodra de theorie belangrijker wordt dan het leven waaruit die cultuur voortkomt, zijn we volgens mij een afslag te ver gegaan.

Daarom spreekt ook de Normandische filosoof van linkse komaf Michel Onfray mij aan wanneer hij de concrete, zintuiglijke en populaire cultuur opnieuw ernstig neemt. Wat men vroeger volksvoeding noemde, hoeft vandaag helemaal niet meer te betekenen: een romantisch paternalisme over het volk. Je kunt het evengoed hebben over culturele basis, localisme, nabijheid, verankering en continuïteit.

Cultuur hoeft niet elitair te zijn om hoogstaand te zijn. En ze hoeft evenmin anti-intellectueel te zijn om geworteld te zijn.

Mijn punt is dus niet: het volk tegen de elite. Maar wel: cultuur wordt niet pas cultuur wanneer ze door een academische poort is gegaan. Ze bestaat al vóór iemand haar theoretisch heeft gedefinieerd.

BOEKEN

Tenslotte nog enkele aanbevolen lecturen uit mijn ouderwetse fichebak voor wie als academicus of universitair een poging wil doen om weg te treden van het intellectueel snobisme:

Edmund Burke. Iers-Brits politicus, filosoof en schrijver. Boek: Reflections on the Revolution in France (1790).
Stelling: Traditie bevat kennis die de intellectueel onderschat.

Michael Polanyi. Hongaars-Brits chemicus en filosoof. Boek: Personal Knowledge (1958).
Stelling: Ervaringskennis is echte kennis, ook zonder theorie.

Pierre Bourdieu. Franse socioloog en filosoof. Boek: La Distinction (1979).
Stelling: Academische smaak kan sociale superioriteit worden.

Christopher Lasch. Amerikaans historicus en sociaal criticus. Boek: The Revolt of the Elites (1995).
Stelling: de hoogopgeleide elite raakt los van gemeenschap en volk.

James C. Scott. Amerikaans politicoloog en antropoloog. Boek: Seeing Like a State (1998).
Stelling: experts onderschatten lokale kennis van gemeenschappen.

Ik kan ook zelfstandig denken. Maar met al die experten, academici en universitairen voel ik me als een tuinman van de praktijk tussen botanici: zij kennen de Latijnse naam van de boom. Ik ken de boom — en weet wanneer ik hem moet snoeien om hem te laten bloeien.

Gepubliceerd

06.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Wil de echte André Cauvin opstaan?

Op 5 oktober 1941 verschijnt in Rijsel het eerste nummer van het regionale weekblad La Vie du Nord.

Het blad presenteerde zich vooral als een regionalistisch en populair tijdschrift. Op 16 bladzijden behandelde het de geschiedenis, tradities en cultuur van de Franse Nederlanden, maar ook films en het dagelijkse leven. De culturele identiteit van de streek stond centraal en het blad hield zich niet afzijdig van politieke standpunten.

De formule van het weekblad bleek opvallend succesvol. Een bron vermeldt een oplage van ongeveer 1.500 exemplaren bij de start, oplopend tot circa 16.000 in 1942-1943 en zelfs tot ongeveer 45.000 à 50.000 exemplaren in 1944.

La Vie du Nord bleef verschijnen tot augustus 1944, het einde van de Duitse bezetting.

Een medewerker die regelmatig bijdragen leverde en later in vaste dienst trad, was Gaspard Van den Bussche, bekend om zijn regionalistische schrijversactiviteiten. Hij schreef onder meer onder het pseudoniem Jan Des Dunes.

La Vie du Nord deed ook een beroep op bekende pennen uit het Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF) voor het schrijven van artikels. Daarbij moet wel worden benadrukt dat het blad volledig onafhankelijk was en dus géén publicatie van het VVF was. Ook verschillende andere VVF-leden, onder wie Jean-Marie Gantois, verleenden onder diverse schuilnamen hun medewerking.

Zo publiceerde Nicola Bourgeois zijn Tisje Tasje eerst als feuilleton in La Vie du Nord, evenals zijn verhaal over de legende van de Drie Maagden van Kaaster.

ANDRÉ CAUVIN

Over de persoonlijkheid van André Cauvin, directeur van het succesvolle weekblad, lopen uiteenlopende verhalen door elkaar.

Over de financiering van het blad bestaan eveneens verschillende lezingen: er wordt gesteld dat Cauvin financiële steun van de Duitse Propagandastaffel kreeg, terwijl hij tegelijkertijd meermaals polemiseerde met ministers van het Vichy-regime.

Na de oorlog werd de voortvluchtige Cauvin bij verstek ter dood veroordeeld.

Later kon hij zijn juridische situatie blijkbaar zonder veel gevolgen regulariseren. Wellicht speelden ook zijn contacten met … het verzet een rol als verzachtende omstandigheid.

Opvallend is dat hij in de jaren vijftig — alive and kicking — in een nieuw proces mild werd veroordeeld, ditmaal door een Franse militaire rechtbank in Metz.

Maar daarover schreef de pers toen al lang niet meer. Ongetwijfeld omdat de stemming rond de collaboratie inmiddels was uitgedoofd, maar mogelijk ook omdat de zaak bij nader onderzoek minder zwaar bleek te liggen dan het eerdere doodvonnis deed vermoeden.

Een duister verhaal dus, waarin nog heel wat vragen onbeantwoord blijven.

Wordt vervolgd.

Gepubliceerd

05.10.2026

Kernwoorden
Reacties