WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 37, 2026

Over Casselse koeien en de taal van Guido Gezelle

Op 13 september 1896 schreef Guido Gezelle (1830-1899), na een van zijn vele bezoeken aan Frans-Vlaanderen, zijn beroemde gedicht Casselkoeien.

CASSELKOEIEN

Aanschouwt mij, hier en daar,
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zoveel blommen bloeien
in ’t gers en in de zon, die zinkend, henentiet:
die, rood, het rode veld vol rode vonken giet.

’t Is prachtig overal,
’t Is prachtig, hoe de huiden
dier koeien liefgetal
van vouwe en verwen luiden,
’t is prachtig, hoe ze staan, gebeiteld en gesneen,
lijk beelden, over heel die wijde weide heen.

Daar zijnder, rode als vier;
kastanjebruin geboende;
naar donkerbaaide bier,
naar bijkans zwart bier doende;
beglinsterd en beglansd: van vel en verwigheid,
gelijk en ongelijk, terwijl de zonne beidt.

Al langzaam langer speelt,
dwersdeur de weidegronden,
’t zij welker koe een beeld
van schaduw bijgebonden;
en, wangedrochtig groot, in ’t donker gers voortaan,
zie ‘k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.

Goen nacht! De zonne beet
ten neste neer: tot morgen,
is al dat verwe heet,
en ogen aast, verborgen:
de koeien zijn voorbij: gedelgd en uitgedoofd,
en… morgen weer, ontwekt ze ’t blinkend zonnehoofd.

De lezer merkt dat de geschreven taal van Gezelle, toch de grote verdediger van het West-Vlaamse particularisme, opvallend dicht aanleunt bij het Nederlands van zijn tijd. Dat belet hem niet om dit gedicht rijkelijk te kleuren met specifieke West-Vlaamse woorden, uitdrukkingen en klanken.

De Nederlandse hoogleraar en beroemde taalgeleerde Hendrik Kern (1833-1917) stelde volgens Gerard Brom al in 1875 uitdrukkelijk dat Gezelle geen dialect schreef, maar algemeen Nederlands met veel West-Vlaamse woorden.

Ook de Vlaamse politicus, schrijver en letterkundige August Vermeylen (1872-1945) schreef in 1903 in zijn essay ‘Particularisme?’ over Guido Gezelle, maar ook over Stijn Streuvels en Herman Teirlinck:

“Geen van de drie schrijft eigenlijk dialect.”

En ook Karel de Busschere (1912-1998), Vlaamse taalkundige en Gezellekenner, schreef later dat “Gezelle universeel Nederlands van eigen makelij” schrijft. Daarmee concludeerde hij dat Gezelles taal in essentie Nederlands was.

Toch blijf ik me de vraag stellen waarom sommige liefhebbers in Frans-Vlaanderen van het principe ‘eigen streektaal eerst’ niet dezelfde keuze maken als Guido Gezelle voor de geschreven taal. Waarom zich in allerlei kromme bochten wringen voor een archaïsche spelling die nooit werkelijk heeft bestaan en die uiteindelijk vooral een slechte oogst oplevert?

Misschien ligt juist daar een kans. Een keuze voor een natuurlijk en begrijpelijk geschreven Nederlands, naar het voorbeeld van Gezelle, zou het begin kunnen zijn van verzoening en van een nieuwe samenwerking tussen het Frans-Vlaams en het Nederlands.

Over taal, taalkeuzes en taalevolutie in Frans-Vlaanderen lees je meer in mijn boek TAALMOORD. OVER TAAL, IDENTITEIT EN GEMEENSCHAP.

TAALMOORD is nu te koop in de boekhandel. In Frans-Vlaanderen is het boek ook verkrijgbaar bij het Museum van de Slag in Noordpeene.

Wie graag een gesigneerd exemplaar wil ontvangen, kan rechtstreeks bij mij terecht.

Gepubliceerd

13.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Politiek misdrijf of niet?  Een verijdelde aanslag op Napoleon III  

Op 12 september 1854 bestond er een algemeen gerucht dat de Franse keizer Napoleon III per trein naar Doornik zou reizen. Hij had kort voordien in Kales koning Leopold I ontmoet en men verwachtte hem in Doornik voor de feestelijkheden.

In de nacht van 10 op 11 september was langs de spoorlijn tussen Rijsel en Kales, in de omgeving van Pérenchies en Lambersart, een zogenaamde machine infernale onder de rails geplaatst. Het explosief was verbonden met een ontstekingsmechanisme dat vanuit een nabijgelegen veld kon worden bediend.

Op maandag 11 september, rond vijf uur ’s morgens, ontdekte een spoorarbeider het tuig. De aanslag werd daardoor verijdeld. Napoleon III zou de volgende dag echter niet naar Doornik reizen.

De Franse autoriteiten brachten de aanslag in verband met republikeinse tegenstanders van het keizerrijk. Onder de verdachten bevonden zich Jules-Nicolas Jacquin en Célestin-Nicolas Jacquin, twee Fransen die naar Brussel waren gevlucht. Jules Jacquin was ingenieur en zou betrokken zijn geweest bij de vervaardiging van de bom. Hoewel zij in sommige oudere bronnen als de gebroeders Jacquin werden aangeduid, waren zij geen broers.

Bijna een jaar na de feiten werden de twee mannen door de Franse rechtbank bij verstek ter dood veroordeeld. Frankrijk vroeg België vervolgens om hun uitlevering.

Daar ontstond een belangrijke juridische discussie. Volgens de Belgische uitleveringswet van 1 oktober 1833 konden personen niet worden uitgeleverd wanneer het ging om een politiek misdrijf. De Belgische rechter moest daarom bepalen of een aanslag op het leven van een buitenlands staatshoofd als een politiek misdrijf moest worden beschouwd.

De kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Brussel oordeelde dat de aanslag een politiek karakter had. Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing, waarna de zaak opnieuw werd onderzocht. Ook het hof van beroep te Luik oordeelde dat het niet om een politiek misdrijf ging. Uiteindelijk werd in Brussel het politieke karakter van de aanslag opnieuw aanvaard.

Frankrijk ergerde zich sterk aan de Belgische houding en trok uiteindelijk zijn verzoek tot uitlevering in.

DE ATTENTAATSCLAUSULE

De zaak maakte duidelijk dat de Belgische uitleveringswet van 1833 een probleem bevatte. Een persoon die in het buitenland werd vervolgd voor een aanslag op een staatshoofd, kon zich onder bepaalde omstandigheden beroepen op het politieke karakter van zijn daad.

Daarom nam de Belgische regering het initiatief om de uitleveringswet aan te passen. Op 22 maart 1856 werd een aanvullende wet aangenomen. Daarin werd bepaald dat een aanslag op het hoofd van een buitenlandse regering of op leden van diens familie voortaan niet meer als een politiek misdrijf werd beschouwd wanneer het ging om moord, poging tot moord met voorbedachten rade of vergiftiging.

Deze bepaling werd bekend als de attentaatsclausule of Belgische clausule. Ze werd later in talrijke uitleveringsverdragen overgenomen.

WAT GEBEURDE ER MET DE TWEE DADERS?

Jules-Nicolas Jacquin werd ondanks zijn doodvonnis nooit geëxecuteerd. Na zijn vlucht verbleef hij onder meer in Engeland en trok vervolgens naar de Verenigde Staten. In 1860 trouwde hij in New York met Louise Marie Seghers. Later keerde hij terug naar Europa en vestigde hij zich in Zwitserland. Volgens genealogische gegevens overleed hij op 24 november 1914 in Évian-les-Bains, 89 jaar oud.

Ook Célestin-Nicolas Jacquin ontsnapte aan de Franse justitie. Hij verbleef eerst in Engeland en duikt vervolgens op in New York. In de New Yorkse stadsgids van 1859-1860 staat hij vermeld als draaier, wonende aan West 30th Street. Zijn verdere levensloop is veel moeilijker te achterhalen en een betrouwbare overlijdensdatum is voorlopig niet gevonden.

Zo eindigde de geschiedenis van de twee mannen die in 1855 bij verstek ter dood werden veroordeeld heel anders dan het vonnis deed vermoeden. Geen van beiden werd geëxecuteerd. De mislukte aanslag op Napoleon III kreeg bovendien een betekenis die veel verder reikte dan de aanslag zelf. De zaak droeg bij tot een belangrijke wijziging in het Belgische uitleveringsrecht en tot een duidelijker onderscheid tussen politieke misdrijven en gewone misdrijven.

Gepubliceerd

12.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Als een wandtapijt even terug naar huis vaart

Het Wandtapijt van Bayeux is sinds september 2026 voor het eerst sinds bijna duizend jaar opnieuw in Engeland te zien. Het bijna zeventig meter lange middeleeuwse borduurwerk wordt tot juli 2027 tentoongesteld in het British Museum in Londen. Technisch gesproken is het overigens geen tapijt, maar een geborduurd linnen doek; toch is de Nederlandse benaming wandtapijt zo ingeburgerd dat we die hier maar beter behouden. Het werk vertelt het verhaal van de gebeurtenissen die uitmondden in de Slag bij Hastings van 1066 en de verovering van Engeland door Willem, hertog van Normandië. Zowel het British Museum als het Franse ministerie van Cultuur omschrijven het dan ook uitdrukkelijk als het verhaal van de Normandische verovering.

Toch is de tentoonstelling in Londen een goede aanleiding om een merkwaardige vraag te stellen: hoe Frans was de wereld die op het Wandtapijt wordt afgebeeld eigenlijk? Aan de vaartuigen die op het wandtapijt zijn afgebeeld alvast niet. Visueel is dit een Vikingenvloot en geen Franse. Het is een aanwijzing dat de Normandiërs nog altijd diep waren geworteld in de scheepsbouw, beeldtaal en maritieme tradities van hun Scandinavische voorouders, en niet in een Franse traditie.

Die vraag is niet alleen taalkundig of historisch interessant. Ze raakt aan de manier waarop middeleeuwse gebeurtenissen later door moderne natiestaten zijn toegeëigend. Want wanneer men spreekt over “de Franse verovering van Engeland” of over “de Franse invloed” die vanaf 1066 het Engels binnendrong, lijkt het alsof Frankrijk als politieke en culturele eenheid in Hastings een beslissende rol speelde.

Dat beeld verdient correctie.

NORMANDIË: FRANS OP PAPIER, ZELFSTANDIG IN DE PRAKTIJK

In 1066 maakte Normandië formeel deel uit van het koninkrijk van de Franken, het Frankrijk van de Capetingische koning. De hertog van Normandië was formeel vazal van de Franse koning.

Maar een middeleeuws hertogdom was geen moderne provincie.

De Normandische hertogen hadden in de praktijk een uitzonderlijk sterke positie. Zij bestuurden hun eigen gebied, beschikten over een machtige eigen adel en militaire organisatie en hadden een stevige greep op kerkelijke en wereldlijke instellingen. De feitelijke invloed van de Franse koning op Normandië was beperkt. Historici hebben dan ook benadrukt dat de Normandische hertog in de elfde eeuw een machtige territoriale vorst was, wiens verhouding tot de Franse koning veel minder eenvoudig was dan het moderne begrip “Franse provincie” suggereert.

Dat is van belang voor 1066.

De invasie van Engeland was dus geen onderneming van de Franse koning. Het was de onderneming van Willem, hertog van Normandië, en van een brede coalitie die hij rond zijn Normandische machtsbasis wist te verzamelen. De Franse koning Filips I organiseerde geen Franse invasie, en het was niet de Franse koning die na Hastings de Engelse kroon verwierf.

WILLEM EN NIEMAND ANDERS WERD KONING VAN ENGELAND

Op Kerstdag 1066 werd hij in Westminster tot koning gekroond. Daarmee ontstond een hoogst merkwaardige situatie. Willem bleef hertog van Normandië en was in die hoedanigheid formeel vazal van de Franse koning. Maar als koning van Engeland was hij een onafhankelijke vorst.

De Franse koning was dus Willems leenheer voor Normandië, terwijl Willem tegelijkertijd koning was van een zelfstandig koninkrijk. Precies die dubbele positie laat zien hoe weinig zin het heeft om Willem en zijn verovering met moderne nationale categorieën eenvoudigweg als “Frans” te bestempelen.

Het is moeilijk om dat in moderne nationale termen “Frans” te noemen. Behalve in Frankrijk natuurlijk.

Ook het dynastieke verhaal past slecht in een eenvoudige Frans-Engelse tegenstelling.

MATHILDE VAN VLAANDEREN

Willem was hertog van Normandië. Zijn vrouw was Mathilde van Vlaanderen, dochter van graaf Boudewijn V van Vlaanderen. Hun huwelijk verbond twee machtige gebieden van Noordwest-Europa. David Bates, een van de belangrijkste moderne biografen van Willem, benadrukt juist het belang van Mathildes Vlaamse afkomst voor Willems positie.

Het leger waarmee Willem naar Engeland trok was bovendien niet simpelweg een “Frans leger”. De contemporaine en bijna-contemporaine bronnen beschrijven een samenstelling uit verschillende delen van Noordwest-Europa. William of Poitiers noemt naast de Normandiërs onder meer Fransen, Bretons en mannen uit Maine en Aquitanië. Er is bovendien goede historische aanwijzing voor Vlaamse en Artesische deelname aan Willems onderneming. Nogmaals: vergeet niet dat de vrouw van Willem, Mathilde, een dochter van de Vlaamse graaf was. Aan het aantal ‘Flemings’ dat voor bewezen dienst grondbezit kreeg in Engeland, moet deze Vlaamse deelname van betekenis zijn geweest.

Het is daarom nauwkeuriger om van een Normandische onderneming te spreken dan van een Franse invasie.

ZELFS DE TAAL WAS NIET EENVOUDIGWEG FRANS

Ook op taalkundig gebied verandert het beeld zodra men nauwkeuriger kijkt.

De Normandiërs van Willem spraken een Noord-Romaanse volkstaal die we Oudnormandisch kunnen noemen. Die taal was geen afsplitsing van het latere standaard-Frans, maar een regionale Romaanse variant die zich in Normandië uit de plaatselijke Romaanse taalomgeving had ontwikkeld. Zij spraken geen Latijn als moedertaal en evenmin het moderne Frans zoals dat later uit het dialect van het Île-de-France zou ontstaan.

Het gaat hier om een bredere ontwikkeling. Uit het Volkslatijn ontstonden in verschillende gebieden regionale Romaanse taalvarianten. Het Normandisch en het Picardisch waren zulke regionale varianten, die zich elk in hun eigen taalgebied ontwikkelden. Zij stonden met elkaar in contact en vertoonden uiteraard gemeenschappelijke kenmerken, maar het is historisch en taalkundig onjuist om het latere Frans als de moeder van deze varianten voor te stellen.

De geschiedenis van die taal is juist buitengewoon interessant.

De eerste Normandische heersers waren afkomstig uit de Scandinavische wereld. Rollo en zijn opvolgers waren voortgekomen uit de Vikingexpansie van de negende en tiende eeuw. Hun oorspronkelijke taal was een Noord-Germaanse, Oudnoordse taal.

Maar de Scandinaviërs vestigden zich in een overwegend Romaanstalige omgeving. In de daaropvolgende generaties namen de Normandische elites geleidelijk aan de plaatselijke Romaanse volkstaal over. Zo ontstond in Normandië een eigen Romaanse taalvariant, waarin ook Scandinavische invloeden herkenbaar bleven.

Dat betekent dat het Normandisch tegelijkertijd het resultaat was van romanisering én van een Scandinavische erfenis. Onderzoekers hebben bovendien aangetoond dat de Scandinavische invloed op de Normandische cultuur en literatuur niet zomaar ophield toen de politieke banden met Scandinavië rond de elfde eeuw zwakker werden.

Het is daarom historisch juister om te zeggen:

Scandinavische kolonisten → romanisering onder Scandinavische invloed → Oudnormandisch → Anglo-Normandisch → invloed op het Engels.

Dat is een veel nauwkeuriger keten dan:

Frankrijk → Frans → Engeland.

“FRANSE INVLOED” OP HET ENGELS MET EEN KORRELTJE ZOUT

Natuurlijk staat het buiten kijf dat de Normandische verovering een enorme invloed op het Engels heeft gehad. Na 1066 werd de taal van de nieuwe heersende elite gebruikt aan het hof, in de aristocratie en in belangrijke bestuurlijke en juridische contexten. De Engelse woordenschat werd daardoor sterk verrijkt met Romaanse woorden.

Woorden als government, justice, parliament, royal, noble, court, prison, army en battle herinneren daar nog dagelijks aan.

Maar ook hier is “Franse invloed” een verkorting.

De eerste belangrijke taal van de nieuwe elite was Normandisch, later in Engeland Anglo-Normandisch genoemd. Anglo-Normandisch ontwikkelde zich in Engeland als een eigen Romaans idioom naast de Romaanse variëteiten die op het continent als Frans werden aangeduid. Het vertoonde eigen kenmerken en ontwikkelde zich onder invloed van de meertalige Engelse omgeving. De moderne taalkunde benadrukt dat men bij de “Franse invloed” op het Engels rekening moet houden met verschillende dialecten en variëteiten, waaronder Normandisch en Anglo-Normandisch. Het Parijse of Centraal-Franse dialect kreeg pas later een bijzonder prestige.

Het is dus niet verkeerd om te zeggen dat het Engels na 1066 veel “Franse” woorden kreeg, zolang men beseft dat “Frans” hier een brede historische en taalkundige verzamelnaam is. Het gaat daarbij niet om één uniforme taal die vanuit Parijs naar Engeland werd gebracht, maar om een geheel van verwante Romaanse variëteiten, waaronder het Normandisch en het Anglo-Normandisch. Het was niet de taal van de Franse koning die door een Franse verovering naar Engeland werd gebracht.

Het was in de eerste plaats de taal van de Normandische veroveraars.

DE VERGETEN GERMAANSE WERELD LANGS DE NOORDZEE

Daarmee komen we bij een aspect dat de moderne Franse nationale voorstelling nog dubieuzer maakt.

De huidige Frans-Nederlandse taalgrens bestond in deze vorm niet in de vroege middeleeuwen. Langs de Noordzeekust bestond een brede Germaanse wereld waarin verschillende kustdialecten met elkaar verbonden waren. Taalkundigen spreken onder meer over Noordzee-Germaans of Ingweoons, een geheel van kenmerken dat zichtbaar is in Oudengels, Oudfries, Oudsaksisch en bepaalde oude kustvariëteiten van het Nederlandse taalgebied. Het ging daarbij niet om één uniforme taal, maar om een netwerk van verwante dialecten en gedeelde innovaties rond de Noordzee.

Die wereld hield niet op bij de huidige Frans-Belgische grens.

Historisch en toponymisch onderzoek wijst erop dat het Germaanse taalgebied in het noordwesten van het huidige Frankrijk veel verder naar het zuiden reikte. In verschillende reconstructies loopt de vroegmiddeleeuwse Germaans-Romaanse taalgrens in het uiterste westen ongeveer vanaf de monding van de Kwinte/Canche richting Rijsel. Andere onderzoekers benadrukken dat het om een brede overgangszone ging die tot aan de Somme liep en niet om een messcherpe lijn.

Dat is van groot belang voor gebieden als Bonen (Boulogne), Kales (Calais) en Vlaams Artesië (tot Sint-Omaars).

Bonen was nog in de twaalfde eeuw nog Diets. Het platteland ten noorden van de stad vertoonde zelfs aan het einde van de dertiende eeuw een uitgesproken Nederlandse toponymie. In Kales was het gesproken dialect in de dertiende eeuw volgens taalkundig onderzoek onmiskenbaar Vlaams en nauw verwant met het West-Vlaams. Nederlandse elementen bleven daar nog eeuwenlang aanwezig.

Ook Saksische vestigingen langs de Noord-Franse kust spelen hierin een rol. Archeologisch en historisch onderzoek heeft Saksische groepen aangetoond langs de kust van Noord-Gallië, onder meer rond Bonen, de Sommebaai, de benedenloop van de Seine en de vlakte van Caen. De kust van het Kanaal vormde in de vroege middeleeuwen dus een veel hechtere Germaanse contactwereld dan onze moderne taalgrens doet vermoeden.

TOT AAN DE SOMME — OF NOG VERDER?

Het is taalkundig verdedigbaar dat de Germaanse invloed ten zuiden van de huidige taalgrens veel verder reikte, met de Canche als belangrijke geografische referentie in verschillende reconstructies. Ten zuiden daarvan vinden we Germaanse plaatsnamen en sporen van Saksische aanwezigheid, maar dat bewijst niet automatisch dat de hele bevolking in de elfde eeuw nog een Germaanse volkstaal sprak. Wel dat er Germaanse taaleilanden bestonden in de overgangszone.

Hetzelfde geldt voor Normandië. Ook daar bestaan duidelijke sporen van vroegere Germaanse en Saksische aanwezigheid, naast de latere Scandinavische kolonisatie. Onderzoek naar de Normandische toponymie toont verschillende lagen van Germaans, Saksisch en Scandinavisch taalcontact. Maar tegen de tijd van Willem was de gesproken taal van de Normandische elite Romaans geworden. Maar zeg niet zomaar Frans tegen dat Normandisch-Romaans.

Ik herhaal: kijk nog eens naar die drakars op het wandtapijt en zeg me of je daar Fransen ziet. Waarom zou dat met taal en cultuur anders zijn? Met de Romaanse en de Germaanse/Dietse talen die de elite van de coalitie spraken was er voldoende taalkennis aanwezig om elkaar te verstaan, richting de vijand te varen en hem in Hastings te verslaan.

De Engelsen schuiven met honderdduizenden deze dagen in Londen aan om het wandtapijt van Bayeux te zien. Gelijk hebben ze, want het is ook ‘hun’ wandtapijt, want steeds meer onderzoek wijst erop dat het werk in Engeland werd vervaardigd, mogelijk door Engelse borduursters in Canterbury, naar ontwerp of in opdracht van een Normandische opdrachtgever.

En het echte verhaal van deze geschiedenis, waarin het Normandische en het Engelse — en niet eenvoudigweg het latere Franse — verhaal centraal staan, dient opnieuw te worden geschreven.

Gepubliceerd

10.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Monologen in de schaduw

Het wordt me dikwijls gevraagd: waarom is de discussie over de Frans-Vlaamse standaard en de Nederlandse standaardtaal in Frans-Vlaanderen tegenwoordig zo op de spits gedreven?

Eerst de taalsituatie: de aantallen Frans-Vlaamssprekenden zijn gesmolten als ijs onder de zon. Rond 1975 sprak men nog van 120.000 mensen die die streektaal nog spraken. Vandaag is er, in het beste geval, sprake van een paar duizend mensen, meestal boven de 80 jaar. En van het dubbele aantal dat nog flarden ervan verstaat. In die tijd kon je nog schrijven – zonder meteen te worden aangevallen – dat het Frans-Vlaams niet op zichzelf stond als dialect, gesproken binnen de Franse staatsgrenzen, en dat de verwantschap en de link met het Nederlands vanzelfsprekend waren.

Wat ook veranderde: er zijn mensen opgedoken, meestal niet aanwezig op het appel van de Vlaamse kringen van mijn jonge jaren, die alleen het sentiment (het dialect van onze ouders) zijn gaan promoten en vinden dat jonge mensen tegelijk geen recht hebben om een taal gericht op de toekomst te leren.

Enkelen van deze lobbyisten van het Frans-Vlaams zijn niet bepaald geholpen door veel kennis van het Frans-Vlaams die ze promoten. Het zijn dikwijls mensen uit het Engelse taalonderwijs geweest die hun gebrek aan kennis van onze taal compenseren door broederlijke netwerking rond de squares aan de Opaalkust. Ze denken in de plaats van hun militanten die het spel niet doorhebben. De netten van deze heren vissen tot in de politiek van de Hauts-de-France, waar andere geïnitieerden de sleutel van de subsidiekas bewaken. De jacobijnse kameraden waken, opdat onze taal tot een Franse streektaal blijft binnen de heilige staatsgrenzen. Alleen Frans erfgoed heeft recht op financiële steun, mits men kleur in de vakjes van het ene en ondeelbare Frankrijk.

Het is door deze heerschappen in de schaduwzone dat elke vorm van dialoog en welwillendheid is verdwenen. Je erkent ze niet zozeer aan hun blauwe speeltje, dan wel aan een methodiek die kenmerkend is voor kringen die in de schaduw handelen: niet ingaan op verzoeken tot debat en dialoog, nooit bevestigen of ontkennen, of subtiel van onderwerp veranderen. Niet-ingewijden zijn geen partij om mee te spreken. Achter de schermen: tegenstanders in kaart brengen en hun activiteiten maximaal verdacht maken. Leuk is om de juiste drones te lanceren: de tegenstander is een fascist, een racist, een nationalist, een separatist of een irredentist, of een beetje van dit alles.

Eens de dialectiek op punt staat, wordt elke vorm van tegensprekelijk debat demonstratief en kwaadwillig geweigerd. Men zegt ons, grof samengevat, dat men niet spreekt met mensen zoals wij. Erger nog: dat we geen recht van spreken hebben, omdat we hun ‘waarden’ niet delen. ‘Waarden’ van ‘dialoog’ en ‘welwillendheid’, welteverstaan. Kortom, de lobby van het Vlaamsch debatteert bijna uitsluitend met zichzelf en voor zichzelf, en met de broeders aan de kassa.

Gepubliceerd

09.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Vital Celen, Een pionier van de Frans-Vlaamse zaak

Op 8 september 1956 overleed in Antwerpen Prof. Dr. Vital Celen (°1887), germanist, hoogleraar Nederlandse letterkunde en schrijver. Celen verwierf vooral naam als kenner van de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen (1654–1707). Zijn studie van De Swaen bracht hem in contact met Frans‑Vlaanderen, een regio die zijn levenslange belangstelling zou bepalen.

Tussen 1927 en 1934 publiceerde Celen, met steun van Camille Huysmans en Maurits Sabbe, de volledige werken van De Swaen. Het was een titanenwerk dat vandaag nauwelijks nog denkbaar is.

Gaandeweg ontpopte Celen zich tot een pionier en onvermoeibare pleitbezorger van de Frans‑Vlaamse zaak in Vlaanderen. Hij onderhield nauwe banden met drie generaties Frans‑Vlamingen: – prof. Camille Looten – Jean‑Marie Gantois, leider van het Vlaams Verbond van Frankrijk – dichter Emmanuel Looten.

Achter de schermen leverde Celen talloze diensten: hij schreef artikels, vertaalde teksten, hielp publicaties mogelijk maken en stelde zijn netwerk royaal ter beschikking. Hij werd zo een discrete maar cruciale schakel in de culturele heropleving van Frans‑Vlaanderen.

In de jaren ’40 en ’50 schreef Celen de belangrijkste boeken over het onderwerp, waaronder: • Fransch‑Vlaanderen. Letterkundige betrekkingen met Vlaanderen. Herleving van het nationaliteitsgevoel (1933) • Zoo schrijven de Fransch‑Vlamingen (1943) • Frans‑Vlaanderen in woord en beeld (1948) • Het Nederlands in Duinkerke door de eeuwen heen (1951) • Stemmen van trouw uit Frans‑Vlaanderen (1954)

Bij zijn begrafenis in Hulshout, zijn geboortedorp, was een delegatie Frans‑Vlamingen aanwezig, met voorop Jean‑Marie Gantois en Emmanuel Looten. Op zijn opvallende grafsteen is een kaart van de Nederlanden — mét Frans‑Vlaanderen — in het steen gebeiteld, als blijvend symbool van zijn engagement.

Gepubliceerd

08.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Interview met Mark Ingelaere

In  Frans-Vlaanderen werd een taalmoord gepleegd op onze taal

Vorige week bracht ik in Stavele een bezoek aan het nieuwe centrum waar de boeken en documenten van Cyriel Moeyaert worden bewaard.

Initiatiefnemer Mark Ingelaere, de man achter de vele opnames met de laatste sprekers van het Vlaams van Frans-Vlaanderen, had mij uitgenodigd voor een interview en een opname naar aanleiding van mijn nieuwste boek

TAALMOORD, over taal, identiteit en gemeenschap.

Er is nog veel werk om alles verder te sorteren, te ordenen en te archiveren, maar ik was al bijzonder aangenaam verrast door wat ik zag.

De ruimte is hedendaags ingericht en tegelijk sterk verbonden met de leefwereld van Cyriel Moeyaert. Zijn boekenkasten en bureau hebben er een prominente plaats gekregen. De vele lijsten aan de muren bevatten prenten, foto’s, kaarten en schilderijen die vroeger de muren van zijn huis in Sint-Jan-ter-Biezen sierden.

Wie dikwijls bij Cyriel op bezoek is geweest, voelt zich hier dan ook onmiddellijk thuis.

De boeken staan netjes geordend in de kasten, zelfs beter dan vroeger. Daarnaast worden vele thematische dossiers en dozen met engelengeduld samengesteld en aangevuld.

Duizenden paperassen, brieven, nota’s en artikels die Cyriel gedurende zijn leven schreef, uitknipte, verzamelde en deels opstapelde in dozen, worden zorgvuldig gesorteerd en geïnventariseerd.

Deze nochtans unieke documentatie dreigde verloren te gaan. Mark Ingelaere heeft ze, stel je voor,  op het nippertje van het oude papier gered en ervoor gezorgd dat dit waardevolle erfgoed bewaard blijft.

Hoed af voor deze prestatie.

Het centrum is dan ook een ideale plaats om te spreken over de taal en de identiteit van Frans-Vlaanderen en dus ook over mijn boek Taalmoord.

In het interview hebben we het over de teloorgang van het Vlaams in Frans-Vlaanderen, over de betekenis van taal voor de identiteit van een gemeenschap en over de historische ontwikkeling die ertoe heeft geleid dat onze taal daar steeds verder werd teruggedrongen.

De verhalen en getuigenissen van de laatste sprekers vormen daarbij een bijzonder waardevolle bron. Ze laten niet alleen zien hoe een taal kan verdwijnen, maar ook wat die taal betekende voor de mensen die haar generaties lang spraken.

Mijn bezoek aan het centrum in Stavele maakte nogmaals duidelijk hoe belangrijk het is om deze documenten, getuigenissen en herinneringen voor de toekomst te bewaren.

Het documentatiecentrum in Stavele is niet alleen een verzameling oude boeken en papieren. Het vormt een belangrijk stuk van het culturele en taalkundige geheugen van Frans-Vlaanderen op een boogscheut van de schreve.

Het interview kan je integraal beluisteren en bekijken via YouTube:

En mijn boek is te verkrijgen in de boekhandel op via mijn blog widopedia.eu. in Frans-Vlaanderen kan je het kopen in het Huis van de Slag in Noordpene.

Gepubliceerd

07.09.2026

Kernwoorden
Reacties