Op 4 september 1896 werd in Rijsel de Frans-Vlaamse voorman, schrijver en mentor Nicolas Bourgeois geboren. Nicolaas, voor de vrienden.
Een bijzonder knappe kop was hij. Oud-leerling van de befaamde École Normale Supérieure, waar hij politieke wetenschappen en geschiedenis studeerde en later doctoreerde in de rechten.
Hij bleef bovendien zijn leven lang contact houden met zijn studiemakkers van de ‘Normale Sup’: de historicus Pierre Gaxotte, de fysicus en Nobelprijswinnaar Alfred Kastler en de specialist in de Indo-Europese studies Georges Dumézil.
Zijn naam is verbonden met zowat alle mogelijke initiatieven voor zelfbestuur en tegen het jakobijnse centralisme in Frankrijk. Hij was secretaris van de Franse Federalistische Federatie van Charles-Brun, rechterhand van Jean-Marie Gantois in het Vlaams Verbond van Frankrijk en verbindingsman tussen allerlei regionalistische stromingen vanaf de jaren twintig.
Maar Nicolaas had nóg een bijzondere gave: hij schreef sneller dan zijn schaduw.
Zijn leven lang schreef hij voor Frans-Vlaamse bladen en tijdschriften. Tijdens het interbellum, toen hij nog in Parijs woonde en werkte, was hij correspondent van De Standaard. Als secretaris van de Parijse gemeenteraad schreef hij bovendien teksten voor Franse politici van allerlei pluimage. Ghostwriter avant la lettre, dus.
Hij noemde zichzelf daarom weleens ‘de papegaai van Parijs’.
De naam Nicolas Bourgeois kom je vandaag evenwel niet zo vaak tegen. Veel van zijn artikelen, onder meer in Le Lion de Flandre, verschenen onder een schuilnaam of gewoon anoniem. Niet onlogisch: een goede ghostwriter loopt nu eenmaal liever achter de schermen.
Ooit heb ik samen met Nicolaas geprobeerd de lange lijst van zijn schuilnamen te reconstrueren. Een moedige onderneming. Maar eerlijk gezegd: het was onbegonnen werk.
Naast talloze artikelen schreef Bourgeois ook een reeks boeken en essays. Zijn bekroonde doctoraat verscheen in boekvorm als Proudhon, le fédéralisme et la paix en bleef lange tijd een referentiewerk voor de studie van Proudhon en het federalistische gedachtegoed.
Ook als romanschrijver werd hij door de stad Rijsel bekroond, voor Le berceau sous le Beffroi.
En Frans-Vlamingen van mijn generatie herinneren zich ongetwijfeld zijn latere boeken: La vie légendaire et véridique de Tisje-Tasje, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog al als vervolgverhaal verscheen in La Vie du Nord, en Les Hexagons, een anekdotische geschiedenis van Frankrijk die komaf maakt met de jakobijnse mythe van het eeuwige, onveranderlijke Frankrijk.
In de jaren zeventig had ik het geluk Nicolaas bijna wekelijks te ontmoeten. Aan die ontmoetingen heb ik later ook een boek gewijd.*
Een van onze gesprekken ging over onze Vlaamse streektaal en over het Nederlands.
Ik vroeg hem hoe hij die twee talen tegenover elkaar zag.
Zijn antwoord kwam prompt:
‘Beide verdienen onze inspanningen. Onze streektaal is de taal van het hart, en het Nederlands is de taal van het verstand. Het Vlaamsch mogen we koesteren. Het Nederlands hebben we broodnodig en moeten we leren voor de toekomst.’
Een uitspraak die mij is bijgebleven.
Misschien omdat er iets ontwapenend eenvoudigs in zit. Geen taalstrijd om de taalstrijd, maar een onderscheid tussen wat ons raakt en wat ons vooruithelpt.
De taal van het hart én de taal van het verstand.
Nicolaas Bourgeois had er alvast geen moeite mee om beide een plaats te geven.
04.09.2026